Animal QueenWebwinkel in dierbenodigdheden.http://www.animalqueen.nlMijnWebwinkel RSS 2.0 Feed v1.0Starter setshttp://www.animalqueen.nl/c-2489599/starter-sets/Let op!Worden niet op voorraad gehouden, op bestelling leverbaar.Kunnen verzonden worden! Wij proberen de producten zo goed mogelijk te verpakken, maar dit geeft geen garantie voor schade. Eventuele vervoerschade kunnen wij niet vergoeden, wij raden daarom aan om het bij ons af te halen!  Led verlichtinghttp://www.animalqueen.nl/c-2488656/led-verlichting/Repashyhttp://www.animalqueen.nl/c-2451143/repashy/Golliwooghttp://www.animalqueen.nl/c-2448400/golliwoog/Voorschakelapparatenhttp://www.animalqueen.nl/c-2431754/voorschakelapparaten/Kweekbakjeshttp://www.animalqueen.nl/c-2428634/kweekbakjes/Schuilplaatsenhttp://www.animalqueen.nl/c-2428628/schuilplaatsen/Visnettenhttp://www.animalqueen.nl/c-2428627/visnetten/Bodembedekkinghttp://www.animalqueen.nl/c-2389880/bodembedekking/Snackshttp://www.animalqueen.nl/c-2389703/snacks/Voedinghttp://www.animalqueen.nl/c-2329882/voeding/Overighttp://www.animalqueen.nl/c-2329634/overig/Roostershttp://www.animalqueen.nl/c-2329632/roosters/Handgrepenhttp://www.animalqueen.nl/c-2329246/handgrepen/Boekenhttp://www.animalqueen.nl/c-2324459/boeken/Achterwandenhttp://www.animalqueen.nl/c-2324445/achterwanden/Pigmenthttp://www.animalqueen.nl/c-2324442/pigment/Benodigdhedenhttp://www.animalqueen.nl/c-2168319/benodigdheden/Luchtpompenhttp://www.animalqueen.nl/c-2168314/luchtpompen/Uitstromershttp://www.animalqueen.nl/c-2168312/uitstromers/Slangenhttp://www.animalqueen.nl/c-2168311/slangen/Nestmateriaalhttp://www.animalqueen.nl/c-2168003/nestmateriaal/Beeldenhttp://www.animalqueen.nl/c-2092622/beelden/Transporthttp://www.animalqueen.nl/c-2089662/transport/Buitenverblijvenhttp://www.animalqueen.nl/c-2089661/buitenverblijven/Verblijven en hokken hebben en houden wij niet op voorraad! Houd dus rekening met een langere levertijd (2-3 weken). Kooienhttp://www.animalqueen.nl/c-2089660/kooien/Verblijven en hokken hebben en houden wij niet op voorraad! Houd dus rekening met een langere levertijd (2-3 weken). Buitenrennenhttp://www.animalqueen.nl/c-2089659/buitenrennen/Verblijven en hokken hebben en houden wij niet op voorraad! Houd dus rekening met een langere levertijd (2-3 weken). Knaagstenenhttp://www.animalqueen.nl/c-2089654/knaagstenen/Waterflessenhttp://www.animalqueen.nl/c-2089653/waterflessen/Schalen en bakjeshttp://www.animalqueen.nl/c-2089651/schalen-en-bakjes/Voer- en Waterbakkenhttp://www.animalqueen.nl/c-2089649/voer-en-waterbakken/Huisjeshttp://www.animalqueen.nl/c-2089253/huisjes/Bedjeshttp://www.animalqueen.nl/c-2088922/bedjes/Hangmattenhttp://www.animalqueen.nl/c-2088871/hangmatten/Kooi Accessoireshttp://www.animalqueen.nl/c-2088868/kooi-accessoires/ACTIE!http://www.animalqueen.nl/c-2000106/actie/*voor alle aanbiedingen geldt OP=OP!Levering & Retourneringhttp://www.animalqueen.nl/c-1999594/levering-amp-retournering/De leveringstijd van uw bestelling kan variëren. Normaal gesproken wordt uw bestelling altijd binnen 5 werkdagen na betaling geleverd. In de meeste gevallen zelfs sneller! Mocht het zo zijn, dat de artikelen die u bestelt niet direct op voorraad zijn, kan de levertijd oplopen tot maximaal 3 weken. Wij zullen u altijd op de hoogte brengen wanneer uw bestelling vertraging dreigt op te lopen. U heeft  dan het recht om uw bestelling te annuleren. Verzendkosten: Normaal gesproken worden alle pakketten per PostNL verstuurd en gelden daarbij de tarieven die PostNL hanteert. Gratis verzending: Boven een bedrag van € 100,00 verzenden wij gratis uw pakket. Uw betaalt dan ook geen verzendkosten. Afhalen: U kunt bij ons uw bestellingen afhalen, dit kan echter alleen op afspraak. Neem hiervoor contact met ons op via de contactbutton! Retourzendingen: Wij besteden de grootste zorg aan al onze leveringen. Desondanks kan het altijd voorkomen dat er iets mis gaat. Indien uw product niet aan uw verwachtingen voldoet of als er om enige reden een mankement aan is, zullen wij dit te allen tijde op een passende manier voor u oplossen. De kosten voor de retourzending zijn altijd voor van u als koper, tenzij schriftelijk anders overeengekomen. Vanwege het garanderen van goede kwaliteit van onze voedseldieren kunt u deze nooit retourzenden! Stuur nooit producten retour zonder overleg! Wanneer uw product niet aan de verwachtingen voldoet of als er een mankement aan is, neem dan binnen 7 werkdagen na ontvangst contact met ons op per mail of telefoon. Stuur het artikel nooit zomaar op, overleg altijd eerst met ons. Zonder enige overleg/overeenkomst nemen wij retour zendingen niet aan. Controleer uw producten meteen bij ontvangst. U kunt producten uitsluitend retourneren, mits zij ongeopend en in de originele verpakking zijn. Geneesmiddelen en producten met een korte en beperkte houdbaarheid kunnen niet retour genomen worden. In geval van een manco, gebrek of foutieve prijsberekening dient u dit binnen 24 uur na ontvangst van het artikel te melden.Algemene voorwaardenhttp://www.animalqueen.nl/c-1998998/algemene-voorwaarden/  Artikel 1: Toepasselijkheid. 1.1. Deze Algemene Voorwaarden zijn van toepassing op alle onderhandelingen met, alle aanbiedingen van, alle bestellingen aan en alle overeenkomsten met Animal Queen, met uitsluiting van eventuele andere algemene voorwaarden. De aangeboden artikelen en/of diensten worden zo duidelijk en waarheidsgetrouw mogelijk afgebeeld en/of beschreven op de website en/of in schriftelijke aanbiedingen en/of andere media. Zij worden zo volledig als de redelijkheid vereist beschreven en bezitten de eigenschappen die door Animal Queen in het aanbod worden genoemd. In de aanbieding wordt duidelijk aangegeven wat de klant bij aankoop verschuldigd is en wat zijn rechten en verplichtingen zijn, indien hij op het aanbod ingaat. 1.2. Het accepteren van een aanbieding dan wel het doen van een bestelling geschiedt onder aanvaarding van de toepasselijkheid van deze voorwaarden. 1.3. Van het in deze Algemene Voorwaarden bepaalde kan slechts schriftelijk worden afgeweken. Indien van een onderdeel van deze Algemene Voorwaarden wordt afgeweken, blijven de overige bepalingen onverkort van kracht. 1.4. Alle rechten en aanspraken, zoals in deze Algemene Voorwaarden en in eventuele nadere overeenkomsten ten behoeve van Animal Queen worden bedongen, worden evenzeer bedongen ten behoeve van door Animal Queen ingeschakelde tussenpersonen en andere derden. 1.5. Indien door een gerechtelijke uitspraak of door een bindende uitspraak van een andere bevoegde instantie een van de artikelen van deze Algemene Voorwaarden ongeldig wordt verklaard, blijven de overige bepalingen van deze Algemene Voorwaarden in stand. Artikel 2: Prijzen. 2.1. De bij de artikelen genoemde prijzen zijn in Euro's en inclusief BTW, tenzij anders vermeld. De verzendkosten (tenzij anders vermeld) zijn niet bij de genoemde prijzen inbegrepen. 2.2. De verzendkosten van bestelling worden op de website vermeld, alsook bij uw bestellingoverzicht. 2.3. Animal Queen garandeert, dat de aangegeven artikelprijzen gedurende de looptijd van het aanbod niet in prijs verhoogd zullen worden, behoudens eventuele tussentijdse belastingverhogingen, wettelijke maatregelen of wijzigingen in BTW-tarieven. 2.4. In sommige gevallen is er sprake van actieprijzen. Deze actieprijzen zijn slechts gedurende een bepaalde periode geldig zolang de voorraad strekt. Op deze prijzen kan voor of na de bepaalde periode geen aanspraak worden gemaakt. 2.5. Animal Queen kan niet gehouden worden aan prijsvermeldingen die onjuist zijn, bijvoorbeeld als gevolg van zet- of drukfouten. Aan onrechtmatige prijsinformatie kunnen geen rechten worden ontleend. Artikel 3: Acceptatie van bestellingen. 3.1. Ongeacht de wijze van betalen, behoudt Animal Queen zich het recht voor om bestellingen niet uit te voeren of op een later tijdstip uit te voeren. Animal Queen is eveneens gerechtigd artikelen slechts te leveren nadat de klant een volledige of door Animal Queen bepaalde vooruitbetaling heeft verricht. Op schriftelijk verzoek van de klant zal de reden daarvan aangegeven worden. 3.2.  Animal Queen behoudt zich het recht voor om de nodige inlichtingen in te winnen ter beoordeling van de kredietwaardigheid van de klant. 3.3. De klant is verplicht Animal Queen van iedere adreswijziging op de hoogte te stellen. Zolang Animal Queen geen verhuisbericht heeft ontvangen, wordt de klant geacht woonachtig te zijn op het laatst bij Animal Queen bekende adres en blijft de klant aansprakelijk voor de door hem bestelde artikelen die op het oude adres zijn afgeleverd. Door het plaatsen van een bestelling machtigt de klant Animal Queen om, indien nodig, zijn gegevens op te vragen bij de gemeentelijke bevolkingsadministratie of andere instanties. Artikel 4: Zichttermijn. 4.1. Voor alle aanbiedingen geldt een zichttermijn van 7 dagen, tenzij er bij de aanbieding uitdrukkelijk iets anders vermeld staat. 4.2. Tijdens de zichttermijn mogen de artikelen beoordeeld worden op kwaliteit en uitvoering. 4.3. De zichttermijn houdt eveneens in dat de klant gerechtigd is binnen de zichttermijn beoordeelde artikelen zonder enige verplichting zijnerzijds in originele verpakking te retourneren. De geretourneerde artikelen mogen niet gebruikt of beschadigd zijn. Tevens dient de klant alle voorwaarden voor terugzending na te leven. De kosten voor de retourzending komen ten laste van koper c.q. klant. 4.4. De zichttermijn gaat in op de dag van aflevering van het artikel door de TPG-Post of expediteur. 4.5. De bewijslast dat de klant tijdig gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om te retourneren binnen de zichttermijn rust bij de klant. Artikel 5: Totstandkoming koopovereenkomst. 5.1. De koopovereenkomst wordt geacht gesloten te zijn op de werkdag volgend op de dag van het verstrijken van de zichttermijn, uiterlijk 7 dagen na de datum vermeld op de factuur, indien de artikelen niet binnen deze zichtdatum op de door Animal Queen aangegeven wijze zijn teruggezonden, of indien de zichttermijn conform artikel 3.1. is uitgesloten, op de werkdag volgend op de datum vermeld op de factuur. Artikel 6: Levering. 6.1. Animal Queen zal al het mogelijke doen om geaccepteerde bestelingen zo spoedig mogelijk uit te leveren. Indien de levering vertraging oploopt, hetzij door tijdelijk niet in voorraad zijn, hetzij om andere redenen, of indien een bestelling niet of slechts gedeeltelijk kan worden uitgevoerd, zal de klant daarvan binnen 30 dagen bericht ontvangen. De klant heeft in dat geval het recht om de bestelling zonder kosten te annuleren en zal Animal Queen voor terugbetaling zorgdragen. 6.2. Indien spoedige levering van een besteld artikel onmogelijk blijkt te zijn, zal Animal Queen zodanige inspanningen verrichten als de redelijkheid en billijkheid met zich brengen om een vervangend artikel beschikbaar te stellen. Ten laatste bij de bezorging zal op duidelijke en begrijpelijke wijze worden gemeld dat een vervangend artikel wordt geleverd. Tenzij de klant binnen de zichttermijn anders aangeeft, zal ervan worden uitgegaan dat de vervangende zaak aan het bestelde beantwoordt. De klant heeft binnen de zichttermijn het recht om het vervangende artikel te weigeren en op kosten van Animal Queen prompt terug te zenden. 6.3. Afwijkingen in kleur- en/of typewijzigingen zijn voorbehouden. 6.4. De wijze van vervoer wordt door Animal Queen bepaald. De klant betaalt de verzendkosten. Indien de bestelling in gedeelten wordt uitgevoerd, zal deze bijdrage slechts één keer worden berekend. De toepasselijke verzendkosten staan op de website vermeld. 6.5. Geen van de partijen is gehouden tot het nakomen van enige verplichting indien deze daartoe verhinderd is als gevolg van een omstandigheid die niet te wijten is aan diens schuld. Vertraging bij of tekortkoming in de nakoming door toeleveranciers van Animal Queen, vervoersmoeilijkheden, werkstakingen, wettelijke bepalingen, brandschade, diefstal en/of natuurrampen, gelden uitdrukkelijk als overmacht. 6.6. Animal Queen heeft in geval van overmacht het recht om, naar eigen keuze, de uitvoering van de bestelling van een klant op te schorten, dan wel de overeenkomst te ontbinden, zulks door dit schriftelijk aan de klant mee te delen en zulks zonder dat Animal Queen gehouden is tot enige schadevergoeding, tenzij dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Artikel 7: Transportrisico. 7.1. Animal Queen draagt het risico van beschadiging en verlies van de artikelen tijdens transport door een expediteur, bij verzending per (brievenbus)post draagt de klant het risico van verlies. Nadat de artikelen door de klant in ontvangst zijn genomen, gaat het risico van beschadiging en verlies op de klant over. 7.2. In geval van retourzending binnen de zichttermijn gaat het transportrisico opnieuw op Animal Queen over, nadat de artikelen door de TPG-post of de door Animal Queen aangewezen vervoerder in ontvangst zijn genomen. 7.3. Indien één of meer artikelen zoek zijn geraakt, verplicht de klant zich ertoe op de eerste aanvraag zijn medewerking te verlenen bij het onderzoek. Bij het niet voldoen aan deze verplichting is Animal Queen gerechtigd de prijs van de artikelen op de klant te verhalen. Artikel 8: Garantie. 8.1. Animal Queen garandeert de deugdelijkheid en/of bruikbaarheid van de door haar geleverde artikelen, conform de aangeboden specificaties, alsook de niet-strijdigheid met de op de datum van de totstandkoming van de overeenkomst bestaande wettelijke bepalingen en/of overheidsvoorschriften. De op de factuur vermelde dagtekening geldt als ingangsdatum voor de garantie. 8.2. Elk gebrek aan een artikel, dat is ontstaan bij een in overeenstemming met de bestemming van de artikelen normaal en oordeelkundig gebruik, zal door Animal Queen op schriftelijk verzoek van de klant binnen de garantieperiode het artikel gratis worden vervangen. Indien de klant terecht om vervanging verzocht, is Animal Queen te hare keuze eveneens gerechtigd om voor teruggave van de koopprijs te kiezen. 8.3. Voor zover de fabrikant nadere uitsluitingen maakt in het fabrieksgarantiebewijs, worden deze beperkingen door Animal Queen overgenomen. 8.4. In geval van zichtbare gebreken dient de klant het artikel, op kosten van Animal Queen, te retourneren binnen de zichttermijn, onder mededeling van het gebrek. 8.5. In geval van verborgen gebreken, of in geval van zichtbare gebreken na de zichttermijn, dient elke klacht toe te komen binnen 7 dagen nadat het gebrek redelijkerwijze door de klant geconstateerd kon zijn. De klacht dient een beschrijving van grieven en/of geconstateerde gebreken te behelzen en kan uitsluitend schriftelijk plaatsvinden. Indien de klant niet schriftelijk om herstel dan wel vervanging verzoekt, beslist Animal Queen of het artikel vervangen zal worden. Bij artikelen die de klant op eigen initiatief opstuurt, komen de vervoerskosten voor diens rekening. Animal Queen is in dat geval niet aansprakelijk voor schade ontstaan tijdens het vervoer. 8.6. Animal Queen is niet aansprakelijk voor schade die de klant of een derde lijdt door het gebruik van een door Animal Queen geleverd artikel, tenzij de klant aantoont dat de schade ontstaan is door opzet of grove schuld van Animal Queen. 8.7. (In)directe kosten of schade bij de klant of een derde, veroorzaakt door het buiten gebruik zijn van een defect artikel, komen niet voor vergoeding in aanmerking, tenzij de klant aantoont dat de kosten of schade ontstaan zijn door opzet of grove schuld van Animal Queen. Artikel 9: Betalingsvoorwaarden. 9.1. Alle bestelling aan Animal Queen dienen volledig vooruit betaald te worden. Na ontvangst van de betaling door Animal Queen zullen de bestelde artikelen worden verzonden. Betaling geschiedt zonder enige inhouding of verrekening en zonder dat de klant zijn betalingsverplichting door beslag onder zichzelf of anderszins mag blokkeren. 9.2. Animal Queen kan, bij uitzondering, besluiten dat artikelen volledig of gedeeltelijk op rekening gekocht mogen worden. Bij een overeengekomen vooruitbetaling dient binnen de overeengekomen termijn te worden betaald. 9.3. Bij retournering binnen de zichttermijn kan de (aan)betaling verrekend worden met een eventueel uitstaand saldo, of, wanneer er geen uitstaand saldo is, op diens verzoek aan de klant worden terugbetaald. 9.4. Indien een verschuldigd bedrag niet op de overeengekomen termijn is betaald, wordt het gehele uitstaande bedrag onmiddellijk in rechte opeisbaar. Levering van verdere bestellingen zal worden opgeschort tot de klant zijn betalingsverplichtingen nakomt. Zonder nadere ingebrekestelling zal de klant vanaf het verstrijken van de overeengekomen betalingstermijn een onmiddellijke opeisbare vertragingsrente van 2% per maand verschuldigd zijn, waarbij een gedeelte van een maand als een hele maand wordt gerekend. 9.5. Door derden aan Animal Queen in rekening gebrachte kosten voor afwikkeling van het betalingsverkeer, zowel in als buiten rechte, zullen aan de klant in rekening worden gebracht. Artikel 10: Eigendomsvoorbehoud. 10.1. Alle door Animal Queen krachtens een overeenkomst aan de klant geleverde artikelen blijven eigendom van Animal Queen totdat alle bedragen, die de klant verschuldigd is, voor de volgens de overeenkomst geleverde of te leveren artikelen en/of diensten zijn voldaan. Hierin begrepen zijn ook de bedragen zoals bedoeld in artikel 8.4. en artikel 8.5. 10.2. Indien op door Animal Queen volgens een overeenkomst aan de klant geleverde artikelen beslag wordt gelegd, dient de klant Animal Queen hiervan terstond op de hoogte te stellen. De klant dient bij een eventueel beslag bij een ten aanzien van de klant verleende surseance van betaling of bij een uitgesproken faillissement van de klant onmiddellijk de beslagleggende deurwaarder, de bewindvoerder of de curator te wijzen op het eigendomsrecht van de door Animal Queen geleverde en nog niet betaalde artikelen. 10.3. Indien de klant zijn verplichtingen niet nakomt of er een gegronde vrees bestaat dat hij dit niet zal doen, behoudt Animal Queen zich het recht voor de afgeleverde artikelen, waarop het in artikel 9.1. bedoelde eigendomsvoorbehoud rust, op kosten van de klant of derden die de zaak voor de klant houden, weg te halen of weg te doen halen. De klant is verplicht hiertoe alle medewerking te verlenen op straffe van een boete van 10% van het door hem verschuldigde bedrag per dag. Artikel 11: Deelbetalingen. 11.1. Indien een bestelling in gedeelten wordt geleverd, is de klant verplicht hetgeen reeds ontvangen werd contant of conform de daarvoor vastgestelde termijnen te betalen. Wachten met betaling tot heel de bestelling ontvangen is, is niet toegestaan. Artikel 12: Terugbetalingen. 12.1. Reeds betaalde bedragen voor artikelen die binnen de zichttermijn worden geretourneerd of door de klant verrichte vooruitbetalingen, op grond van door Animal Queen gestelde voorwaarden, zullen bij het niet tot stand komen van de overeenkomst worden terugbetaald. 12.2. Terugbetaling zal geschieden binnen 30 dagen nadat de klant schriftelijk heeft aangegeven hoe hij de terugbetaling uitgevoerd wil zien. Artikel 13: Persoonregistratie. 13.1. Door het plaatsen van een bestelling worden gegevens opgeslagen in de persoonregistratie van Animal Queen. 13.2. Op schriftelijk verzoek van de klant zullen de opgeslagen persoongegevens hem ter inzage worden verstrekt, tegen betaling van de kosten. Eventuele door de klant meegedeelde correcties zullen in de registratie worden verwerkt, tenzij de correcties onjuist blijken te zijn. 13.3. Animal Queen verstrekt, zonder wettige redenen, of buiten het doel van haar persoonregistratie, geen gegevens aan derden waardoor de privacy van de klant in het geding komt. Artikel 14: Overige bepalingen. 14.1. De juistheid van alle door Animal Queen opgegeven bedragen wordt geacht vast te staan, tenzij de klant binnen een tijdstip van twee maanden na ontvangst van het voor hem bestemde rekeningoverzicht Animal Queen schriftelijk op de hoogte heeft gebracht van vermeende onjuistheden. 14.2. Voor de gevolgen van zetfouten of de website of andere vormen van media kan Animal Queen geen aansprakelijkheid aanvaarden. 14.3. De klant dient alle intellectuele en industriële eigendomsrechten, welke rusten op de door Animal Queen geleverde producten geheel en onvoorwaardelijk te respecteren. 14.4. Animal Queen garandeert niet dat de aan de klant geleverde artikelen geen inbreuk maken op enig (ongeschreven) intellectueel en/of industrieel eigendomsrecht van derden. 14.5. Animal Queen is gerechtigd haar verkoopvoorwaarden na het verstrijken van de looptijd van een catalogus te wijzigen. 14.6. Door het plaatsen van een bestelling verklaart elke klant zich zonder voorbehoud akkoord met bovenstaande verkoopvoorwaarden. 14.7. Op deze verkoopvoorwaarden is uitsluitend het Nederlandse Recht van toepassing. Artikel 15: Wijziging en vindplaats van de voorwaarden. Deze voorwaarden zijn gedeponeerd op de website van de gebruiker (www.animalqueen.nl). Van toepassing is steeds de laatst gedeponeerde versie c.q. de versie zoals die gold ten tijde van het totstandkomen van de overeenkomst.Over onshttp://www.animalqueen.nl/c-1998983/over-ons/Welkom op de website van Animal Queen, uw online dierenspeciaalzaak. Na een studie dierkunde te hebben gedaan, veel ervaring opgedaan te hebben in diverse takken van dierenwelzijn en dierverzorging en na het jarenlang kweken met reptielen, hebben wij besloten om van onze hobby een fulltime dagtaak te maken en een webwinkel op te zetten. Wij bieden op onze website diervoeding en dierbenodigdheden aan voor o.a. terrariumdieren, aquariumdieren en knaagdieren. We hopen op zeer korte termijn ook producten te kunnen leveren van andere diergroepen, zoals voor honden, katten en vogels. Ook zullen de bestaande diergroepen steeds verder uitbreid worden. Houd deze site dus goed in de gaten, u kunt elke dag iets nieuws tegenkomen! Wij zijn gevestigd in Ingen en hebben geen winkelpand. Wel kunt u uw producten op afspraak bij ons afhalen. Neem hierover contact met ons op (zie contactbutton).Liefhebbersverenigingenhttp://www.animalqueen.nl/c-1991666/liefhebbersverenigingen/Wie een huisdier heeft, kan behoefte hebben aan het uitwisselen van ervaringen met andere liefhebbers. Zeker bij minder vaak voorkomende soorten kan het fijn zijn om van gedachten te wisselen met ervaren houders. Bovendien kan het leuk zijn om nieuwe mensen te ontmoeten die uw interesse delen. Hoe komt u aan de juiste adressen? Liefhebbers van een bepaalde diersoort kunnen zich verenigen in clubverband. Daar kunnen kennis en ervaring worden uitgewisseld. Ook worden er onderling wel dieren geruild of verkocht. Het kan leuk en nuttig zijn om lid te worden van zo’n vereniging. Er zijn overkoepelende organisaties waarbij dergelijke verenigingen zich kunnen aansluiten. Via deze organisaties en hun websites kunt u meestal wel een vereniging vinden in uw buurt. Een aantal van deze organisaties staan hieronder genoemd. Blijf wel altijd kritisch met betrekking tot de informatie die binnen verenigingen, op fora en op andere wijze tussen liefhebbers wordt uitgewisseld. Er is veel kennis aanwezig, maar men komt ook ‘broodje aap’ verhalen tegen. Het LICG is op geen enkele manier verantwoordelijk voor de informatie die via websites, op fora of op andere wijze binnen en door onderstaande organisaties wordt verspreid. Zoogdieren Honden: Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland Katten: Felikat Mundikat Paarden: Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS) Nederlandse Vereniging voor Vrijetijds Ruiters (NVVR) Vereniging Eigen Paard Overige zoogdieren: Kennisnet CapraOvis (geit en schaap) Kleindier Liefhebbers Nederland (KLN) (voor o.a.(dwerg)hoenders, konijnen, siervogels, sierduiven, cavia’s, kleine knagers en watervogels) Stichting Zeldzame Huisdierrassen Vogels Aviornis Kleindier Liefhebbers Nederland (KLN) (voor o.a.(dwerg)hoenders, konijnen, siervogels, sierduiven, cavia’s, kleine knagers en watervogels) Nederlandse Bond van Sierduivenliefhebbers-verenigingen (NBS) Nederlandse DFKP-club (de speciaalclub voor fokkers en liefhebbers van oorspronkelijke duiven, lachduiven, diamantduiven, Frankolijnen, Kwartels en Patrijzen) Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (NPO) Speciaalclub Europese Cultuurvogels Stichting Zeldzame Huisdierrassen Reptielen Samenwerkende Aquarium- en Terrarium Organisaties (SATO) Stichting Doelgroep Groene Leguanen Amfibieën Samenwerkende Aquarium- en Terrarium Organisaties (SATO) Vissen Nishikigoi Vereniging Nederland Samenwerkende Aquarium- en Terrarium Organisaties (SATO) Ongewervelden Landheremietkreeft.nl Vogelspinnen Vereniging Nederland (VVN) (Bron: www.licg.nl)Identificatie en registratiehttp://www.animalqueen.nl/c-1991665/identificatie-en-registratie/Om allerlei redenen kan het belangrijk zijn dat huisdieren geïdentificeerd kunnen worden en dat de bij het dier horende gegevens worden opgeslagen. Bijvoorbeeld als uw dier is weggelopen en wordt gevonden, zodat het kan worden teruggebracht. Maar ook als het gaat om controle aan de grens, zodat er geen illegaal gevangen dieren kunnen worden geïmporteerd. Ook bij het bestrijden van dierziekten speelt identificatie en registratie een rol. Zo kan men bijvoorbeeld zien of de vaccinaties in een dierenpaspoort wel echt bij dit specifieke dier horen. LET OP: het chippen en registreren van uw huisdier geldt (net als een paspoort) niet als eigendomsbewijs! Wat is chippen? Als een dier gechipt wordt, wordt een microchip met behulp van een injectienaald ingebracht. Bij honden en katten gebeurt dit onder de huid, bij voorkeur ter hoogte van het linker schouderblad. Voor andere diersoorten, zoals koi, paarden en papegaaien gebeurt het op een andere plek. Bij bijvoorbeeld paarden wordt de microchip in de spieren geplaatst. Het inbrengen van de chip is bijna pijnloos voor het dier. U kunt uw dier laten chippen bij uw dierenarts of bij een dierenasiel bij u in de buurt. Registratienummer De chip bevat een uniek registratienummer. Met een speciaal afleesapparaat wordt dit nummer zichtbaar. Dit nummer bestaat uit vijftien cijfers. De eerste drie cijfers vormen meestal de landcode. Voor Nederland is de landcode 528. Gevonden dieren kunnen zowel in Nederland als in het buitenland gecontroleerd worden op de aanwezigheid van een chip. Zowel voor als na het inbrengen van de chip controleert degene die de chip inbrengt of het registratienummer afleesbaar is. Ook controleert hij of het registratienummer overeenkomt met de barcode die op de bij de chip geleverde stickers staat. Door de chip kan uw dier, mits de gegevens van u als houder ook geregistreerd zijn, altijd geïdentificeerd worden. Zonder registratie van uw gegevens is een koppeling met de chip in uw dier niet mogelijk. Uw dier kan dan niet geïdentificeerd worden. Vandaar dat altijd gesproken wordt over identificatie én registratie. Klein buisje De officiële naam van een chip is transponder. Dit is een heel klein buisje van bioglas of kunststof. De chip is ongeveer zo groot als een rijstkorrel: 14 millimeter. In het buisje zit een klein stukje micro-elektronica. De micro-elektronica bestaat uit een spoel en een microchip. In de microchip zit het unieke registratienummer opgeslagen. Wanneer een afleesapparaat in de buurt van de chip gehouden wordt, gaat in de spoel een kleine inductiestroom lopen. Deze inductiestroom activeert de computerchip: de chip zendt een signaal uit. Het afleesapparaat vangt dit op; het unieke registratienummer kan worden afgelezen. Zonder afleesapparaat doet de chip niks: er zit geen batterij of andere energiebron in. Waarom is het verstandig om mijn dier te laten chippen? Mocht uw dier onverhoopt weglopen, de weg niet terug kunnen vinden en worden gevonden, dan kunt u in de meeste gevallen, dankzij de chip in uw dier, opgespoord worden als houder van het dier. De kans is dan groot dat u en uw dier herenigd kunnen worden. Wat zijn de voordelen van chippen? Een chip is diervriendelijk en gemakkelijk af te lezen. De chip heeft een uniek registratienummer, waardoor uw dier altijd geïdentificeerd kan worden. Een chip gaat een dierenleven lang mee. Uw dier voelt de chip niet. Een chip tast de gezondheid van het dier niet aan. Een chip is fraudebestendig: verwijderen is lastig en het registratienummer kan niet worden veranderd. Uw dier kan de chip niet verliezen. Een chip is niet ontsierend: hij zit immers onder de huid. Een chip is geschikt voor bijna alle diersoorten. Ook jonge dieren kunnen worden gechipt. Wat zijn de nadelen van chippen? Een chip is van de buitenkant niet zichtbaar. Voor het aflezen van de chip is een speciaal afleesapparaat nodig. In uitzonderlijke gevallen kan de chip zich een stukje door het lichaam verplaatsen. Dit gebeurt zeer zelden en het dier ondervindt hier geen nadelige effecten van. De chip zal slechts een paar centimeter verschuiven en blijft werkzaam. De gezondheid van het dier wordt niet aangetast. Niet alle afleesapparaten kunnen alle soorten chips aflezen. De zogenaamde ISO-chips kunnen meestal wel afgelezen worden. Overigens beschikken de meeste dierenartsenpraktijken en veel dierenasielen en dierenambulances over afleesapparatuur. Welke diersoorten kan ik laten chippen? U kunt uw hond of kat laten chippen. Maar ook bijvoorbeeld koi, papegaaien, fretten, slangen, schildpadden en dergelijke kunt u laten chippen. Voor paarden en paardachtigen geldt een chipverplichting. Ben ik verplicht mijn dier te laten chippen? Voor landbouwhuisdieren en veel soorten hobbydieren geldt een verplichte identificatie en registratie. Deze dieren worden meestal niet gechipt, maar dragen zogenaamde oormerken. Denk hierbij aan de gele labels aan de oren van bijvoorbeeld koeien, varkens en schapen. Voor paarden is het verplicht uw dier te laten identificeren en registreren. Voor honden, katten en fretten geldt een identificatieverplichting als u met ze naar het buitenland wilt reizen. Binnen de landen van de EU is daarvoor sinds 2 juli 2011 de chip verplicht. Rashonden waarvoor een stamboom wordt aangevraagd bij de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland worden in het nest gechipt. Dit betekent dat deze dieren bij de fokker een chip krijgen. Dit gebeurt soms ook bij raskatten, dit hangt af van de vereniging waarbij deze dieren zijn aangesloten. Voor diersoorten die vermeld staan op de CITES lijsten, is identificatie en registratie soms verplicht. Dit kan in veel gevallen gedaan worden door middel van een chip. Mijn dier is gechipt; en nu? Met chippen alleen bent u er niet. Uw dier kan alleen worden geïdentificeerd als het ook daadwerkelijk ergens geregistreerd staat. Daarom moet u een formulier invullen met uw gegevens. Soms doet de dierenarts dit al voor u. Door het formulier in te vullen en op te sturen, worden uw gegevens gekoppeld aan het unieke registratienummer in de chip. Er zijn verschillende databanken waar u uw dier kunt laten registreren. Zorg ervoor dat uw dier wordt ingeschreven bij een databank die altijd – dus 24 uur per dag en 7 dagen in de week- bereikbaar is. Uw dierenarts of een medewerker van het dierenasiel kan u hiermee helpen. Daarnaast vindt u op www.chipnummer.nl een overzicht van de verschillende databanken. Sommige databanken geven de keuze om uitsluitend het adres van de dierenarts te registreren. Doe dit niet, want als de dierenarts geen dienst heeft weet men nog niet waar het dier thuishoort. Bij sommige databanken is het ook niet mogelijk de dierenartsgegevens te wijzigen. Mocht u verhuizen of naar een andere dierenarts overstappen, dan blijft die chip levenslang geregistreerd met de naam van uw oude dierenarts. U kunt dan soms beter voor een andere databank kiezen. Zorg dat u veranderingen in de gegevens, zoals een verhuizing of een ander telefoonnummer, doorgeeft aan de databank. Anders verouderen de gegevens in de databank en is de kans op hereniging kleiner. Kosten Veel dierenartsen brengen voor het plaatsen van een chip een consult in rekening en een bedrag voor het plaatsen van de chip. Vaak regelen zij ook de registratie. Ook hiervoor vindt u een bedrag op uw rekening terug. Sommige dierenartsen hanteren één totaalprijs, waarin alles is inbegrepen. Het tarief dat de dierenarts in rekening brengt verschilt van dierenarts tot dierenarts. Als u uw dier wilt laten chippen, kunt u van tevoren bij uw dierenarts of het asiel naar de kosten hiervan informeren. Chippen wordt door sommige huisdierenzorgverzekeraars vergoed. Informeer bij uw zorgverzekeraar of uw polis de kosten van het chippen dekt. Campagne Juni Chipmaand Het LICG voert ieder jaar in Juni campagne om het chippen, registreren en controleren van met name honden en katten te stimuleren. De slagzin van de campagne is: “Maak van uw dier geen asielzoeker. Chip je dier! En laat het registreren!”.Identificatie en registratie heeft veel voordelen. Allereerst kan op deze wijze het aantal vermiste en zwerfdieren teruggebracht worden. Eigenaren die ook juist geregistreerd staan kunnen snel getraceerd worden. dit is met name bij katten belangrijk, omdat er veel katten zwerfen en/of in de opvang komen. Daarnaast heeft een goed identificatie systeem voor met name honden als voordeel dat de handel in honden beter in kaart gebracht kan worden. Ook heeft het identificeren van honden het voordeel dat honden met probleemgedrag, zoals agressie of bijten, gevolgd kunnen worden, ook als ze naar een nieuwe eigenaar gaan. Vele dierenartsen houden in deze maand acties met betrekking tot het chippen. Op de speciale campagnewebsite voor de Juni Chipmaand vindt u nog veel meer informatie over het chippen en registreren. Hier vindt u ook ieder jaar vanaf mei per provincie een overzicht van de met acties deelnemende dierenartsen. (Bron: www.licg.nl)Welk huisdier past bij kinderenhttp://www.animalqueen.nl/c-1991664/welk-huisdier-past-bij-kinderen/Mensen beginnen vaak aan een huisdier als er kinderen zijn. Kinderen vragen er zelf om, of men ziet de voordelen van het opgroeien met een huisdier voor kinderen en wil er daarom een aanschaffen. Een huisdier kan dan ook erg leuk en leerzaam zijn voor een kind. Maar het succes van een huisdier voor een kind staat of valt met de juiste keuze en een goede begeleiding. In een opwelling een knaagdier of konijn kopen omdat ze er zo schattig uitzien bij de dierenspeciaalzaak, of toegeven om van het gezeur af te zijn ‘als het kind dan maar wel belooft er helemaal zelf voor te zorgen’ zijn recepten voor mislukking en frustratie. Daar is niemand bij gebaat: u niet, uw kind niet, en ook het huisdier niet. Ook als u een huisdier aanschaft omdat u dat zelf graag wilt en u heeft kinderen, is het belangrijk om te weten waar u op moet letten. Niet elk huisdier combineert goed met kinderen, en in vrijwel alle gevallen zult u het kind moeten leren wat wel en niet kan in de omgang met het dier. Zo zorgt u voor het welzijn en de veiligheid van zowel kind als dier. In dit document leest u waar u om moet denken als u een dier wilt aanschaffen terwijl u kinderen heeft. Bedenk dat ook het karakter en temperament van uw kinderen meespeelt, en de hoeveelheid tijd die u heeft om de combinatie goed te begeleiden. Ook de leeftijd van het kind is belangrijk. Kleine kinderen, die zich nog niet goed kunnen inleven in een dier en zich nog niet goed door de ouders laten sturen, zijn moeilijker te combineren met dieren dan wat oudere kinderen vanaf een jaar of zes die beter te instrueren zijn. Oudere kinderen vanaf een jaar of tien kunnen wat verantwoordelijkheid aan om deels zelf voor een huisdier te zorgen. Het dragen van die verantwoordelijkheid moeten ze echter eerst leren, en daar zult u hen bij moeten begeleiden. Bedenk dat u als ouder altijd de eindverantwoordelijkheid blijft dragen! Overweegt u om een huisdier aan te schaffen voor uw kind omdat het graag een ‘eigen’ huisdier wil? Lees dan eerst het Praktisch document ‘Kinderen en een ‘eigen’ huisdier’, zodat u weet waar u rekening mee moet houden. Honden Een hond kan een prima toevoeging zijn aan een gezin met kinderen, maar niet elke hond is geschikt. Een veel gehoorde vraag is welke rassen “kindvriendelijk” zijn. Dat is eigenlijk niet te zeggen. Elke hond, van elk ras of kruising, kan bijten. Maar er zijn wel rassen of typen die meer of minder geschikt zijn om te combineren met kinderen. Er zijn echter veel individuele verschillen tussen honden. Bovendien hangt het slagen van een combinatie ook erg af van het karakter en de gehoorzaamheid van het kind, en zult u uw kind moeten leren wat wel en niet mag. Welke typen honden komen in aanmerking? Rassen die bekend staan om hun onstuimigheid en energie zijn, zeker als het grote rassen zijn, niet zo’n handige combinatie met kleine kinderen. De kans is groot dat de kinderen omver gelopen worden en dat de honden te wild of ruw met de kinderen omgaan. Ook de sterke rassen die van oorsprong gefokt zijn om te vechten zijn minder verstandig, niet omdat ze eerder zouden bijten maar omdat áls er gebeten wordt, dit grote schade toebrengt. Rassen die heel klein en teer gebouwd zijn, vormen ook geen goede combinatie met kinderen. Vooral jonge kinderen hebben de neiging om met dieren heen en weer te sjouwen, ze kunnen nog niet goed voorzichtig en zachtjes doen. Daardoor loopt het hondje het gevaar van verwondingen. Kinderen die kruipen of net leren lopen kunnen bovendien op het hondje vallen, met alle risico’s van dien. Andere typen die niet zo goed combineren met jonge kinderen zijn de gevoelige rassen die snel onder de indruk zijn, of die snel geprikkeld zijn en op alles reageren. Voor gevoelige honden kunnen kinderen (en hun speelgoed) veel te luidruchtig en druk zijn. De hond zal zich hierbij niet prettig voelen. Honden die heel alert zijn en overal op reageren, kunnen lastig te combineren zijn omdat kinderen en honden elkaar continu ‘aan de gang’ houden. De hond komt niet tot rust omdat hij steeds reageert op de kinderen, de kinderen zijn door de activiteit van de hond geneigd zich steeds met de hond te bemoeien, en u loopt er de hele tijd tussenin om alles in goede banen te leiden... Honden die goed combineren met kinderen zijn stabiele, rustige typen die niet snel onder de indruk zijn maar wel goed te trainen zijn en die zich niet druk maken over hun plek in de rangorde. Een slechte combinatie is om een pup bij een baby te nemen. Pups vergen heel veel van uw tijd en energie. U moet ze continu in de gaten houden en ze hebben nog heel veel opvoeding nodig. Datzelfde geldt voor een baby of jonge kinderen. Uw kind heeft veel van uw tijd en aandacht nodig, maar als u niet voldoende tijd en energie in de opvoeding van uw pup steekt, geeft dit onherroepelijk problemen waar u nog jaren last van zult hebben. Kortom: als u probeert een pup en een baby of dreumes te combineren, heeft u twee paar handen, ogen in uw achterhoofd en een onuitputtelijke voorraad energie nodig om alles in goede banen te kunnen leiden. Socialisatie Het type hond kan iets zeggen over zijn mogelijkheden als gezinshond, maar het allerbelangrijkste is dat de hond die u in huis neemt goed gesocialiseerd is met kinderen. Dat betekent dat hij al vanaf zeer jonge leeftijd in contact is geweest met kinderen en daar goede ervaringen mee heeft opgedaan. De fokker moet daar al in het nest mee begonnen zijn. Krijgt u een volwassen hond in huis, dan is het belangrijk dat deze door zijn vorige eigenaar ook daarna regelmatig in contact gebracht is met kinderen en dat de hond niet bang is of agressief doet tegen kinderen. Wat moet uw kind leren, en waar moet u zelf op letten? Honden zijn leuk, maar ze hebben scherpe tanden. Elke hond kan bijten, hoe kindvriendelijk hij ook is. Als uw kind op een verkeerde manier met de hond omgaat en u dit niet in de gaten houdt, dan kan het fout gaan. Om dat te voorkomen is het belangrijk om uw kind te leren wat er wel en juist niet kan in de omgang met honden. Ook zult u zelf goed moeten opletten. In het Praktisch document ‘Kind en hond: houd het veilig’ vindt u de tien gouden regels voor kinderen en nuttige tips voor u zelf. Katten Katten en kinderen vormen een goede combinatie, als u tenminste een kat kiest die kinderen leuk vindt en uw kinderen katvriendelijk zijn. Sommige rassen passen van nature meer bij een gezin met kinderen dan andere rassen, dus overweegt u een raskat, informeer hier dan naar. Verreweg het grootste deel van de katten is echter geen raskat. In dat geval zijn socialisatie, individueel karakter en eerdere ervaringen bepalend voor het slagen van de combinatie kind – kat. Kiest u voor een kitten, ga dan na of het dier al op jonge leeftijd, tussen twee en zeven weken, goede ervaringen heeft opgedaan met kinderen. Dit is belangrijk om op latere leeftijd goed met kinderen te kunnen omgaan. Ook daarna moet het kitten contact met kinderen hebben om er goed aan te wennen. Kiest u voor een volwassen kat, dan is misschien al bekend of deze met kinderen kan omgaan. Een kat die geen of vervelende ervaringen heeft met kinderen, zal er vaak moeilijk aan kunnen wennen en stress ervaren als hij in een gezin met kinderen wordt geplaatst. Een kat die erg verlegen of schrikachtig is, is geen goede combinatie met kleine kinderen. Maar ook een kat die snel van zich af slaat of helemaal niet van aanhalen houdt, is voor kinderen geen leuk huisdier. Kies dus een kat die uit zichzelf bij de kinderen komt kijken en zich gemakkelijk laat benaderen. Een kitten nemen als u een baby heeft, is niet handig. Kittens moeten opgevoed worden, hebben veel energie en u zult ze steeds in de gaten moeten houden. Daar heeft u waarschijnlijk niet voldoende tijd voor als u ook de zorg voor een baby of dreumes heeft. Wat moet uw kind leren? Veel katten bepalen graag zelf wanneer ze geaaid worden of op schoot komen zitten. Leer uw kind om de kat niet achterna te lopen of steeds op te tillen. Heeft uw kat een eigen rustplekje, leer uw kind dan dat het de kat daar met rust moet laten. Natuurlijk mag het kind de kat niet aan zijn staart trekken, in de vacht knijpen of in de ogen prikken. Leer jonge kinderen dat ze de kat rustig moeten benaderen, niet op mogen jagen en voorzichtig moeten aaien. Waar moet u zelf op letten? Bij hele jonge kinderen moet u zorgen dat de kattenbak niet als speelgoed gebruikt wordt. Bovendien moet een kat altijd ongestoord van de bak gebruik kunnen maken. Als de kat zich niet veilig voelt op de kattenbak, bestaat de kans op ongelukjes buiten de bak. Zet de kattenbak dus ergens op een rustige plek waar uw kat er gemakkelijk bij kan maar uw kind niet. Houd erg kleine kinderen (baby’s en dreumesen) goed in de gaten. Zij zien een kat nog als ‘speelgoed’ dat ze vast willen pakken en kunnen het dier dan onbedoeld pijn doen. De kat kan hierop reageren door te slaan of te bijten. Laat zulke jonge kinderen niet alleen met de kat. De meeste katten houden niet van erge drukte, zoals rennen, stampen en schreeuwen. Zorg dat de kat de ergste kinderdrukte kan ontvluchten als hij daar behoefte aan heeft. Zorg er ook voor dat de kat voldoende plaatsen heeft waar het kind niet bij kan. Veel katten vinden het fijn om hoog te zitten, plankjes tegen de muur zijn goede plekken om zich terug te trekken en toch alles te kunnen overzien. Konijnen en knaagdieren Waarschijnlijk zijn konijnen en knaagdieren de huisdieren die het vaakst voor de kinderen aangeschaft worden. Vooral konijnen, cavia’s en hamsters zijn populair bij de wat jongere kinderen vanwege hun aaibare uiterlijk. Niet zelden worden ze in een impuls gekocht, doordat de kinderen blijven vragen en de ouders het moeilijk vinden dit te weerstaan. Bovendien is het een hardnekkig misverstand dat deze dieren gemakkelijke huisdieren zijn die geschikt zijn voor kinderen. Helaas blijkt in de praktijk dat er ook heel veel van deze dieren worden afgestaan omdat de kinderen er niet meer naar omkijken of omdat het dier tegenvalt. Een goede oriëntatie vooraf kan zoiets voorkomen. Ook als u voor uzelf een konijn of knaagdier wilt aanschaffen en u heeft kinderen, is het verstandig even te kijken of het type dier dat u voor ogen heeft goed combineert met uw kinderen. In de eerste plaats zijn veel van de dieren uit deze groep uitgesproken groepsdieren die dus samen met een soortgenoot gehouden moeten worden. Wilt u echt maar 1 dier, dan blijven de Syrische hamster (goudhamster), de Chinese dwerghamster en eventueel de overige dwerghamsters over. Syrische hamsters en Chinese dwerghamsters leven alleen en dulden geen soortgenoten in hun verblijf. De overige dwerghamsters, zoals de Russische dwerghamster, leven in de natuur vaak in groepen, maar in gevangenschap gaat dat lang niet altijd goed. Daarom kunnen deze dieren in hun eentje gehouden worden. Van de hamsters is eigenlijk alleen de Russische dwerghamster geschikt voor kinderen. De overige hamsters slapen namelijk overdag en worden pas actief als het kind naar bed gaat. Zet dan ook geen hamsters op de kinderkamer, ze kunnen ’s nachts flink herrie maken! De Russische dwerghamster is ook overdag wel wakker. Vanwege hun formaat zijn ze niet geschikt voor kleine kinderen, ze moeten voorzichtig gehanteerd worden. Russische dwerghamsters kunnen redelijk tam zijn, maar het zijn geen echte knuffeldieren die op schoot blijven zitten. De overige huisdieren uit deze groep: konijnen, cavia’s, ratten, muizen, gerbils, degoes en chinchilla’s, zijn allemaal groepsdieren waarvan u er meer dan 1 moet houden. Dat hoeft geen probleem te zijn maar neemt soms wel wat meer ruimte in beslag. Bovendien moet u nagaan welke combinatie u kunt maken, want het bij elkaar zetten van ongecastreerde mannetjes en vrouwtjes geeft al heel snel jongen en dat is niet de bedoeling. Konijnen zijn geen geschikte knuffeldieren voor kleine kinderen. Ze houden er meestal niet van om op schoot te zitten en opgepakt te worden. Ook kunnen ze bijten en krabben. Ze zijn bovendien kwetsbaar: als ze verkeerd opgepakt worden, kunnen ze door te trappelen hun eigen rug breken. De verzorging vergt oplettendheid. Konijnen zijn gevoelig voor voedingsfouten en kunnen dan gevaarlijk ziek worden. Ook cavia’s zijn voor erg jonge kinderen niet zo geschikt. Hoewel deze niet snel zullen bijten, houden ze ook niet van opgepakt worden. Ook zij zijn kwetsbaar en een val kan levensgevaarlijk zijn. Konijn en cavia’s kunnen wel prima gehouden worden in een gezin met kinderen, als men beseft dat het geen schootdieren zijn, de ouders verantwoordelijk blijven voor de verzorging en de kinderen goed begeleid worden in de omgang met de dieren. Ratten en muizen kunnen goed tam worden. Ze vinden het meestal niet erg om vastgepakt te worden of over een arm of schouder te lopen. Van nature zijn het klimmers. Voor hele jonge kinderen zijn deze dieren niet geschikt vanwege hun snelheid en formaat. Voor wat oudere kinderen kunnen het leuke huisdieren zijn. De verzorging is niet moeilijk. Ratten en muizen op de kinderkamer is geen goed idee, want ze zijn ook ’s nachts actief. Mongoolse gerbils, ook wel foutief ‘woestijnratjes’ genoemd, zijn geen knuffeldieren. Ze kunnen wel zo tam worden dat ze op uw hand komen zitten, maar op schoot zitten en aaien is er niet bij. Ze zijn dan ook voor kleine kinderen niet geschikt, maar oudere kinderen kunnen het wel leuk vinden deze dieren te helpen verzorgen. Een voordeel kan zijn dat ze niet zo veel tijd kosten in hun verzorging. Gerbils zijn, behalve overdag, ook ’s nachts actief. Zet het verblijf daarom niet op de kinderkamer. Degoes en chinchilla’s zijn geen dieren voor kinderen. Ze zijn gevoelig en hun verzorging is niet zo eenvoudig. Chinchilla’s slapen bovendien veel overdag. Wat moet uw kind leren? Heeft u konijnen of cavia’s, leer uw kind dan de dieren niet op te pakken maar bij hen op de grond te gaan zitten als ze de dieren willen aaien. Op die manier vinden de dieren het vaak heerlijk om aandacht te krijgen. Leer hen om u erbij te roepen als een dier opgepakt moet worden. Het is ook belangrijk dat de kinderen de cavia’s of konijnen geen ander voer geven dan wat u hen geeft om de dieren mee te voeren. Koekjes, chips en andere lekkernijen kunnen fataal zijn voor deze dieren, evenals andere voedingsmiddelen waar ze niet aan gewend zijn. Ook een overmaat aan voer kan de darmen flink verstoren en plakpoep veroorzaken. Natuurlijk mogen uw kinderen niet aan oren of staarten trekken of in ogen prikken: pas daarvoor op bij hele jonge kinderen! Ook achterna lopen vinden de dieren niet prettig. Heeft u ratten of muizen, leer jonge kinderen dan om de dieren niet zelf op te pakken. Bij oudere kinderen kan dit wel. Leer hen om deze dieren nooit bij hun staart op te pakken. Pas op dat de dieren niet kunnen ontsnappen. Hamsters moeten voorzichtig benaderd worden. Leer kinderen de dieren niet zomaar wakker te maken, want dan kunnen ze gebeten worden. Laat jonge kinderen de dieren niet oppakken en pas ook bij wat oudere kinderen op dat dit voorzichtig gebeurt. Mongoolse gerbils zijn alleen geschikt voor oudere kinderen. Leer hen de dieren nooit bij de staart op te pakken, want de huid kan dan loslaten. Laat hen de dieren alleen oppakken als dit nodig is en altijd boven het verblijf, zodat ze niet ontsnappen en diep vallen. Bij degoes en chinchilla’s kunnen oudere kinderen wel helpen bij de verzorging, maar laat hen de dieren niet oppakken. Ze zijn te beweeglijk en bij de degoe kan de huid van de staart loslaten als men deze vastpakt. Zorg zelf voor het vullen van de voerbakjes. Deze dieren zijn gevoelig voor voedingsfouten en kunnen dan erg ziek worden. Leer kinderen dat ze geen tussendoortjes of snoepgoed mogen geven! Al deze dieren kunnen flink schrikken van kinderspeelgoed dat geluid maakt en van gillende, rennende of stampende kinderen. Leer uw kinderen dan ook om dit niet te doen in de buurt van de dieren en om luidruchtig speelgoed op hun eigen kamer te gebruiken. Leer hen om de dieren met rust te laten als ze slapen, ook overdag. Waar moet u zelf op letten? Heeft u konijnen of knaagdieren en erg jonge kinderen, let dan op dat de kinderen het verblijf niet zelf open kunnen maken. Het dier kan dan gemakkelijk ontsnappen. Let op dat kleine kinderen de dieren niet najagen, in ogen prikken, aan staarten of oren trekken of de dieren optillen. Zoek voor het dier een plek uit de loop, zodat de kinderen er niet steeds voorbij lopen of rennen tijdens het spelen. Blijf er bij als de kinderen met de dieren bezig zijn. Let ook op dat ze de dieren niet steeds voeren of stukjes van hun eigen eten of snoepgoed geven, ze kunnen daar vaak niet tegen of worden er snel dik van. Zet verblijven zo neer dat baby’s en dreumesen er niet gemakkelijk bij kunnen en geen handjes door tralies heen kunnen steken. Vogels Vogels die binnenshuis gehouden worden zijn meestal zangvogels, zoals kanaries of (pracht-) vinken, of kromsnavels: papegaaien en parkieten. Als huisdier voor een jong kind zijn deze eigenlijk geen van allen geschikt. Voor oudere kinderen vanaf een jaar of 12 kunnen sommige soorten in aanmerking komen. Wilt u zelf één of meerdere vogels aanschaffen terwijl u kinderen heeft, dan moet u ook nagaan of de soort die u wilt nemen goed samengaat met kinderen. Het slagen van de combinatie hangt zowel af van het temperament van de vogels als van het karakter van uw kind. Zangvogels verschillen van temperament. Als huisdier in een huishouden met drukke kinderen zijn de soorten die snel nerveus zijn niet geschikt. Vaak kunt u ze dan beter buiten in een volière huisvesten als de soort zich daarvoor leent. Zangvogels die goed gehouden kunnen worden in een gezin met kinderen zijn vooral de niet schuwe soorten, zoals de zebravink, de Japanse meeuw en de kanarie. Daarbij is het niet de bedoeling dat de vogels door kinderen worden gehanteerd: ze zijn erg kwetsbaar en de stress kan hen fataal zijn! Tussen de verschillende soorten papegaaien en parkieten zijn grote verschillen in karakter. Daarmee verschillen ze ook in hun geschiktheid voor een huishouden met kinderen. Soorten die gevoelig zijn, zoals de grijze roodstaartpapegaai, kunnen slecht tegen drukke, rennende of gillende kinderen. Ze kunnen last krijgen van stress en problemen ontwikkelen, zoals verenplukken. Soorten die gemakkelijker bestand zijn tegen drukte zijn bijvoorbeeld de amazonepapegaaien, maar deze kunnen agressief zijn en zijn daarom ook niet geschikt voor kinderen. Overigens zijn er veel individuele verschillen! Daarbij komt dat papegaaien erg veel aandacht nodig hebben en goed opgevoed moeten worden. Geeft u hen te weinig tijd en bent u niet consequent, dan kunnen lastige gedragsproblemen ontstaan. Papegaaien kunnen bovendien hard krijsen, en als uw kinderen erg druk zijn loopt u de kans dat de papegaai mee gaat doen! Grofweg kan men zeggen dat van de kromsnavels de grasparkiet, valkparkiet, Agapornis en Forpus soorten (dwergpapegaaien), een aantal Pyrrhura soorten en vrouwelijke exemplaren van sommige Pionus soorten eventueel geschikt kunnen zijn voor een gezin met jongere kinderen. Het minst geschikt voor gezinnen met kinderen, ook als de kinderen wat ouder zijn, zijn bijvoorbeeld de caique, kaketoe, Ara en Poicephalus soorten (zoals de Senegal papegaai of bont boertje). Bedenk altijd dat papegaaien zeker geen gemakkelijke huisdieren zijn, dat ze oud kunnen worden en dat u zich voor aanschaf zeer goed in hun gedrag en behoeften moet verdiepen! De kromsnavels die eventueel geschikt zijn als huisdier voor oudere kinderen zelf zijn de bekende grasparkieten. Deze worden redelijk tam en hebben een vrij stabiel en vriendelijk karakter. Voor oudere, niet te drukke kinderen kunnen het leuke huisdieren zijn. Bedenk wel dat het geen knuffeldieren zijn en dat zij een soortgenoot nodig hebben. Ook valkparkieten komen in aanmerking. Deze kromsnavels kunnen zo’n vijftien tot twintig jaar oud worden (hoewel de kleurvarianten dit vaak niet halen) realiseer u dat uw kind tegen die tijd al uit huis is! Wat moet uw kind leren? Als u vogels heeft, leer uw kind dan om niet langs de vogelkooi te rennen of bij de vogel te gillen of lawaaierig speelgoed te gebruiken. Leer hen nooit een kromsnavel op hun schouder of hoofd te zetten, deze vogels kunnen flink bijten dus houd ze uit de buurt van oren en ogen. Uiteraard mag uw kind niet tegen de kooi slaan, aan veren trekken of vingers door de tralies steken. Waar moet u zelf op letten? Heeft u vogels en jonge kinderen, dan is het verstandig ervoor te zorgen dat de kinderen de kooi niet kunnen openen zodat de vogel wegvliegt. Zet de kooi op een rustige plek waar de kinderen tijdens het spelen uit de buurt blijven en zorg dat jonge kinderen er niet bij kunnen om vingers door tralies heen te steken. Laat jonge kinderen nooit vogels hanteren. Reptielen en amfibieën Veel reptielen en amfibieën zijn niet geschikt als huisdier voor een kind. Ze moeten meestal in een terrarium gehouden worden dat precies moet worden afgesteld en bijgehouden. Dat vergt wat technische kennis. De meeste reptielen en zeker amfibieën zijn niet gemakkelijk hanteerbaar. En natuurlijk zijn er soorten die gevaarlijk kunnen zijn, zoals wurgslangen. Voor jonge kinderen worden alle reptielen afgeraden. Voor kinderen vanaf een jaar of twaalf kan een moerasschildpad zoals de geelwang een optie zijn, zo lang u zelf meehelpt en u zich samen goed verdiept in wat zij nodig hebben. Houd er rekening mee dat dit uiteraard geen knuffeldieren zijn (ze kunnen bijten!), dat ze een groot verblijf nodig hebben en dat ze oud kunnen worden! Ook een aantal andere, relatief gemakkelijk te houden reptielen zoals de baardagame of de Aziatische huisgekko, zou u samen met uw kind kunnen houden. Wilt u zelf een reptiel of amfibie aanschaffen, verdiep u dan in de specifieke soort en houd rekening met de eventuele risico’s. Dieren als een netpython of gifslangen kunt u, om risico’s te vermijden, beter niet houden in een huishouden met kinderen. Voor de wat minder moeilijke soorten kan het leuk zijn om uw al wat oudere kind bij de verzorging te betrekken. Wat moet u uw kind leren? Leer kinderen om niet op de ruiten van het terrarium te kloppen. Helpt uw kind bij de verzorging of heeft uw oudere kind een ‘eigen’ reptiel of amfibie, laat dan altijd de handen wassen voor en na de werkzaamheden om het overbrengen van ziekten te voorkomen. Waar moet u zelf op letten? Zorg ervoor dat terraria goed afgesloten zijn met een kindbestendig slot. Plaats het op een rustige plek waar kleine kinderen niet bij kunnen. Werk elektriciteitsdraden veilig weg en pas op dat kinderen niet bij pompen en waterslangen kunnen komen. Vissen Voor kleine kinderen zijn vissen nog niet zulke interessante huisdieren, maar voor wat oudere kinderen kan een beginnersaquarium leuk zijn. Kies dan voor gemakkelijk te houden vissen die goed bestand zijn tegen een wisselende waterkwaliteit en niet schrikkerig zijn. U zult wel zelf moeten helpen bij het opzetten van het aquarium en de benodigde techniek zoals temperatuurregeling, filterpomp en licht. Realiseer u dat het onderhouden van een aquarium soms al snel niet meer leuk is voor een kind, en in dat geval bent u degene die zult moeten zorgen voor het schoonmaken en water verversen. U kunt natuurlijk ook zelf een aquarium beginnen als u kinderen heeft. Wat moet u uw kind leren? Leer kinderen niet op de aquariumruiten te kloppen. Is het aquarium van uw kind, dan moet u het kind leren hoe het water moet verversen en de kwaliteit ervan kan controleren. Leer het kind ook hoeveel voer de vissen nodig hebben, kinderen geven snel te veel. Waar moet u zelf op letten? Zorg ervoor dat het aquarium afgedekt is zodat er geen kinderhandjes ingestopt kunnen worden of andere zaken in het water kunnen belanden. Werk elektriciteit, waterslangen en de pomp goed weg zodat uw kinderen er niet aan kunnen komen. Ongewervelden De groep ongewervelden is erg divers, en het hangt dan ook geheel van de diersoort af of deze een goede combinatie kan vormen met een gezin met kinderen. In het algemeen leven deze dieren in een terrarium of aquarium. Veel ervan kunt u prima houden als u ook kinderen heeft. Sommige ongewervelden, zoals veel schorpioenen, zijn giftig en daardoor minder geschikt als u kinderen heeft, omdat er altijd een kleine kans bestaat op ontsnappen. Een aantal soorten kan ook voor wat oudere kinderen zelf leuk zijn om als huisdier te houden. Dat geldt bijvoorbeeld voor wandelende takken. Sommige daarvan zijn niet zo moeilijk om te houden. Ook de gemakkelijker te houden zoetwatergarnalen kunnen interessant zijn. Andere soorten zijn kwetsbaar en niet geschikt voor kinderen, zoals vogelspinnen of ongewervelden die hoge eisen stellen aan hun omgeving, zoals luchtvochtigheid, temperatuur of waterkwaliteit. Wat moet u uw kind leren? Leer kinderen om niet op de ruiten van een aquarium of terrarium te kloppen. Heeft uw kind zelf een ongewervelde als huisdier, help het dan met het opzetten van het verblijf en leer het om voorzichtig met de dieren om te gaan. Waar moet u zelf op letten? Zorg ervoor dat terraria goed afgesloten zijn met een kindbestendig slot en dat aquaria afgedekt zijn zodat er niks ingegooid kan worden. Plaats het op een rustige plek waar kleine kinderen niet bij kunnen. Werk elektriciteitsdraden veilig weg en pas op dat kinderen niet bij pompen of waterslangen kunnen komen. Gezondheid Hygiëne is belangrijk als het om het houden van huisdieren gaat, en zeker als er kinderen in huis zijn. Leer uw kind om de handen goed te wassen als zij het verblijf van een dier hebben schoongemaakt of u daarbij geholpen hebben, of als zij een dier gehanteerd hebben. Denk bij kruipende baby’s en dreumesen extra aan de hygiëne: zij steken alles in hun mond. Dieren kunnen ziekten overbrengen op mensen. Zorg goed voor de gezondheid van uw huisdier en behandel preventief tegen parasieten zoals wormen, zodat uw kind niet via uw dier besmet wordt. Ook moet u rekening houden met zaken als astma en allergie. Heeft uw kind hier last van, neem dan geen dieren met haren of veren in huis. (Bron: www.licg.nl)Het aanschaffen van een huisdierhttp://www.animalqueen.nl/c-1991662/het-aanschaffen-van-een-huisdier/Veel mensen zijn gek op huisdieren. En wat is voor een dierenliefhebber leuker dan een nieuw huisdier in huis? Maar voordat u een nieuw huisdier aanschaft, is het belangrijk om uzelf een aantal vragen te stellen. Zo weet u zeker dat u een keuze maakt die bij u en uw situatie past. Het kan zijn dat u besluit dat u nu beter geen huisdier kunt kopen, bijvoorbeeld omdat het u teveel tijd kost of omdat u de kosten van een huisdier te hoog vindt. Het kan ook zijn dat u vindt dat een dier juist heel goed bij u en uw persoonlijke situatie past en dat een dier meer dan welkom is. In dat geval heeft u, doordat u er van tevoren zorgvuldig over nagedacht heeft, een prima basis om goed voor uw nieuwe huisgenoot te kunnen zorgen. En dat is de beste garantie om samen een heel plezierige tijd tegemoet te gaan. Waarom wil ik een huisdier aanschaffen? Als u van plan bent om een huisdier aan te schaffen, is het belangrijk dat u zichzelf eerst de vraag stelt waaróm u graag een huisdier wilt. Misschien... Bent u op zoek naar gezelligheid en zoekt u een dier dat u lekker kunt aaien en knuffelen? Wilt u een maatje dat structuur in uw leven kan brengen? Wilt u een dier omdat dit dier u in contact kan brengen met andere mensen, bijvoorbeeld doordat het uitgelaten moet worden? Wilt u een dier dat boeiend is om naar te kijken en interessant om u in te verdiepen? Soms spelen ook andere zaken mee: Sommige mensen willen een dier omdat dit een bepaalde status met zich meebrengt. Soms willen mensen zich onderscheiden van anderen. Anderen willen een dier vanwege het schattige uiterlijk. En soms wil men een bepaald dier omdat daar in de media veel over geschreven wordt. Laat u door zulke aspecten niet beïnvloeden, maar probeer voor uzelf duidelijk te maken waarom u een huisdier wilt aanschaffen. Als u dit helder hebt, dan kunt u voor uzelf nagaan of dit de juiste motieven zijn om aan een huisdier te beginnen. Want als u eenmaal een dier aangeschaft heeft, dan heeft u daarmee ook de verantwoordelijkheid op u genomen om er goed voor te zorgen. Het antwoord op de vraag waarom u een huisdier wilt hebben, is bovendien richtinggevend voor het soort of ras dat aan uw verwachtingen voldoet. Geef een huisdier niet cadeau! De aanschaf van een huisdier moet een weloverwogen keuze zijn. U wilt er immers zeker van zijn dat u voldoende tijd en ruimte heeft voor een dier en dat u genoeg weet over het dier om er goed voor te kunnen zorgen. Een dier moet tenslotte bij u passen, u wilt er enthousiast over zijn en er van kunnen genieten. Helaas gebeurt het nog te vaak dat mensen bij bijvoorbeeld een verjaardag, een huwelijk of een andere gelegenheid een dier cadeau doen, zonder dit van te voren te overleggen met de toekomstige eigenaar. Die heeft daardoor geen gelegenheid om te bedenken of hij een dier wil, welk dier dan goed bij hem past en om zich voor te bereiden op de komst van een nieuwe huisgenoot. De nieuwe eigenaar kan dan ook behoorlijk met zo’n dier in zijn maag zitten als blijkt dat u als gever een ander idee had over het perfecte huisdier dan de ontvanger. De kans is daardoor aanzienlijk dat het dier in een asiel belandt. Het kan ook zijn dat het dier wel mag blijven, al is het maar omdat men de gulle gever niet voor het hoofd wil stoten, maar dat het onvoldoende zorg krijgt vanwege een gebrek aan tijd, kennis of interesse. Dat was natuurlijk helemaal niet wat u voor ogen had! Een dier cadeau geven is daarom geen goed idee. Als u denkt dat iemand een huisdier heel leuk zou vinden, geef hem dan bijvoorbeeld liever een leuk boek cadeau waarmee hij of zij van alles over dat huisdier te weten kan komen. En als het u nou toch echt heel leuk lijkt om het dier zelf te geven, overleg dan eerst met de ontvanger of die dat wel ziet zitten. Zo kan deze precies aangeven wat hij wel en niet wil, kan hij zich goed voorbereiden en bovendien delen in de voorpret. Ga het dier samen uitzoeken en maak daar een feestje van. U maakt iemand ten slotte pas echt blij met een dier als dat dier ook een goede match is! Past een huisdier bij mij? Om te weten of het bij u en uw levensstijl past om een huisdier te nemen, is er een aantal vragen waar u even bij stil moet staan. Tijd voor verzorging? Een huisdier erbij is heel erg leuk, maar betekent ook dat u er nu én in de toekomst tijd voor vrij moet maken om het te verzorgen en om het aandacht te geven. Het is belangrijk om u dit te realiseren voordat u een huisdier koopt en u af te vragen hoeveel tijd u voor het dier beschikbaar heeft. Hoeveel tijd een huisdier u precies kost, is afhankelijk van het soort dier of het ras dat u kiest. De verzorging van een paard kost vanzelfsprekend veel meer tijd dan de verzorging van een cavia, maar ook een cavia wil met zekere regelmaat een schoon hok en aandacht. Kiest u voor een hond die als ‘beweeglijk’, ‘energiek’ en ‘ondernemend’ wordt omschreven, dan moet u er op rekenen dat dit dier u meer tijd kost dan een hond van een ras dat minder beweging nodig heeft. Een kat met lang haar moet regelmatig gekamd worden en daar bent u dus meer tijd aan kwijt dan aan een kortharige kat. Intelligente diersoorten moet men bovendien vaak bezig houden met bijvoorbeeld spelletjes. Ook dat kost tijd. Voldoende geschikte ruimte beschikbaar? Of een huisdier bij u past, is ook afhankelijk van de hoeveelheid ruimte die het dier nodig heeft en die u het dier kunt bieden. Een hamster neemt niet zoveel plaats in beslag, maar een konijn heeft beduidend meer ruimte nodig. Bovendien is een konijn net als een aantal andere diersoorten een echt gezelschapsdier dat graag zijn hok deelt met een soortgenoot. En met z’n tweetjes hebben zij weer wat meer ruimte nodig dan in hun eentje.De ruimte die een vogelkooi, aquarium of terrarium inneemt, is onder andere afhankelijk van de hoeveelheid en soort dieren die u er in wilt houden. Verder moet u ook bedenken of de ruimte waar u een dier wilt houden geschikt is voor uzelf en het dier. Een vogel in de keuken houden kan niet, omdat er dampen kunnen vrijkomen die giftig voor het dier zijn. En een dier dat heel veel geluid produceert, is misschien voor uzelf niet zo prettig in de slaapkamer. Wat vinden huisgenoten ervan? Als u huisgenoten heeft, dan is het belangrijk dat niet alleen uzelf enthousiast bent over een huisdier, maar de huisgenoten ook. Vraag daarom van tevoren hoe zij tegen een huisdier aankijken. Misschien wil iedereen wel een ander soort dier? In dat geval is het belangrijk om samen een keuze te maken waar iedereen zich in kan vinden. Is iedereen enthousiast, dan willen ze misschien ook wel helpen bij de verzorging van het dier. Mooi meegenomen dus. Zijn uw huisgenoten niet erg enthousiast, dan kunt u zich afvragen of u toch een huisdier moet willen aanschaffen. Ongeïnteresseerde blikken en snerende opmerkingen zijn niet leuk en kunnen er toe leiden dat u niet zoveel plezier aan het dier beleeft als u gehoopt had. Als huisgenoten bang zijn voor de door u gewenste diersoort, is het misschien een beter idee om dat dier niet te kopen. Allergie Bent u (of een van uw huisgenoten) allergisch voor een bepaalde diersoort? Dan is het verstandig om goed te laten testen waar u precies allergisch voor bent, voordat u een huisdier aanschaft. De kans is groot dat u ook allergisch zult reageren op een andere diersoort. En ook als u op dit moment nog niet allergisch bent voor de diersoort van uw keuze, bestaat de mogelijkheid dat u deze allergie zult gaan ontwikkelen. Dat is altijd mogelijk, maar als u aanleg heeft voor allergieën is het risico groter. Een allergoloog kan u advies geven over wat in uw situatie het beste is. Vaak is het wel mogelijk om bijvoorbeeld vissen of een reptiel te houden als u allergisch bent voor een dier met haren of veren, maar soms wordt helemaal afgeraden om een huisdier te houden. Lees hierover meer in de Praktische informatie over 'Allergie voor huisdieren'. Wat vinden de buren ervan? Natuurlijk staat het u vrij om een huisdier te kopen, maar het kan verstandig zijn om er bij stil te staan wat de buren er eigenlijk van vinden. Een kat in huis is leuk, maar of de buren zo blij zijn met uw nieuwe aanwinst als deze steeds zijn behoeften bij hen in de tuin doet, is zeer de vraag. Een blaffende hond kan behoorlijk goed door de muren heen te horen zijn. Pluimvee dat in de achtertuin scharrelt, is voor u heel leuk, maar of de buren de haan die ’s morgens vroeg een aantal keer luidkeels kraait kunnen waarderen, is niet vanzelfsprekend. Het kan ook zijn dat u een dier wilt kopen dat ze eng vinden. Niet iedereen is gecharmeerd van bijvoorbeeld slangen en vogelspinnen. Overleggen met de buren en vertellen welke voorzorgsmaatregelen u neemt om te voorkomen dat uw nieuwe huisgenoten een burenbezoekje kunnen brengen, kan verstandig zijn. Alles weten over uw dier Een voorwaarde om goed voor een dier te kunnen zorgen, is dat u voldoende kennis heeft van de behoeften en verzorging van een dier. Voordat u een dier daadwerkelijk aanschaft, moet u daar dus tijd en energie in stoppen. Niet elk dier is voor een beginner geschikt. Twijfelt u of een bepaald huisdier geschikt is voor u, neem dan eens contact op met iemand die zo’n dier heeft. Hij of zij kan u vanuit de praktijk vertellen wat er bij het houden van het dier komt kijken. Misschien kunt u een dagje meekijken? In de Huisdierenbijsluiters leest u alle basisinformatie die u moet weten voor u een bepaalde diersoort kiest. Consequenties van het hebben van een huisdier Het hebben van een huisdier neemt bepaalde consequenties met zich mee. U moet er bijvoorbeeld tijd en geld in steken om het dier goed te kunnen verzorgen, en soms moet u er dingen voor laten. Hieronder leest u een aantal zaken die u moet overwegen. Eenmalige en vaste kosten Een huisdier kost geld. Dat begint bij de aanschaf. Afhankelijk van het soort dier dat u wilt kopen, heeft u bijvoorbeeld een mand, een kooi, een aquarium of een terrarium nodig. Dit moet ook worden ingericht met bijvoorbeeld een ligkussen, zitstokken, spiegeltjes, tredmolentjes of planten. Dikwijls heeft u ook eet- en drinkbakjes nodig en soms ook verwarming en verlichting. Uiteraard kost het dier zelf ook geld. Deze kosten zijn in principe eenmalig, maar kunnen flink oplopen. Op de kosten willen besparen door bijvoorbeeld een goedkoop pupje te kopen via internet in plaats van een dure via een rasvereniging kan in sommige gevallen duurkoop blijken, wanneer u later geld kwijt bent aan dierenarts of gedragstherapeut. Er zijn ook kosten die steeds terugkeren, zoals voer, een bodembedekker en elektriciteit voor licht en warmte. Verder kunt u denken aan kosten voor gebitscontrole en –behandeling, tekenbestrijding, vaccinaties en (preventieve) parasietbehandelingen die regelmatig herhaald moeten worden. Wilt u een hond aanschaffen, dan kan het zijn dat de gemeente waarin u woont hondenbelasting heft.Sommige honden moeten van tijd tot tijd naar een trimsalon om hun vacht te laten bijhouden. Doet u dat niet dan kan het dier last krijgen van knopen en klitten in het haar, wat pijnlijk kan zijn voor de hond en uiteindelijk zelfs ontstekingen kan veroorzaken. Bij een aantal dieren, zoals konijnen en knaagdieren, moet de nagels regelmatig geknipt worden. Dat kunt u eventueel laten doen door een dierenarts. Paarden en ezels hoeven weliswaar niet naar een trimsalon, maar moeten wel regelmatig bekapt worden door een hoefsmid. De hoeven van schapen en geiten moeten regelmatig worden bijgewerkt en schapen moeten natuurlijk geschoren worden, dit zijn dingen die u beter aan een professional kunt overlaten. Het is belangrijk dat u er rekening mee houdt dat u ook voor onverwachte uitgaven kunt komen te staan, bijvoorbeeld als uw dier ziek is en naar de dierenarts moet. Hoeveel u precies kwijt zult zijn aan uw nieuwe huisgenoot, kunt u van tevoren niet precies weten. De huisdierenbijsluiters van het LICG geven u wel een indicatie. Opvoeding en socialisatie Afhankelijk van het dier dat u wilt gaan kopen, zijn socialisatie en opvoeding van het dier belangrijk. Socialisatie is het proces waarin een jong dier kennis maakt met de wereld om hem heen: met het gezin waarin hij woont, bezoek dat in huis komt, soortgenoten, andere diersoorten, verkeer op straat, met de auto weggaan enzovoorts. Voor een vis is het proces van socialisatie en opvoeding niet van toepassing, maar voor bijvoorbeeld honden en katten zijn dit uitermate belangrijke processen. Met socialisatie moet u beginnen zodra u het dier in huis krijgt. Het is echter heel belangrijk dat ook de fokker daar al aandacht aan heeft besteed! Koopt u een hond, dan is het verstandig om te beginnen met een puppycursus. Niet iedere hondenschool hanteert dezelfde opvoedingsmethode, dus het is wel belangrijk dat u van tevoren uitzoekt welke opvoedingsmethode u het meest aanspreekt en bij welke hondenschool ze die toepassen. Sommige dierenartsen organiseren voor kittens een speciale kittenparty of kittencrèche. Daar komt uw kitten in contact met andere kittens en krijgt u veel informatie over de verzorging en opvoeding van uw kitten. Ook voor puppies worden dergelijke bijeenkomsten georganiseerd. Overigens moet men niet alleen honden en katten, maar veel meer dieren socialiseren en opvoeden. Voorbeelden van andere diersoorten die opgevoed moeten worden om een fijn maatje te kunnen worden, zijn fretten, paarden en papegaaien. In de huisdierenbijsluiters en de Praktische informatie op onze website vindt u hier meer informatie over. Het socialiseren en opvoeden van een huisdier kost veel tijd en geduld en daarnaast in sommige gevallen ook geld. Het levert u echter ook heel veel op: het bepaalt of u er een leuke huisgenoot bij krijgt of een lastpost die u het bloed onder de nagels vandaan haalt. Nakomelingen of niet? Zeker als u kiest voor een echt groepsdier, zoals een chinchilla, cavia, konijn of rat, en ervoor zorgt dat ze minimaal met z’n tweetjes gehuisvest zijn, is het belangrijk om het geslacht van de dieren goed na te gaan. Want voor u het weet, krijgen ze nakomelingen waarvoor u zelf de zorg op u zult moeten nemen of waar u een goed adres voor moet zien te vinden. In veel gevallen kan de dierenarts een sterilisatie of castratie uitvoeren. Houd er wel rekening mee dat dit kosten met zich meebrengt en dat het een operatie is, wat enig risico met zich meeneemt. Voor sommige dieren zijn er nog andere mogelijkheden om voortplanting te voorkomen. Overleg dit met uw dierenarts. Uw huisdier los laten in huis? Honden en katten lopen uiteraard gewoon door het huis. Als u vindt dat ze in bepaalde vertrekken niet mogen komen, dan moet u voorzorgsmaatregelen nemen. Want niets is aantrekkelijker dan om bijvoorbeeld toch op dat fijne bed te gaan liggen als de baas het niet ziet of er niet is. Ook andere huisdieren, zoals konijnen, fretten en vogels, vinden het heerlijk om van tijd tot tijd het huis onveilig te maken. U moet er dan wel van tevoren voor zorgen dat uw huis hier op ingericht is. Een konijn is weliswaar officieel geen ‘knaagdier’, maar kan toch aan de stroomkabels gaan knagen. U kunt hen dit niet afleren, dus u zult alle snoeren buiten hun bereik moeten houden of veilig weg moeten werken in kabelgoten. En bij fretten kunt u maar beter de bloempotten afdekken met gaas om te voorkomen dat de planten helemaal uitgegraven worden. Voor alle dieren moet u er bovendien voor zorgen dat er geen giftige planten in de kamer staan. Kiest u voor een pup of neemt u een kat, dan moet u er rekening mee houden dat zij de neiging kunnen hebben om tandjes of nagels in uw meubels te zetten. Bovendien verliezen veel dieren haar of veren in huis. Realiseer u voordat u een huisdier koopt dat dit aanpassingen zal vergen in uw woning. Verzekeren: zinnig of onzinnig? Of u uw dier wilt verzekeren tegen ziektekosten, is natuurlijk aan u. Een verzekering voor uw dier kost u uiteraard premie. Daar staat tegenover dat een belangrijk deel van de dierenartskosten gedekt worden door de verzekering. Pakken de kosten voor de dierenarts hoger uit dan u had verwacht, dan is dat een prettig idee. Er zijn verschillende aanbieders van verzekeringen voor huisdieren. De voorwaarden verschillen per aanbieder, dus het is belangrijk om goed na te gaan wat u wel en wat u niet belangrijk vindt voor uw dier. Overigens kan men maar voor een beperkt aantal diersoorten een verzekering afsluiten. Kijk dus goed of de aanbieder die uw voorkeur heeft uw dier wel verzekert en ga anders na of er een aanbieder is die dat wel doet. Kiest u er voor om geen verzekering af te sluiten of is dit voor uw diersoort niet mogelijk, overweeg dan om een spaarpotje aan te leggen voor onvoorziene uitgaven. Onverwacht hoge dierenartskosten kunt u zo wat makkelijker opvangen en dat geeft een veilig gevoel. Behalve een ziektekostenverzekering kan het verstandig zijn om bij uw WA verzekering na te gaan of het dier daar onder valt. Als u bijvoorbeeld een hond of paard aanschaft is het prettig als u verzekerd bent tegen schade die het dier onverhoopt aan anderen toebrengt. Wie zorgt er voor het dier als u dat niet kunt? Als u van plan bent om een huisdier aan te schaffen, dan moet u er ook over nadenken wie de zorg voor het dier eventueel van u kan overnemen. Want wie zorgt er voor het dier als u op vakantie gaat of wanneer u onverhoopt naar het ziekenhuis moet? Niet ieder dier kunt u op vakantie meenemen en in ziekenhuizen zijn dieren in het algemeen niet welkom. Het is goed als u voor dat soort situaties een alternatief heeft. Zeker als u van plan bent een niet alledaags dier aan te schaffen, is het verstandig daar voor de aanschaf over na te denken. De meeste mensen willen nog wel tijdelijk voor een kat zorgen, maar voor een cavia of konijn wordt het misschien al lastiger, laat staan voor een hagedis, slang of vogelspin. Een alternatief kan een pension zijn, maar dit kost uiteraard geld en niet alle dieren kunnen in een pension worden ondergebracht. Bent u al wat ouder, dan is het verstandig om na te gaan wat de mogelijkheden zijn voor het geval u niet meer voor uw dier kunt zorgen, bijvoorbeeld omdat u naar een bejaardenhuis, verpleeghuis of verzorgingstehuis gaat. Soms is het mogelijk om uw dier mee te nemen. Als dat niet mogelijk is en u afscheid moet nemen van uw huisgenoot, dan zijn er wellicht familieleden of andere bekenden die het dier een nieuw thuis willen bieden. Het dier aanbieden via een rasvereniging, liefhebbersvereniging, een advertentie of een forum op internet is ook een mogelijkheid. Tenslotte is het ook mogelijk het dier naar een asiel of een opvangcentrum te brengen. Niet leuk om van tevoren over na te denken, maar wel belangrijk. Wat als het dier ouder wordt? Ook bij dieren komt ouderdom met gebreken. Net als mensen kunnen ook zij last krijgen van allerlei kwaaltjes, neemt hun energie om allerlei spelletjes te doen af, kunnen ze anders gaan ruiken of meer haren gaan verliezen. Soms kunt u hen niet meer alleen thuis laten, hebben ze meer verzorging nodig of laten ze hun plasjes in huis lopen. U zult zich dus op diverse vlakken aan uw ouder wordende dier moet aanpassen. Gelukkig nemen de meeste mensen die verantwoordelijkheid graag op zich en geven zij hun dier de waardige oude dag die het verdient. En uw bejaarde huisgenoot is natuurlijk niet alleen soms lastig, maar ook vaak nog steeds, net als “vroeger”, aandoenlijk en vertederend! Al een huisdier in huis? Als u al een huisdier in huis heeft en u wilt er nog een huisdier bij, dan zijn er wel wat spelregels waar u rekening mee moet houden. Heeft u bijvoorbeeld een kat, dan is een vogel of muis misschien niet zo’n goed idee. Een tweede kat erbij lijkt dan misschien meer voor de hand te liggen. Meestal verdragen en tolereren zij elkaar, maar soms levert de introductie van een nieuwe kat veel stress voor beide katten op. Bij veel diersoorten kunt u niet zomaar een soortgenoot erbij zetten, maar moet dit begeleid worden, zoals bij konijnen. En er zijn ook dieren die van nature alleen leven en dus helemaal niet zitten te wachten op een soortgenoot erbij! In de huisdierenbijsluiters leest u hier meer over. U kunt uiteraard ook uw licht eens opsteken bij de dierenspeciaalzaak, de fokker of kweker of een vereniging. Welk dier wil ik aanschaffen? Dieren in alle soorten en maten. Wat voor een huisdier u wilt aanschaffen, is natuurlijk afhankelijk van wat u met het dier wilt en wat bij u past. Lekker in het bos wandelen met uw hond? Of met de kat op schoot een boek lezen? Genieten van de schoonheid van uw aquarium of misschien toch liever spelletjes bedenken voor uw papegaaien? Houd wel rekening met de mogelijkheden en onmogelijkheden binnen uw situatie. Woont u op een flat zonder lift, dan is een grote hond bijvoorbeeld geen goed idee. Is uw huis erg gehorig, dan zijn “lawaaiige” dieren niet verstandig als u de buren te vriend wilt houden. En hoe graag u het misschien ook zou willen: uw achtertuin van twaalf vierkante meter is écht niet groot genoeg voor twee kleine pony’s. De aanschafprijs kan bij uw keuze een rol spelen, maar dit is een eenmalig bedrag waar u eventueel voor kunt sparen. Terugkerende kosten voor voer, verzorging en eventuele dierenartskosten zijn echter wél iets om in overweging te nemen: een rasloze hond of een kruising kost aanzienlijk minder dan een rashond met stamboom, maar in het onderhoud zult u waarschijnlijk evenveel geld kwijt zijn. Keuze voor een soort of ras Als u goed nagaat wat u precies van een huisdier verwacht, welke (karakter)eigenschappen het moet hebben en wat bij uw situatie past, kunt u een eerste keuze maken voor een bepaalde diergroep of soort. U komt bijvoorbeeld uit op een tropische zoetwatervis, een knaagdier of een hond. Vervolgens moet u binnen die groep of soort uw uiteindelijke keuze gaan bepalen: wordt het een neontetra of een guppy, een gerbil of een cavia, een Deense dog of een Franse bulldog? Verdiep u in de diverse mogelijkheden en laat u daarbij niet te veel leiden door een imago of door het beeld dat u van een bepaald ras of een bepaalde diersoort heeft gekregen door film en televisie; vaak kloppen deze beelden niet met de werkelijkheid. Op die manier kunt u een soort of ras kiezen dat het beste bij u past. Zoekt u een waakhond of een schoothondje? Of gaat de voorkeur uit naar een jachthond? Als u een hond met een vriendelijk karakter zoekt, is een jachthond misschien inderdaad wel iets voor u. Maar realiseer u ook de keerzijde van de medaille: het is goed mogelijk dat bij elke wandeling die u met de hond maakt, het dier achter konijnen of eenden aangaat omdat dit past bij zijn instinct. Was u op zoek naar een dier om buiten te kunnen huisvesten? Dan komt u misschien wel bij konijnen uit, maar volièrevogels of een groepje kippen is ook mogelijk. Zoekt u een aaibaar dier voor de kinderen, dan blijkt een hamster bij een nadere oriëntatie wellicht niet zo’n goed idee te zijn: tegen de tijd dat de kinderen naar bed gaan, wordt de hamster wakker en komt hij pas tevoorschijn. De cavia daarentegen is overdag wél wakker en misschien in zo’n geval een betere keuze. Jong of volwassen dier? Sommige mensen willen per se een jong dier kopen, anderen geven de voorkeur aan een wat ouder dier. Wilt u niet te lang gebonden zijn aan een dier, dan kan een volwassen dier een goede optie zijn. Bent u zelf al wat ouder, dan kan een hond die ook wat ouder en rustiger is een prima match met u vormen. Het is niet verstandig om als u zelf al wat ouder bent te kiezen voor een dier dat heel oud kan worden en u kan overleven. Check daarom van tevoren goed hoe oud de soort of het ras gemiddeld wordt. Het voordeel van een jong dier is dat u zijn ontwikkeling kunt volgen en beïnvloeden. Bovendien zijn jonge dieren vaak erg aaibaar. Het is echter soms moeilijk om in te schatten hoe het dier zal zijn als het is uitgegroeid, zowel wat uiterlijk als gedrag betreft. Ook is bij sommige diersoorten de opvoeding en socialisatie ontzettend belangrijk. Die verantwoordelijkheid komt dan voor uw rekening, en het kost veel tijd en energie! Bij een volwassen dier weet u wat u krijgt: hoe groot het is bijvoorbeeld en u kunt inschatten wat voor karakter het heeft. Heeft u de voorkeur voor een dier dat gemiddeld behoorlijk oud wordt, dan is het belangrijk om u af te vragen of u het dier over een flink aantal jaren nog steeds leuk zult vinden. Dieren zijn geen artikelen die na verloop van tijd makkelijk aan de kant geschoven kunnen worden. Uw uitgangspunt zou moeten zijn: Baasje voor het leven. Mannetje of vrouwtje? Heeft u eenmaal de keuze gemaakt voor een soort of ras, dan dient zich – afhankelijk van de diersoort – mogelijk de vraag aan of u een mannetje of een vrouwtje wilt. Deze kunnen soms verschillen in uiterlijk of karakter. Bij sommige dieren is het mannetje “mooier” dan het vrouwtje, dus kiest u voor een mooi uiterlijk, dan komt u wellicht uit bij een mannetje. Het kan ook zijn dat u vindt dat er nadelen aan een bepaald geslacht zitten. Poezen worden krols en teefjes worden loops. Wilt u dat niet, dan kiest u mogelijk eerder voor een mannetje. Maar ook mannetjes hebben zo hun nadelen; ze zijn bijvoorbeeld in het algemeen meer vechtlustig ten opzichte van elkaar dan vrouwtjes. Heeft u van de diersoort van uw keuze al een dier in huis of wilt u meer dan één dier kopen, denk dan ook goed na over de geslachten. In het algemeen leveren twee mannetjes bij elkaar meer gevechten op dan twee vrouwtjes of een vrouwtje en een gesteriliseerd of gecastreerd mannetje. Heeft u bijvoorbeeld een vrouwtjesleguaan en vindt u het leuk om er mee te kweken, dan kunt u een mannetje erbij nemen. Maar wilt u juist geen nakomelingen, dan is het verstandig om voor een vrouwtje erbij te kiezen. Bij sommige diersoorten kan de dierenarts een mannetje of vrouwtje steriliseren of castreren. Het probleem van mogelijke nakomelingen is dan verholpen. Eén dier of meer? Sommige dieren zijn echte groepsdieren. In dat geval kunt u het beste meerdere dieren tegelijk aanschaffen. Een dier dat van nature in groepen leeft, voelt zich vaak niet prettig in zijn eentje. Andere dieren zijn juist niet gediend van soortgenoten en leven solitair. Zet deze nooit gedwongen in één ruimte, want de kans dat zij gaan lijden aan stress, elkaar verwonden of zelfs doden is groot. Als u al een huisdier heeft, is het verstandig om te bedenken of een nieuwkomer een goede match kan vormen. Dit kan betekenen dat u er tijd en energie in moet stoppen om dieren aan elkaar te laten wennen. Want een hond die uw kat achternajaagt terwijl deze op zijn beurt uw vogels de stuipen op het lijf jaagt, daar wordt niemand gelukkig van. Probeer van te voren in te schatten hoe groot de kans is dat de dieren aan elkaar gewend raken. En zorg voor een goed tweede plan als alles toch niet gaat zoals u zou willen… “Gemakkelijke” dieren Natuurlijk is de ene diersoort gemakkelijker wat betreft verzorging dan de andere, maar echt “gemakkelijke” dieren zijn er maar weinig. Zelfs bij vissen komt veel meer kijken dan men zo op het eerste gezicht denkt. Een verkeerde samenstelling van het water kan hen soms fataal worden en ook de inrichting van aquarium luistert nauw. De medewerkers van de dierenspeciaalzaak of de fokker of kweker helpen u graag op weg, maar verwachten uiteraard wel dat u zichzelf er ook al goed in verdiept heeft. Erfelijke gebreken en raskenmerken Als u een soort of ras op het oog heeft, is het goed om na te gaan wat voor soort aandoeningen er relatief veel voorkomen bij dit dier. De huisdierenbijsluiters van het LICG bieden u enig houvast. Een dierenarts kan uw vragen hierover ook beantwoorden. Zo komt bij sommige honden- en kattenrassen heupdysplasie (een heupafwijking) veel voor. Bij andere hondenrassen heeft een groot deel van de populatie snel last van benauwdheid omdat de neus erg afgeplat is. Ook bij andere dieren komen dergelijke erfelijke gebreken voor. Bij paarden kunt u bijvoorbeeld te maken hebben met zomereczeem of bepaalde beengebreken, terwijl bij konijnen de stand van het gebit verkeerd kan zijn. Zo zijn er nog vele andere voorbeelden te noemen. Sommige afwijkingen zijn alleen belangrijk wanneer u bijvoorbeeld wilt gaan fokken of wanneer u met uw dier wilt gaan sporten. Andere gebreken kunnen het welzijn van het dier ernstig aantasten. Weet ik voldoende om op een goede manier voor mijn dier te kunnen zorgen? Voordat u een huisdier koopt, is het belangrijk dat u zich goed laat informeren over hoe u voor het dier moet zorgen. Bovendien zorgt een goede voorbereiding al voor een heleboel voorpret! Op de website van het LICG vindt u voor heel veel verschillende diersoorten een huisdierenbijsluiter. Ook vindt u er veel aanvullende Praktische informatie, bijvoorbeeld over onder andere honden en katten, maar ook over onderwerpen zoals huisdier en vakantie, overgewicht bij huisdieren en allergie voor huisdieren. Probeer op basis van de door u verzamelde informatie een beeld te vormen van hoe het is om het dier straks daadwerkelijk in huis te hebben. Weet u dan wat u moet doen? Of het vaccinaties nodig heeft? Wat het precies moet eten? Weet u wat voor gedrag het dier van nature vertoont en wat dit voor u in de praktijk betekent? Twijfelt u of heeft u nog vragen, kijk dan eens onder het kopje “waar kan ik mij verder oriënteren”. Daar vindt u tal van suggesties die u kunnen helpen. Waar wil ik het dier gaan aanschaffen? Als u heeft besloten dat er een huisdier gaat komen, moet u natuurlijk nog wel beslissen waar u dat dier vandaan gaat halen. Er zijn allerlei mogelijkheden om aan een dier te komen, het is belangrijk om daaruit een goede keuze te maken. Een betrouwbaar adres? Het spreekt voor zich dat u het dier bij een betrouwbaar adres wilt kopen. Voor veel huisdieren, zoals konijnen, knaagdieren en verschillende soorten vogels en vissen, kunt u in een goede dierenspeciaalzaak terecht. Er zijn ook gespecialiseerde dierenspeciaalzaken; deze verkopen bijvoorbeeld uitsluitend vissen of reptielen en hebben daar dan ook speciale kennis over. U kunt uw dier ook aanschaffen bij een fokker of kweker. Weet u zelf geen goede fokker of kweker, neem dan eens contact op met een vereniging. Zij kunnen u vaak helpen aan goede adressen. Een andere mogelijkheid is om een dier uit een asiel of opvang te halen. Niet alleen honden en katten, maar ook konijnen, knaagdieren, fretten en soms zelfs klein vee kunt u op deze manier een nieuw tehuis geven. Ook als u een jong dier wilt, kan het de moeite lonen om bij een opvang te kijken. Er worden bijvoorbeeld regelmatig zwangere katten en konijnen opgevangen. Ook particulieren verkopen soms dieren, bijvoorbeeld als zij een ongepland nestje hebben of als zij door omstandigheden niet langer voor hun dier kunnen zorgen. Welk adres u ook kiest, kijk er eerst goed rond voor u er een dier aanschaft. Door te letten op huisvesting, hygiëne, ouderdieren, de manier van fokken en de manier waarop met de dieren wordt omgegaan kunt u al veel te weten komen over de betrouwbaarheid van de verkopende partij. Stel gerust vragen: een goede dierverkoper kan u informatie geven over het dier van uw keuze. Eerste hulp bij lokkertjes Een dier moet u natuurlijk niet kopen omdat een advertentie zo verleidelijk klinkt of omdat er een speciale aanbieding geldt: een dier is geen impulsaankoop! Als u overweegt een dier aan te schaffen, dan moet u dat weloverwogen doen. Zorg dat u vooraf weet waar u op moet letten, zowel bij het beoordelen van de verkoper als bij de keuze van het juiste dier. Ga liever niet ‘alvast eens kijken’ voor u zeker weet dat u een bepaalde diersoort wilt aanschaffen. Dieren zijn vaak zo verleidelijk dat u onherroepelijk toch met een dier thuiskomt! Dieren uit het buitenland? Tegenwoordig worden regelmatig dieren aangeboden die afkomstig zijn uit het buitenland. Het gaat dan bijvoorbeeld om buitenlandse asieldieren of zwerfdieren. Deze dieren hebben vaak een verleden van verwaarlozing of mishandeling. U kunt zich aangesproken voelen om zo’n dier een tweede kans te geven. Realiseert u zich dan wel dat deze dieren soms problemen met zich mee kunnen brengen. Zo bestaat de mogelijkheid dat zij een ziekte meebrengen die nog niet aangetoond kan worden met de testen die in het land van herkomst uitgevoerd worden. Ook kunnen deze dieren slecht gesocialiseerd zijn en niet gewend aan onze drukke samenleving, waardoor ze bijvoorbeeld last kunnen hebben van gedragsproblemen en ze in huis slecht te houden zijn. Als dit u niet weerhoudt, zorg dan dat u in zee gaat met een organisatie die hier zorgvuldig mee om gaat door bijvoorbeeld bloedtesten te doen, het karakter van het dier te testen en waarbij de dieren in Nederland bij gastgezinnen zijn ondergebracht, zodat u het dier vooraf kunt bezoeken. Een aantal organisaties maakt zich gelukkig sterk om een bijdrage te leveren aan de oplossing van het zwerfdierenprobleem in het land van herkomst door lokale castratie/sterilisatie- en educatieprogramma’s. En bedenk: ook in Nederland zijn er genoeg dieren te vinden die dolgelukkig zouden worden van een tweede kans. Veel Nederlandse organisaties die zich bezighouden met zwerfdieren in het buitenland hebben zich aangesloten bij het Animal Foundation Platform, een onafhankelijk platform met als doel om samenwerking op dit gebied mogelijk te maken. U vindt de aangesloten stichtingen op hun website. Het is ook mogelijk dat u bijvoorbeeld een diersoort of -ras op het oog heeft die in Nederland niet (of nauwelijks) te verkrijgen is. Dan kunt u er voor kiezen zo’n dier bij een buitenlandse fokker te kopen. Omdat het in die gevallen voor u misschien niet mogelijk is van te voren langs te gaan, is het belangrijk om eerst te informeren of het om een betrouwbaar adres gaat. U kunt proberen daar via een buitenlandse rasvereniging of liefhebbersvereniging meer informatie over te krijgen. Houdt in gedachten dat u voor de import van een dier de juiste papieren in orde moet maken. Het importeren van een dier uit het buitenland is namelijk gebonden aan bepaalde regels. Waar moet ik bij de aanschaf op letten? Bij de uiteindelijke aanschaf van een dier is het prettig om te weten waar u op moet letten om een goede aankoop te doen. U wilt immers niet achteraf tot de conclusie komen dat het door u uitgezochte adres toch niet zo betrouwbaar was. Hieronder vindt u een aantal tips. Gezondheid en gedrag In de eerste plaats moet het dier dat u wilt aanschaffen natuurlijk gezond zijn. Dat is niet altijd gemakkelijk vast te stellen. Door u vooraf te verdiepen in de gekozen diersoort kunt u echter al wel een aantal problemen voorkomen. Let bijvoorbeeld op de conditie van de huid, de vacht of het verenkleed: ziet deze er onbeschadigd en gezond uit? De ogen, oren en neus horen netjes schoon te zijn, evenals de anus of cloaca. De ademhaling moet gemakkelijk gaan en zonder bijgeluiden. Ook de ontlasting moet er gezond uitzien. Kijk of het dier zich gemakkelijk beweegt. Bij diersoorten waarbij dat van toepassing is moet u controleren of ze alle inentingen en behandelingen tegen parasieten hebben gehad. Ook het gedrag van het dier is belangrijk. Het dier moet alert zijn en op zijn omgeving reageren. Hoe een dier reageert hangt echter af van de soort: een gezond cavia-jong rent meestal weg, terwijl u van een hond of kat juist wilt dat het dier nieuwsgierig is naar u. Bij dieren waarbij het belangrijk is dat ze op de juiste manier op mensen reageren en niet bang voor u zijn, zoals bij honden, katten, fretten maar ook bijvoorbeeld papegaaien, moet u het gedrag goed bekijken. Dit kan veel zeggen over de manier waarop het dier gesocialiseerd is. Bij een goede socialisatie leert een dier om te gaan met verschillende mensen, dieren, geluiden enzovoorts. Het is heel belangrijk dat een dier hier aan went wanneer het nog jong is. Leeftijd Voor een aantal diersoorten is in het besluit Scheiden van Dieren een minimale leeftijd opgenomen waarop dieren bij hun moeder mogen worden weggehaald. Let hier op als u een dier aanschaft. Zo geldt voor honden en katten een minimumleeftijd van zeven weken. Daarnaast zijn er rasverenigingen die als richtlijn meegeven dat een dier langer bij de fokker blijft. Voor bijvoorbeeld reptielen geldt dat erg jonge dieren een (veel) grotere kans hebben te overlijden dan dieren die iets ouder zijn. Om die reden kan het verstandig zijn om een iets ouder dier te kopen. Huisvesting van het dier Hoe een dier bij de verkopende partij gehuisvest is, kan veel zeggen over het aanschafadres en de gezondheid van het dier. Bij bijvoorbeeld paarden kunt u kijken of het paard stalondeugden vertoont, zoals rusteloos heen en weer bewegen in de stal, of het zogenaamde luchtzuigen. Hoewel dit soort gedrag vaak verdwijnt bij betere huisvesting, kunnen paarden soms uit automatisme de rest van hun leven deze ondeugden vertonen. Te volle hokken, slechte hygiëne of dode vissen in een aquarium wijzen erop dat het welzijn van de dieren voor de verkoper ondergeschikt is aan de handel. Hier kunt u beter geen dieren kopen. Bij puppy’s en kittens is het belangrijk dat de dieren zijn opgegroeid in contact met mensen, liefst in een huiskamer en zeker niet in een schuurtje of kennel ergens achteraf. De manier waarop een verkoper met zijn dieren omgaat geeft vaak al een heleboel aan. Een goede fokker zal willen dat zijn dieren bij de juiste mensen terecht komen. Iemand voor wie geld het belangrijkste is, is daarentegen vaak vooral geïnteresseerd in een snelle verkoop. Zo’n fokker kan u proberen over te halen om snel te beslissen, want er is (zogenaamd) ook nog een andere geïnteresseerde. Of hij wil de prijs speciaal voor u (zogenaamd) verlagen als u het dier “nu meeneemt”, enzovoorts. In zijn algemeenheid geldt: als u er geen goed gevoel bij hebt, koop het dier dan niet!!! Door toch dat “zielige dier” te kopen, houdt u ondeugdelijke praktijken in stand, want even later zit er weer een nieuw dier dat net zo zielig is. Alles thuis klaar? Als u een dier aanschaft, is het belangrijk dat u thuis alles klaar heeft staan om het dier op een goede manier te kunnen huisvesten. Dit geldt zeker voor aquarium- of terrariumdieren. Deze diersoorten zijn gevoelig voor omgevingsinvloeden. Aquariumwater moet een juiste samenstelling hebben en het filter moet op gang kunnen komen. In een terrarium moeten de temperatuur en luchtvochtigheid op een constant niveau komen. Daarom is het nodig om een aquarium of terrarium tenminste twee weken voor de aanschaf van de dieren klaar te zetten en waterkwaliteit, temperatuur en luchtvochtigheid te meten voor u het nieuwe huisdier gaat halen. Ook bij andere dieren is het wel zo prettig als u alle benodigdheden zoals een hok of mand, voer, bodembedekking en dergelijke in huis heeft voor u het dier van uw keuze gaat ophalen. Op die manier bent u goed voorbereid en kan het dier meteen na de reis bijkomen in een voor hem geschikte omgeving. Een aankoopkeuring? Overweegt u om een paard of pony aan te schaffen, dan is het gebruikelijk om de dierenarts te vragen om een aankoopkeuring te doen. Bij een aankoopkeuring wordt gekeken of het dier dat u wilt gaan kopen helemaal gezond is. Zo weet u zeker dat u geen ‘kat in de zak koopt’. Zorg ervoor dat de aankoopkeuring gedaan wordt door een onafhankelijke dierenarts, en geef duidelijk aan voor welke doeleinden u het dier koopt. Ook bij andere dieren is een aankoopkeuring mogelijk. Of u dat wilt laten doen, hangt vaak af van het bedrag waarvoor u een dier wilt kopen en wat u met het dier wilt. Bent u van plan een dure rashond te kopen om daar mee te gaan fokken, dan ligt een aankoopkeuring meer voor de hand dan wanneer u een hamster wilt gaan kopen voor de gezelligheid. Bij sommige rassen is het door de rasvereniging aanbevolen of verplicht dat de ouderdieren op bepaalde gebreken getest zijn. Dit geeft geen garantie dat uw toekomstige dier gezond is, maar verkleint wel de kans dat het dier deze gebreken later ook krijgt. Wetgeving Voor u een dier aanschaft is het belangrijk om na te gaan of er speciale wetgeving voor de betreffende diersoort bestaat. Zo is er een aantal dieren dat internationaal beschermd wordt, bijvoorbeeld omdat deze dieren met uitsterven bedreigd worden. Het doel van CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora) is om te voorkomen dat de internationale handel het voortbestaan van deze diersoorten bedreigt. In de Europese Unie is een aantal verordeningen van kracht waarmee het CITES verdrag kan worden uitgevoerd. In Nederland zijn de regels voor inheemse soorten ingebouwd in de Flora- en Faunawetgeving. Meer informatie over CITES vindt u elders op de website onder ‘Praktisch’. Voor sommige diersoorten bestaat er een verplichte identificatie en registratie. Dit geldt in ieder geval voor landbouwhuisdieren zoals koeien, varkens, schapen, geiten en paarden. Voor honden, katten en fretten geldt een identificatieverplichting als u met ze naar het buitenland wilt reizen. Meer informatie daarover vindt u bij de Praktische informatie over 'Reizen en vakantie'. Verder is het soms verplicht dieren te laten inenten. Zo is het in 2010 verplicht geworden om melkschapen of -geiten tegen Q-koorts in te enten. Datzelfde geldt voor alle geiten en schapen op bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen en zorgboerderijen. Maar u kunt ook te maken krijgen met wettelijk verplicht gestelde entingen wanneer u uw huisdier meeneemt naar het buitenland. Naast deze (inter)nationale regelgeving kunt u te maken krijgen met regelgeving in uw gemeente. In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van uw gemeente kan bijvoorbeeld opgenomen staan dat uw dier geen overlast mag veroorzaken. Ook hebben veel gemeenten regels omtrent het houden van gevaarlijke dieren opgenomen in hun APV. Verder kunt u denken aan regels over het uitlaten van uw hond (speciale uitlaatstroken, aanlijngebod, het opruimen van poep, zichtbaar dragen van de hondenpenning), regels over het wandelen met uw paard (opruimen poep, waar en wanneer mag u een bepaald gebied in), etc. Bovendien kunt u te maken krijgen met regels omtrent de ruimtelijke ordening (bijvoorbeeld het wel of niet mogen bouwen van stallen en hokken) en met milieuwetgeving Koopcontract Wanneer u een dier koopt is het verstandig om een koopcontract af te sluiten of overdrachtspapieren te tekenen. Een dierenpaspoort of een chipregistratie op uw naam gelden namelijk niet als eigendomsbewijs! Wilt u aan kunnen tonen dat u de rechtmatige eigenaar van een dier bent, dan moet er een overeenkomst tussen verkoper en koper zijn. Hoewel mondelinge overeenkomsten rechtsgeldig zijn, is het soms zeer moeilijk om aan te tonen dat een dergelijke overeenkomst inderdaad heeft plaatsgevonden. Daarom is een schriftelijke overeenkomst, door beide partijen getekend, altijd verstandig. Bij dieren die onder de CITES wetgeving vallen, moet u CITES papieren of een overdrachtsbewijs krijgen om aan te kunnen tonen dat u het dier op legale wijze verkregen heeft. Vaak zijn er via bijvoorbeeld rasverenigingen voorbeeldcontracten te verkrijgen, maar een koopcontract kunt u zo uitgebreid maken als u zelf wilt. Zo kunnen er voorwaarden in opgenomen worden over het mogen gebruiken of de geschiktheid van een dier als fokdier. Lees een contract altijd goed na en teken pas wanneer u het eens bent met de eventueel genoemde voorwaarden. Wat zijn mijn rechten en plichten als koper of houder van een huisdier? Als huisdierbezitter heeft u de verantwoordelijkheid om op een goede manier voor uw dier(en) te zorgen, ongeacht of het nu gaat om een vis, een vogel, een rat of wandelende tak. Het gaat immers om levende wezens, die er niet zelf voor gekozen hebben om uw huisgenoot te worden. Deze verantwoordelijkheid is wettelijk vastgelegd. Wie zijn dier de benodigde zorg onthoudt, is zelfs strafbaar. Dit betekent indirect dat u dus zelf de verantwoordelijkheid heeft om u goed te laten informeren over hoe u voor uw dier moet zorgen en daar dan ook naar te handelen! Garantie op uw dier Gek genoeg is een dier volgens het consumentenrecht een ding. Dit betekent dat ook op dieren bij aankoop een ‘garantie’ zit. Dat is het gevolg van de wet op de consumptiegoederen. Deze wet komt er op neer dat klanten zes maanden garantie krijgen op alles wat zij in de winkel kopen. Die garantie geldt dus ook voor verkochte planten en dieren. Als het dier binnen zes maanden na de aankoop ziek wordt of dood gaat, kunt u terug naar de winkel en moet u een nieuw dier krijgen of uw geld terug. Alleen als de verkoper kan aantonen dat het dier niet ziek was op het moment van de verkoop of dat de koper het dier verwijtbaar slecht heeft verzorgd, geldt de garantie niet. Natuurlijk willen de meeste mensen hun dier niet inruilen. Vaak wordt dan ook een regeling getroffen waarbij de verkoper een deel van het aankoopgeld terugbetaalt of meebetaalt aan de medische kosten. Het is daarbij wel belangrijk dat u de verkoper raadpleegt vóór u dergelijke kosten maakt. Geschillen Als u uw dier bij de dierenspeciaalzaak koopt, moet de medewerker van de dierenspeciaalzaak u betrouwbare informatie verstrekken. Zo weet u waar u aan toe bent en wat er van u verwacht wordt. Natuurlijk kan het voorkomen dat u een klacht heeft over uw contact met de dierenspeciaalzaak, bijvoorbeeld over de afhandeling van een verkoop of van de garantie. Leg deze klacht altijd eerst voor aan de winkelier. Komt u er samen niet uit, dan kunt u eventueel in beroep gaan bij de Geschillencommissie Gezelschapsdieren. Ook als u uw dier bij een pension brengt en er een geschil ontstaat, kunt u een beroep doen op de Geschillencommissie. Voorwaarde is wel dat de dierenspeciaalzaak of het dierenpension is aangesloten bij de brancheorganisatie Dibevo. Het is dus verstandig om dit vooraf even te checken. Waar kan ik mij verder oriënteren? Afhankelijk van wat voor informatie u precies zoekt, kunt u zich op verschillende plaatsen verder oriënteren: Landelijk InformatieCentrum Gezelschapsdieren (LICG): op onze website vindt u veel informatie over alles wat met huisdieren te maken heeft. Zo kunt u er terecht als u iets wilt weten over allergie voor huisdieren of over het verzekeren van uw huisdier, maar ook als u meer wilt lezen over huisdieren en vakantie of over te dikke huisdieren. Op deze website vindt u bovendien voor heel veel diersoorten een huisdierenbijsluiter. In de Huisdierenbijsluiters is veel informatie over het verzorgen van huisdieren en allerlei andere zaken die daar bij komen kijken op een rijtje gezet. De bijsluiters helpen dus bij het bepalen of het dier dat u op het oog heeft echt aansluit bij wat u wilt. Voor verschillende diersoorten is bovendien veel extra Praktische informatie beschikbaar. Kunt u desondanks niet vinden wat u zoekt, dan kunt u uw vraag mailen via ons contactformulier. Dierenspeciaalzaak: ook bij de dierenspeciaalzaak is kennis over het verzorgen van huisdieren aanwezig. Sommige dierenspeciaalzaken hebben zelfs informatie over verschillende diersoorten voor u klaar liggen. Uiteraard zijn de medewerkers in de dierenspeciaalzaak graag bereid om vragen te beantwoorden en mee te denken. En komen zij er niet uit, dan kunnen zij altijd contact opnemen met het LICG. Leuke bijkomstigheid is dat u het dier van uw keuze in de dierenspeciaalzaak daadwerkelijk kunt bekijken. Houd er wel rekening mee dat u niet alle dieren in de dierenspeciaalzaak kunt kopen en dat u voor sommige diersoorten beter naar een ander adres kunt gaan. Zo verkoopt niet iedere dierenspeciaalzaak reptielen en amfibieën en verkoopt vrijwel geen enkele dierenspeciaalzaak honden of katten. Fokker en kweker: sommige diersoorten kunt u niet in de dierenspeciaalzaak kopen, maar vaak wel bij een fokker of kweker. Bij de fokker of kweker kunt u ook terecht met vragen; hij of zij zal u graag adviseren. Weet u niet hoe u in contact kunt komen met een betrouwbare fokker of kweker? Voor veel diersoorten zijn liefhebberijverenigingen of rasverenigingen. Daar weten ze welke adressen betrouwbaar zijn en verwijzen ze graag door. Heeft u moeite met het vinden van een vereniging, dan kunt u contact opnemen met het LICG via ons contactformulier. Vereniging: bij een liefhebberijvereniging of rasvereniging kunt u niet alleen terecht voor een betrouwbaar verkoopadres, maar ook met uw vragen. Veelal weten de mensen die actief zijn binnen zo’n vereniging niet alleen heel veel, maar hebben ze zelf ook ervaring met het houden van deze dieren. U krijgt daar dus advies uit de praktijk. Voor honden is er een overkoepelende organisatie van rasverenigingen, de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland. Tentoonstelling: weet u nog niet zo goed wat u precies wilt en wilt u zich graag breder oriënteren, dan kan een bezoek aan een tentoonstelling een uitkomst zijn. Op tentoonstellingen zijn vaak meerdere diersoorten of rassen aanwezig. Zo kunt u de dieren dus gemakkelijk onderling vergelijken. De deelnemers aan zo’n tentoonstelling weten bovendien vaak veel interessante dingen over hun dieren te vertellen. Dierenartspraktijk: hoewel u misschien niet direct denkt aan de dierenartspraktijk als informatiebron, bent u ook hier van harte welkom met vragen. Vooral voor vragen die direct betrekking hebben op de gezondheid van dieren bent u hier aan het goede adres. Wilt u bijvoorbeeld meer weten over veel voorkomende aandoeningen bij sommige diersoorten en wat u daar tegen kunt doen of wilt u een dier kopen, maar bent u bang dat het dier last heeft van een (erfelijke) aandoening, dan bent u bij de dierenartspraktijk precies op de goede plaats. De dierenarts of dierenartsassistente kan vragen daarover beantwoorden, het dier onderzoeken of een aankoopkeuring verzorgen. Asiel en opvang: bij een asiel of een gespecialiseerde opvang, zoals een knaagdieren- of frettenopvang, kan men u vaak ook veel vertellen over een bepaalde diersoort of een specifiek ras. De mensen die er werken hebben zich vaak verdiept in de dieren die er opgevangen worden en zijn meestal ervaren liefhebbers. Een goede oriëntatie vooraf kost weliswaar tijd, maar het kan ook heel leuk zijn om informatie te verzamelen. Bovendien voorkomt het uiteindelijk teleurstelling omdat het dier niet aan uw verwachting voldoet. U weet immers wat voor dier u koopt, waar u rekening mee moet houden en hoe u er voor moet zorgen. En dat is een prima uitgangspunt voor een goede relatie tussen u en uw huisdier! (Bron: www.licg.nl)Algemene Praktische Informatiehttp://www.animalqueen.nl/c-1991661/algemene-praktische-informatie/Erfelijke aandoeningen bij konijnen en knaagdierenhttp://www.animalqueen.nl/c-1991090/erfelijke-aandoeningen-bij-konijnen-en-knaagdieren/Bij konijnen en knaagdieren komen erfelijke aandoeningen voor. In deze lijst vindt u van diverse erfelijke aandoeningen de naam en een korte omschrijving. De lijst is niet volledig maar geeft een indruk van wat voor erfelijke afwijkingen er bij konijnen en knaagdieren bekend zijn. Meer informatie en uitleg over erfelijke aandoeningen en gebruikte termen vindt u in de Praktische documenten ‘Inleiding erfelijke aandoeningen’ en ‘Meer over erfelijkheid’. Konijn - Epilepsie Ook wel ‘toevallen’ genoemd. Dit komt af en toe voor bij witte konijnen met blauwe ogen, onder andere bij de rassen Witte Wener, Blauwoog Pool en Hulstlander, maar ook bij kruisingen. Het is een ernstige ziekte die de levensduur bekort. Konijn - Geboorteproblemen Bij kleine dwergkonijnen kunnen geboorteproblemen voorkomen doordat het bekken van het vrouwtje te klein is om de jongen door te laten. Ook zijn de dieren vaak verminderd vruchtbaar. Konijn - Glaucoom Dit is een verhoogde oogboldruk als gevolg van een afvoerproblemen van het vocht in het oog. Het komt onder andere voor bij witte Nieuw Zeelanders. Dit veroorzaakt pijn en het oog puilt uit. Uiteindelijk moet het oog soms verwijderd worden. Konijn - Kleurslag bij ‘tekeningkonijnen’ Tekeningkonijnen zijn konijnen die grotere of kleinere pigmentvlekken hebben in een verder witte vacht. Voorbeelden daarvan zijn de rassen Lotharinger, Papillon en Rijnlander. Als er met de dieren gefokt wordt, is gemiddeld een kwart van de jongen licht getekend tot vrijwel wit. Deze dieren hebben een slechte weerstand. Ze blijven achter in gewicht, zijn minder gezond en sterven als de verzorging niet optimaal is. Konijn - Olifantstanden Hierbij ontstaan gebitsproblemen door een misvorming van de kaak. De aandoening komt bij verschillende rassen voor maar relatief vaak bij dwergrassen. Soms is bij hen de onderkaak te lang ten opzichte van de bovenkaak. De tanden slijten dan niet meer goed op elkaar af. Meestal zijn het de tanden van de onderkaak die de bek uitgroeien, terwijl de boventanden naar binnen krullen. Daardoor raakt het mondslijmvlies beschadigd en ontstaan er problemen met eten. De tanden zullen dan regelmatig moeten worden bijgeslepen. Zonder behandeling zal het dier sterven. Konijn - Overmatige dwerggroei Dwergkonijnen zijn klein doordat ze de dwergfactor in hun erfelijk materiaal hebben. Deze dwergfactor zorgt voor een vervorming waardoor een klein formaat, een bolle kop en korte oren ontstaan. Als twee dwergen met elkaar gekruist worden, is de helft van de nakomelingen een dwerg, een kwart is groter dan een dwerg (een ‘valse dwerg’ of ‘non-dwerg’), en een kwart is zo klein dat ze niet levensvatbaar zijn en binnen enkele dagen sterven. Zij hebben een dubbele dwergfactor. Dit komt voor bij kleurdwergen en Pooltjes. Konijn - Overmatig lange oren Engelse Hangoren hebben lange oren die over de grond hangen en daardoor snel beschadigen. Bovendien worden de dieren gehinderd in hun natuurlijke voortbeweging. Konijn - ‘Splay leg’ Een aandoening waarbij één of beide achterpoten en soms ook de voorpoten van het konijn niet in staat zijn het gewicht van het dier te dragen. Het konijn zakt langzaam door zijn poten heen en draait deze naar buiten toe, waardoor het konijn zich moeilijk tot niet kan voortbewegen, afhankelijk van de ernst van de aandoening. Knaagdier - Epilepsie Bij de Mongoolse gerbil komt epilepsie voor. De gevoeligheid daarvoor heeft een genetische basis en lijkt samen te hangen met de vachtkleur. Knaagdier - Evenwichtsstoornis Bij muizen komt een erfelijke afwijking voor waarbij de dieren een verstoord evenwicht hebben en zich niet normaal kunnen voortbewegen. Deze staan bekend als ‘Japanse dansmuizen’. Knaagdier - Megacolon Bij ratten komt een afwijking voor waarbij de darm niet goed werkt. De ontlasting wordt niet naar buiten gewerkt waardoor verstopping en een opgeblazen achterlijf ontstaat en de darm verwijd wordt. Ook worden voedingsstoffen niet meer goed opgenomen. Uiteindelijk overlijdt het dier of is euthanasie nodig. De aandoening hangt samen met bepaalde vachttekeningen, vooral met witte vlekken op de kop zoals een bles. Ook bij muizen komt deze aandoening voor. Knaagdier - Roanfactor De Roanfactor staat ook bekend als schimmelfactor. De aandoening komt voor bij cavia’s. Het dier heeft tussen normaal gepigmenteerde haren over het hele lichaam ook witte haren. Als twee roankleurige cavia’s samen nakomelingen krijgen, is een deel van de nakomelingen bijna wit en verminderd levensvatbaar. Ook blindheid, doofheid, skeletafwijkingen en (te) kleine ogen (microphthalmus) komen bij deze dieren voor. Knaagdier - Satijnziekte (osteodystrofie) Bij cavia’s met satijnbeharing komt satijnziekte voor. Hierbij wordt geen nieuw calcium in de botten ingebouwd, maar in plaats daarvan wordt bindweefsel afgezet. Het skelet verliest daardoor zijn stevigheid. De cavia beweegt steeds moeilijker, heeft pijn en rust veel, vaak met de achterpoten opzij om ze te ontlasten. Uiteindelijk kan verlamming ontstaan. Vaak is euthanasie noodzakelijk. (Bron: www.licg.nl)VHD bij het konijnhttp://www.animalqueen.nl/c-1991087/vhd-bij-het-konijn/VHD (ook wel VHS genoemd) is een dodelijke virusziekte die voorkomt bij konijnen. VHD staat voor Viral Haemorrhagic Disease. Het is een zeer besmettelijke ziekte waartegen uw het konijn kunt laten inenten. Meerdere namen De ziekte VHD is onder meerdere namen bekend: RVHD (Rabbit Viral Haemorrhagic Disease ), VHS (Viraal Haemorrhagisch Syndroom), RHD (Rabbit Haemorrhagic Disease) , RCD (Rabbit Calicivirus Disease). Het VHD virus is een calicivirus. De ziekte werd als eerste gezien in China maar komt sinds 1988 ook in Europa voor. Verspreiding VHD is erg besmettelijk en wordt overgebracht door direct contact, door besmet materiaal zoals bodembedekking, hokken, geplukt gras, via vogels of zelfs via schoenzolen, en door stekende insecten zoals vlooien en muggen. Het wordt uitgescheiden in de urine en ontlasting. Het virus kan lang overleven op schoenen of kleding bij kamertemperatuur en is bestand tegen vorst. Symptomen VHD is een snel verlopende ziekte die vrijwel altijd dodelijk is. Het virus veroorzaakt een leverinfectie met als gevolg inwendige bloedingen in allerlei organen, vooral in de longen, lever en darmen. Binnen 1 tot 2 dagen na infectie wordt het konijn stilletjes en stopt met eten. Het dier kan benauwd worden, diarree of verstopping krijgen en het krijgt soms koorts. Al snel overlijdt het konijn, soms krijgt het daarbij epileptische aanvallen of een bloedneus en schreeuwt het. Soms zijn er geen symptomen te zien en is het konijn ineens dood. Sommige konijnen vertonen een subacute of chronische vorm, waarbij de dieren meestal na een of twee weken overlijden aan leverfalen. Konijnen jonger dan zes tot acht weken zijn doorgaans niet vatbaar voor deze ziekte. Voorkomen VHD komt in Nederland ook bij wilde konijnen voor en kan worden overgebracht op huiskonijnen. Het is daarom erg belangrijk om uw konijn hiertegen te beschermen, zowel door besmetting zoveel mogelijk te voorkomen als door uw dieren te laten inenten. Preventieve maatregelen Om besmetting te voorkomen is goede hygiëne belangrijk. Zorg ervoor dat wilde konijnen geen contact kunnen maken met uw konijnen. Probeer insecten te weren: gebruik horren in huis, gebruik eventueel horrengaas voor het hok en zorg ervoor dat het hok goed schoongemaakt wordt. Gebruik geen giftige chemische stoffen om muggen en vliegen te doden, deze kunnen schadelijk zijn voor het konijn. Pluk geen gras en andere planten in gebieden waar ook wilde konijnen voorkomen als uw konijnen niet gevaccineerd zijn tegen VHD, en spoel alles goed af. Vaccinatie Er is sinds begin 2012 een nieuw vaccin dat met één vaccinatie beschermt tegen zowel VHD als myxomatose, een andere dodelijke konijnenziekte. Het vaccin is een jaar werkzaam. Daarvoor werden twee verschillende entstoffen gebruikt tegen VHD en myxomatose. Als uw konijnen tot nog toe met het oude vaccin zijn ingeënt tegen myxomatose, maar niet tegen VHD, moet er bij de eerste enting met het nieuwe vaccin na vier weken eenmalig een ‘booster’ enting worden gegeven. Dit omdat het anders mogelijk is dat er niet voldoende afweer tegen VHD wordt opgebouwd. Dat is ook nodig als uw konijn nog nooit is ingeënt maar wel een myxomatose infectie overleefd heeft. Bij volgende entingen met het nieuwe vaccin is dit niet meer nodig. Wanneer vaccineren? Nog steeds is aan te raden uw konijn in het voorjaar te laten inenten, omdat de besmettingskans in voorjaar en zomer het grootst is. Overwegingen bij vaccinatie Bij elke enting is het belangrijk dat het dier helemaal gezond is op het moment van enten. Ook mag het konijn niet zwanger zijn. Laat het konijn daarom altijd eerst even door de dierenarts nakijken, zeker als u reden heeft om aan te nemen dat er iets met het dier aan de hand is. Enten hoort geen ‘lopende band werk’ te zijn! Enten tijdens een operatie is niet aan te raden vanwege het beslag dat de enting legt op het immuunsysteem. De weerstand tegen andere infecties wordt daardoor tijdelijk verlaagd. Wel heeft het nieuwe combinatie-vaccin minder remmende werking op het immuunsysteem dan de tot nog toe gebruikte vaccins. Daardoor verwacht men minder risico dan voorheen bij het vaccineren van dieren die met een chronische infectie zoals ‘snot’ kampen. Wacht wel met inenten tot een moment waarop de infectie goed onder controle is; overleg vooraf goed met uw dierenarts. De combinatie-enting tegen VHD en myxomatose mag vanaf een leeftijd van 5 weken gegeven worden. Als bijwerking kan er op de plek van enten een bultje ontstaan in de eerste twee weken na de enting en kan de lichaamstemperatuur 1 tot 2 graden stijgen. Als er in uw omgeving VHD heerst, kunt u niet gevaccineerde konijnen die geen symptomen vertonen alsnog laten inenten. Heeft uw konijn vaak last van bijwerkingen, of heeft het een verlaagde weerstand, overleg dan met uw dierenarts of het verstandig is het dier te laten inenten. (Bron: www.licg.nl)Myxomatose bij konijnenhttp://www.animalqueen.nl/c-1991085/myxomatose-bij-konijnen/Myxomatose is een ernstige, vaak dodelijke ziekte bij konijnen. Het wordt veroorzaakt door een virus dat verwant is aan de pokkenvirussen. Myxomatose kwam oorspronkelijk alleen voor bij het Braziliaanse konijn en het Californische konijn maar is door de mens geïntroduceerd in Australië. De door de mens losgelaten konijnen daar hadden geen natuurlijke vijanden en konden zich daardoor ongestoord voortplanten, tot ze een plaag vormden voor de boeren. Met het myxomatosevirus hoopte men de konijnenpopulatie te kunnen controleren. Het virus verspreidde zich echter ook naar Europa en richt daar nog steeds veel schade aan onder konijnenpopulaties. Verspreiding Het myxomatose virus wordt overgebracht door stekende insecten, vooral muggen en steekvliegen maar ook vlooien. Er bestaat ook een vorm die door direct contact wordt overgebracht. Symptomen Een konijn dat getroffen is door myxomatose krijgt zwellingen bij de ogen, mond en anus. Daarna ontstaan bulten op de oren, bij de mond en op de rug: de myxomen. Vervolgens krijgt het konijn longontsteking en zal het uiteindelijk bijna altijd sterven. Bij de vorm die door direct contact wordt overgedragen zijn nauwelijks huidzwellingen te zien; wel ontstaan er rode, gezwollen ogen en vooral problemen met de ademhaling. Behandeling Er is geen behandeling tegen de ziekte. Het enige wat gedaan kan worden is goede voeding en pijnstilling te geven en behandeling tegen bijkomende aandoeningen met antibiotica. Slechts in een klein percentage van de gevallen overleeft een konijn een infectie. Konijnen die een infectie overleven zijn daarna zo’n 14 tot 20 maanden beschermd tegen een nieuwe infectie. Voorkomen In Nederland komen regelmatig uitbraken van myxomatose voor onder wilde konijnen, maar ook huiskonijnen kunnen besmet worden. Het is dan ook belangrijk om uw konijn goed tegen deze ziekte te beschermen. Dat kan door middel van preventie en vaccinatie. Preventieve maatregelen Het voorkomen van een besmetting is uiteraard van groot belang. Zorg ervoor dat uw konijnen vrij zijn van vlooien. Niet elk anti-vlooienmiddel is geschikt voor konijnen, overleg dus met uw dierenarts! Houd wilde konijnen weg bij uw eigen konijnen. Neem maatregelen tegen muggen en vliegen. Gebruik horren in huis, gebruik eventueel horrengaas voor het hok, zorg ervoor dat het hok goed schoongemaakt wordt. Gebruik geen giftige chemische stoffen om muggen en vliegen te doden, deze kunnen schadelijk zijn voor het konijn. Vaccinatie Er is sinds begin 2012 een nieuw vaccin dat met één vaccinatie beschermt tegen zowel VHD, een andere dodelijke konijnenziekte, als myxomatose. Het vaccin is een jaar werkzaam. Daarvoor werden twee verschillende entstoffen gebruikt tegen VHD en myxomatose. Als uw konijnen tot nog toe met het oude vaccin zijn ingeënt tegen myxomatose, maar niet tegen VHD, moet er bij de eerste enting met het nieuwe vaccin na vier weken eenmalig een ‘booster’ enting worden gegeven. Dat is ook nodig als uw konijn nog nooit is ingeënt maar wel een myxomatose infectie overleefd heeft. Dit omdat het anders mogelijk is dat er niet voldoende afweer tegen VHD wordt opgebouwd. Bij volgende entingen met het nieuwe vaccin is dit niet meer nodig. Wanneer vaccineren? Nog steeds is aan te raden uw konijn in het voorjaar te laten inenten, omdat de besmettingskans in voorjaar en zomer het grootst is. Overwegingen bij vaccinatie Bij elke enting is het belangrijk dat het dier helemaal gezond moet zijn op het moment van enten. Een enting vraagt actie van het immuunsysteem, en als dat tegelijkertijd meerdere infecties moet bestrijden kan dit verkeerd gaan. Ook mag het konijn niet zwanger zijn. Laat het konijn daarom altijd eerst even door de dierenarts nakijken, zeker als u reden heeft om aan te nemen dat er iets met het dier aan de hand is. Enten hoort geen ‘lopende band werk’ te zijn! Enten tijdens een operatie is niet aan te raden vanwege het beslag dat de enting legt op het immuunsysteem. De weerstand tegen andere infecties wordt daardoor tijdelijk verlaagd. Wel heeft het nieuwe vaccin minder remmende werking op het immuunsysteem dan de tot nog toe gebruikte vaccins. Daardoor verwacht men minder risico dan voorheen bij het vaccineren van dieren die met een chronische infectie zoals ‘snot’ kampen. Wacht wel met inenten tot een moment waarop de infectie goed onder controle is; overleg vooraf goed met uw dierenarts. Als uw konijn al verschijnselen van myxomatose vertoont, laat het dier dan niet meer inenten. Dit werkt meestal averechts en maakt het dier juist ziek doordat de enting de weerstand van het dier tijdelijk verzwakt. Overleg met uw dierenarts en ga zeker niet naar een entspreekuur om besmetting van andere konijnen te voorkomen. Als er in uw omgeving een uitbraak is van myxomatose en uw konijn is niet ingeënt maar heeft nog geen symptomen, dan kunt u alsnog laten inenten. Denk er wel aan dat het mogelijk is dat uw konijn toch al besmet was en dan alsnog ziek zal worden. De combinatie-enting tegen VHD en myxomatose mag vanaf een leeftijd van 5 weken gegeven worden. Als bijwerking kan er op de plek van enten een bultje ontstaan in de eerste twee weken na de enting en kan de lichaamstemperatuur 1 tot 2 graden stijgen. Heeft uw konijn vaak last van bijwerkingen, of heeft het een verlaagde weerstand, overleg dan met uw dierenarts of het verstandig is het dier te laten inenten. (Bron: www.licg.nl)Buikpijn bij het konijnhttp://www.animalqueen.nl/c-1991084/buikpijn-bij-het-konijn/Darmproblemen, vooral trage of stilliggende darmen, zijn een belangrijke oorzaak van pijn, ziekte en overlijden bij konijnen. Het konijn wil niet eten en heeft buikpijn. Dat kan verkeerd aflopen als niet bijtijds wordt ingegrepen. Het is daarom belangrijk dat u de symptomen herkent zodat u bijtijds naar de dierenarts kunt gaan. Daarnaast moet u weten waardoor darmproblemen ontstaan, zodat u weet wat u kunt doen om ziekte te voorkomen. De darmen van het konijn Omdat het konijn een planteneter is, zijn de darmen heel lang. Plantaardig materiaal is namelijk lastig te verteren. Bij de vertering maakt het konijn gebruik van bacteriën en andere eencellige organismen (de ‘darmflora’) die een deel van de moeilijker afbreekbare onderdelen van planten kunnen verwerken. Deze eencelligen leven vooral in de blinde darm van het konijn. Die is daarom groot en erg belangrijk voor de vertering. De blinde darm splitst zich af op het punt waar de dunne darm in de dikke darm overgaat. De onverteerbare vezels gaan vanaf de dunne darm direct naar de dikke darm en worden dan uitgescheiden als de bekende konijnenkeutels, die groot, droog en vezelig horen te zijn. De beter verteerbare delen gaan eerst vanaf de dunne darm de blinde darm in, worden daar door bacteriën omgezet tot een goed verteerbare massa, deze gaat vervolgens de dikke darm in en wordt uitgepoept als de zogenaamde ‘blindedarmkeutels’. Dit zijn kleine, glimmende, donkere en natte keuteltjes, vaak in een trosje aan elkaar, die het konijn 1 of 2 keer per dag direct uit de anus opeet. Normaal ziet u deze dus vrijwel niet. Ze zijn rijk aan voedingsstoffen. Bij de tweede gang door het konijn kunnen de voedingsstoffen uit deze delen nu worden opgenomen in het lichaam via de dunne darm. Darmproblemen bij konijnen Voor een konijn is een goede werking van de darmen van levensbelang. Als de darmen van een konijn langzamer gaan bewegen, komt het konijn in de problemen. Er zijn verschillende oorzaken mogelijk voor traag werkende of zelfs stil liggende darmen. Het kan zijn dat het probleem in eerste instantie bij de darmen of maag zelf ligt, en is ontstaan door bijvoorbeeld verkeerde voeding. Maar het kan ook dat het konijn pijn aan zijn gebit heeft of dat hij veel stress heeft, waardoor darmproblemen ontstaan. Een darmprobleem is regelmatig een symptoom van een ander, onderliggend probleem. Verkeerde voeding Konijnen hebben veel vezels nodig om hun darmwerking te stimuleren. Die halen ze bijvoorbeeld uit hooi, gras en andere plantendelen. Als ze te weinig vezels binnenkrijgen, gaan de darmen langzamer werken. Dat is te zien doordat de keuteltjes steeds kleiner en harder worden, in plaats van mooi groot, rond en vezelig. De massa voer blijft langer in de darm en dikt daardoor meer in, en zo ontstaat een verstopping. Dat voelt niet prettig aan en kan pijn doen. Het konijn gaat daardoor minder eten, waardoor de darmen nog minder gestimuleerd worden om harder te werken en uiteindelijk stil kunnen komen te liggen. Het dieet van een konijn moet daarom tenminste 20 tot 25% vezels bevatten. Bedorven stukjes groenvoer, verkeerde groenten zoals prei en kool, of groente die het konijn niet gewend is, kunnen ook darmproblemen veroorzaken. Bedorven voer en gasvormende groenten verstoren de spijsvertering en zorgen voor gasbellen in de darmen van het konijn, die erg pijnlijk kunnen zijn. Koolsoorten bevatten bovendien stoffen die de darmen kunnen vertragen. Groenten waar het konijn niet aan gewend is, kunnen door de bacteriën in de darmen van het konijn niet goed verwerkt worden, en ook dan ontstaat er gas. Door de pijn wil het konijn niet eten en bovendien verkrampt zijn buik, en daardoor gaan de darmen langzamer werken. Dan kan het gas en de verkeerde voeding niet goed weg, ontstaat er meer gas en meer pijn en uiteindelijk komen de darmen stil te liggen. Ook teveel koolhydraten, zoals brood, koekjes maar ook knaagstaven en dergelijke waarvan teveel in een keer wordt gegeten, kunnen de darmen uit balans halen. Er zit te weinig vezel in en te veel suikers. Hierdoor worden de darmbacteriën verstoord. Te weinig vocht Een konijn dat te weinig vocht binnenkrijgt, kan last krijgen van een verstopping. De inhoud van de darmen droogt dan teveel uit en kan niet gemakkelijk worden voortgestuwd, waardoor de darmen trager worden. Daardoor droogt de massa nog meer uit en uiteindelijk komt alles stil te liggen. Gebitsproblemen, pijn en stress Verkeerd afgesleten tanden of kiezen kunnen het konijn pijn bezorgen. Op de kiezen kunnen scherpe haakjes ontstaan die in de mond van het konijn wonden veroorzaken. Dan wil het konijn niet meer eten en daardoor komt de darmwerking in gevaar. Ook andere vormen van pijn kunnen ervoor zorgen dat het konijn geen trek heeft of er verkrampt bij zit, waardoor de darmen trager worden. Een andere factor die ervoor kan zorgen dat de darmen slecht werken is stress, zowel plotselinge schrik als langdurige stress zijn slecht voor de darmwerking. Te weinig beweging Beweging, zoals rennen en graven, stimuleert ook de darmwerking. Als een konijn te weinig kans krijgt om in beweging te komen, kan dit eraan bijdragen dat de darmen trager gaan werken. Blokkade van maag of darm Soms kan het voorkomen dat een konijn iets eet dat niet verteerd kan worden en dat vastloopt in de darmen of in de uitgang van de maag. Vroeger dacht men vaak aan een haarbal, maar meestal worden de haren die een konijn binnenkrijgt door de darmen prima afgevoerd. Daarvoor moet het konijn wel voldoende vezels en vocht binnenkrijgen. Wel kunnen grote hoeveelheden haar of relatief kleine, heel stevig samengepakte haarbolletjes soms voor een blokkade zorgen. Bij langharige konijnen en tijdens de rui is de kans op problemen door haren groter. Maar ook slecht verteerbare ingrediënten van gemengd voer, zoals johannesbroodboom of gedroogde erwt, en stukjes tapijt, stukjes rubber en dergelijke materialen die ergens afgeknaagd zijn, kunnen een blokkade vormen. Soms is een tumor de oorzaak. Als de maag of darmen echt geblokkeerd zijn, is dit een ernstig, acuut probleem. Doordat de ingewanden blijven zwellen door de constante toevoer van speeksel zonder dat er afvoer is, en het gisten van maag-darminhoud waardoor gassen ontstaan, kan de maag of darm scheuren. Stil liggende darmen Het verschijnsel van een stil liggende darm wordt ook wel ‘gas’ of ‘gasbuik’ genoemd omdat er gassen kunnen ontstaan waardoor de darmen of maag opbollen. Andere namen die u tegen kunt komen zijn SAS (secundair atonie syndroom), ileus of GI stasis (gastro-intestinal stasis). Stil liggende darmen zijn een groot probleem. Eventuele verkeerde voeding en ook de gassen die ontstaan worden zo niet meer naar buiten gewerkt en de vertering komt stil te liggen. Doordat de voedselmassa in de darm blijft, droogt deze (nog meer) uit, wat ook weer voor meer pijn zorgt. Zo ontstaat een neerwaartse spiraal. Een konijn moet altijd blijven eten! Als een konijn niet eet, begint de bacterieflora in de darmen te veranderen. Gisten en Clostridium bacteriën, die normaal gesproken wel aanwezig zijn maar worden onderdrukt door andere, ‘goede’ bacteriën, krijgen dan de kans om te groeien en produceren giftige stoffen en gassen. Dat veroorzaakt nog meer pijn, waardoor de darm, als die niet al stil ligt, nog trager gaat werken. Na 1,5 tot 2 dagen begint in de lever een afbraak van vetten die zorgt voor vergiftiging van het lichaam. Natuurlijk eet ook een konijn niet de hele dag door, maar het is wel erg belangrijk dat een konijn altijd trek blijft houden in iets lekkers, zoals een stukje groenvoer of een brokje, en dat hij altijd eten ter beschikking heeft. Dat betekent niet dat hij altijd brokjes in zijn bakje moet hebben! Dan krijgt hij te veel koolhydraten binnen en dat geeft juist problemen. Maar hooi moet wel altijd beschikbaar zijn. Symptomen van darmproblemen Een konijn met buikpijn wil niet meer eten. Door o.a. gasontwikkeling in darmen en/of maag heeft het konijn pijn. Het zal zich terugtrekken en stilletjes in een hoekje zitten, of in vreemde houdingen gaan liggen en steeds gaan verliggen vanwege de buikpijn. Soms hoort u de buik van het konijn hard borrelen, maar het kan ook zijn dat de darmen juist helemaal stil zijn, ook als er met een stethoscoop wordt geluisterd. Soms kunt u het konijn horen knarsen met de tanden van pijn of kunt u het voelen rillen, of ademt het konijn erg snel. Vaak krijgt het konijn na verloop van tijd een ondertemperatuur (de normale temperatuur van een konijn ligt tussen 38 en 39,5 graden). Als er veel gas in de maag zit, kunt u de opgezette maag voelen aan de linkerkant van het konijn, net achter de ribben. Ook de darmen kunnen vollopen met gas en dan voelt de hele buik van het konijn opgezwollen aan. Meestal wil het konijn niet aangeraakt worden aan zijn buik, omdat dit pijn doet. Darmproblemen kunnen zomaar uit het niets verschijnen: het ene moment wil het konijn nog graag iets eten, een uurtje later wil hij ineens niets meer. Als de problemen heel plotseling ontstaan en snel ernstiger worden, kan dat een teken zijn dat er een blokkade is. Het konijn heeft pijn en reageert weinig op zijn omgeving. Soms kunt u de problemen aan zien komen en kunt u zien dat de darmen van het konijn steeds langzamer gaan werken. De keutels van het konijn worden dan steeds kleiner, en het kan zijn dat hij minder goed eet. Het is dan tijd om in te grijpen zodat u erger kunt voorkomen. Als het konijn wel trek lijkt te hebben, naar het voerbakje toe komt, maar zich dan lijkt te bedenken of na een enkel hapje stopt, is het goed mogelijk dat hij niet wil eten omdat hij last van zijn gebit heeft. Hij heeft dan wel honger maar het eten doet hem pijn. Behandeling Niet willen eten en buikpijn bij konijnen is altijd een noodgeval! Het konijn moet zo snel mogelijk behandeld worden, om te voorkomen dat de darmen helemaal stil komen te liggen. Wil uw konijn niet eten, ook niet iets dat hij anders erg lekker vindt, en wordt dat binnen een tot twee uur niet beter, neem dan meteen contact op met de dierenarts! Wacht niet met langsgaan tot de volgende dag, de kans is aanwezig dat het probleem dan niet meer op te lossen is. Het even aankijken kan (bijvoorbeeld als uw konijn geschrokken is en daardoor misschien niet eet) als de maag en darmen niet opgezwollen zijn en het konijn nog wel vrij levendig is, maar wacht niet te lang. Het is in de eerste plaats heel belangrijk dat het konijn een (voor konijnen geschikte!) pijnstiller krijgt. Pijn en de bijbehorende stress zorgen ervoor dat de darmen nog meer stil komen te liggen omdat het konijn verkrampt. Daarnaast geeft een konijn dat erge pijn heeft het vaak op. Behalve een pijnstiller worden meestal darmstimulerende middelen gegeven om de darmen weer op gang te helpen. Daarnaast kan de dierenarts, afhankelijk van de toestand van het konijn en de oorzaak van het probleem, vochtinfuus en in sommige gevallen eventueel antibiotica of laxeermiddel geven. Als het konijn is afgekoeld en de lichaamstemperatuur is onder 37,5 graad dan moet het worden verwarmd, bijvoorbeeld met een (pitten)kruik. Bij een buitenkonijn kan het nodig zijn om hem naar binnen te halen. Pas daarna overigens wel op met weer naar buiten zetten als het buiten koud is! Een röntgenfoto kan soms meer vertellen over de oorzaak van de stilliggende darmen, zeker in het geval van een opgezwollen maag kan worden gekeken of er aanwijzingen zijn voor een blokkade in de maag of darmen. Als een gebitsprobleem de oorzaak is van het niet willen eten, dan moet het gebit natuurlijk behandeld worden zodat het konijn weer goed kan eten zonder pijn. Als er een echte blokkade van de maag of darmen aanwezig is, dan mogen niet zomaar darmstimulerende middelen worden gegeven. De darminhoud kan dan immers niet weg. Zulke gevallen zijn heel moeilijk te verhelpen. Om te beslissen wat de juiste aanpak is, moet de toestand van het konijn worden bekeken en zijn röntgenfoto’s belangrijk. Er kan worden geprobeerd om het gas uit de maag te laten ontsnappen met behulp van een buisje dat voorzichtig via de bek wordt ingebracht. Daarvoor kan een kalmerend middel nodig zijn. Soms is een operatie nodig. In sommige gevallen kunnen medicijnen helpen. Als de toestand van het konijn erg slecht is en er zijn aanwijzingen dat de maag of darmen gescheurd zijn, is het beter het konijn te laten inslapen. Dwangvoeren Een konijn mag niet te lang zonder eten, daarom is het nodig om te gaan dwangvoeren als het konijn meerdere uren niets wil eten. Speciale vezelrijke voeding die u met water kunt aanmaken is verkrijgbaar bij de dierenarts. Vezelrijke voeding stimuleert de darmen en zorgt ervoor dat de balans tussen de bacteriën in het maag-darmkanaal niet verloren gaat. Eventueel kan ook wortelhapje voor baby’s, zonder andere toevoegingen, worden gebruikt. Dwangvoeren kunt u doen met een injectiespuitje zonder naald of, gemakkelijker, een speciaal bijgeleverde spuit. Laat door de dierenarts voordoen hoe u het beste kunt dwangvoeren, en voer rustig zodat het konijn kan slikken en het voer niet in de luchtpijp komt. Geef kleine beetjes tegelijk en zorg vooral ook voor voldoende vocht. Het dwangvoeren moet u volhouden tot het konijn zelf weer goed eet. Verzorging van de patiënt Tot het konijn weer helemaal zelf eet en keutels produceert, moet u het konijn goed blijven observeren en verzorgen. Zorg ervoor dat het konijn niet afkoelt. Blijf elke paar uur wat dwangvoeren tot het konijn weer zelf wil eten. Probeer het konijn regelmatig te stimuleren om te eten. Probeer diverse soorten groenvoer, mits het konijn dit gewend is. Wortelloof, radijsblaadjes, wat peterselie, grassprietjes of paardenbloemblad kunnen het konijn soms overhalen om toch weer wat te eten. Hooi met kruiden kan ook aantrekkelijker zijn dan gewoon hooi. Als het konijn wil lopen dan is dit goed, want beweging stimuleert de darmen. Af en toe aansporen om een stukje te lopen kan dus helpen, maar geef het konijn tussendoor ook voldoende rust, want stress werkt averechts. Als het konijn een soortgenoot heeft waar hij het goed mee kan vinden, dan kan de aanwezigheid van de ander een steun zijn. Ook kan het de eetlust stimuleren als het zieke konijn zijn maatje ziet eten. Herhaling voorkomen Als het konijn hersteld is, is het uiteraard belangrijk om nog eens goed te kijken wat mogelijke oorzaken kunnen zijn en deze te veranderen. Bekijk de kwaliteit en de hoeveelheid van de voeding van het konijn kritisch, zorg voor voldoende vezels en onderzoek of het konijn iets verkeerds gegeten kan hebben. Ververs het drinkwater dagelijks en controleer of het konijn er voldoende van binnen krijgt (kijk ook of een drinkflesje niet lekt of verstopt is!). Laat het gebit regelmatig controleren als daar iets mee aan de hand bleek te zijn. Zorg voor genoeg beweging en zo min mogelijk stress. Help het konijn om haren kwijt te raken tijdens de rui door het te borstelen of met de vingers voorzichtig te plukken tijdens het aaien, en kam langharige konijnen regelmatig om losse haren te verwijderen. (Bron: www.licg.nl)Gedrag en opvoeding - bijtende konijnenhttp://www.animalqueen.nl/c-1991080/gedrag-en-opvoeding-bijtende-konijnen/Konijnen worden meestal gezien als lief en zacht, maar ze hebben scherpe tanden waarmee ze flink kunnen bijten. Helaas komt het regelmatig voor dat konijnen die als huisdier worden gehouden, bijtgedrag ontwikkelen. Soms zo erg dat de eigenaar bang wordt voor het konijn, het voerbakje niet meer durft te pakken en het konijn niet meer durft te aaien. Dit is een veel voorkomende oorzaak waardoor konijnen in het asiel of op straat belanden. Voor het bijtgedrag van konijnen zijn diverse oorzaken te noemen: Zichzelf verdedigen Konijnen kunnen bijten om zichzelf te beschermen. Als prooidier is een konijn er op ingesteld dat de wereld gevaarlijk kan zijn. Het liefste brengt een konijn zichzelf bij gevaar in veiligheid door weg te rennen. Als dat niet kan, bijvoorbeeld doordat hij in een hok zit, in een hoek wordt gedreven of wordt vastgehouden, kan hij zijn tanden gebruiken. Zo kan een konijn bijvoorbeeld bijten als hij wordt opgepakt of vastgehouden. Ook als iemand hem pijn doet of iets wil doen dat hij niet prettig vindt, zoals nagels knippen of medicijnen geven, kan hij bijten. Het is een manier om zichzelf te verdedigen. Als een konijn de ervaring heeft dat handen die zijn hok in komen, hem gaan oppakken, kan hij al bij voorbaat dreigen door op de handen af te springen of door er meteen in te bijten. Soms bijt een konijn als u hem al even aan het aaien bent. De kans is groot dat hij dan het aanraken van een bepaalde plek op zijn lichaam niet prettig vindt, misschien omdat hij daar erg gevoelig is, pijn heeft of er een slechte ervaring mee heeft. Het kan ook dat hij aaien eigenlijk best spannend vindt, en de spanning op een gegeven moment te hoog wordt. Territorium verdedigen Een tweede, waarschijnlijk de meest voorkomende reden waarom een konijn bijt, is territoriaal gedrag, ook wel hoknijd genoemd. Dit wordt vooral veel gezien bij vrouwtjeskonijnen (voedsters) die alleen in een hok worden gehouden, hoewel het ook wel bij mannetjes (rammen) voorkomt. Bij konijnen zijn de voedsters meer gericht op het verdedigen van hun territorium dan de rammen. Vooral als de ruimte klein is, kan een konijn een hand die in het hok wordt gestoken al gauw als aantasting van haar gebied zien. Ze kan dan op de hand af schieten, vaak grommend, en soms ook daadwerkelijk bijten. Dit gedrag komt ook voor als men het voerbakje wil pakken of neerzetten. Aangeleerd gedrag Bij beide bovenstaande vormen speelt leren een belangrijke rol. Vaak begint het gedrag met naar de hand toe springen en grommen. Als de eigenaar dan verschrikt de hand wegtrekt, leert het konijn dat dit een doeltreffende methode is om de hand weg te jagen. Daardoor zal het gedrag herhaald worden. Doordat men toch steeds in het hok moet zijn, bijvoorbeeld om te voeren en schoon te maken, zal het gedrag feller worden en gaat het konijn vaak daadwerkelijk bijten. Waarschuwen of aandacht trekken Een konijn kan ook in ander situaties zijn tanden gebruiken. Een konijn dat los loopt, kan nog wel eens in voeten knauwen, vooral als die volgens het konijn in de weg staan. Soms zal hij dan eerst met zijn kop duwen, andere konijnen gebruiken meteen hun tanden. Meestal bijten ze daarbij niet direct helemaal door, maar gebruiken ze hun tanden als waarschuwing: weg die voet, ik moet er langs! Op die manier kunnen ze ook bijten als men hen iets belet wat zij graag willen doen. Er zijn ook konijnen die hun tanden gebruiken om aandacht te trekken, bijvoorbeeld als de eigenaar ophoudt met aaien of even niet met hen bezig is. Een kleine beet in een voet, been of arm zorgt er dan soms voor dat men gauw weer aandacht aan het konijn geeft of verder aait, om meer bijten te voorkomen. Maar het konijn leert zo dat dit erg goed werkt om zijn zin te krijgen! Hormonen Ook hormonen kunnen een rol spelen. Ongecastreerde voedsters kunnen schijnzwanger worden. Daardoor worden ze vaak knorriger, prikkelbaar en bijten ze sneller als iets hen niet zint. Soms kan een konijn rondjes om de eigenaar heen rennen, vaak zoemend of knorrend, en uiteindelijk in zijn voeten gaan bijten. Dit rondjes rennen is seksueel gedrag, het konijn probeert indruk te maken en kan gefrustreerd raken als er geen reactie komt. Voorkomen Het beste is uiteraard om het ontstaan van bijtgedrag zoveel mogelijk te voorkomen. In de eerste plaats is het daarvoor belangrijk om konijnen niet in hun eentje te houden. Als tweetal hebben ze gezelschap en steun aan elkaar. Dat voelt veiliger en geeft afleiding, ze kunnen hun natuurlijke sociale gedrag vertonen. Daarnaast moet het hok lekker ruim zijn, liefst met een permanente ren aan het hok gekoppeld zodat de dieren in en uit kunnen lopen. Al is de ren niet heel groot, toch scheelt dit omdat de vier wanden van het hok nu niet meer de grenzen van het territorium zijn. Castratie helpt ook vaak omdat het schijnzwangerschap en humeurigheid door hormonen voorkomt en de seksuele drift beperkt. Overigens is castratie voor een voedster ook voor haar gezondheid aan te raden. Houd er wel rekening mee dat een castratie een echte operatie is, waar dus ook risico’s aan zitten. Begint uw konijn naar uw hand te springen als u het bakje voer neerzet? Probeer dit dan rustig te doen en trek uw hand niet weg maar houd deze nog even in het hok naast het bakje terwijl het konijn gaat eten. Als dit gedrag net ontstaat, bijt het konijn meestal nog niet echt maar blijft het bij dreigen. Op deze manier leert ze dat haar gedrag geen effect heeft, en bovendien dat uw hand in het hok niet betekent dat u het eten afpakt of dat er iets vervelends gebeurt. Gebruik uw handen niet om het konijn te straffen. Een tik op de neus als een konijn ergens aan knaagt heeft geen zin en maakt dat het konijn uw handen als iets gevaarlijks gaat zien. Pak het konijn ook niet nodeloos op en pas op dat kleine kinderen niet aan oren en haren trekken. Bij een konijn dat bijt als u stopt met aaien of om uw aandacht te trekken, kunt het beste meteen weglopen als dit eens gebeurt. Als u aandacht geeft of weer gaat aaien, beloont u het gedrag waardoor het konijn dit de volgende keer weer doet. Soms helpt het ook om met een hoge stem ‘au!’ te roepen. Mee om gaan Als u een konijn heeft dat al bijtgedrag vertoont, dan is het belangrijk dat u hier goed mee omgaat. In de eerste plaats is het daarvoor nodig dat u begrip heeft voor het konijn. Een konijn bijt niet omdat hij dat leuk vindt of omdat hij ‘vals’ is, maar omdat hij iets duidelijk wil maken. Vaak komt het voort uit angst en spanning. Dat is ook voor het konijn zelf niet leuk! Als u een al wat ouder konijn in huis heeft genomen, weet u bovendien niet wat het dier heeft meegemaakt. Het is dan ook heel belangrijk om een band met het konijn op te bouwen en hem of haar te laten merken dat u te vertrouwen bent. Het kan helpen om wat ‘trucjes’ te gebruiken waarmee u voorkomt dat het konijn u bijt. U kunt bijvoorbeeld het voer in het hok zetten of het hok schoonmaken als het konijn in de ren zit. Ook kan het helpen om het konijn met uw ene hand een blaadje groen of een worteltje te geven en daarmee af te leiden, terwijl uw andere hand het etensbakje pakt of terugzet. Een paar brokjes op de grond strooien zodat het konijn daar mee bezig gaat, kan ook. Bij konijnen die snel en hard bijten, kunt u stevige handschoenen aantrekken als u in het hok moet zijn. Dat beschermt uw handen, waardoor u zelf rustiger kunt bewegen, wat voor het konijn ook rustiger is. Laat een konijn dat bijtgedrag vertoont liever niet door kinderen verzorgen. Kinderen reageren snel geschrokken, trekken hun handen weg, kunnen gillen en andere dingen doen waar het konijn van schrikt. Daardoor kan het gedrag juist erger worden. Afleren Natuurlijk is het voor alle partijen het prettigst als u het konijn kunt afleren om te bijten. Met geduld kunt u een heel eind komen. Hoe u dit aan kunt pakken hangt mede af van de reden waarom en de situatie waarin uw konijn bijt. In de eerste plaats kunt u de tips onder het kopje ‘voorkomen’ ook toepassen als uw konijn al bijtgedrag vertoont. Door het konijn meer ruimte te geven en meer gelegenheid te bieden om los rond te lopen wordt het territoriale gedrag vaak al minder. Een tweede konijn erbij als gezelschap kan ook flink schelen om te zorgen dat een konijn zich prettiger voelt en minder bijtgedrag vertoont. Bijt uw konijn om aandacht te trekken, loop dan weg. En bij bijtgedrag dat gerelateerd is aan hormonen kan castratie goed helpen. Vertrouwen winnen Een tweede stap is om de band tussen u en het konijn te verbeteren. Daar moet u tijd in steken. Ga bijvoorbeeld bij een wat angstig konijn regelmatig naast het hok van het konijn zitten met een boek of wat tijdschriften. Ga er niet recht voor zitten en staar niet steeds naar het konijn, laat het konijn rustig wennen aan uw aanwezigheid. Af en toe kunt u een blaadje groen (alleen als uw konijn daar aan gewend is!) of sprietjes vers hooi door de tralies steken. Praat vriendelijk tegen het konijn. Komt het konijn gemakkelijk op het eten af, dan kunt u ook eens het hok openen en een blaadje bij de opening houden. Wacht rustig tot het konijn het komt halen. Kies uiteraard lange blaadjes, zodat uw vingers altijd veilig zijn. Met dit soort oefeningen kunt u het konijn er aan wennen dat uw hand in het hok iets leuks betekent. Gaat het goed, dan kunt u uw hand steeds iets verder richting het konijn brengen en kunnen de blaadjes wat kleiner worden. Is uw konijn erg fel, doe dan handschoenen aan. Trek vooral uw hand niet terug mocht het konijn er toch op af springen. U kunt ook heel voorzichtig proberen met een wijsvinger over de kop van het konijn te kriebelen. Als dat goed gaat kunt u steeds iets meer aaien. Het konijn leert zo dat uw handen ook heel leuk kunnen zijn. Niet straffen Het konijn moet leren dat bijten niets oplevert en niet nodig is. U moet hem laten zien dat u niet onder de indruk bent en dat hij er op kan vertrouwen dat u altijd vriendelijk blijft en hij van u niets te vrezen heeft, ook als hij bijt. Dat is natuurlijk lastig. Veel mensen zijn geneigd om als ze gebeten worden, te roepen, hun hand terug te trekken of het konijn een tik op zijn neus te geven. Dat werkt echter averechts! De spanning, angst of frustratie waardoor het konijn bijt, worden er niet minder om, eerder meer. Als u hem een tik geeft, leert het konijn dat uw handen inderdaad eng zijn en dat hij volgende keer maar beter zo snel mogelijk kan bijten! Neem u dus vast voor dat u rustig en vriendelijk zult blijven, wat het konijn ook doet. Bijten heeft geen effect In sommige gevallen werkt het al heel goed als u uw hand niet meer terugtrekt als het konijn dreigt te gaan bijten. Het konijn merkt dat zijn gedrag geen effect meer heeft en moet bedenken wat hij nu moet doen. Het is heel goed mogelijk dat hij, als u uw hand rustig houdt, beseft dat er eigenlijk niks naars gebeurt. Natuurlijk wilt u uw handen wel een beetje heel houden. Als uw konijn vooral dreigt en gromt, maar niet echt bijt, kunt u het wagen om uw hand zonder verdere bescherming stil te houden. Zorg er wel voor dat het konijn niet bij de binnenkant van uw hand kan want daar komt een beet vaak pijnlijker aan. Bij flink bijtende konijnen moet u voorzorgsmaatregelen treffen. Stevige (werk-, tuin- of leren ) handschoenen en, als uw konijn naar uw voeten bijt, schoenen of laarzen, helpen u om niet terug te hoeven trekken als het konijn toch bijt. Op die manier leert het konijn dat het bijten niet helpt en krijgt hij de kans om te merken dat uw handen niet zo eng of vervelend zijn als hij dacht. Praat rustig tegen het konijn en beloon hem als hij rustig blijft en niet bijt, met uw stem en eventueel met iets lekkers. Oefenen met de voerbak Om een konijn af te leren in uw handen te bijten als u het voerbakje pakt, kunt u oefenen met een handschoen aan en konijnenbrokjes. We gaan er daarbij van uit dat het voerbakje leeg is (geef uw konijn geen volle bakken voer; zie ook de bijsluiter Konijn) en gebruiken de normale hoeveelheid voer. In plaats van het bakje te pakken, er voer in te doen en het bakje in het hok te zetten, brengt u rustig uw hand naar het lege bakje toe met één of een paar brokjes in uw hand. Reageer niet als het konijn probeert te bijten. Leg rustig het brokje in het bakje en leg daarna uw hand rustig naast het bakje. Wacht tot het konijn het brokje op heeft. Trek dan langzaam uw hand weer terug; mocht het konijn bijten, houd dan uw hand stil tot het konijn zich weer heeft teruggetrokken en beweeg hem dan weer rustig het hok uit. Dit herhaalt u tot de maaltijd op is. Let wel op: het is niet de bedoeling dat uw konijn hierdoor erg veel stress krijgt, want daardoor kan hij darmproblemen krijgen. Bij erg angstige of felle konijnen kunt u het voer beter de eerste keren in grotere porties verdelen die u in het bakje legt, zodat u de oefening maar twee of drie keer achter elkaar hoeft te herhalen. Durft uw konijn niet goed te eten met uw hand naast het bakje of blijft hij in uw hand bijten in plaats van te gaan eten, trek dan uw hand steeds rustig helemaal terug. Gaat dit goed en bijt het konijn niet meer in uw handschoen, dan kunt u ook de brokjes uit uw hand geven in plaats van in het bakje te leggen. Het is handig om bij deze oefening de situatie voor het konijn voorspelbaar te maken. Zeg dus een vast woord of zinnetje voor u uw hand in het hok doet, bijvoorbeeld ‘Snuffie, etenstijd!’. Zo schrikt het konijn niet van een onverwachte hand. Combineren U kunt natuurlijk verschillende methodes combineren. Heeft u weinig tijd, dan leidt u het konijn af als u bij het voerbakje moet zijn of laat u het konijn in de ren. Op momenten dat u meer tijd heeft, kunt u oefenen met de voerbak. Bijten tijdens optillen Konijnen vinden het vrijwel nooit leuk om opgetild te worden en veel konijnen houden ook niet van op schoot zitten. Het vastgehouden worden levert een konijn stress op: het zijn immers prooidieren. Het kan dan ook zijn dat een konijn bijt als het wordt opgetild of tegen zijn zin op schoot wordt gehouden. Onder dwang op schoot moeten zitten is uiteraard niet goed voor de relatie tussen konijn en eigenaar. Het konijn leert daardoor weer dat handen hem iets aandoen wat hij niet leuk vindt. Doe dit dan ook niet. Ga liever zelf op de grond zitten om het konijn te aaien. Laat hem, als hij dat zelf wil, zelf op uw schoot springen om geaaid te worden maar houd hem niet vast. Optillen is een andere kwestie. Ook dit moet u niet nodeloos doen, maar af en toe moet een konijn nu eenmaal opgetild worden, bijvoorbeeld omdat hij naar de dierenarts moet, omdat er nageltjes geknipt moeten worden of om andere redenen. Let er dan altijd op dat u het konijn op de juiste manier optilt en gebruik handschoenen als uw konijn de neiging heeft hierbij te bijten. Beweeg altijd rustig maar wel vastberaden. Zie ook het Praktisch document ‘Het optillen van een konijn’. Bijten bij aaien of verzorgen Als uw konijn steeds bijt als u een bepaalde plek om het lichaam aanraakt, ga dan naar uw dierenarts. Het kan zijn dat er iets aan de hand is waardoor het konijn pijn heeft. Maar soms vinden konijnen aanraking op bepaalde plaatsen gewoon niet fijn, zoals achteraan bij de staart of opzij langs de buik. Aai het konijn daar dan niet. Leer uw konijn kennen zodat u ziet wanneer het dier iets vervelend begint te vinden en u bijtijds kunt stoppen. Heeft u een konijn dat gekamd moet worden maar daarbij bijt, probeer dit dan langzaam op te bouwen. Aai het konijn en ga dan een of twee keer met de kam door het haar. Stop voordat het konijn gaat bijten en beloon het konijn met uw stem. Door steeds heel kort te kammen en dit steeds iets uit te bouwen kan het konijn er aan wennen. (Bron: www.licg.nl)Konijnen koppelenhttp://www.animalqueen.nl/c-1991063/konijnen-koppelen/Konijnen zijn groepsdieren. Dat wil echter niet zeggen dat ze zomaar met elk ander konijn kunnen opschieten. In dit document wordt uitgelegd waarom een konijn een soortgenoot nodig heeft, wat voor combinaties u zou kunnen maken en hoe u aan een leuk kameraadje voor uw konijn komt. In het vervolgdocument ‘Het koppelen van konijnen: het koppelproces‘ wordt beschreven hoe een koppeling in zijn werk gaat en wat u kunt verwachten. Waarom meer dan 1 konijn? Konijnen leven in de natuur in groepen. Ook als huisdier hebben ze heel graag gezelschap van een soortgenoot. Konijnen vinden het fijn om tegen elkaar aan te liggen. Voor buitenkonijnen is dit ook een manier om warm te blijven. Konijnen wassen elkaar op plekken die moeilijk bereikbaar zijn, zoals de ooraanzet en de oogjes. Konijnen spelen en rennen samen en houden elkaar op die manier actief. Dat is goed voor hun gezondheid omdat het bijvoorbeeld helpt de darmwerking te stimuleren en botten en spieren sterk te maken. Konijnen vinden ook steun bij elkaar als ze bang of ziek zijn. Een wat angstig konijn kan zich erg optrekken aan een maatje dat dapperder is. Is aandacht van de mens niet voldoende? Konijnen die goed aan mensen gewend zijn, kunnen het heerlijk vinden om veel aandacht te krijgen en geaaid te worden. Vaak wordt gedacht dat het konijn daar voldoende aan heeft en geen behoefte zal hebben aan een soortgenoot. Een mens kan echter nooit een ander konijn vervangen. Alleen met een soortgenoot kan een konijn zijn natuurlijke gedrag uitvoeren en in konijnentaal communiceren. Het is niet gezegd dat een konijn in zijn eentje per definitie ongelukkig is, want als het echt veel aandacht krijgt, veel rond mag lopen en regelmatig nieuw speelgoed krijgt, kan een konijn best tevreden zijn en het goed doen. Toch kan een soortgenoot nog heel wat toevoegen. Mensen die eerst een konijn hadden en er toen een ander konijn bij hebben genomen, zien vaak dat het konijn levendiger is en geniet van het onderling contact. Veel stelletjes die goed matchen zijn behoorlijk ‘klef’ en liggen veel tegen elkaar aan of zelfs over elkaar heen. Zoiets kun je een konijn als mens nooit geven. Ook bij een konijn dat veel aandacht krijgt, zijn er heel wat uren per dag dat het dier in zijn eentje zit. En helaas lukt het vaak niet om die aandacht te blijven geven. De meeste mensen zijn druk met werk, hobby’s, huishouden en allerlei andere zaken. Kinderen die een konijn hebben, krijgen te maken met huiswerk, vriendjes en vriendinnetjes, sportclubs of de computer. Een konijn kan bij een goede verzorging wel acht tot tien jaar oud worden. Lukt het om al die tijd een paar uur per dag voor het konijn uit te trekken? Buitenkonijn Een konijn dat buiten leeft, hoort absoluut niet alleen te zitten. Een buitenkonijn krijgt minder aandacht omdat ons leven zich toch vooral binnen afspeelt. In de herfst en winter beperkt het contact met zijn eigenaar zich meestal tot een of twee keer per dag voeren, misschien even aaien, maar de rest van de tijd zit het dier alleen. Voor een sociaal dier als het konijn is dat niet diervriendelijk. Vindt hij mij dan nog wel leuk? Soms zijn mensen bang dat als ze er een konijn bij nemen, de dieren geen interesse meer zullen tonen in hun eigenaar maar alleen nog met elkaar bezig zullen zijn. En natuurlijk zal het konijn zijn aandacht meer gaan verdelen tussen zijn eigenaar en het andere konijn, en zal het wat minder op zijn eigenaar gericht zijn. Maar konijnen die contact met mensen altijd leuk hebben gevonden, zullen niet ineens geen interesse meer vertonen. Bedenk bovendien dat het ook voordelen heeft als uw konijn wat minder intensief op u gericht is. U kunt immers gemakkelijker een dagje weg, of laat thuis komen, zonder dat u het gevoel heeft uw konijn tekort te doen. Hij is immers niet alleen. Het kan rust geven om te weten dat de konijnen het prettig hebben samen, ook als u even iets minder tijd voor hen heeft. Bij een konijn dat wat angstig is voor mensen, kan het zelfs andersom werken. Als het nieuwe konijn het wel leuk vindt om geaaid te worden en uit zichzelf naar mensen toe gaat, kan het bange konijn merken dat mensen niet zo eng zijn en uiteindelijk de moed verzamelen om ook bij u te komen kijken. Wil elk konijn er een konijn bij? Bijna elk konijn heeft het meer naar zijn zin met een ander konijn erbij. Maar er zijn konijnen waarbij het niet lukt om een goede koppeling te maken. Hoe dat komt, is niet duidelijk, maar het zou kunnen dat ze bijvoorbeeld vanaf heel jonge leeftijd geen contact meer hebben gehad met andere konijnen en daardoor niet goed weten hoe ze met andere konijnen moeten omgaan. Het kan ook dat zij slechte ervaringen hebben gehad met andere konijnen, bijvoorbeeld doordat ze bij een konijn of een groep zijn gezet en steeds aangevallen zijn. Meestal is er, na wat langer zoeken, toch wel een goede partner te vinden, maar bij een enkeling lukt dit niet. Voor die paar konijnen bij wie het echt niet lukt, is het beter om alleen te blijven. Uiteraard hebben ze dan wel extra veel behoefte aan menselijke aandacht (mits ze goed aan mensen gewend zijn)! Zijn het wel groepsdieren? Waarom zijn ze dan agressief tegen andere konijnen? Soms wordt beweerd dat konijnen geen echte groepsdieren zijn, omdat ze elkaar soms aanvallen als ze bij elkaar worden gezet. En ook in commerciële konijnenhouderijen ontstaan vaak problemen bij groepshuisvesting. Het is echter onterecht om daaruit te concluderen dat het geen groepsdieren zijn en dat ze liever alleen leven. In de natuur leven konijnen in groepen, het is hun natuurlijke sociale structuur. Binnen een groep is bovendien een rangorde, waardoor duidelijk is wie er de baas is over wie. Ook hebben de dieren de ruimte zodat ze niet noodgedwongen steeds dicht bij elkaar moeten zijn en ze bij onenigheid de ander uit de weg kunnen gaan. Daardoor ontstaan er niet snel problemen. Konijnen zijn individuen: elk dier is anders. Daardoor is niet elke combinatie een goede combinatie. Om samen te kunnen leven, zeker op een relatief klein oppervlak zoals bij huisdieren het geval is, moeten ze elkaar wel aardig vinden en moeten ze bovendien de onderlinge rangorde goed kunnen vaststellen. Konijnen willen heel graag samenleven, maar dan wel met de goede partner en niet met zomaar elk ander konijn! De situatie in de commerciële houderij geeft een vertekend beeld. Daar worden vruchtbare, volwassen voedsters gehouden. Voedsters vertonen veel territoriaal gedrag: ze verdedigen hun nestgebied. Onder invloed van hormonen wordt dit gedrag nog sterker. Daardoor gaat het in dergelijke situaties vaak fout: in een te kleine ruimte met vruchtbare voedsters die ook nog allemaal ongeveer even groot en sterk zijn zodat het lastig is een rangorde te bepalen, ontstaan gemakkelijk problemen. Wat zijn goede combinaties? Een geslaagde match draait dus om de goede combinatie. Maar welke combinaties zijn aan te raden en welke geven minder kans op slagen? Man-vrouw De beste combinatie is een ram (mannetje) met een voedster (vrouwtje). Dit gaat in veel gevallen goed. Natuurlijk moet er dan wel voor gezorgd worden dat de dieren zich niet kunnen voortplanten. In elk geval moet het mannetje gecastreerd worden. Vaak is het ook verstandig om het vrouwtje te laten castreren. Dat heeft voordelen voor haar gezondheid, want voedsters krijgen op latere leeftijd vaak baarmoederkanker. Maar ook wat gedrag betreft kan het verschil maken. Een ongecastreerde voedster kan schijnzwanger worden. Dan krijgt ze last van haar hormonen en kan ze prikkelbaar en knorrig zijn. Dat komt de relatie met het mannetje, maar ook die met de eigenaar, niet ten goede. Ook kunnen ongecastreerde vrouwtjes meer de neiging hebben om te sproeien dan gecastreerde vrouwtjes. Houd er wel rekening mee dat een castratie een echte operatie is en dus ook enig risico en extra kosten met zich meeneemt. Is het vrouwtje al gecastreerd, maar het mannetje nog niet? Laat hem dan toch castreren. Anders zal hij steeds op het vrouwtje willen rijden en haar lastig blijven vallen. Vrouw – vrouw Een veel gehoord advies is om twee vrouwtjes te nemen. Dat kan goed gaan, maar het hoeft zeker niet! Vrouwtjes kunnen met elkaar gaan vechten omdat ze territoriaal zijn en omdat hun hormonen kunnen opspelen. Dat kan ook gebeuren bij twee zusjes uit een nest die jong zijn aangeschaft. Eerst lijkt het dan alsof ze het goed met elkaar kunnen vinden, maar op het moment dat ze volwassen worden en hun hormonen gaan werken, kunnen ze flink met elkaar gaan vechten en moeten ze soms alsnog uit elkaar worden gehaald. Tussen twee volwassen vrouwtjes die al aan elkaar gewend zijn blijft het meestal wel goed gaan, zeker als ze genoeg ruimte hebben en als ze gecastreerd zijn. Man – man Twee rammen bij elkaar gaat meestal niet goed. Onder invloed van hun hormonen zullen ze met elkaar vechten. Maar ook na een castratie vormen twee mannen vaak geen goede combinatie. Toch komt het wel voor dat twee mannetjes goed samengaan en aan elkaar gehecht zijn. Twee broertjes die altijd bij elkaar zijn geweest en gecastreerd zijn, kunnen soms goed samenleven, en ook andere combinaties zijn wel eens mogelijk. Maar als u een nieuwe combinatie gaat maken, is het af te raden dit met twee rammen te proberen. Ook bij bestaande combinaties die goed lijken te gaan, moet men ervoor zorgen dat er voldoende ruimte is. Laat er ook geen andere konijnen bij en zorg dat er geen vrouwtje in de buurt komt: het evenwicht kan verstoord worden. Maat Er zijn konijnen in allerlei soorten en maten. Voor het koppelen maakt het formaat van het konijn niet zo veel uit. Bij een dwergkonijn kan dus bijvoorbeeld best een grote Franse hangoor. Wel moet u natuurlijk oppassen als het grootste konijn erg fel of dominant gedrag vertoont en veel wil rijden, want dan wordt het verschil in grootte een risico. Het grote konijn zou dan het kleine konijn kunnen bezeren. Uiteindelijk komt het regelmatig voor dat het kleinste konijn de ander de baas is, omdat kleinere konijnen vaak fellere karakters hebben dan de grote rassen. Het kan daarom ook zijn dat een dwergkonijntje soms makkelijker klikt met een rustig, groot konijn dan met een ander fel dwergkonijntje. Leeftijd Bij het koppelen is het niet zo belangrijk hoe oud de dieren zijn. Heel jonge dieren, tot ongeveer drie maanden, kunnen gemakkelijk bij elkaar gezet worden, maar houd er wel rekening mee dat bij een man-vrouw combinatie tenminste een van de twee gecastreerd moet worden. Van het moment dat de dieren vruchtbaar zijn tot het moment dat een van beide gecastreerd kan worden, moeten ze dus gescheiden worden. Bij twee jonge konijnen van hetzelfde geslacht kunnen er problemen optreden op het moment dat de hormonen gaan werken, zo vanaf een maand of drie. Ze kunnen dan gaan vechten. Een jong konijntje kan bij een volwassen konijn worden gezet, maar doe dat niet met een heel jong konijntje. Het jonge konijn kan dan nog niet voldoende tegen het volwassen konijn op en kan bovendien snel gezondheidsproblemen krijgen als hij te veel stress heeft. Wacht dus tot het konijn een maand of drie is. Bij volwassen konijnen maakt de leeftijd niet uit. Wel kan het handig zijn om op het temperament te letten. Voor een bejaard, rustig konijn kan een jong, erg actief en fel konijn wat teveel van het goede zijn. Een konijn en een cavia? Soms wordt wel gezegd dat een konijn en een cavia prima bij elkaar kunnen worden gezet en zo gezelschap aan elkaar hebben. In sommige gevallen gaat dat goed, maar in veel gevallen niet. Cavia’s en konijnen zijn verschillende soorten die op verschillende manieren communiceren. Ze begrijpen elkaar daarom niet goed. Een cavia zal bijvoorbeeld piepen van enthousiasme als hij de koelkast hoort. Voor een konijn is het maken van hoge geluiden iets dat ze alleen in doodsangst of pijn doen. Alleen al vanwege het verschil in communicatie is een cavia voor een konijn geen vervanging van een soortgenoot. Bovendien komt het regelmatig voor dat de cavia door het konijn wordt lastig gevallen, besprongen, verwond of opgejaagd. Een trap van een konijn kan voor de cavia fatale gevolgen hebben. Een laatste reden om deze dieren niet bij elkaar te zetten is dat konijnen vaak de Bordetella bacterie bij zich dragen. Deze bacterie geeft bij het konijn zelf vaak geen verschijnselen, maar kan bij de cavia een dodelijke longontsteking veroorzaken. Waar vind ik een leuke partner? Als u al een konijn heeft en u zoekt een partner voor hem of haar, dan is een konijnenopvang de handigste plek om te zoeken. Daar zijn veel verschillende konijnen te vinden en vrijwel altijd kunt u met uw konijn naar de opvang komen, zodat ter plekke gekeken kan worden met welk konijn de combinatie een goede kans van slagen heeft. Het personeel heeft meestal ervaring met het koppelen en kan u helpen om de signalen te interpreteren en een goede kandidaat uit te zoeken. Haalt u een konijn bij een dierenspeciaalzaak, een particulier of een fokker, of haalt u een konijn bij een opvang zonder dat u uw eigen konijn meeneemt, dan heeft u kans dat de twee konijnen niet met elkaar overweg kunnen. Kunt u het nieuwe konijn dan nog terugbrengen? Of blijft u zitten met twee konijnen die niet bij elkaar kunnen en nu allebei alleen zitten? Wellicht kunt u daar een afspraak over maken. Bij een opvang is het vrijwel altijd mogelijk het dier terug te brengen als de koppeling niet lukt, bij andere aankoopadressen ligt dat vaak anders. Vraag dat dus voor u een dier meeneemt, en houd er rekening mee dat het mogelijk is dat bij het koppelen het nieuwe konijn wat vacht kwijtraakt of zelfs een wond oploopt. Mag hij dan nog terug? Als u een heel jong konijntje heeft en u wilt er een ander jong konijntje bij zetten, dan is de kans dat het goed gaat erg groot (maar denk er wel aan dat u maatregelen zult moeten nemen als de hormonen beginnen te spelen). In zo’n geval kunt u ook een jong konijntje aanschaffen via een dierenspeciaalzaak of fokker. Overigens zijn er ook in de opvang regelmatig jonge konijntjes, doordat voedsters zwanger worden binnengebracht. Een konijn overnemen van iemand anders die afstand wil doen van zijn konijn is ook mogelijk, maar ook dan moet u er aan denken dat het mogelijk is dat de koppeling niet lukt. Daar moet u dus vooraf hele goede afspraken over maken! De keuze Om een grote kans van slagen te hebben is het sterk aan te raden om uw eigen konijn zelf zijn keuze te laten maken. Natuurlijk heeft u ook zelf uw voorkeuren. Misschien wilt u graag een hangoor, een dwergje, een wit konijn of een konijn met veel haar, of bent u helemaal weg van één bepaald konijn. Maar als uw eigen konijn uw enthousiasme voor het nieuwe konijn niet blijkt te delen, zal het koppelen heel veel tijd en energie gaan kosten en gaat het misschien niet lukken. Neem dus als het kan uw eigen konijn mee zodat u kunt testen of de combinatie kans van slagen heeft! En ook al blijkt hij een heel andere smaak te hebben dan u zelf, als ze een goed koppel vormen vindt u het nieuwe konijn straks vast ook heel leuk. Koppelen Als u eenmaal weet waar u een potentiële partner vandaan wilt halen, moet u zich realiseren dat u de konijnen nooit zomaar bij elkaar kunt zetten! De kans is groot dat zoiets op gevechten uitdraait. U moet daarom een koppelproces beginnen. Hoe u dat aanpakt, leest u in het Praktisch document ‘Het koppelen van konijnen: het koppelproces’. Konijnen zijn groepsdieren die men niet alleen zou moeten houden. In het voorgaande Praktisch document 'Het koppelen van konijnen – waarom en met wie?' is uitgelegd waarom een konijn een soortgenoot nodig heeft, wat voor combinaties u zou kunnen maken en hoe u aan een leuk kameraadje voor uw konijn komt. Als u eenmaal heeft besloten uw konijn aan een nieuw konijn te koppelen, begint het koppelproces. U kunt niet zomaar twee konijnen bij elkaar zetten, ze moeten langzaam aan elkaar kunnen wennen. Hier wordt beschreven hoe u dit aanpakt. Voorbereiden: Plaats Om twee konijnen te laten kennismaken heeft u een neutrale ruimte nodig. Dat is een ruimte waar geen van beide konijnen eerder geweest is, en die dus geen territorium is van een van beide. Een geschikte ruimte is zo’n 2 x 2 tot 3 x 3 meter groot, mede afhankelijk van het formaat van de konijnen. Als de ruimte te klein is, worden ze te veel naar elkaar toe gedwongen waardoor ze veel stress kunnen hebben, maar als de ruimte erg groot is zullen ze elkaar misschien blijven ontlopen en komt er niets van kennismaken. Als koppelruimte kunt u bijvoorbeeld een badkamer, hal of andere ruimte in huis gebruiken die de konijnen niet kennen. U kunt ook een deel van een kamer afzetten met een losse ren, of voor buitenkonijnen een deel van uw tuin of terras. Pas op dat er geen hoekjes zijn waar de konijnen in kunnen kruipen, of waar het ene konijn het andere konijn in een hoek kan drijven zodat hij niet meer weg kan. Gebruik nooit een afgesloten hok voor het koppelen, want daar kunt u niet snel bij als het fout mocht gaan. Tijdens het koppelproces kunt u de konijnen niet zonder toezicht bij elkaar laten zitten. Ze zullen dus beide een eigen verblijf nodig hebben. U heeft dan twee kooien nodig. Soms kunt u bij een opvang een kooi lenen. U kunt ook het konijnenverblijf in twee delen scheiden, bijvoorbeeld met gaas. Let dan wel op dat de konijnen elkaar niet door het gaas heen kunnen bijten. Zeker als uw eigen konijn een vrouwtje is, kan het beter werken om een tijdelijk verblijf te maken dat u kunt opsplitsen, op een andere plek dan haar gebruikelijke plek. Vrouwtjes verdedigen hun territorium vaak sterk en kunnen agressief reageren als er ineens een ander konijn pal naast haar deel van het vertrouwde verblijf komt te wonen. Het is prettig voor de konijnen als ze ook even uit elkaars zicht kunnen gaan zitten zodat ze rust hebben. Door een stuk karton half tussen de hokken te schuiven of een stukje hardboard aan het gaas vast te zetten, maakt u een gedeeltelijke afscheiding. Het definitieve verblijf van de twee konijnen moet natuurlijk wel groot genoeg zijn. Ze moeten er in kunnen liggen, lopen, rechtop staan en er moet genoeg plek zijn om beide konijnen een eigen schuilplaatsje te geven. Als twee konijnen in een te kleine ruimte moeten samenleven, kunnen er problemen ontstaan. Voorbereiden: Castreren? Voor u een voedster en een ram aan elkaar kunt koppelen moet in elk geval de ram gecastreerd zijn om te voorkomen dat de voedster direct gedekt wordt. Veel rammen in de opvang zijn gecastreerd, de voedsters meestal nog niet. Heeft u thuis een ram en is deze niet gecastreerd, dan moet u dit dus eerst laten doen. Daarna moet u nog vier weken wachten voor u zeker weet dat hij niet meer vruchtbaar is. Heeft u thuis een ongecastreerde voedster en zoekt u een ram, dan moet deze natuurlijk ook al enige tijd geleden gecastreerd zijn. Maar ook als uw voedster wel gecastreerd is, is het beter een gecastreerde ram te kiezen omdat hij anders steeds zal willen paren, wat de relatie niet ten goede komt. Als u thuis een ongecastreerde voedster heeft, kan het ook gunstig zijn haar te laten castreren voor u haar gaat koppelen. Ze is dan beschermd tegen baarmoederkanker maar zal bovendien niet meer schijnzwanger (en daardoor knorrig en feller) worden door het contact met een mannetje, en haar karakter zal gelijkmatiger zijn. Natuurlijk begint u niet met koppelen voor het vrouwtje helemaal hersteld is van de castratie en de wond weer begroeid is met haar. Laat u haar castreren na het koppelen, dan zult u de dieren weer even moeten scheiden zo lang ze herstellende is van de operatie (doe dit dan wel zo dat ze elkaar kunnen zien en ruiken). Dat laatste geldt natuurlijk ook als u een gecastreerde ram heeft en u neemt er een ongecastreerde voedster bij. Maar omdat de meeste voedsters in de opvang nog niet gecastreerd zijn, en het ook een grote stap is om eerst op uw kosten een voedster te laten castreren waarvan u nog niet zeker weet of zij een goede match vormt met uw ram, is het moeilijk te vermijden dat u, als u haar wilt laten castreren, de dieren weer even zult moeten scheiden. Wilt u twee voedsters aan elkaar koppelen dan gaat dat vaak ook gemakkelijker als zij gecastreerd zijn, en als u in een situatie bent waarbij u twee rammen wilt koppelen dan moet u deze zeker eerst laten castreren. Voorbereiden: Benodigdheden Voor u de konijnen bij elkaar gaat zetten, heeft u een aantal dingen nodig. Zorg ervoor dat in de koppelruimte minstens één kartonnen doos of iets dergelijks staat waardoor de dieren uit elkaars zicht kunnen gaan zitten als zij even het directe contact willen mijden. Zet ook een of meer bakjes hooi neer of leg hooi op de grond. Zo kunnen de konijnen wat eten, als afleiding, en samen eten helpt de koppeling. Gebruikt uw konijn een toilet-bak, zet dan een schone toiletbak in de ruimte. Ook moet u ervoor zorgen dat u in kunt grijpen als de konijnen te fel zijn of gaan vechten. Zorg voor een schone plantenspuit met vers water om de konijnen nat te kunnen spuiten, en een oude handdoek en dikke (werk- of oven-)handschoenen zodat u de dieren uit elkaar kunt halen als ze onverhoopt gaan vechten. Konijnen kunnen enorm fel vechten en kijken dan niet meer waar zij in bijten! Wat lekkers, zoals een paar brokjes, een stukje groen of stukje wortel (als de konijnen hier aan gewend zijn!) kan helpen bij het afleiden of om te zorgen dat de konijnen elkaars aanwezigheid leuk vinden. Het kan erg prettig zijn om iemand erbij te hebben voor de eerste koppeling. Mocht er iets gebeuren dan kan ieder zich over een konijn ontfermen. Behalve deze zaken heeft u vooral ook geduld en rust nodig. Zorg dat u weet wat u kunt verwachten en blijf zelf kalm. Het koppelen van konijnen kost ook tijd, omdat u erbij zult moeten blijven. Houd daar rekening mee! Voorbereiden: Gezondheid Begin alleen aan een koppeling als uw konijn en het nieuwe konijn allebei goed gezond zijn. Koppelen levert stress op waardoor aandoeningen kunnen verergeren. Bovendien zouden de konijnen elkaar kunnen besmetten. De eerste, verkennende ontmoeting Als u uw konijn heeft meegenomen naar een opvang of ander aanschafadres om een partner uit te zoeken, vindt daar de eerste ontmoeting plaats. Daarbij worden beide konijnen samen in de koppelruimte gezet. De bedoeling is om te zien of de dieren bij elkaar zouden kunnen passen. Nu moet u goed opletten hoe de dieren op elkaar reageren. Nalopen en rijden Vaak zullen de konijnen eerst het terrein verkennen en rondsnuffelen, tot ze merken dat er nog een konijn is. Meestal zal dan een van beide konijnen naar de ander toe gaan, proberen ze aan elkaar te snuffelen, rennen ze achter elkaar aan en proberen ze op elkaar te rijden. Het rijden gebeurt om vast te stellen wie er de baas is en kan dus net zo goed door het vrouwtje als door het mannetje gedaan worden. Het konijn dat bereden wordt kan stil blijven zitten en wachten tot de ander stopt, en dan eventueel weer weglopen. Het is ook mogelijk dat het konijn niet bereden wil worden en zelf de baas wil zijn. Dan probeert hij/zij weg te komen, zich om te draaien en de ander te berijden. Soms gaan de konijnen daarbij om elkaar heen cirkelen, ook wel ‘vlinderen’ genoemd. Als dat fel gebeurt en één van beide niet snel stopt, kan het uitlopen op vechten. Ze proberen dan in feite allebei de baas te zijn en de ander te beletten om hem/haar te berijden. Pas dan op dat dit niet op vechten uitloopt. Bekijk ook de video onderaan dit artikel. Er zullen tijdens de kennismaking soms plukken haar worden losgetrokken en soms zullen de konijnen kort naar elkaar bijten. Dat is op zich niet erg en hoort bij de communicatie, zo lang er geen wonden ontstaan. Ingrijpen Let op dat de dieren elkaar niet echt verwonden. Grijp echter niet te snel in, want ze zullen onderling moeten uitmaken wie er de baas is en elkaar moeten aftasten. Als u ze steeds uit elkaar haalt, moeten ze steeds opnieuw beginnen. Als het te wild naar uw zin wordt, kunt u de dieren wel proberen af te leiden met iets lekkers of door een geluid te maken. Eventueel kunt u hen voorzichtig wat uit elkaar duwen, maar gebruik daarbij, zeker als het er fel aan toe gaat, wel uw handschoen. Als een van beide te fel achter de ander aan gaat, kunt u eventueel de plantenspuit gebruiken om het konijn nat te spuiten. Meestal zal het dier dan stoppen om zich te wassen. Een ander moment om in te grijpen is als een konijn op de kop van het andere konijn rijdt, omdat het onderste konijn dan kan bijten. Duw het rijdende konijn er even af of duw hem naar de achterkant. Dreigen de konijnen te gaan vechten en willen ze met hun oren naar achteren en hun staart omhoog op elkaar af, haal ze dan uit elkaar. Goede signalen Af en toe zullen de konijnen even bij elkaar vandaan gaan, bijvoorbeeld om zich te wassen of wat te eten. Dat is een goed teken. Ook als ze elk aan een kant van de ren zitten en niet naar elkaar omkijken is dat een gunstig signaal. Het betekent dat ze elkaar voldoende vertrouwen om niet steeds naar elkaar te hoeven kijken. Dat geldt ook voor languit gaan liggen. Samen hooi of iets anders eten is ook erg positief en zorgt er bovendien voor dat ze een prettig gevoel krijgen bij het samen zijn. Als een van beide konijnen de ander gaat likken, is dat een erg goed teken. Bij konijnen is het zo dat het konijn dat de baas is, het meest gewassen wordt door de ander. Degene die zijn kop onder die van de ander duwt om gewassen te worden, maakt de dienst uit. Als een van beide de ander wil likken, is dat een konijn dat zich gemakkelijk schikt en is de rangorde al snel bepaald. Vechten en agressie Het is ook mogelijk dat een van beide konijnen de ander aanvalt. Aan de houding is te zien dat het om agressie gaat: het konijn houdt zijn staart in de lucht, zijn oren naar achteren en schiet met zijn kop laag op de ander af om hem gericht te bijten. Dat is een slecht teken, het koppelen zal zo niet gaan lukken. Haal de konijnen uit elkaar en pas op dat u niet gebeten wordt. Heeft u de keuze uit meerdere partners, probeer dan (na even tot rust komen) een ander konijn. Heeft u geen keuze en wilt u het toch met dit konijn proberen, dan zult u de konijnen eerst heel langzaam aan elkaar moeten laten wennen. Dan nog is niet te voorspellen of het uiteindelijk gaat lukken en het zal u veel geduld kosten. Probeer te voorkomen dat de konijnen echt gaan vechten. Veel mensen verwachten het niet van hun konijn, maar ook de liefste konijnen kunnen enorm fel zijn en elkaar behoorlijk verwonden. Vechtende konijnen rollen als een kluwen bont door de ren. Mocht dat toch gebeuren, probeer ze dan te scheiden, maar nooit met uw blote handen, want u wordt onherroepelijk gebeten en ze bijten hard door! Kans van slagen? Probeer uit het gedrag van de dieren op te maken hoeveel kans van slagen de combinatie heeft. Als een van beide agressief is of als een van de dieren bang is en steeds weg blijft rennen terwijl de ander daar steeds feller achteraan rent, is die kans niet zo groot. Negeren ze elkaar, rijden ze beurtelings op elkaar, of rijdt de een en staat de ander dat soms toe, zijn er rustmomenten en wordt er niet echt gebeten, dan is de kans op slagen aanzienlijk. Vinden ze elkaar al heel snel leuk en wast de een de ander, dan is het een prima combinatie. Koppelen zonder verkennende ontmoeting In sommige gevallen heeft u misschien niet de mogelijkheid om eerst een ontmoeting te regelen om te zien of de combinatie een kans heeft, of kan het nieuwe konijn niet worden teruggebracht als de koppeling echt niet lukt. In dat geval moet u de eerste ontmoeting bij u thuis doen. Als u het nieuwe konijn niet terug kunt brengen, begin er dan mee het dier een aantal dagen te laten wennen aan u en de omgeving voor u de dieren elkaar laat ontmoeten (zie verderop bij ‘gescheiden wennen’). U leert het nieuwe konijn dan ook meteen kennen. Ook als u twee nieuwe dieren tegelijk aanschaft, kunt u hen eerst apart neerzetten om aan u en de omgeving te wennen en zodat u de karakters van de dieren en hun reacties kunt leren kennen. Zet ze dan geen van beide in de ruimte waarin u ze wilt laten samenleven zodat dit neutraal gebied blijft voor beide. Als u twee jonge konijntjes van minder dan drie maanden oud aanschaft, kunt u ze vaak meteen bij elkaar zetten want meestal zullen die elkaar accepteren. Blijf er wel bij om te zien hoe het gaat. Houd er ook rekening mee dat vanaf een maand of drie de situatie kan gaan veranderen en, als u een ram en een voedster heeft, dat u hen zult moeten scheiden om ongewenste nestjes te voorkomen. Wennen Als bij de eerste ontmoeting een mogelijke partner is gevonden, kunt u deze mee naar huis nemen. Neem de dieren in twee aparte reismandjes mee naar huis zodat u niet het risico loopt dat ze gaan vechten. De dieren zijn nog niet aan elkaar gekoppeld: ze zullen eerst aan elkaar en het steeds samen zijn moeten gaan wennen. Dat moet u thuis doen. Als de konijnen gestrest zijn van de reis laat u hen thuis eerst eventjes tot rust komen, elk in een eigen hok. Hoe u nu verder gaat met het koppelen, hangt erg af van de karakters van de konijnen, het verloop van de ontmoetingen en uw eigen situatie. Er zijn drie startmogelijkheden: meteen bij elkaar zetten, eerst naast elkaar, of eerst gescheiden wennen. Gastvrije rammen, territoriale voedsters Houd tijdens het koppelen, behalve met de individuele karakters, ook rekening met het geslacht van uw eigen konijn. Omdat voedsters veel meer op hun territorium gericht zijn, laten zij vaak minder makkelijk een nieuw konijn in hun gebied toe dan rammen. Ze zijn snel geneigd een indringer weg te willen jagen. Veel rammen vinden het alleen maar leuk als er een vrouwtje in hun gebied komt (maar niet als er een ander mannetje binnendringt!). Het is daarom makkelijker om een vrouwtje mee naar huis te nemen als u al een mannetje had, dan andersom. Had u zelf al een vrouwtje, dan moet u vaak wat voorzichtiger omgaan met het al bestaande territorium. Meteen bij elkaar Als de eerste ontmoeting erg goed verliep, kunt u thuis de konijnen weer bij elkaar zetten in uw eigen koppelruimte op neutraal terrein. Ook nu geldt weer: blijf erbij en houd handschoenen in de buurt! Kijk hoe het onderling gaat. Wordt het te wild, wordt een van beide steeds opgejaagd of wordt er echt gebeten, dan is het tijd om de dieren uit elkaar te halen. Zet ze in twee kooien naast elkaar of in een door gaas gescheiden verblijf. Blijft het goed gaan, met af en toe rijden en narennen maar ook rustmomenten, eten en wassen, dan kunt u de dieren het beste bij elkaar laten zo lang u erbij kunt blijven. Zorg voor hooi, speelgoed, drinkwater en een of twee toiletbakken. Scheid ze pas op het moment dat u hen niet meer in de gaten kunt houden. Naast elkaar Als de ontmoeting wat minder gunstig verliep, kunt u de konijnen beter eerst aan elkaars aanwezigheid laten wennen zonder dat ze direct contact hebben. Zet ze dan in de hokken naast elkaar of in het (eventueel tijdelijke) verblijf dat u met gaas in tweeën gedeeld heeft, zodat ze elkaar wel kunnen zien en ruiken. Het kan helpen om het eten aan de kant te geven waar de hokken aan elkaar grenzen, zodat ze ‘samen’ eten. Burenruzie Het kan soms averechts werken om een tweede hok naast het hok van het al aanwezige konijn te zetten. Soms worden de konijnen juist agressief of te opgewonden doordat ze steeds een ander konijn zien en ruiken maar er niet bij kunnen. Zeker als uw eerste konijn een vrouwtje is, kan een hok met een vreemd konijn er in dat vlak naast haar eigen domein staat agressie aanwakkeren. Maak dan vooraf haar eigen hok heel goed schoon, zet haar in het nieuwe of geleende hok op een andere plaats, en het nieuwe mannetje in haar oude hok er naast.Merkt u dat de konijnen elkaar door de tralies proberen te bijten of continu opgewonden voor de tralies zitten, zet ze dan liever verder uit elkaar. Gescheiden wennen Als het nieuwe konijn vrij angstig of nerveus is, of minder goed aan mensen gewend, kan het beter zijn om hem of haar eerst ergens apart te zetten zodat het dier kan wennen aan zijn nieuwe omgeving, de nieuwe geuren en aan u zelf. Als u merkt dat het konijn rustiger wordt en gewend raakt aan u, kunt u de konijnenhokken naast elkaar zetten. Ook als u niet weet waar het nieuwe konijn vandaan komt, als het dier nog niet een tijdje bij een opvang geweest is en daar onderzocht is door een dierenarts of als u om andere redenen twijfelt aan de gezondheid van het dier, kunt u het nieuwe konijn beter eerst een aantal dagen apart houden. Het konijn kan dan wennen, en u kunt kijken of alles goed gaat. Wisselen van hok en geur Als de konijnen eenmaal naast elkaar in twee hokken of gescheiden door gaas leven, kunt u hen leren om in elkaars geur te leven. U kunt hen dagelijks laten wisselen van hok. Een andere mogelijkheid is om beide konijnen een knuffelbeest of speelgoed te geven. Dat zal naar hen gaan ruiken. Als u vervolgens de knuffels of het speelgoed omwisselt, ruiken ze elkaar in hun hok. Ontmoetingen Als de konijnen een aantal dagen aan elkaars geur hebben kunnen wennen, kunt u hen een paar keer per dag even bij elkaar laten in de ren op neutraal terrein. Hoe lang u de konijnen bij elkaar laat, hangt af van het verloop van de ontmoetingen. Let daarbij op dezelfde signalen als bij de eerste, verkennende ontmoeting. Gaat het goed, dan is het niet nodig hen steeds uit elkaar te halen. Laat ze dan bij elkaar zo lang u erbij kunt zijn. Zorg voor afleiding in de ren door wat speelgoed, hooi en dergelijke neer te leggen en denk ook aan een waterbakje. Gaat het er vrij wild aan toe, houd de ontmoetingen dan kort en haal ze uit elkaar voor het uit de hand kan lopen. Soms betekent dit dat ze maar enkele minuten bij elkaar kunnen zijn, maar dat is beter dan dat ze toch gaan vechten of agressie of angst opbouwen. Probeer om ze dan elke keer iets langer bij elkaar te laten. Blijf steeds goed letten op het gedrag van de konijnen. Beëindig de ontmoeting op een rustig moment, zodat de konijnen er een goede herinnering aan overhouden. Voorkom dat er gevochten wordt. Als een van beide aanvalt, met de staart omhoog, kop vooruit en oren in de nek, haal ze dan meteen uit elkaar (doe handschoenen aan!) en ga terug naar het gescheiden aan elkaar wennen. Als een van beide aanstalten maakt om aan te vallen, leidt hem of haar dan af. Kijk of het mogelijk is het agressieve konijn rustig te aaien terwijl het andere konijn nog rondloopt, en haal ze dan uit elkaar. Als de konijnen fel om elkaar heen blijven draaien (vlinderen), duw ze dan bij elkaar vandaan. Als een van beide konijnen continu achterna gejaagd wordt en steeds weg moet rennen, kan het zijn dat deze angstig wordt. Dat is niet de bedoeling dus ook dan is het beter de konijnen al vrij snel uit elkaar te halen of de jager steeds af te leiden. Af en toe achter elkaar aan rennen, rijden, even kort ‘vlinderen’ wat niet uitloopt op vechten, soms een knauw of een hap vacht horen bij het proces om uit te maken wie er de baas is. Zo lang er geen verwondingen zijn en een van beide niet angstig in een hoekje zit, hoeft u daarbij niet in te grijpen. Dat is soms lastig, zeker als uw eigen konijn door de nieuwkomer achterna wordt gezeten of een pluk haar kwijtraakt. Maar ze zullen toch door dit proces heen moeten. Wordt het te gek, leid ze dan af en probeer zo het koppelproces wat rustiger te laten verlopen. Cupido een handje helpen Soms kunnen wat trucjes de koppeling een beetje de goede kant op sturen. Als de konijnen allebei goed aan mensen gewend zijn en van aaien houden, kunt u bij de konijnen in de ren gaan zitten en ze aaien als ze bij elkaar in de buurt zijn. Soms kunt u het zo sturen dat ze met hun neuzen bij elkaar liggen terwijl u beide konijnen over hun kop aait. Op die manier krijgen ze een prettige ervaring terwijl ze dicht bij elkaar in de buurt zijn. Als een van beide veel jaagt en de ander steeds wegrent, of eentje snel schrikkerig reageert terwijl de ander in feite niets agressiefs doet, kan het helpen om het eerste dier te aaien zodat het blijft zitten en de ander zo de gelegenheid te geven om te komen snuffelen. In het eerste geval geeft dit de ‘wegrenner’ de kans om even te onderzoeken wie hij voor zich heeft zonder meteen opgejaagd te worden, in het tweede geval kan het schrikkerige konijn merken dat het niet zo eng is om door de ander besnuffeld te worden. Uiteraard werkt dit alleen als beide konijnen u vertrouwen! Lekkere hapjes kunnen ervoor zorgen dat de konijnen samen gaan zitten eten. Zijn ze bijvoorbeeld dol op wortel, snijd dan een aantal kleine stukjes en strooi die uit of geef ze allebei, bij elkaar in de buurt, een stuk winterpeen. Let wel goed op hoe de reactie is, want als een van de konijnen zijn (of haar) eten wil verdedigen dan werkt dit natuurlijk niet goed. In dat geval kunt u beter kleine stukjes wortel of bijvoorbeeld reepjes witlof uit de hand voeren: allebei tegelijk een stukje. Denk eraan: alleen als ze beide gewend zijn aan deze groenten! Stressmomenten gebruiken? Een veel gehoorde tip is om de beide konijnen samen een stressmoment te laten beleven, waardoor ze steun bij elkaar zullen zoeken. Een veel gehoord voorbeeld daarvan is om met de konijnen in één kooi of doos in de auto te gaan rijden. Veel konijnen vinden autorijden niet prettig of eng en zullen misschien tegen elkaar aan gaan zitten om steun te zoeken. Toch is het niet aan te raden om op deze manier een koppeling te forceren. In de eerste plaats is het mogelijk dat de konijnen na de autorit, als de stress weg is, elkaar net zo goed weer in de haren vliegen. Ook kunnen ze het bij elkaar zitten gaan associëren met een vervelende ervaring. Daarbij is te veel stress slecht voor hun gezondheid. Bovendien is het een methode die in feite niet nodig is. Door het koppelen rustig op te bouwen, zullen de konijnen ook aan elkaar wennen. Blijven de dieren elkaar niet leuk vinden, dan kunt u beter een ander konijn als partner voor uw konijn kiezen. Er zijn genoeg konijnen om uit te kiezen, het heeft dus geen zin om twee dieren die elkaar willen blijven bevechten toch te dwingen om elkaar te tolereren. Om twee dieren doelbewust in een stressvolle situatie te brengen om een koppeling te forceren is niet diervriendelijk, zeker niet als er andere mogelijkheden zijn om ervoor te zorgen dat ze beide niet alleen blijven. Keutels en plasjes Tijdens het koppelproces zult u waarschijnlijk zowel in de ren als in de hokken keutels en plasjes terugvinden buiten de gebruikelijke toiletplekken. Dat komt doordat de konijnen hun territorium willen afbakenen en het gebied willen markeren. Als ze eenmaal goed aan elkaar gekoppeld zijn, zullen ze weer beter zindelijk worden. Let op stress en gezondheid Koppelen kan stressvol zijn voor de konijnen. Let er daarom goed op dat beide konijnen blijven eten en drinken, nette keutels hebben en geen verschijnselen van ziekte vertonen. Merkt u dat de dieren last hebben van de stress, doe het dan rustiger aan. Mocht een van beide konijnen stoppen met eten of keutelen, stop dan tijdelijk het koppelen. Als konijnen niet meer eten, kunnen de darmen stil komen te liggen en dat is erg gevaarlijk. Wacht niet te lang en bel de dierenarts als het konijn geen interesse meer krijgt in lekkere hapjes. Controleer ook regelmatig of de konijnen geen wondjes hebben, door de vacht valt dat soms niet op. Neem bij wondjes contact op met de dierenarts. Als het ineens weer slechter gaat Soms lijkt een koppeling goed te gaan, maar wordt er ineens toch weer gebeten en nagejaagd. Dat kan verschillende oorzaken hebben. Als de voedster niet gecastreerd is, kan het zijn dat zij schijnzwanger wordt door het contact met het mannetje. Ze gedraag zich dan alsof ze zwanger is, verzamelt hooi in haar bek en maakt een nest, en plukt zelfs haren uit haar buik om het nest te bekleden. Vaak wordt ze dan ook grommerig en bijterig, tegen het mannetje maar ook tegen u. Ze kan het mannetje dan weer steeds achterna zitten en het kan de koppeling verstoren. In zo’n geval kunt u de dieren het beste weer even scheiden door middel van gaas en wachten tot de schijnzwangerschap over is en de voedster weer tot rust komt. Wat ook mogelijk is, is dat een van beide konijnen erg onder de indruk was van de nieuwe omgeving en het koppelen, maar nu begint te wennen. Het dier krijgt dan meer zelfvertrouwen en kan dan ineens de moed verzamelen om van zich af te gaan bijten. In dat geval moet u een aantal stappen terug doen in de koppeling en rustig weer beginnen met korte momenten bij elkaar. Hoe lang duurt het? Het is moeilijk om aan te geven hoe lang een koppeling duurt omdat dit per geval verschillend is. Het kan in een paar dagen voor elkaar zijn, maar het kan ook een paar weken duren. Het is belangrijk om uw geduld te bewaren en niet sneller te willen dan het gedrag van de konijnen aangeeft. Wanneer moet u het opgeven? Soms lukt het koppelen niet. Als de konijnen echt met elkaar vechten en over de grond rollen kunt u het, na een paar dagen rust, weer proberen op te bouwen door ze eerst gescheiden te laten wennen. Lukt het daarna nog steeds niet en vallen ze meteen weer aan, dan gaat deze koppeling waarschijnlijk niet lukken en kunt u het beter met een ander konijn proberen. Ook als het ene konijn steeds maar blijft jagen en het andere konijn bang is en blijft, is het geen goede combinatie en kunt u beter een ander konijn proberen. Terug naar het uiteindelijke konijnenverblijf Als de koppeling goed geslaagd is, de konijnen het goed met elkaar kunnen vinden, ze elkaar wassen en samen liggen en eten en er geen vechten, najagen en steeds rijden optreedt, kunnen ze in het eigenlijke konijnenverblijf worden gezet. Zorg er wel voor dat u dit verblijf eerst heel goed schoonmaakt! Vervang eventuele bodembedekking zoals tapijt en neem alles af met water en azijn. Zo haalt u zo goed mogelijk de lucht van uw eerste konijn, de voormalige eigenaar, weg. Blijf er ook nu weer een flinke tijd bij zodat u kunt zien of het gedrag in het konijnenverblijf niet verandert en er geen ruzies ontstaan. Soms moeten ze op het nieuwe terrein weer even uitmaken wie er de baas is. Zo lang het geen vechten wordt, is dat niet erg, maar blijf wel opletten. Eventueel kunt u proberen om in het permanente verblijf een scheidingswandje van gaas aan te brengen dat u gemakkelijk kunt verwijderen, zodat u dit kunt gebruiken om de konijnen te scheiden als u even weg moet. Als alles goed gaat, blijf dan nog enige tijd in de buurt zodat u het kunt merken als er iets verandert, voor u hen echt samen alleen laat. Hulp bij het koppelen Als u het koppelen niet aandurft, als u geen mogelijkheden hebt om een koppeling goed te begeleiden of geen goede ruimte kunt inrichten, of als u een konijn heeft dat moeilijk te koppelen is, is er soms de mogelijkheid om uw konijn te laten koppelen in een opvang. Uw konijn blijft dan een tijdje op het koppeladres om daar op onbekend terrein rustig kennis te kunnen maken met een of meer kandidaten. Dat betekent meestal niet dat u thuis helemaal niets meer aan de koppeling hoeft te doen, maar de eerste stappen zijn dan al gezet. Thuis moet u dan verder gaan en zullen de dieren meestal eerst nog in een neutrale ruimte samen moeten zijn voor u hen alleen kunt laten in het definitieve verblijf. In de tijd dat uw konijn op het koppeladres verblijft, kunt u het verblijf en de omgeving goed schoonmaken en zo goed mogelijk de geur van uw konijn verwijderen. Dat voorkomt dat bij thuiskomst de territoriumdrift alsnog de kop op steekt. (Bron: www.licg.nl) Aanschaf en verzorging van een konijnhttp://www.animalqueen.nl/c-1990940/aanschaf-en-verzorging-van-een-konijn/Het konijn staat op de derde plaats van veel gehouden huisdieren in Nederland. Konijnen zijn populair bij kinderen, maar zeker ook voor volwassenen is het leuk om een stel konijnen te hebben. Ze geven gezelligheid en het is boeiend om hun gedrag te observeren. Konijnen zijn slimmer dan veel mensen denken en het is zelfs mogelijk om hen dingen aan te leren. Bovendien kunnen konijnen zowel in huis als in de tuin gehouden worden en heeft u de keus uit allerlei rassen en maten. Wie konijnen wil gaan houden, moet echter wel goed weten waar men aan begint. Nog veel te vaak worden konijnen gekocht in een impuls, omdat ze er zo schattig uitzien of voor de kinderen. Zo'n aankoop loopt vaak uit op een teleurstelling, de verwachtingen vooraf kloppen niet of men weet niet genoeg van wat een konijn nodig heeft. Dat is vervelend voor het konijn, maar zeker ook voor u. Een konijn dat in zijn eentje in een hokje in de tuin zit kwijnt weg en daar heeft ook zijn eigenaar weinig aan. Een konijn dat samen met een soortgenoot flink de ruimte krijgt en goed verzorgd wordt is levendig en interessant. Dat geeft u veel meer voldoening en plezier van uw aankoop. Zorg daarom dat u een juiste keuze maakt en weet waar u op moet letten. Deze handleiding helpt u daarbij. Waarom wil ik een konijn aanschaffen? Konijnen zijn gezellige en interessante huisdieren. Als u overweegt om een konijn aan te schaffen, moet u er wel even bij stil staan wat u van een konijn verwacht. Konijnen worden vaak gezien als knuffeldieren, maar niet elk konijn is daar dol op. De meeste konijnen houden er niet van om opgepakt en vastgehouden te worden. Het zijn dus meestal geen schootdieren. Konijnen die aan mensen gewend zijn, vinden het wel heel gezellig als u bij hen op de grond komt zitten om hen te aaien. Zoekt u een dier dat het fijn vindt om aandacht te krijgen en geaaid te worden, dat leuk is om naar te kijken als het rondrent in de kamer of in een groot buitenverblijf en dat bij een goede verzorging wel tien jaar oud kan worden, dan kan een konijn een geschikte keuze zijn. Past een konijn bij mij? Voor u beslist dat u een konijn, of liever twee konijnen, wilt aanschaffen, is het verstandig eerst eens na te gaan of konijnen bij u en uw situatie passen. Hieronder leest u waar u daarbij aan moet denken. Tijd voor verzorging? Konijnen hebben natuurlijk verzorging nodig. De hoeveelheid tijd die u hieraan kwijt bent hangt mede af van de manier waarop u de konijnen huisvest. In elk geval moeten de konijnen dagelijks gevoerd worden en moet het hok regelmatig worden schoongemaakt, minstens eens per week. Ook moet u de konijnen dagelijks observeren om te zien of het goed met hen gaat en willen de meeste konijnen graag geaaid worden. Konijnen met een lange vacht moeten minstens een paar keer per week gekamd worden om vervilten van hun vacht te voorkomen. Voldoende ruimte beschikbaar? Konijnen zijn groepsdieren die beter niet in hun eentje gehouden kunnen worden. U heeft dus in de eerste plaats een voldoende groot hok nodig voor tenminste twee konijnen. De konijnen moeten daarin languit kunnen liggen en moeten op hun achterpoten kunnen staan, er moet ruimte zijn voor een toilethoek en ze moeten natuurlijk loopruimte hebben. Voor twee kleine konijnen komt dit al snel op een hok van 150 bij 60 cm en 60 cm hoog. Maar alleen een hok is niet voldoende. Konijnen hebben ruimte nodig om te rennen en springen. Als u konijnen binnen houdt, kunt u ze prima door de kamer laten lopen, want konijnen kunnen vaak zindelijk worden. Maar dan moet u er wel voor zorgen dat dit veilig is voor zowel de konijnen als voor uw huisraad. Als u de konijnen buiten wilt houden dan moet u zorgen voor een flinke ren waar de konijnen niet uit kunnen springen en waar ze zich niet uit kunnen graven. Een konijn dat alleen in een hok zit en niet kan rennen zal dik worden, geen goede spieren kunnen ontwikkelen, geen conditie opbouwen en meer kans hebben op darmproblemen. Bovendien kan hij geen soorteigen gedrag vertonen en zal hij zich niet gelukkig voelen. Heeft u geen ruimte om uw konijnen te laten rennen, dan kunt u beter voor een andere diersoort kiezen. Wat vinden huisgenoten ervan? Het is leuker als uw huisgenoten uw huisdieren ook leuk vinden. De kans is dan groter dat zij willen helpen bij het verzorgen en bovendien zullen zij de dieren dan ook aandacht geven. Omdat het houden van konijnen zowel tijd als ruimte vergt, is het onverstandig deze dieren aan te schaffen wanneer uw huisgenoten negatief tegenover de aanschaf staan. Allergie: Konijnen kunnen allergische reacties uitlokken bij mensen die gevoelig zijn voor allergieën. Ze verharen bovendien minstens twee keer per jaar. Ook de bodembedekking of het hooi van het konijn kan aanleiding geven tot een allergie, bijvoorbeeld als het stoffig is (wat ook voor het konijn niet gezond is). Heeft één van uw huisgenoten of u zelf last van allergieën, dan is het misschien niet verstandig om een konijn te kiezen. Laat dan in elk geval vooraf testen of u allergisch bent voor konijnen. U kunt er ook voor kiezen de konijnen buiten te huisvesten. Bij ernstige allergieën helpt dit echter niet afdoende, omdat u toch met de dieren en het verschonen van hun hok bezig zult moeten zijn. Uw konijn en de buren: Buren hebben in het algemeen geen last van uw konijnen. Uw konijnen kunnen echter wel last hebben van bijvoorbeeld buurkatten of buurhonden als de konijnen in de tuin wonen. U zult er dus voor moeten zorgen dat u katten en honden uit uw tuin houdt. Ook als deze dieren niet daadwerkelijk bij het konijn kunnen komen, kan een konijn van een loerende en jagende kat of hond enorm schrikken, wat in sommige gevallen de dood kan betekenen voor uw konijn en in ieder geval zorgt voor stress. Alles weten over konijnen: Konijnen worden vaak gezien als gemakkelijke huisdieren. Dat is echter niet terecht. Konijnen zijn ontzettend leuk, maar het zijn ook vrij gevoelige dieren die ruimte, goede voeding en aandacht nodig hebben. Als u weet wat u doet, kunt u een konijn prima als huisdier houden. Ze kunnen gemiddeld tien jaar oud worden. Helaas gaan veel konijnen op te jonge leeftijd dood. Vaak heeft dat te maken met ziekten en problemen door verkeerde voeding, niet laten inenten, verkeerde huisvesting of stress. Om konijnen op een verantwoorde manier als huisdier te kunnen houden is het nodig dat u zich hier goed in verdiept. Er bestaan verschillende mogelijkheden om u te oriënteren. Deze Care Sheets van het konijn geeft u de basisinformatie die u moet weten. Ook bij bijvoorbeeld Stichting Konijnenbelangen of op de website van Kleindier Liefhebbers Nederland vindt u nuttige informatie. Consequenties van het hebben van konijnen: Als u konijnen aanschaft, heeft dit consequenties. Konijnen kosten u tijd en geld voor verzorging en ze hebben aandacht nodig. Sta daarom eerst even stil bij de hieronder genoemde punten. Eenmalige en vaste kosten: Een konijn is meestal niet duur in aanschaf, de prijs van een jong konijn begint vanaf ongeveer 15 euro, soms zelfs nog lager. Raskonijnen zijn vaak wat duurder. Behalve het konijn, of beter twee konijnen, heeft u nog meer nodig: een hok, eetbakjes, een drinkbakje of flesje, een ren als deze niet standaard bij het hok zit of materiaal om uw woonkamer veilig te maken zoals kabelgootjes. Verder heeft u een vervoerbox nodig, zodat u de dieren veilig mee kunt nemen naar bijvoorbeeld de dierenarts. Voor een hok voor twee kleine konijntjes bent u al snel vanaf 60 euro kwijt, terwijl een mooi groot buitenhok nog een stuk duurder is. Natuurlijk zijn er kosten die steeds terugkomen: hooi, bodembedekking zoals houtkorrels en stro, droogvoer en groenten. Ook maakt u medische kosten, konijnen moeten elk voorjaar en elk najaar worden ingeënt tegen myxomatose en VHD (ook VHS of RHD genoemd). Veel dierenartsen hebben een speciaal entspreekuur waarbij u korting krijgt, maar ook dan bent u daar vanaf 40 euro per jaar per konijn aan kwijt. Wilt u uw konijnen laten castreren dan kost dit gemiddeld vanaf 60 euro, voor vrouwtjes zelfs meer omdat de castratie van een vrouwtje een grotere operatie is. De kosten zijn mede afhankelijk van het formaat van het konijn. Ook kan het voorkomen dat u onverwacht met een konijn naar de dierenarts moet. Bij konijnen moet er snel worden ingegrepen als ze ziek zijn, wachten tot na het weekend kan niet. Dat brengt extra consultkosten met zich mee voor een spoed- of nachtconsult. Er bestaat een ziektekostenverzekering voor konijnen, overweeg of het voor u zinvol is deze af te sluiten. Wie zorgt er voor uw konijnen als u dat niet kunt? Voor u konijnen aanschaft moet u bedenken wie er voor de konijnen kan zorgen als u op vakantie wilt of om andere redenen tijdelijk niet zelf voor de dieren kunt zorgen. Als de konijnen thuis blijven, moet er minstens elke dag iemand bij de konijnen komen om hen vers water, voer en hooi te geven. Die moet ook even blijven kijken of ze zich normaal gedragen, goed eten en of alles in orde is. Omdat konijnen niet zo snel laten zien dat ze ziek zijn, is het belangrijk dat de oppas uw konijnen redelijk kent en weet waar hij of zij op moet letten. U kunt de konijnen ook naar iemand toe brengen die er voor wil zorgen. Maar dan moet die persoon wel de mogelijkheid hebben om de dieren los te laten lopen. Misschien kunt u een ren meegeven die aan het hok gekoppeld kan worden, want in het huis van de oppas kan het gevaarlijk zijn uw konijnen los te laten rondwandelen, bijvoorbeeld omdat er snoeren liggen. Er bestaan ook pensions die konijnen kunnen onderbrengen. U moet dan op tijd reserveren en ervoor zorgen dat de dieren ingeënt en helemaal gezond zijn. Al een huisdier in huis? Als u al een huisdier heeft, is het natuurlijk belangrijk dat een konijn hierbij past. Heeft u al een konijn en wilt u een tweede konijn erbij zetten, dan kan dit heel goed gaan. Het is dan wel erg belangrijk dat de dieren gecastreerd zijn en langzaam aan elkaar kunnen wennen. Zet nooit twee vreemde konijnen zomaar bij elkaar in een hok, de kans is erg groot dat ze flink gaan vechten en elkaar ernstig verwonden. Beter is het om ze op neutraal terrein langzaam en onder begeleiding aan elkaar te laten wennen. Katten kunnen soms prima omgaan met konijnen die niet te klein zijn. Vaak vindt de kat het konijn zelfs een beetje eng, maar er zijn katten die kunnen gaan jagen. Hoe dan ook, u moet de kennismaking altijd goed begeleiden. Honden zien konijnen ook vaak als prooi, zeker als ze er niet als pup al aan gewend zijn. Het vergt training om hond en konijn aan elkaar te wennen en met jachthonden zal het vaak niet lukken. Fretten zullen het konijn ook als prooi zien. Laat honden, katten of fretten nooit alleen met uw konijnen, zorg ervoor dat ze niet in het hok kunnen komen en niet voor het hok op de loer kunnen gaan zitten, omdat dat stress oplevert. Vogels kunnen geneigd zijn naar het konijn te pikken. Vooral de ogen zijn daarbij vaak doelwit. Konijnen en kippen samen in een ren is dan ook niet verstandig. Konijnen worden soms met cavia’s gehouden. Dat kan goed gaan, maar konijnen en cavia’s spreken elkaars taal niet en het konijn kan de cavia verwonden. Ook hebben cavia’s voer met extra vitamine C nodig en konijnen niet. Konijnen kunnen bovendien een bacterie (Bordetella) bij zich dragen die dodelijk kan zijn voor de cavia. Het is dan ook geen ideale combinatie. Tijd om te genieten: En dan is er nóg een consequentie: de konijnen gaan u tijd kosten. Niet alleen voor de verzorging, maar vooral ook om ze te aaien, naar ze te kijken, speeltjes voor ze te bedenken, te lachen om hun rare sprongen als ze vrolijk zijn en mee te genieten als ze heerlijk tegen elkaar aan in het zonnetje liggen. Maar gelukkig is genieten van uw huisdieren een gezonde en leuke vorm van tijdsbesteding. Wat voor konijn wil ik aanschaffen? Konijnen in allerlei rassen en maten: Er bestaan allerlei konijnenrassen. Deze verschillen van elkaar in o.a. kleuren, afmetingen en gedrag. Een dwergkonijntje dat anderhalve kilo zwaar wordt is heel iets anders dan een flinke Vlaamse reus die wel acht kilo kan wegen. Dit heeft natuurlijk ook gevolgen voor de huisvesting, de kosten voor voer en bodembedekking, de mogelijkheden voor vervoer en de hanteerbaarheid van het dier. De hele grote konijnenrassen worden vaak minder oud dan dwergrassen. Ook in karakter zijn er verschillen. Hoewel elk konijn weer anders is, blijken dwergkonijntjes in het algemeen wat feller, schichtiger en minder aaibaar te zijn dan de grote konijnenrassen, die meestal rustiger en gelijkmatiger van karakter zijn. Zeker voor kinderen zijn de wat grotere konijnen dan ook een geschiktere keuze. Heel veel konijntjes die in dierenwinkels of asielen zitten zijn geen raskonijnen. Vaak zijn dit kleine tot middelmatig grote konijnen. Ook hiervan zijn gemiddeld de grotere exemplaren wat rustiger dan de kleintjes. Er bestaan konijnen met een speciale vacht, zoals "leeuwkonijntjes" die lange haren bij de kop hebben of "teddydwergen" met een lange, pluizige vacht. Deze laatste moeten minstens om de dag gekamd worden om te voorkomen dat de vacht gaat vervilten en een dikke, dichte laag vormt. Ook bestaan er rasechte angorakonijnen, ze hebben een dikke, lange en wollige vacht waar angorawol van gemaakt wordt. Deze dieren moeten zeer regelmatig geborsteld worden en bovendien moet de vacht tenminste elke drie maanden geknipt worden. Konijnen hebben van nature rechtopstaande oren, maar er zijn ook konijnen gefokt met hangende oren. Vaak wordt gezegd dat hangoorkonijnen rustiger of vriendelijker zijn, dit gaat echter niet altijd op. Hangoorkonijnen zijn er in verschillende maten. Jonge hangoorkonijntjes hebben vaak nog staande oren of oren die zijwaarts van de kop af staan, later gaan deze pas hangen. De Engelse hangoor is een ras met extreem lange oren. Deze konijnen krijgen daardoor snel beschadigingen aan hun oren. Het is daarom extra belangrijk om hun nagels goed kort te houden. Erfelijke gebreken: Bij konijnen kan een aantal erfelijke afwijkingen voorkomen. Een voorbeeld daarvan zijn afwijkingen aan de kaak en de stand van tanden en kiezen. Deze zorgen ervoor dat tanden en kiezen niet goed op elkaar afslijten, waardoor problemen met eten ontstaan. Vooral bij dwergkonijnen komt een kaakstand voor waarbij de ondertanden voor de boventanden uit steken. Kijk dus bij aanschaf goed of de voortanden netjes recht staan door voorzichtig de lippen wat op te tillen. Ook bestaat er een afwijking aan de poten, "splay legs" geheten. Daarbij kan een jong konijn zijn poten steeds minder goed bij elkaar brengen onder het lichaam, waardoor ze in een spreidstand naar buiten komen te staan. Het konijn kan zich dan niet meer goed voortbewegen. Deze aandoening kan voor verlamming zorgen. Bij witte konijnen met blauwe ogen komt soms epilepsie voor. Kleine dwergkonijntjes kunnen soms problemen hebben met de geboorte. Jong of volwassen dier? Jonge konijntjes kunnen meestal goed tam gemaakt worden door hen rustig aan mensen te laten wennen. Veel mensen vinden jonge konijntjes schattig om te zien. Denk er wel aan dat dit niet lang zo blijft en dat u het konijn ook nog leuk moet vinden als het volwassen is. Een nadeel van het kopen van een jong konijntje is dat u vooraf niet weet welk karakter het dier zal krijgen. Sommige konijnen houden bijvoorbeeld helemaal niet van opgepakt worden of zijn veel te actief voor uitgebreide knuffelbeurten, terwijl anderen dit heerlijk vinden. U weet dit pas zeker als het dier volwassen is. Als u een rasloos konijntje kiest waarvan u niet weet hoe de ouders waren, dan heeft u bovendien weinig zekerheid over het uiteindelijke formaat van het konijn. Vaak worden konijntjes verkocht als dwergkonijntjes terwijl ze een forse middenmaat worden. De lengte van de oren kan een aardige indicatie geven voor de uiteindelijke maat van het konijn. Hoe langer de oren, hoe groter het konijn. Een ander punt om rekening mee te houden is dat heel jonge konijntjes nog hele gevoelige darmen hebben waardoor ze eerder ziek worden bij verkeerde voeding. Bij een volwassen konijn weet u precies wat u krijgt, hij heeft zijn maximale formaat bereikt en u kunt zelf merken wat het karakter is, bijvoorbeeld of hij van eindeloos knuffelen houdt of liever zelf actief bezig is en niet dol is op aaien. Het is konijn is al een echte persoonlijkheid waarvan u kunt kijken of dit hij u past. Het is soms moeilijk om een konijn dat niet aan mensen gewend is nog helemaal tam te maken. Verschil tussen mannetjes en vrouwtjes: Er zijn bij konijnen wel wat karakterverschillen tussen mannetjes (rammen) en vrouwtjes (voedsters). Denk er wel aan dat dit niet altijd opgaat, omdat konijnen individueel sterk van karakter kunnen verschillen. In het algemeen zijn vrouwtjeskonijnen wat sterker gericht op het verdedigen van hun territorium en hun voerbak. Vooral als ze weinig ruimte hebben kan het dan voorkomen dat ze naar uw hand bijten of grommen als u in het hok moet zijn. Ze kunnen schijnzwanger worden en dan ander gedrag vertonen, soms lichtgeraakt zijn en hun buik kaalplukken. Mannetjeskonijnen zijn vaak wat rustiger en gelijkmatiger van karakter. Wel heeft u meer kans dat het konijn urine gaat sproeien, hoewel dit ook voorkomt bij voedsters. Ook hebben mannetjes soms de neiging om u als partner te zien en bijvoorbeeld knorrend om u heen te rennen of op uw voet te rijden. Dit soort verschillen verdwijnen voor een groot deel als u de dieren laat castreren. Bij voedsters is dit zeker aan te raden, omdat zij een grote kans hebben op baarmoederkanker en baarmoederontsteking op latere leeftijd. Bij mannetjes is het vooral belangrijk om hen te kunnen laten samenleven met een ander konijn. Eén dier of meer? Konijnen zijn groepsdieren en horen dan ook niet in hun eentje gehouden te worden. Ze hebben behoefte aan een soortgenoot om tegenaan te liggen, elkaar te wassen en mee rond te rennen. Dat wil niet zeggen dat u zomaar twee konijnen bij elkaar kunt zetten. Konijnen moeten rustig aan elkaar kunnen wennen en bovendien voldoende ruimte hebben zodat ze niet verplicht continu dicht bij elkaar hoeven te zijn. De beste combinatie is een mannetje en een vrouwtje. In dat geval moet tenminste het mannetje gecastreerd zijn om jongen te voorkomen. Fokken met uw eigen konijn is niet verstandig, er zitten al veel konijnen in de opvang en voor u het weet heeft u meer konijnen dan u lief is. Ook als het vrouwtje gecastreerd is (ook wel "gesteriliseerd" genoemd, hoewel het in feite om een castratie gaat), is het beter ook het mannetje te laten castreren, omdat hij haar anders zal blijven lastig vallen. Dat kan gevechten veroorzaken. Castratie wordt bij mannetjes gedaan vanaf een leeftijd van vier tot vijf maanden, bij vrouwtjes vanaf ongeveer vijf maanden. Konijnen kunnen al vanaf drie tot vier maanden vruchtbaar zijn, als u twee jonge dieren koopt is er dus een periode waarin ze niet bij elkaar kunnen zitten tot ze oud genoeg zijn om te laten castreren en na de castratie duurt het nog zeker een week of vier voor het mannetje echt onvruchtbaar is. Daarna moet u ze weer aan elkaar laten wennen. Denk er wel aan dat castratie, vooral bij het vrouwtje, een echte operatie is met de daarbij behorende risico’s en kosten. Twee mannetjes is vaak geen goede combinatie, zeker als ze niet gecastreerd zijn. Ze zullen zeer waarschijnlijk gaan vechten en kunnen elkaar daarbij zwaar verwonden. Soms lukt het om twee gecastreerde mannetjes samen te laten leven als ze veel ruimte hebben en elkaar van jongs af aan kennen en als er geen vrouwtjes in de buurt zijn. Twee vrouwtjes kan goed gaan, maar het kan ook op vechten uitlopen. Ook in dit geval is castratie een methode om de dieren wat rustiger en gelijkmatiger van karakter te maken, zodat ze beter met elkaar overweg kunnen. Vaak worden zusjes uit hetzelfde nest samen verkocht, maar ook zij kunnen als ze volwassen worden gaan vechten. Twee konijnen koppelen: Wilt u twee volwassen konijnen samen zetten dan moet u dit zorgvuldig begeleiden en langzaam opbouwen. Verzamel vooraf informatie over hoe u dit het beste kunt aanpakken. Begin altijd op neutraal terrein dat voor beide dieren onbekend is. Zet nooit twee vreemde konijnen zomaar bij elkaar in een hok. Bij een konijnenopvang kunt u vaak ook koppels vinden die al aan elkaar gewend zijn en al gecastreerd zijn. Dat scheelt u een hoop tijd, zorgen en kosten. Ook kunnen zij u vaak helpen bij het koppelen van uw konijn aan een nieuw konijn. Waar wil ik mijn konijn gaan aanschaffen? Er zijn verschillende manieren om aan een konijn te komen. Het is belangrijk dat u een goed adres vindt zodat u een goede aanschaf doet. Hieronder leest u waar u op kunt letten. Een betrouwbaar adres? Konijnen worden aangeboden via dierenspeciaalzaken, fokkers, asielen, speciale konijnen- en knaagdierenopvangadressen of via particulieren. Koopt u bij een dierenspeciaalzaak, dan is het prettig als deze is aangesloten bij Dibevo. De hierbij aangesloten dierenspeciaalzaken hebben een klachtenregeling en een geschillencommissie. Zoekt u een speciaal ras, dan kunt u informeren naar adressen van fokkers bij een vereniging voor dat ras, die u kunt vinden via Kleindier Liefhebbers Nederland. Een konijnen- en knaagdierenopvang vindt u o.a.via de website van Stichting Dierenasiels & Internet. Waar u het dier ook koopt, het is altijd belangrijk om op een aantal punten te letten. Het is erg belangrijk dat de konijnen in een schoon en voldoende ruim hok zitten. Ze moeten hooi ter beschikking hebben en schoon drinkwater en brokjes. Uiteraard moet het konijn gezond zijn. Een betrouwbare verkoper geeft u informatie over het dier. Eerste hulp bij lokkertjes: Jonge konijntjes zien er natuurlijk heel schattig uit en zijn moeilijk te weerstaan. Ga dus niet naar nestjes kijken als u niet zeker weet dat u konijnen als huisdier wilt en dat u voldoende weet om er goed voor te kunnen zorgen. Gratis af te halen klinkt aanlokkelijk, maar controleer goed of het dier wel gezond is en oud genoeg om bij de moeder weg te kunnen (zie "Waar moet ik bij de aanschaf op letten"). Een consult bij een dierenarts is immers vaak duurder dan de aanschafkosten van een konijn. Ga ook niet in op zielige verhalen en koop geen konijnen bij handelaars die hun dieren niet goed behandelen "om ze te redden". Hoe moeilijk het ook is, door deze konijnen te kopen kan zo’n handelaar op dezelfde voet doorgaan en de volgende dag neemt een nieuw konijn de plaats in van het door u geredde konijn. Waar moet ik bij de aanschaf op letten? Als u een goed adres heeft gevonden, is er nog een aantal zaken waar u goed op moet letten bij het kiezen van een konijntje. U wilt immers een gezond konijntje dat aan uw verwachtingen voldoet. Hieronder leest u wat de belangrijkste punten zijn. Gezondheid: In de eerste plaats moet het konijn dat u wilt aanschaffen natuurlijk gezond zijn. Let er op dat het dier niet te dik of te dun is. De ogen, neus en anus moeten netjes schoon zijn. De vacht moet er goed uitzien, hoewel het bij een volwassen dier kan zijn dat het konijn in de rui is. Dan is zijn vacht plukkerig en laten er haren los, meestal gebeurt dit niet overal tegelijk op het lichaam. Er zijn ook dan vaak nog plekken te zien waar de vacht er mooi en glanzend uitziet. De oren van het konijn moeten schoon zijn. De nagels mogen niet te lang zijn en de tanden moeten netjes recht staan, op elkaar aansluiten en niet te lang zijn. Kijk ook even hoe het konijn loopt. Beweegt het zich gemakkelijk? De keutels van het konijn horen mooi droog en vezelig te zijn, niet klein en keihard en ook niet zacht en plakkerig. Het konijn mag niet heel snel of moeilijk ademen of niezen en moet levendig zijn. Houd er wel rekening mee dat konijnen 's middags meestal rustiger zijn dan in de ochtend en avond. Gedrag: Ook het gedrag van het dier is belangrijk. Een konijntje dat wild wegschiet als u het probeert te aaien is niet goed aan mensen gewend. Het zal veel tijd kosten om het konijn te leren dat u te vertrouwen bent. Wilt u een konijn om mee te knuffelen, dan moet u wel een konijn hebben dat dit leuk vindt. Kijk hoe het konijn op u reageert. Zit het er ontspannen bij als u het aait? Vindt het konijn het vervelend om opgetild te worden? Veel konijnen vinden dit eng, als prooidier hebben ze graag hun pootjes op de vloer, zodat ze kunnen vluchten als dat nodig is. Vastgehouden worden lijkt voor hen al snel op gegrepen (en opgegeten) worden. Het kan soms lastig zijn om te zien dat een konijn het eng vindt, niet elk konijn probeert meteen te vluchten. Een konijn dat gespannen is spert zijn ogen open en trekt vaak de neus aan de zijkant wat in, terwijl de bovenkant van de neus iets opgetild wordt, waardoor de neus er puntiger uitziet dan als het dier ontspannen zit. Zijn spieren voelen gespannen aan. Maar er zijn ook konijnen die er helemaal aan gewend zijn en er geen bezwaar tegen hebben om gezellig bij u op schoot te zitten. Overigens kunt u ook prima uw konijn aaien en knuffelen als u zelf op de grond naast het konijn gaat zitten, bijna elk konijn dat mensen gewend is vindt dat wel prettig. Sommige konijnen reageren agressief als u een hand in het hok steekt of de voerbak wilt pakken. Met veel geduld kunt u dit vaak wel afleren door het konijn meer ruimte te geven en hem te leren dat u niet eng bent. Maar voor kinderen is zo'n konijn minder geschikt. Leeftijd: Volgens de wet mogen jonge konijntjes op een leeftijd van vier weken bij hun moeder weg. Het is echter geen goed idee om zo'n jong konijntje te kopen. Konijnen hebben een kwetsbare spijsvertering. Ze zijn ook gevoelig voor stress. Als jonge konijntjes met vier weken bij hun moeder worden weggehaald, dan naar een handelaar gaan en vervolgens in een dierenwinkel terecht komen, hebben ze steeds ander voer, andere omstandigheden en veel stress. Daardoor ontstaan soms darmziekten en helaas komt het regelmatig voor dat jonge konijntjes daaraan dood gaan. Het is dus beter om konijntjes tot tenminste een week of zes of liefst nog wat langer op hun geboorteplek te laten. Veel rasfokkers doen hun konijnen dan ook niet weg voor ze acht of negen weken oud zijn. Veel mensen willen een dwergkonijntje, hoewel deze voor kinderen juist wat minder geschikt zijn dan de iets grotere rassen. Bij het kopen van een jong konijntje in een dierenspeciaalzaak kiest men vaak voor een zo klein mogelijk konijntje, in de veronderstelling dat het dan ook echt een dwergje is. Maar dit zijn soms konijntjes die zo klein zijn omdat ze nog maar net vier weken oud zijn. De wat oudere en dus al wat grotere konijntjes blijven vaak achter in de winkel. Bedenk dat zo’n klein, jong konijntje uiteindelijk natuurlijk even groot wordt als zijn al iets oudere en daarom al iets grotere neefjes en nichtjes. Kies liever voor een wat ouder konijntje, u loopt daarmee minder risico omdat het beter bestand is tegen stress en ziekten. Het is natuurlijk heel vervelend als uw jonge konijntje ziek wordt of zelfs overlijdt. Een konijntje van zes of zeven weken is bovendien nog net zo schattig om te zien. Vraag de verkoper dus naar de leeftijd van de konijntjes. Het is lastig om in te schatten hoe oud een jong konijntje daadwerkelijk is en hoe groot het zal worden. Om u een idee te geven van het formaat van jonge konijntjes en hoe groot zij worden kunt u bij de foto’s hieronder kijken. U kunt bijvoorbeeld letten op de maat van de oren ten opzichte van de rest van het konijn. Echte dwergjes hebben relatief korte oortjes, konijnen met langere oren worden meestal groter en zijn op een leeftijd van zes weken dus ook wat groter. Hele jonge konijntjes hebben een wat rondere kop, bij de meeste rassen wordt de kop als ze wat ouder zijn wat spitser van vorm. Uitzonderingen daarvan zijn de dwergkonijnen en ook de Duitse en Franse Hangoor, zij hebben ook als ze volwassen zijn een vrij ronde kop. Koopt u een volwassen konijn, bijvoorbeeld bij een opvang, dan is het lastig om te weten te komen hoe oud het konijn is. Bij andere dieren zoals kat en hond kan de dierenarts dit vaak aan het gebit zien, maar omdat de tanden en kiezen van konijnen steeds blijven doorgroeien en zich vernieuwen, kan dat bij konijnen niet. Als een konijn echt al oud begint te worden, steekt de ruggengraat en het bot van de heupen vaak wat meer uit, soms krijgen ze wat last van staar en zijn de ogen daardoor minder helder en ze bewegen minder soepel. Natuurlijk heeft ook zo'n "ouwetje" nog graag een fijn tehuis en met goede verzorging kunnen ze soms nog jaren mee. En het kan ook voordelen hebben, ze zijn misschien minder springerig, maar ook minder geneigd om overal aan te komen en in uw bank te graven. Foto's jonge konijntjes: Hier vindt u een aantal foto's van jonge konijntjes zodat u een idee krijgt van het formaat. Bent u er klaar voor? Zorg dat u een hok klaar heeft staan als u konijnen gaat kopen. Op die manier kunnen de dieren meteen na het vervoer rustig wennen op hun eigen plek. U kunt een konijn niet eerst in een kartonnen doos neerzetten tot u een hok heeft gekocht, ze knagen zich er zo doorheen. In de Care Sheet over het konijn leest u waar u bij de huisvesting voor uw konijnen op moet letten. Zorg ook voor het juiste voer, hooi, bodembedekking, eetbakjes en een drinkflesje of drinkbak. Wilt u het konijn door uw huis laten lopen, maak dan de kamer alvast konijn-proof. Voor het vervoer op weg naar huis heeft u een stevige en tochtvrije bak nodig waar natuurlijk wel frisse lucht in moet kunnen komen, zoals een plastic vervoerbox voor knaagdieren of katten. Houd rekening met de temperatuur tijdens het vervoer, konijnen kunnen slecht tegen hitte. Het optillen van een konijn: Bij het optillen van een konijn is het belangrijk dat u goed te werk gaat. Een konijn heeft kwetsbare botten, bij een val kan hij zich flink bezeren. Bovendien zijn de achterpoten van een konijn zo sterk dat hij door ermee te trappen en te spartelen zijn eigen rug kan breken. De meeste konijnen vinden oppakken niet leuk. Doe dit dus alleen als het nodig is, maar oefen wel af en toe zodat u weet hoe het moet en het konijn weet wat er gaat gebeuren. Blijf zelf rustig en vastberaden, maak geen wilde bewegingen. Als u een konijn wilt optillen, doe dat dan als volgt. Begin met de kop van het konijn naar u toe. Leg uw ene hand om zijn achterwerk heen, de onderste vingers iets onder zijn staart. Schuif uw andere hand onder zijn borst met uw duim omhoog langs zijn zij. Eventueel kunt u de voorpoten daarbij tussen pink en ringvinger of tussen ringvinger en middelvinger houden. Bij het terugzetten van het konijn kunt u het dier het beste achteruit zijn hok in zetten, zodat het niet uit uw armen kan springen en zich verwonden. Bij een konijn dat erg wild is of spartelt kunt u met een hand zo veel mogelijk vel op de schouderbladen (dus niet in zijn nek) pakken. Gebruik altijd uw andere hand ter ondersteuning, schuif deze onder het achterwerk. In feite lijkt dit op de hierboven beschreven methode, alleen pakt de voorste hand nu het schoudervel. Til het dier op en druk het direct zachtjes tegen u aan. Til een konijn nooit op aan zijn oren of alleen aan zijn nekvel. (Bron: www.licg.nl)Konijnen en knaagdierenhttp://www.animalqueen.nl/c-1990931/konijnen-en-knaagdieren/Konijnen en knaagdieren kunnen hele gezellige huisdieren zijn. Als u veel over hen weet, kunt u zo goed mogelijk voor hen zorgen. Daar komt meer bij kijken dan men in eerste instantie soms denkt. Omdat het prooidieren zijn, laten ze bijvoorbeeld niet snel zien dat ze ziek zijn. Dan is het belangrijk om te weten waar u op moet letten en hoe u ziekte kunt voorkomen. Ook de huisvesting van konijnen en knaagdieren vraagt wat extra aandacht. Vaak zijn het groepsdieren, die u niet in hun eentje moet houden. Maar hoe maakt u een goede combinatie? Hier leest u allerlei informatie over gezondheid, ziekte en preventie, gedrag en aanschaf van konijnen en knaagdieren.Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissenhttp://www.animalqueen.nl/c-1989044/ziekten-en-aandoeningen-bij-zoetwatervissen/Vissen kunnen last hebben van parasieten, bacteriën, virussen en schimmels. Vaak kunnen aandoeningen verholpen worden als er bijtijds wordt ingegrepen. Het is daarom belangrijk om te weten waar u op moet letten. Als u de vissen regelmatig bekijkt, zult u symptomen sneller herkennen. Tekenen van gezondheidsproblemen bij uw vissen zijn onder andere kleurverandering, een doffe of aangetaste huid, wonden, samengeknepen of rafelende vinnen, een afwijkende lichaamsvorm en een te langzame, ongecoördineerde of op een andere wijze afwijkende manier van zwemmen. In dit document wordt een aantal ziekten en aandoeningen van zoetwatervissen besproken. Parasieten: Zoetwatersiervissen kunnen allerlei parasieten hebben zoals wormen, luizen of eencelligen zoals flagellaten en ciliaten. Soms ontstaan door infecties met parasieten bijkomende (secundaire) infecties door bacteriën. Bekende aandoeningen die worden veroorzaakt door huid- en kieuwparasieten zijn: Witte stip (Ich): Deze ziekte wordt bij zoetwatervissen veroorzaakt door Ichthyopthirius multifiliis, een ciliaat, die zich vestigt in de slijmhuid van de vis. Daardoor ontstaan slijmbolletjes die als witte stipjes op de huid van de vis te zien zijn. De vissen zullen langs voorwerpen gaan schuren en als de kieuwen zijn aangetast hebben ze problemen met ademen. De ziekte ontstaat vaak bij stress of verlaagde weerstand door bijvoorbeeld te koud water of plotselinge veranderingen in watersamenstelling. De parasiet kan in uw aquarium terechtkomen via aquariumwater, nieuwe vissen, nieuwe planten, slakken of levend voer. Witte stip breidt zich snel uit en moet dan ook meteen behandeld worden. Fluweelziekte (Oodinium): Fluweelziekte, ook wel peperstip genoemd, wordt bij zoetwatervissen veroorzaakt door Piscinoodinium, een flagellaat. De infectie start bij de kieuwen en breidt zich uit over de huid van de vis, die hierbij een fluweelachtig uiterlijk krijgt. De vis kan herstellen als de ziekte goed behandeld wordt. Chilodonella: Chilodonella is een ciliaat die de kieuwen en de huid aantast, vooral bij vissen die al een verlaagde weerstand hebben. Kenmerken van besmetting zijn een witte slijmlaag op de rug, schuren en problemen met ademhalen. Doordat de slijmlaag wordt aangetast is de vis vatbaar voor andere infecties. Chilodonella komt voor bij allerlei temperaturen en de parasiet kan niet tegen temperaturen boven 28°C. De infectie is behandelbaar. Apiosoma (Glossatella): Ook Apiosoma, voorheen Glossatella genoemd, is een ciliaat die in de kieuwen en op de huid kan voorkomen en veel gezien wordt bij vissen die in een vijver zijn gekweekt. Als deze parasieten in grote aantallen voorkomen, kan dat tot ziekte leiden. Omstandigheden waarin dat kan gebeuren zijn een teveel aan vissen, tekort aan zuurstof en slechte waterkwaliteit. Het veroorzaakt een overmaat aan slijmproductie van de huid, een bleke kleur en ook ademhalingsproblemen kunnen optreden. Neontetra ziekte: Neontetraziekte is een aandoening die wordt veroorzaakt door de parasiet Pleistophora hyphessobryconis. Deze parasiet hoort bij de sporozoa, sporenvormende eencelligen. De ziekte wordt ook wel "Pleistophora" genoemd en kan ook bij andere vissoorten voorkomen. Neontetra ziekte wordt verspreid via nieuwe vissen of via levend voer. De vissen krijgen last van vervagende kleuren, rusteloosheid, bobbels op het lichaam, kunnen niet meer goed zwemmen, het lichaam kan krom groeien en uiteindelijk gaat de vis dood. Er is geen genezing mogelijk. Ichthyobodo (Costia): Deze flagellaat tast huid en kieuwen aan en veroorzaakt een slijmerige blauwe waas op de huid. Vissen raken geïrriteerd en eten vaak niet meer. De aandoening is te behandelen. Trichodina: Trichodina, een ciliaat, bevindt zich op en in de huid van de vis en plant zich voort in het slijmvlies van de huid. De vis gaat schuurgedrag vertonen, wordt bleek en maakt extra slijm aan wat als een laag over de huid komt te liggen. De eetlust neemt af. Trichodina infecties treden vaak op na stress, bij een slechte waterkwaliteit of bij een te hoge bezetting van het aquarium. Er bestaan middelen om de infectie te bestrijden, daarnaast moet de waterkwaliteit verbeterd worden. Hexamitaen gaatjesziekte: Darmproblemen kunnen optreden door de flagellaat Hexamita (of Spironucleus). Symptomen zijn dat de vis sloom en bleek wordt en slecht eet, de ontlasting ziet er slijmerig uit. Deze parasiet komt bij cichliden ook op de kop voor en is dan een veroorzaker van gaatjesziekte (ook wel "hole-in-the-head disease" of "lateral line erosion" genoemd). Hierbij ontstaan gaten in de huid van de kop of bij het zijlijnorgaan, een rij kleine putjes die langs het lichaam van de vis naar achteren loopt en gebruikt wordt om trillingen mee op te vangen. Stress, verkeerde voeding, slechte waterkwaliteit en een hoge leeftijd vergroten de kans op gaatjesziekte. Als bijtijds wordt behandeld dan kan de ziekte genezen, grijpt u te laat in dan is behandeling moeilijk. Visluis: Argulus is een luis die op de huid van de vis zit en met het blote oog te zien is. Visluizen irriteren de huid en geven jeuk, waardoor de vissen gaan schuren, de vinnen samenknijpen en rusteloos zijn. Er ontstaan wondjes en er kunnen bijkomende infecties ontstaan. Behandeling is mogelijk. Wormenbesmetting: Trematode wormen (parasitaire platwormen) kunnen de huid en kieuwen van de vis aantasten, zoals de kieuwwormen Gyrodactylus (levendbarend) en Dactylogyrus (eierleggend). Als de parasiet op de huid zit, zal de vis met zijn huid langs oppervlakten gaan schuren. Een besmetting van de kieuwen veroorzaakt ademhalingsproblemen, de kieuwen staan dan verder open dan normaal, zijn vlekkerig en kunnen bloedingen vertonen. Deze parasieten beschadigen de slijmlaag en het weefsel van huid en kieuwen doordat zij zich vastzetten met haakjes, waardoor de vis minder bescherming heeft tegen andere infecties. Ze worden overgedragen via levend voer, planten en nieuwe vissen. Een bijkomend probleem is dat deze wormen zich in het biofilter kunnen vestigen en het daardoor lastig is ze kwijt te raken zonder het biofilter te vervangen. Vaak zijn deze wormen al in kleine aantallen aanwezig in het aquarium zonder dat dit problemen geeft. Bij stress, te hoge bezetting of een verlaagde weerstand van de vissen kan de worm zich gaan verspreiden en ziekteverschijnselen veroorzaken. Ook in de darmen van vissen kunnen verschillende soorten wormen voorkomen. Wormen kunnen worden bestreden met geschikte anti-wormmiddelen. Bedenk daarbij dat Dactylogyrus een eierleggende worm is, waardoor een herhaling van de behandeling nodig is. Bacteriën: Ook bacteriën veroorzaken ziekten bij vissen. Hieronder vindt u een aantal voorbeelden. Vissen-TBC: Vissentuberculose wordt veroorzaakt door Mycobacterium marinum of M. fortuitum. Deze bacteriën komen vooral voor bij watertemperaturen rond de 25°C en kunnen via bevroren voeding worden overgedragen. De bacterie tast de organen van de vissen aan waardoor er plekjes van afstervend weefsel ontstaan, necrosehaardjes genoemd. In en tussen de organen van de vis zijn dan kleine, geelachtige bolletjes te zien: granulomen. Het is een chronische infectie. Uiteindelijk gaat de vis ten onder aan het slecht functioneren van de organen en uitputting. De bacterie kan bij de mens zogenaamde "zwemmersgranuloom" veroorzaken, waarbij chronische huidwondjes ontstaan en zelfs onderhuidse granulomen, die slechts met langdurige antibioticumbehandeling over gaan. Was de handen steeds goed met zeep na het hanteren van warmwater vis. Columnarisziekte: Columnarisziekte wordt veroorzaakt door de bacterie Flavobacterium columnare. Deze veroorzaakt oppervlakkige huid- en vinontstekingen en tast de kieuwen aan. Soms ziet men de vorm van een sigarenbandjes-verschijnsel, vanuit de rugvin ontstaat een sigarenbandje-vormige doffe huid, die zich daarna over het hele lichaam uitbreidt, gevolgd door sterfte. De ziekte komt vooral voor in warmer water (boven 24°C). Bij snelle behandeling kan antibioticum goed werken, als te laat wordt ingegrepen wordt de vis niet meer beter. Gatenziekte: Gatenziekte wordt veroorzaakt door atypische Aeromonas salmonicida. Deze bacterie komt bij karperachtigen en paling voor en veroorzaakt diepe huidwonden met een rode en witte randzone. Het wordt ook wel "karper erythrodermatitis" genoemd. Verwar deze ziekte niet met gaatjesziekte bij cichliden, ook wel "hole-in-the-head-disease" genoemd (zie parasieten – Hexamita). Secundaire infecties: Siervissen kunnen allerlei secundaire bacteriële infecties oplopen, bijvoorbeeld als de huid door een parasiet is beschadigd, bij verminderde weerstand van de vis, of als de waterkwaliteit de slijmlaag heeft aangetast. Bacteriën als Aeromonas hydrophila, A.sobria, Shewanella putrefaciens, Edwardsiella tarda en anderen kunnen dan de vis ziek maken. Vinrot is een voorbeeld van zo'n secundaire infectie. De randen van vinnen worden aangetast en soms verdwijnen hele stukken van de vin. Door een snelle behandeling kunnen de vissen meestal weer herstellen. Denk aan de primaire oorzaak en probeer deze op te lossen. Laat vóór antibioticumbehandeling bij een visziektenlab testen om welke bacterie het gaat en waar deze gevoelig voor is. Buikwaterzucht: Bij buikwaterzucht zwelt de vis op, de schubben zetten uit en de ogen kunnen uitpuilen. Vaak is dit een gevolg van een bacteriële of virusinfectie die de nieren aantast. Daardoor worden vloeistoffen in het lichaam vastgehouden. Mogelijke veroorzakers zijn onder andere de bacterie Aeromonas hydrophila en Aeromonas sobria. Ook door het virus SVCV (Spring Viraemia of Carp Virus) kan een oorzaak zijn (zie ook onder Virussen). Schimmels: Twee bij vissen voorkomende schimmelinfecties zijn: EUS: Bij vele siervissoorten uit Zuidoost Azië komt de waterschimmelziekte EUS (Epizootic Ulcerative Syndrome) voor en o.a. goudvissen en goerami's zijn vatbaar. De eerste symptomen zijn verlies van eetlust, soms kleurt de vis donker, hangt vlak onder het wateroppervlak en zwemt met snelle, trekkerige bewegingen. Vervolgens ontstaan er rode of bruine vlekken die ontwikkelen tot diepe wonden tot in de spieren met draderige vezelstructuur. De ziekte verspreidt zich van vis tot vis via het water. EUS is een exotische ziekte voor Europa en is aangifteplichtig, wat betekent dat de VWA op de hoogte moet worden gesteld. Dat kan via de dierenarts of via het CVI (Centraal Veterinair Instituut van de WUR, Lelystad). Zodra er een verdenking op is, kan men het visziektenlaboratorium van het CVI bellen, waar de vis dan onderzocht kan worden. Saprolegnia: EUS moet niet verward worden met de schimmelziekte Saprolegnia, te zien als wattenachtige plukken op chronische wondjes van vissen. Deze schimmel is in eerste instantie niet schadelijk, wel secundair of tertiair. Saprolegnia is de meest voorkomende schimmel bij tropische zoetwatervissen en ontstaat vaak na beschadiging van de huid. Soms volgt de schimmelinfectieop een bacterie- of parasieteninfectie. Een infectie met Saprolegnia is behandelbaar als de aantasting van de huid niet te groot is. Virussen: Virussen kunnen bij vissen ernstige en besmettelijke ziekten veroorzaken, waaronder de volgende drie:. Koi herpes virus: Het koi herpes virus (KHV of ook wel CyHV-3 genoemd) veroorzaakt een ernstige virusziekte. Het komt voor bij de karper en dus ook bij de koi, die een kleurvariant is van de gewone karper Cyprinus carpio. Goudvissen lijken niet vatbaar te zijn voor het koi herpes virus, maar het is mogelijk dat ze de ziekte wel kunnen overdragen. Symptomen van KHV zijn ingevallen ogen, traagheid, zich afscheiden van de andere vissen, vreemd zwemmen door evenwichtsverlies, hyperactiviteit, een bleke of rode huid, een ruwe huid met verlies van de bovenste huidlaag (de opperhuid), teveel of juiste weinig slijmvorming op de huid, bloedingen van de huid en aangetaste vinnen. De kieuwen vertonen vaak lichte plekken tot grote ontkleuringen waar het weefsel afsterft en ontstekingen. Uiteindelijk gaat een groot deel van de geïnfecteerde dieren dood. De ziekte verloopt heviger bij stress en een hoge bezetting van het water. De ziekte komt vooral tot uiting bij temperaturen hoger dan 18°C. Vaak ontstaan er bijkomende infecties van bacteriën of parasieten. Er is onderzoek mogelijk op antilichamen tegen het virus om de ziekte vast te stellen, bijvoorbeeld via het visziektenlaboratorium van het CVI. Er is geen behandeling bekend. Een verhoging van de watertemperatuur tot boven 26°C-28°C kan het aantal vissen dat overlijdt aan de ziekte verlagen. Er is een vaccinatie ontwikkeld met een verzwakt virus, maar dit is nog niet geregistreerd in de EU. De ziekte is meldingsplichtig, wat betekent dat het moet worden gemeld bij de VWA. Om koi herpes virus te voorkomen is het verstandig nieuwe vissen zeker vier weken in quarantaine te houden. SVC (spring viraemia of carp): Deze ziekte komt voor bij karpers, goudvissen en andere karperachtigen. Vooral jonge vissen tot 1 jaar oud zijn vatbaar, maar ook oudere vissen kunnen besmet worden. Symptomen zijn traagheid, zich afscheiden van de overige vissen, evenwichtsverlies, donker kleuren van de huid, uitpuilende ogen, bleke kieuwen, bloedingen op de huid en een uitstulpende anus met slijmerige resten. De ziekte komt vooral bij temperaturen onder 16°C tot uiting. Bij experimenten bleken ook Danio rerio (zebravis), Esox lucius (snoek), Poecilia reticulata (guppy) en Lepomis gibbosus (zonnebaars) vatbaar te zijn. Er is geen behandeling mogelijk. Het verhogen van de watertemperatuur tot boven de 16°C doet de ziekte verminderen, maar het virus blijft wel aanwezig. Lymphocystis: Deze zeldzame virusinfectie geeft wratachtige uitgroeiingen op huid en vinnen en wordt soms ook in zeevis gezien. De vis gaat er meestal niet dood aan en het kan bij goede verzorging spontaan overgaan. Er is geen behandeling voor. Wat te doen bij zieke vissen: Vaak kunnen zieke vissen door een snelle diagnose en behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele bestrijdingsmiddelen tegen ziekten. Zorg er echter wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Vraag indien nodig aan uw dierenarts of hij u kan doorverwijzen. Is laboratoriumonderzoek gewenst, dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI te Lelystad. Preventie: Ziekten bij vissen ontstaan vaak als hun weerstand verlaagd is. Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit, goede voeding en zo min mogelijk stress. De waterkwaliteit houdt u op peil door te zorgen voor een goed werkend filter, regelmatig het water te testen en tijdig water te verversen. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen en zorg voor schuilplaatsen in het aquarium voor vissoorten die dit op prijs stellen. Haal levend voer altijd bij een vertrouwde leverancier of kweek het zelf en spoel nieuwe waterplanten goed af. Desinfecteer materialen waarmee u nieuwe vissen gehanteerd heeft, zoals een schepnetje. Zet nieuwe vissen liefst eerst enkele weken in een quarantainebak zodat u kunt zien of ze gezond zijn. U kunt eventueel gebruik maken van een preventief middel om parasieten tegen te gaan. Er bestaan middelen die aandoeningen kunnen voorkomen, doordat ze een beschermende laag over de huid van de vis vormen. Deze kunnen nuttig zijn, bijvoorbeeld als uw vissen beschadigingen hebben opgelopen of om andere redenen vatbaar zijn voor infecties, zoals na transport of andere stress. In de aquariumspeciaalzaak kan men u hierover adviseren. Zie voor informatie over het opzetten en onderhouden van een aquarium het document "Het tropisch zoetwateraquarium". (Bron: www.licg.nl)Erfelijke aandoeningen bij vissenhttp://www.animalqueen.nl/c-1989035/erfelijke-aandoeningen-bij-vissen/Bij vissen komen erfelijke aandoeningen voor. In deze lijst vindt u van een aantal erfelijke aandoeningen de naam en een korte omschrijving. De lijst is niet volledig maar geeft een indruk van wat voor erfelijke afwijkingen er bij vissen bekend zijn. Meer informatie en uitleg over erfelijke aandoeningen en gebruikte termen vindt u in de documenten "Inleiding erfelijke aandoeningen" en "Meer over erfelijkheid". Kleurafwijkingen: Bij vissen zijn diverse kleurafwijkingen mogelijk waarbij de vis anders gekleurd is dan voor de soort gebruikelijk is, namelijk albinisme (donker pigment ontbreekt, de vis heeft rode ogen), xanthisme of xanthorisme (geel pigment overheerst), melanisme (zwart pigment overheerst) het overheersen van rood en blauw pigment. Afwijkend gekleurde dieren waarbij rood en blauw pigment overheerst, hebben gemiddeld een kortere levensduur. Bovendien is hun weerstand minder goed. Daardoor worden ze gemakkelijker ziek. Alle aandoeningen, met uitzondering van albinisme, maken de vis bovendien gevoelig voor het ontstaan van kwaadaardige tumoren. De kleurafwijkingen zijn dus uiteindelijk levensbedreigend. Verandering van de kopvorm en lichaamsvorm: Er zijn goudvissen waarbij weefselwoekering op de kop een raskenmerk zijn. Bij de goudvisvariant "Pompon" woekeren de weefsels uit beide neusgaten. Soms woekeren de weefsels tot over de ogen, waardoor het dier moeite heeft met zien. Bij de Leeuwenkop of Oranda goudvis is de kop sterk verbreed en de huid op de kop verdikt, terwijl het lichaam korter, rond en plomp is en er ook veranderingen in de vinnen zijn. De verdikte huid is gevoelig voor infecties. Ook bij de Buffelrug goudvis (ook wel Ranchu of Eiervis) komt verandering van de kopvorm voor en zij missen een rugvin. De vissen zijn gevoeliger voor ziekten en hun evenwicht kan verstoord zijn. Verandering van de oogvorm: Bij enkele kweekrassen van de goudvis hebben de ogen een afwijkende vorm of is de positie van de ogen op de kop anders. Bij de Telescoopoog zijn de ogen vergroot en puilen zij zijwaarts uit. Bij de Blaasoog zitten er grote huidblazen onder de ogen. De blazen zijn gevuld met lichaamsvocht en duwen de ogen naar boven. Bij de Hemelkijker puilen de ogen uit en zijn naar boven gericht. Bij Telescoopogen zijn oogafwijkingen aangetoond die het aannemelijk maken dat ze minder goed zien, bij de Hemelkijkers is vastgesteld dat hun netvlies is aangetast, en de Hemelkijker en Blaasoog kunnen alleen naar boven kijken, waardoor ze een deel van hun zicht missen. De ogen van deze rassen zijn ook kwetsbaar en kunnen gemakkelijk beschadigd worden. De Hemelkijker en de Blaasoog hebben bovendien geen rugvin, waardoor ze moeilijk in balans blijven. Vinvormafwijkingen: Sommige vissenrassen hebben verlengde vinnen. Meestal gaat het om de staart- en/of de rugvin. Dit kan het zwemmen en de balans benadelen. De lange vinnen zijn vatbaar voor infecties. Als het een verlenging van de aarsvin (de onderste vin die zich bij de geslachtsopening bevindt en bij sommige soorten door het mannetje wordt gebruikt om het vrouwtje te bevruchten) betreft, kan dit bevruchting verhinderen of belemmeren. Misvormingen: Als gevolg van inteelt kunnen erfelijke afwijkingen ontstaan, zoals een verkort kieuwdeksel, waardoor het water niet meer optimaal door de kieuwen stroomt en er dus ademhalingsproblemen kunnen optreden. Ook kunnen vissen een kromme rug krijgen. Het is van belang om bij ruggengraatverkrommingen (scoliosis) uit te sluiten dat er een vitamine C tekort meespeelt. Jonge vis kan namelijk door vitamine C gebrek kraakbeenvergroeiingen krijgen, die niet meer terug te draaien zijn. (Bron: www.licg.nl)Het tropisch zoetwateraquariumhttp://www.animalqueen.nl/c-1989034/het-tropisch-zoetwateraquarium/Als u een aquarium gaat opzetten, kunt u dit op twee manieren aanpakken: Als u vooral in een specifieke vissoort geïnteresseerd bent, let u vooral op de eisen die deze soort stelt. Hoe groot zijn de vissen, welk type aquarium hebben ze nodig? Vervolgens kiest u de bak die bij deze vissoort past. U kunt ook uitgaan van het aquarium zelf, bijvoorbeeld omdat u dit decoratief vindt of omdat uw ruimte beperkt is. In dat geval beslist u als eerste wat voor aquarium u wilt kopen. Hoe groot moet het zijn, welke vorm moet het hebben en waar komt het te staan? Daarna kiest u vissen die goed in de door u gekozen bak kunnen leven. Vissen kiezen: Het is belangrijk om vooraf goed na te denken over welke vissen u wilt gaan houden. Elke vissoort heeft zijn eigen verzorging nodig en niet elke vis is geschikt voor elk aquarium. Wilt u verschillende vissoorten bij elkaar zetten, dan moet u nagaan of ze onder dezelfde omstandigheden leven en of ze elkaar niet zullen hinderen of aanvallen. Vissen maken vaak gebruik van een specifieke waterlaag. Zo zijn er vissen die vooral op de bodem blijven, terwijl andere vooral bovenin rondzwemmen. Kies niet allemaal soorten die in dezelfde waterlaag leven maar probeer dit te verdelen. In de Care Sheets vindt u informatie over de eisen die verschillende vissoorten stellen, zodat u een weloverwogen keuze kunt maken. Ook in een aquarium- of dierenspeciaalzaak kan men u goed informeren. Natuurlijk moet u rekening houden met het aantal vissen dat in uw aquarium past. Een vuistregel is om niet meer dan één centimeter vis per liter water te nemen. Ga bij het berekenen van het aantal liter water niet uit van de bakmaat maar trek de ruimte die wordt ingenomen door bodem en decoratie er af. Houd er ook rekening mee dat de vissen vaak nog zullen groeien. De bak: De meeste aquaria zijn rechthoekig, maar er bestaan ook drie-, vijf- of zeshoekige aquaria. De meeste bakken zijn volledig van glas gemaakt, andere bestaan uit glas in een gedeeltelijk of compleet raamwerk van metaal, vaak aluminium. De bekende vissenkom of een zuilaquarium is voor verreweg de meeste vissoorten geen goede behuizing. Het contact met de lucht is in verhouding met de hoeveelheid water te klein, waardoor beluchting noodzakelijk is. Daarnaast biedt deze vorm de vis weinig ruimte om heen en weer te zwemmen, is er geen dichte achterwand die de vissen veiligheid biedt en vergroot de gebogen ruit alles wat van buitenaf komt, wat stress en schrik kan opleveren bij de vissen. Kies een aquarium met een dekruit, deze zorgt ervoor dat het water minder snel verdampt en beter op temperatuur blijft. Bovendien houdt het de vissen in de bak. Hoe groter het aquarium, hoe gemakkelijker het is om de waterkwaliteit constant te houden. Maar een groot aquarium is ook duurder, zowel in aanschaf als in energieverbruik. Plaats het aquarium op een rustige plek. Zet het niet in de zon, want daardoor zal er veel algengroei optreden en is de watertemperatuur niet goed constant te houden. Let erop dat het aquarium precies waterpas moet staan om breuken te voorkomen en leg schokabsorberend materiaal (bijvoorbeeld polystyreen) tussen de bodem en de ondergrond. Houd er rekening mee dat een gevuld aquarium heel zwaar is, dus ga na of uw vloer en het meubel waarop het aquarium geplaatst wordt het gewicht wel kunnen dragen. Houd er rekening mee dat u overal bij moet kunnen als u het aquarium schoonmaakt. Het aquarium verplaatsen na het vullen is ondoenlijk dus bedenk vooraf of u de juiste plek heeft gekozen. Denk er ook aan dat u stopcontacten nodig zult hebben voor de verwarming, verlichting en het filter. Woont u op een flat of bovenwoning, denk er dan aan dat er bij breuk van een ruit ontzettend veel water op de vloer komt, wat ook bij uw onderburen terecht kan komen. Ga na of uw verzekering dit dekt. De inrichting - bodem, stenen, hout: Gebruik altijd een achterwand, in een doorkijkaquarium zonder tussenschot voelen vissen zich niet veilig. Er zijn verschillende soorten achterwanden te koop. Sommige bevestigt u in het aquarium, andere plakt u tegen de achterwand aan. Op de bodem van het aquarium kunt u grind of zand gebruiken. Kies een product dat bedoeld is voor aquaria, gebruik geen steentjes met scherpe randjes! Kies liefst geen wit of lichtgekleurd grind of zand, veel vissen vinden dit niet prettig. Stem de bodem af op de vissoort. Zo zijn er vissen die graag in de bodem wroeten en zelfs vissen die zich soms ingraven in de bodem. Voor die laatste groep van vissen heeft u een zandbodem nodig. Als basislaag kunt u een laag voedingsbodem aanbrengen die speciaal bedoeld is om planten in te laten wortelen en die meststoffen bevat. Door deze laag af te dekken met grind of zand wordt de voedingslaag vastgehouden. Houd er wel rekening mee dat een teveel aan meststoffen voor een overmaat aan algengroei kan zorgen en invloed heeft op de waterkwaliteit. Ter decoratie en als schuilplaats voor de vissen zijn stenen, hout of planten geschikt. Bij alles wat u in het aquarium zet is het belangrijk dat er geen mineralen of giftige stoffen uit vrij kunnen komen en dat het vrij is van ziektekiemen. U kunt het decoratiemateriaal dan ook het beste in de dieren- of aquariumspeciaalzaak kopen. Zeker bij hout moet u opletten dat het geschikt is om in het water te staan. Een voorbeeld van geschikt materiaal is kienhout. Bij stenen moet u vooral oppassen voor het vrijkomen van kalk en metalen. Ook bij het bepalen van het decoratiemateriaal moet u rekening houden met het type vissen dat u wilt houden. Sommige vissen hebben veel schuilplaatsen nodig, andere hebben juist behoefte aan veel zwemruimte. Heeft u grotere vissen die graag graven, pas dan op dat stenen niet kunnen omvallen. Water: Een goede waterkwaliteit is bepalend voor de gezondheid van uw vissen. Voor het zoetwateraquarium kunt u meestal leidingwater gebruiken. Dit kunt u eventueel voorbewerken om er zeker van te zijn dat er geen chloor en andere stoffen zoals metalen inzitten. In de aquariumspeciaalzaak vindt u middelen waarmee u het leidingwater geschikt maakt voor uw vissen. Overigens is het leidingwater in Nederland van goede kwaliteit en wordt er vrijwel nooit chloor aan toegevoegd. Voor sommige vissoorten, zoals discusvissen, kunt u het beste leidingwater mengen met osmosewater. Dit kunt u zelf maken met behulp van een osmose apparaat dat u in de aquariumspeciaalzaak koopt. Om de vissen gezond te houden, is een aantal chemische aspecten van het water van belang. In de eerste plaats moet u letten op de zuurgraad of pH van het water. Deze wordt aangegeven met een getal van 1 tot 14, waarbij waarden onder 7 zuur zijn en boven 7 basisch. Neutraal water heeft een pH van 7. Welke pH het water moet hebben, hangt af van de vissoorten die u in het aquarium zet. Sommige vissen hebben het liefst een licht zuur milieu, terwijl andere het beter doen bij hogere pH-waarden. Er zijn vissoorten die afwijkingen van hun ideale pH goed tolereren, maar voor andere kan een schommelende zuurgraad dodelijk zijn. Een andere belangrijke waarde is de hardheid van het water. Er bestaan verschillende manieren om deze weer te geven, afhankelijk van het type moleculen waar men naar kijkt. De totale hardheid (gH) wordt uitgedrukt in graden DH. Deze loopt van 0 tot 30. Daarnaast is ook de KH of carbonaathardheid van belang, die aangeeft hoeveel kalk er in het water is opgelost. De KH is van invloed op de pH, dus deze dient in de gaten gehouden te worden. Een KH van tenminste 5 DH zorgt ervoor dat de pH beter stabiel blijft. Er zijn chemicaliën te koop die de KH helpen verhogen. De totale hardheid is alleen belangrijk als u vissen wilt houden die van nature heel zacht water nodig hebben. Naast de zuurgraad en de hardheid van het water moet u ook de hoeveelheden van stikstofverbindingen zoals ammonium en nitriet in de gaten te houden. Deze stoffen ontstaan als afvalproducten en vervuilen het water. Ze moeten door het filter uit het water worden gehaald. Regelmatige controle van de waterkwaliteit is dan ook nodig om de werking van het filter te controleren en problemen voor te zijn. Planten: Planten hebben meerdere functies in het aquarium. Behalve als decoratie dienen ze ook als schuilplaats en helpen ze mee de waterkwaliteit op peil te houden. Ze produceren zuurstof en nemen bovendien voedingsstoffen op, waardoor deze niet meer beschikbaar zijn voor algen. Bij de aanschaf van planten moet u op een aantal zaken letten. Houd in de eerste plaats rekening met de behoeften van de vissen. Heeft u vissen die veel zwemruimte nodig hebben, zorg dan dat u het aquarium niet te vol zet. Neemt u vissen die eieren tussen planten leggen of juist levende jongen baren die schuilplaatsen nodig hebben, dan moet u hier de juiste plantensoort bij kiezen. Ook zijn er vissen die planten opeten of uitgraven. Daarnaast stelt elke plantensoort ook zijn eigen eisen aan de temperatuur en watersamenstelling, dus kies planten die dezelfde omstandigheden vragen als uw vissen. Verder is het van belang hoe groot de planten worden, hoe snel ze groeien en hoe sterk ze zijn. Bij snelgroeiende planten heeft u kans dat de pH-waarde (de zuurgraad) van het water te snel stijgt. De bijdrage aan de productie van zuurstof en opname van koolstofdioxide (CO2) uit het water is afhankelijk van de plantensoort. Drijfplantjes wisselen vooral gassen uit met de lucht in plaats van met het water. Bekende waterplanten die erg nuttig zijn bij het op peil houden van de waterkwaliteit zijn bijvoorbeeld Vallisneria, vederkruid soorten (Myriophyllum) en waterpest (Egeria). Spoel nieuwe planten altijd af voor u ze in het aquarium zet, zodat er geen parasieten kunnen worden overgedragen. Verwarming: Veel aquariumvissen komen van oorsprong uit tropische gebieden. U heeft dan ook een verwarmingselement nodig. Bij het kiezen van een verwarmingselement gaat u uit van de gewenste watertemperatuur, de temperatuur van de kamer waarin de bak staat, en de inhoud van het aquarium. Is het in de kamer waar de bak staat ongeveer 20°C en hebben uw vissen water van 25°C nodig, dan heeft u voor een bak van 50 liter een verwarming van 50 Watt nodig, maar voor een bak van 150 liter al snel 100 Watt. Laat u dus goed adviseren in de dieren- of aquariumspeciaalzaak. Kies een verwarmingselement met thermostaat zodat de temperatuur zo min mogelijk schommelt, want veel vissen kunnen daar niet goed tegen. Plaats de verwarming laag in de bak zodat de warmte goed verdeeld wordt. Een thermometer om de watertemperatuur te kunnen controleren is ook belangrijk. Verlichting: Elk aquarium moet verlicht worden, niet alleen vanwege de vissen maar vooral ook voor de planten. Het tropisch aquarium heeft zo’n twaalf uur per dag verlichting nodig. Er zijn verschillende manieren om uw aquarium te verlichten. Het meest gebruikt zijn TL-buizen, die zuinig zijn in het gebruik en een goede lichtopbrengst hebben. Vooral fluorescentiebuizen zijn erg geschikt omdat deze de kleur van de vissen goed laten uitkomen. U kunt verschillende typen buizen met elkaar combineren. Zet de verlichting op een tijdschakelaar zodat er een vast ritme van licht en donker ontstaat. De vissen stellen zich hier op in en dit scheelt stress. Als u meerdere lampen heeft, kunt u ervoor kiezen om deze één voor één aan te laten gaan. Daardoor is de overgang van donker naar licht geleidelijker, wat schrikreacties kan voorkomen. 's Avonds laat u ze weer om beurten uit gaan. CO2-systeem: Planten gebruiken CO2 (koolstofdioxide) als voeding en zetten dit om in zuurstof. Het kan daarom soms handig zijn om een CO2-systeem te gebruiken, zeker als u snelgroeiende planten in uw aquarium wilt zetten. Dit dient als bemesting voor de planten en het verlaagt de pH, die anders door omzetting van CO2 naar zuurstof op zal lopen. Beluchting: Een luchtpompje is in principe niet nodig als u genoeg planten in het aquarium heeft. De planten produceren dan voldoende zuurstof, en met behulp van een pomp met filter zorgt u ervoor dat het water circuleert en de zuurstof door de hele bak verspreid wordt. Bovendien zorgt een luchtpompje ervoor dat de koolstofdioxide (CO2) uit het water verdwijnt, waardoor de planten tekort zullen komen. Als er weinig planten zijn of er te weinig stroming in uw aquarium is, kan het nuttig zijn om te kiezen voor een pompje en bijvoorbeeld beluchtingssteentjes. Deze zorgen ervoor dat er in alle lagen van het water zuurstof wordt geblazen. Bij een groot gebrek aan zuurstof in het aquarium kan er, zeker als uw filter (nog) niet goed werkt, een te hoog ammonium- of nitrietgehalte ontstaan, en u kunt dan soms de vissen naar lucht zien happen aan het wateroppervlak. Dit komt niet snel voor, maar bij twijfel kunt u met behulp van een testsetje het zuurstofgehalte meten. ’s Ochtends na het aanzetten van de verlichting moet de hoeveelheid zuurstof tenminste 4 mg/l zijn bij water van 25°C. Filters: Om het water schoon te houden is in elk aquarium een filter nodig. Een goed filter bestaat uit een mechanisch en een biologisch deel. Het mechanische deel van het filter haalt het zichtbare vuil uit het water zodat het er helder uitziet. Het biologische deel van het filter bestaat uit materiaal waarin bacteriën leven. Deze zetten schadelijke stoffen om, zoals ammoniak/ammonium en nitriet. Deze stoffen komen in het water via uitwerpselen, voedselresten en afstervende plantendelen. Ammoniak (NH3) in de uitwerpselen van vissen wordt door een reactie met het aquariumwater voor een deel omgezet in ammonium (NH4+). Ammoniak is erg giftig voor de vissen, het veroorzaakt al schade aan de kieuwen vanaf 0,05 mg/liter en bij waarden boven 2 mg/liter gaan de vissen dood. Ammonium is veel minder giftig. Hoe lager de pH, hoe meer ammoniak er wordt omgezet in ammonium. Bij een pH onder de 7 wordt vrijwel alle ammoniak omgezet in ammonium. Bij hogere temperaturen wordt er minder ammoniak omgezet dan bij lagere temperaturen. Bij een aquarium met een hoge temperatuur en een hoge pH is de kans op problemen met ammoniak dus veel groter dan bij een aquarium met wat lagere temperatuur en een pH onder de 7. De bacteriën in het biologisch filter, in de bodem en in het water zetten ammonium vervolgens om in nitriet (NO2). Nitriet is ook giftig voor de vissen. Andere bacteriën in het bio-filter zetten nitriet met behulp van zuurstof om in nitraat(NO3), dat veel minder schadelijk is. Nitraat kan door planten worden gebruikt voor de groei en wordt zo voor een deel uit het water verwijderd. De gemakkelijkste manier om een overmaat aan nitraat te verwijderen is om een deel van het water te verversen. Het mechanische deel van het filter kan bijvoorbeeld een spons zijn of filterwatten waar het water doorheen stroomt. Hierdoor worden de grotere vuildeeltjes eruit gezeefd. Ook kan actieve kool gebruikt worden om gifstoffen te binden. Daarna stroomt het water door een biologisch filter. Veelgebruikte filtermaterialen voor het biologische filter zijn keramische steentjes, filterwatten of schuimstof. Deze kunnen ook gecombineerd worden. Bacteriën kunnen zich hier goed aan hechten en het water kan er tussendoor stromen. Door een combinatie te maken van diverse filteronderdelen is het mogelijk om niet het hele filter tegelijk te vervangen of schoon te maken. Hierdoor zouden immers alle reinigende bacteriën tegelijk worden verwijderd, en duurt het een tijd voordat het filter weer goed werkt. Een filter moet altijd worden schoongemaakt met aquariumwater en nooit met heet water of schoonmaakmiddel, omdat dit alle bacteriën zou doden. Filters mogen ook niet te vaak worden schoongemaakt. Het mechanische deel kunt u uitspoelen als het vies begint te worden, bijvoorbeeld tijdens het water verversen, en indien nodig vervangen. Voor het biologische filtermateriaal is spoelen met aquariumwater meestal al genoeg. Indien nodig kan het materiaal worden vervangen, maar doe dit beetje bij beetje zodat er steeds voldoende bacteriën aanwezig blijven om het water te kunnen schoonmaken. Om te controleren of uw filter goed werkt, of vervangen of schoongemaakt moet worden, moet u de waterkwaliteit testen. Er bestaan filters in allerlei varianten. Sommigen hangen in hun geheel binnen het aquarium. Het voordeel hiervan is dat er geen slangen kunnen lekken. Andere filters bestaan uit een pot met filtermateriaal die buiten het aquarium geplaatst wordt en waar het water met slangen doorheen wordt geleid. Kies een filter met een afsluitkraantje, dan is het relatief eenvoudig om het filter af te koppelen en schoon te maken. Pas op dat de pomp van het filter, en dus de waterstroom, niet te sterk is, want dit zou de vissen uitputten. De capaciteit van het filter moet worden afgestemd op de grootte van de bak, de hoeveelheid vissen en de soort vissen die u gaat houden. Uiteraard heeft u voor een grotere hoeveelheid vissen een sterker filter nodig, maar sommige vissen produceren meer afval dan andere en sommige soorten zijn gevoeliger voor afwijkingen van de waterkwaliteit. Laat u daarom goed adviseren in de aquarium- of dierenspeciaalzaak als u een filter gaat aanschaffen! Als u aan alle onderdelen van uw aquarium gedacht heeft en u weet hoe u het wilt gaan inrichten, kunt u beginnen met het vullen van de bak. Dit is niet iets wat in een middag gedaan kan worden: u zult tussen de verschillende stappen moeten wachten om een goed resultaat te krijgen. Dit komt doordat er een biologisch evenwicht tot stand moet komen. Houd de volgende stappen aan: Installeer de bak, zet hem waterpas, vul hem eventueel eerst met water en wacht om te zien of de bak nergens lekt. Haal dan het water er weer uit en maak de bak goed schoon zonder schoonmaakmiddelen. Breng de bodemlaag aan. Als u vooraf bedenkt waar u de planten wilt zetten, weet u ook waar u eventueel wat voedingsbodem voor planten onder het zand of grind moet doen. Plaats decoratiemateriaal en apparatuur zoals verwarming, verlichting, filter en pomp. Vul de bak met leidingwater van ongeveer 25 graden. Giet dit niet rechtstreeks op de bodem maar zet een bord op de bodem en giet het water daarin. Zo voorkomt u dat u de zojuist aangebrachte bodemlaag wegspoelt. Voeg indien nodig een waterbewerkingsmiddel toe dat het water geschikt maakt voor de vissen. Zet alle apparatuur aan. Spoel nieuwe aquariumplanten af en verwijder dode bladeren voordat u de planten in het aquarium zet. Bij rozetvormige planten kunt u de wortels een eindje afknippen. Zet planten goed vast in de bodem. Nu zult u moeten wachten. Het filter moet nu echt gaan werken en er moeten bacteriën gaan groeien. U kunt een speciaal bacteriënpreparaat kopen om dit proces sneller te laten gaan. Afhankelijk van het gebruikte middel moet u nu een aantal dagen wachten voor u verder kunt met de inrichting. Na het aantal dagen dat is aangegeven op het bacteriënpreparaat zou het water van goede kwaliteit moeten zijn. Om hier zeker van te zijn, is het verstandig om een aantal waarden te meten. Het gaat dan vooral om de pH, KH, ammonium en nitriet. Deze laatste waarde moet lager zijn dan 0,2 mg/l voordat u de vissen kunt introduceren. Als alle testen goed zijn, kunt u de eerste vissen inzetten. Begin altijd met maar een paar vissen en zet niet meteen de hele bak vol! Dit kan het filter nog niet aan, de kans is groot dat u dan binnen een paar dagen dode vissen heeft. Blijf de volgende dagen de waterkwaliteit meten zodat u kunt zien of deze op peil blijft. Zet dan beetje bij beetje vissen erbij. Vissen introduceren: Als u vissen koopt, krijgt u ze meestal mee in een plastic zak met water. Wikkel hier voor het transport een zak omheen zodat ze in het donker zitten en zo min mogelijk stress hebben. Schommel zo min mogelijk heen en weer. Thuis laat u de plastic zak minstens een kwartier drijven op het wateroppervlak van uw aquarium. Zo kan het water de temperatuur van het aquarium aannemen. Daarna schept u beetje bij beetje wat water uit het aquarium in de plastic zak zodat de vissen kunnen wennen aan de watersamenstelling. Na een half uurtje kunt u de vissen in het aquarium zetten. Er zijn twee manieren om dit te doen. U kunt een gat in de zak knippen of de zak kantelen en de vissen zelf laten wegzwemmen. U hoeft zo de vissen niet aan te raken. Een andere methode is om de vissen met een schepnetje voorzichtig uit de zak te halen of deze leeg te gieten in een bakje van waaruit u de vissen met een netje overzet in uw aquarium. U krijgt op deze manier zo min mogelijk transportwater in uw aquarium, maar een nadeel is dat het netje de vissen kan beschadigen, zeker als u vissen met lange vinnen heeft. Het geeft de vissen ook meer stress. Om te voorkomen dat eventuele beschadigingen door transport en schepnetje leiden tot infecties kunt u een speciaal hiervoor bestemd middel aan het water toevoegen dat de huid helpt beschermen en de weerstand bevordert. Als u nieuwe vissen aan een al bestaand aquarium met vissen wilt toevoegen, dan kunt u ze het beste eerst twee weken in quarantaine houden in een aparte bak. Zo kunt u zien of de vissen gezond zijn en voorkomt u dat ze uw al aanwezige vissen kunnen besmetten. Regelmatige watercontrole: Een goed aquarium is chemisch in balans. De concentraties van de verschillende stoffen die in het water voorkomen, hebben allemaal invloed op elkaar. Het is voor de gezondheid van de vissen erg belangrijk om dit evenwicht goed te bewaren. Om plotselinge sterfte als gevolg van een verslechterde waterkwaliteit te voorkomen, is het verstandig om regelmatig een aantal tests uit te voeren. De belangrijkste waarden die u moet meten zijn de pH, de KH en het nitrietgehalte. Ook het ammonium-, nitraat- en fosfaatgehalte zijn belangrijk. Zoals al eerder genoemd, hangen ammonium, nitriet en nitraat met elkaar samen. Eiwit dat door vissen wordt afgebroken, komt als ammoniak in het water en wordt daar omgevormd tot ammonium. Daarna wordt het onder invloed van zuurstof omgezet in nitriet en vervolgens in nitraat door de bacteriën in het filter. Als het filtersysteem niet goed werkt, blijft nitriet aanwezig in het water. Van deze drie stikstofverbindingen is nitriet het meest giftig. Bij hoge pH-waarden, die in de meeste aquaria dan ook voorkomen moeten worden, wordt ammonium weer omgezet in ammoniak, dat ook erg giftig is. Het is dus erg belangrijk dat het filter goed werkt en voldoende capaciteit heeft. U kunt problemen met deze stoffen mede helpen voorkomen door ervoor te zorgen dat u nooit meer voert dan de vissen in één tot twee minuten opeten, voedselresten, dode bladeren en dode vissen meteen te verwijderen en niet meer vis in het aquarium te zetten dan het filter aan kan. Planten gebruiken nitraat als bouwstof, maar vanwege de beperkte ruimte kunnen de planten in een aquarium nooit alle nitraat opnemen. De hoeveelheid nitraat neemt dus langzaam toe, en hoewel dit niet direct giftig is voor de vissen krijgt u wel last van algengroei. Uiteindelijk begint dan ook het nitrietgehalte te stijgen. Daarom zult u hoe dan ook het water af en toe moeten verversen. Om zoveel mogelijk nitraat door de planten te laten opnemen helpt het om de waterplanten regelmatig te snoeien, zodat ze weer nieuw blad gaan produceren waarvoor ze nitraat gebruiken. Fosfaten zijn voornamelijk afkomstig uit uitwerpselen en voerresten. Ook aan leidingwater worden soms fosfaten toegevoegd om verkalken van leidingen te voorkomen. Veel fosfaten in het aquariumwater zorgen voor een enorme algengroei. Ook hier is matig voeren en regelmatig water verversen het devies. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u testsetjes kopen om deze stoffen in het water te meten. Onderhoudsschema: Natuurlijk kijkt u dagelijks naar de gezondheid van de vissen. Let op ontspannen vinnen, een schone gave huid, of de vissen goed eten en op hoe ze zwemmen. Ook de watertemperatuur moet u elke dag even controleren. Ziet u voedselresten, verwijder die dan met een hevel of schepnetje. Let ook op of de pomp nog goed werkt en het filter voldoende water doorlaat. Controleer tenminste eens per twee weken de watersamenstelling. Vervang ongeveer elke twee weken een tiende tot een derde van het water. Hoeveel u moet verversen hangt af van de bezetting van uw bak en de werking van het filter. Laat u hierbij leiden door de resultaten van de watertests. Het verversen van het water doet u altijd met water dat op de juiste temperatuur is gebracht en dat indien nodig is voorbewerkt om ongewenste stoffen eruit te halen. Als het mechanische deel van het filter vies is, kunt u dit uitspoelen in het weg te gooien aquariumwater. Af en toe moet u de ruiten schoonmaken. Hoe vaak dit nodig is hangt af van de conditie van uw aquarium en de hoeveelheid algen. U kunt dit doen met een pluk filterwatten of met een magneetveger. Voor hardnekkige algen gebruikt u een krabber. Heeft u veel snelgroeiende beplanting en weinig vissen, dan kan het nodig zijn om af en toe wat plantenmest te geven. Hoe vaak dit nodig is, ligt aan het product dat u hiervoor gebruikt. Er bestaan tabletten die vier weken meegaan. Geef niet teveel, want dat veroorzaakt algengroei. Bovendien zorgt het ervoor dat de planten geen nitraat uit het water hoeven op te nemen, waardoor de waterkwaliteit achteruit gaat. Het mechanische filtermateriaal moet vervangen worden als het te vies wordt of verzadigd is. Het biologische filtermateriaal hoeft u normaal gesproken alleen maar te spoelen in oud aquariumwater. Mocht u dit willen vervangen, doe dit dan met kleine beetjes tegelijk omdat u anders de bacteriën verwijdert die het water schoonhouden. Af en toe zijn de TL-buizen aan vervanging toe. Hoe vaak u ze moet vervangen hangt af van het type. Heeft u er meer dan één, vervang ze dan niet tegelijkertijd om grote verschillen in lichtsterkte tegen te gaan. Zieke of dode vissen: Heeft u zieke of dode vissen in het aquarium, dan is het zaak om snel te ontdekken wat er aan de hand is. Verwijder dode dieren meteen uit het aquarium. Doe dit zo rustig mogelijk om stress voor de andere vissen te beperken. Zet zieke vissen eventueel in een quarantainebak waar u water uit het aquarium in doet. Vaak zijn de andere vissen echter ook al besmet en zult u het hele aquarium moeten behandelen. Controleer dan in de eerste plaats de watersamenstelling en neem indien nodig maatregelen om de waterkwaliteit te verbeteren. Let op de ziekteverschijnselen en ga na welke ziekte de vissen kunnen hebben. Kijk daarbij naar de vinnen, de schubben, eventuele verkleuringen of een afwijkende manier van zwemmen. Een goed boek met ziektesymptomen kan hierbij handig zijn. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele bestrijdingsmiddelen tegen ziekten. Zorg er echter wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek gewenst, dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. Het koudwateraquarium: Natuurlijk kunt u er ook voor kiezen vissen te houden die geen warm water nodig hebben, zoals de zonnebaars, goudvisvarianten of het stekelbaarsje. Veel zaken die voor het tropisch aquarium gelden, gaan ook op voor een koudwateraquarium. Veel koudwatervissen worden echter groter dan tropische vissen dus houd daar rekening mee bij het bepalen van de maat van de bak. Koudwatervissen hebben behoefte aan wat harder water met een wat hogere pH. Voor sommige vissen zult u het aquarium vooral in de zomer moeten koelen. Hiervoor zijn speciale koelapparaten in de handel. Ook moet u rekening houden met de temperatuur bij het uitkiezen van de planten. (Bron: www.licg.nl)Aquariumtechniekhttp://www.animalqueen.nl/c-1989033/aquariumtechniek/Verschillende soorten vissen stellen verschillende eisen. Dit betekent dat er soms heel wat bij komt kijken om een goed uitgebalanceerd aquarium op te zetten. Daarom vindt u hier uitgebreide informatie over het opzetten van een aquarium. Ook kunt u lezen welke (erfelijke) aandoeningen en ziekten er bij vissen kunnen voorkomen.Vissengroep pantsermeervallenhttp://www.animalqueen.nl/c-1984216/vissengroep-pantsermeervallen/ De pantsermeervallen zijn geliefde vissen vanwege hun rustige aard en omdat ze kunnen helpen het aquarium schoon te houden. Ze eten namelijk voedselresten van de bodem. Dat betekent echter niet dat u hen niet hoeft te voeren. Pantsermeervallen zijn vrij eenvoudig te houden, als u maar zorgt voor een goede waterkwaliteit. De familie van de pantsermeervallen omvat de bekende Corydoras soorten, maar ook minder bekende schuimnestbouwende soorten. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of pantsermeervallen de vissen zijn die u zoekt. Algemeen: De pantsermeervallen vormen een familie, Callichthyidae, van de orde meervallen (Siluriformes). De meest bekende pantsermeervallen zijn wel de Corydoras. Pantsermeervallen komen uit Zuid-Amerika. Ze hebben geen schubben maar aan elke kant van het lichaam twee rijen benige platen die dakpansgewijs onder de slijmhuid liggen en die hun lichaam beschermen. Hun lichaam is van onderen afgeplat omdat ze op de bodem leven. De rugvin en borstvinnen hebben stevige, op stekels lijkende vinstralen. Bij hun bek hebben ze drie paar baarddraden, die ze als tastorgaan gebruiken. De bek is omlaag gericht. De lengte van de pantsermeervallen loopt uiteen van zo’n 2 tot 24 centimeter. Een bijzondere eigenschap van de pantsermeervallen is dat zij, behalve via kieuwen, ook via hun darmen kunnen ademen. Ze happen daarvoor naar adem boven het wateroppervlak. Dit is een aanpassing aan het leven in modderig, erg zuurstofarm water. Bovendien draagt de lucht in de darmen bij aan hun drijfvermogen. Verschillende soorten: De familie Callichthyidae bevat ongeveer 200 soorten, verdeeld in twee onderfamilies: de Corydoradinae, waaronder de geslachten Corydoras, Aspidoras, Brochis en Scleromystax vallen, en de Callichthyinae, met vijf kleine geslachten waaronder Callichthys en Hoplosternum. Het overgrote deel van de pantsermeervallen zijn Corydoras soorten, dit zijn er ruim 150. Daarnaast zijn er nog een twintigtal Aspidoras soorten. De overige geslachten hebben maar enkele soorten. Van een aantal soorten zijn kweekvormen zoals albino’s in de handel, ook zijn er Corydoras soorten zoals C. aeneus en C. paleatus, waarvan hoogvinnige kweekvormen of vissen met sluierstaarten bestaan. Ook zijn er Corydoras soorten die nog niet wetenschappelijk beschreven en benoemd zijn en die daarom bekend staan onder een C nummer. Bij Corydoras komt het regelmatig voor dat twee soorten dezelfde tekening hebben, waarvan de ene soort een korte en de andere een lange snuit heeft. Deze kunnen apart van elkaar leven, maar ook in gemengde scholen voorkomen. De Corydoradinae en Callichthyinae verschillen nogal van elkaar. Zo bouwen de Callichthyinae een schuimnest om hun eitjes in af te zetten, terwijl de Corydoradinae deze afzetten tegen bladeren. Ook zijn Callichthyinae doorgaans groter en hebben zij langere baarddraden. Pantsermeervallen worden wel verward met harnasmeervallen, de familie Loricariidae, met soorten als Ancistrus en vele nog wetenschappelijk onvoldoende beschreven soorten die bekend staan als "L-nummers". Deze vissen hebben een zuigmond, kunnen soms flink groot worden en worden doorgaans niet in groepen gehouden. Van nature: Pantsermeervallen komen allemaal uit Zuid-Amerika, waarbij het leefgebied uiteenloopt van stromende riviertjes tot modderige, ondiepe poelen met vrijwel stilstaand en zuurstofarm water. Ze zijn goed in staat zich aan allerlei omstandigheden aan te passen. De Callichthyinae kunnen zelfs stukjes over land overbruggen. De meeste pantsermeervallen zwemmen vooral op de bodem, waar ze hun eten zoeken. Ze eten zowel plantaardig als dierlijk materiaal en woelen daarbij in de bodem. Pantsermeervallen leven meestal in scholen, soms samengesteld uit verschillende soorten. Ze zijn van nature vooral ’s avonds en ‘s nachts actief, maar veel Corydoras soorten zijn in het aquarium ook overdag actief. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Pantsermeervallen komen voor in allerlei gebieden en daardoor in allerlei verschillende omstandigheden. Als u de natuurlijke leefomgeving optimaal wilt benaderen, zult u dus moeten nagaan waar de soort die u wilt aanschaffen precies vandaan komt. Voor vrijwel alle in de handel verkrijgbare soorten geldt echter dat ze geen bijzondere eisen stellen. Voor de kleinere soorten van de Corydoradinae, zoals veel Corydoras soorten, heeft u een aquarium nodig van zo’n 60 tot 80 centimeter lang. Kiest u voor de grotere soorten dan komt u uit op een aquarium van 120 centimeter. De soorten van de Callichthyinae worden doorgaans nog wat groter en daarvoor heeft u dan ook een groter aquarium nodig van rond 150 centimeter lang. Uiteraard moet u ook rekening houden met het aantal vissen dat u wilt plaatsen en eventuele medebewoners. De pantsermeervallen leven van nature in schooltjes, houd dan ook altijd meerdere dieren van een soort samen. Voor de kleine soorten kunnen dat grotere groepen zijn van ruim tien vissen, de grotere soorten kunt u ook in groepjes tot zo’n zes dieren houden. Daarbij kunt u bij de Corydoradinae het beste meer mannetjes dan vrouwtjes nemen, bij de Callichthyinae meer vrouwtjes dan mannetjes. Voor de meeste vissen uit deze groep is een watertemperatuur tussen 22°C en 25°C geschikt. Sommige soorten vragen een wat lagere temperatuur rond 20°C, zoals Scleromystax macropterus en Corydoras paleatus, een enkele soort heeft liever wat warmer water. De zuurgraad (pH) van het water kan voor de meeste vissen uit deze groep tussen 6 en 7 liggen. De hardheid is niet heel belangrijk en kan voor de meeste soorten tussen 4 en 25 liggen, hoewel zacht water tot middelhard water de voorkeur heeft omdat dit het meeste op de natuurlijke leefomgeving lijkt. Onderaan dit document vindt u een aantal voorbeelden van soorten en hun geschikte waterwaarde. Vraag voor de overige soorten voor aankoop de precieze waarden voor de soort van uw keuze na bij uw aquariumspeciaalzaak. De bodem mag niet scherp zijn omdat de vissen er in woelen. Aan scherpe stenen maar ook aan scherp zand kunnen ze hun mond en baarddraden beschadigen. Kies daarom zacht zand of kleine ronde kiezeltjes. Pantsermeervallen hebben graag een schaduwrijk aquarium met voldoende schuilplaatsen, anders worden ze schrikkerig. Zorg dus voor planten, ook drijfplanten die het licht afschermen, en maak bijvoorbeeld gebruik van kienhout. Voor de Callichthyinae mag het aquarium wat minder dicht begroeid zijn, zodat ze voldoende zwemruimte hebben. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal losse plantenresten weg als deze zich teveel ophopen, tussen deze resten ontwikkelen zich echter ook nuttige voedseldeeltjes voor deze vissen. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door snel groeiende beplanting of door goede beluchting, sneller gaat dit door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. De pantsermeervallen van het geslacht Corydoras hebben klieren die giftige stof uitscheiden als ze gestrest zijn of zich bedreigd voelen. Deze stof scheiden ze af in het water, wat te zien kan zijn als men de pantsermeerval vervoert in een zakje, doordat het water wat troebel wordt. Niet elke Corydoras geeft evenveel gifstof af, Corydoras sterbai is een voorbeeld van een soort die veel gif afscheidt. De gifstof loopt via de stekelige vinstralen weg, waardoor het bij prikken in de huid kan worden gebracht. Dit is niet gevaarlijk voor de mens maar kan wel pijnlijk zijn. Pas daarom bij het vangen of transporteren van de dieren op dat u zich niet prikt aan de vinstralen. Voor andere vissen, maar ook voor de Corydoras zelf, kan de afgescheiden stof wel giftig zijn. Dat kan problemen geven tijdens het transport. Voorkom stress bij het vangen daarom zoveel mogelijk en vervoer de vissen per stuk in een relatief grote zak met ruim voldoende water, zodat het gif verdund wordt. Eventueel kan gebruik gemaakt worden van actieve kool in het water. Zorg voor zo weinig mogelijk gehobbel tijdens het transport door een goede vering, dat voorkomt stress en verlaagt daardoor ook de afgifte van gifstoffen. Om lek raken van de zak door de vinstralen te voorkomen kan men twee zakken om elkaar heen doen of (veiliger) de zak in een plastic bak leggen om de vis te vervoeren. Maak de reis zo kort mogelijk en zet de vis thuis over in schoon water met de juiste waterwaarden. De stekelige vinstralen van de pantsermeervallen kunnen bij het vangen uw netje beschadigen of de vis kan er in vast komen te zitten. Het kan, vooral bij grote soorten als Hoplosternum, handiger zijn om de vis voorzichtig in een plastic bakje te drijven met behulp van het netje. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen zowel voor als nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Pantsermeervallen worden soms gezien als opruimers van het aquarium. Ze kunnen echter niet leven van alleen de resten die de andere vissen laten liggen en hebben daarnaast dus, net als andere vissen, eigen voeding nodig. Deze meervallen zijn geen algeneters. Pantsermeervallen eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Omdat ze op de bodem eten, moet u zinkend voer geven. Tabletvoer dat langzaam uit elkaar valt is een goede basis, aangevuld met dierlijk, diepvries of levend voer zoals Tubifex, watervlooien, Artemia (pekelkreeftjes), muggenlarven, garnaaltjes of wormen. Deze aanvulling is extra belangrijk als u wilt kweken. Voor alle soorten geldt bovendien dat variatie in het voer helpt om de dieren gezond te houden en tekorten te voorkomen. Voer de pantsermeervallen liefst als het licht uit is, het zijn van nature nachtdieren en bovendien wordt zo voorkomen dat andere, dagactieve vissen als er als eerste bij zijn en het voedsel opeten. Meestal eten de pantsermeervallen zelf alle voedselrestjes op, maar wat te lang blijft liggen moet worden verwijderd omdat dit het water vervuilt. Voortplanting: Bij de pantsermeervallen zijn de vrouwtjes vaak wat groter en ronder dan de mannetjes. Ook is er verschil in de vorm van de buikvinnen, die zijn bij het vrouwtje afgerond en bij het mannetje meer puntig. De mannen hebben een verdikte vinstraal aan hun borstvin, dit is het beste te zien van bovenaf. Bij Callichthyinae groeit deze nog in het paarseizoen, omdat de mannetjes hem gebruiken bij de verdediging van hun schuimnest. Om de pantsermeervallen aan te zetten tot voortplanting kan het helpen om water te verversen met iets kouder en zachter water, een regenbui te imiteren (bijvoorbeeld met een gieter) en soms de hele wisseling van tropische seizoenen na te bootsen. In de natuur planten veel soorten zich namelijk voort in de regentijd. De soorten die voorkomen in gebieden waar de omstandigheden vrij constant zijn, zullen zich ook voortplanten zonder dergelijke stimulatie. De pantsermeervallen van de onderfamilie Corydoradinae zijn substraatbroeders, ze zetten hun eitjes af tegen een oppervlakte zoals rotsen, bladeren of de ruit van het aquarium. De Corydoras hebben een speciale manier van paren die is onderzocht bij Corydoras aneus, maar zeer waarschijnlijk ook bij de meeste andere Corydoras wordt gevolgd. De mannetjes volgen de vrouwtjes en bieden hun achterzijde aan. Het vrouwtje gaat met haar bek aan het mannetje hangen, waarbij het mannetje dwars voor het vrouwtje hangt (de T-positie). Hij spreidt zijn borstvin en met de stevige vinstraal klemt hij haar kop vast. Het vrouwtje neemt nu via haar mond het zaad van het mannetje op, laat dit door haar darmen gaan en brengt het dan samen met haar eitjes tussen haar buikvinnen, waarvan ze een soort zakje maakt. Het vrouwtje heeft al een vooraf schoongemaakte plaats uitgekozen en zet de ongeveer 30 eieren daar vast. Daarna wordt dit herhaald tot er voldoende eieren zijn. De eitjes komen uit na 3 tot 6 dagen. Als u jongen over wilt houden, kunt u het beste gebruik maken van een broedbakje waar u na het afzetten de ouders uit vangt, of de eieren voorzichtig in een aparte bak plaatsen, want de volwassen dieren eten de eieren op. Schraap echter geen eieren van ruiten af, want de kans op beschadiging is dan groot. Zorg dat het water in het broedbakje schoon is en doorstroomd wordt, houd het donker en gebruik liefst een schimmelwerend middel dat u kunt aanschaffen in de aquariumspeciaalzaak. Raken er toch eitjes beschimmeld (wit), verwijder deze dan zodat ze de overige eitjes niet besmetten. De soorten van de onderfamilie Callichthyinae zetten hun eieren af in een schuimnest aan het wateroppervlak. Het mannetje maakt het nest door lucht te happen en er met zijn speeksel belletjes mee te blazen, vaak onder een blad of met plantenrestjes die de belletjes bij elkaar houden. Het vrouwtje gaat vervolgens dwars aan de flank van het mannetje hangen, waarbij ze het zaad van het mannetje via haar mond opneemt om de eieren te bevruchten. Waarschijnlijk gaat dit via de darmen, net als bij Corydoras. Daarna zet het vrouwtje de eitjes af in het schuimnest. De eitjes worden verzorgd en bewaakt door het mannetje. Bij de verdediging van het nest kunnen de mannetjes vrij fel zijn. In een schuimnest kunnen eitjes van verschillende vrouwtjes worden afgezet. Ze komen na 2 tot 6 dagen uit. Daarna bewaakt het mannetje de jongen nog een dag of twee. De jonge visjes leven de eerste dagen op hun dooierzak, na een paar dagen gaan de jongen ook zelf eten. Voer ze met heel klein voer zoals net uitgekomen Artemia of ontschaalde (ontkapselde) Artemia eitjes. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld erg langzaam of scheef). Pantsermeervallen zijn over het algemeen sterke vissen als hun leefomstandigheden in orde zijn, maar ze kunnen net als andere vissoorten last krijgen van visziekten zoals witte stip, vinrot of columnaris ziekte. Een aandoening die wel eens voorkomt is het optreden van rode plekken op de buik, waarschijnlijk veroorzaakt door bacteriën die toeslaan bij verkeerde leefomstandigheden. Situaties waarin dit kan optreden zijn bijvoorbeeld bij stress, bij vervoeren met pure zuurstof in de zak of als de buik beschadigd raakt door te scherpe bodembedekking. Beschadiging van de baarddraden treedt op als er te grof grind of scherp zand wordt gebruikt. De wondjes worden snel geïnfecteerd en daardoor ziet men baarddraden die kort zijn en stomp eindigen. Omdat deze vissen door de bovenste laag van de bodembedekking woelen, is het ook belangrijk deze schoon te houden en af en toe te verversen. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die deskundig zijn op het gebied van visziekten. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: De meeste pantsermeervallen zijn geschikt voor beginners, er is geen specifieke ervaring nodig. Zorg dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten en onderhouden van een aquarium. Aanschaf en kosten: Pantsermeervallen kunt u kopen in de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben, dat de baarddraden niet beschadigd zijn en dat de vissen niet mager zijn. Vervoer deze vissen in ruime zakken en liefst per stuk verpakt, zoals beschreven onder het kopje "Verzorging". Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden. Het is aan te raden om nieuwe vissen eerst in een quarantainebak te plaatsen. Pantsermeervallen zijn in het algemeen niet heel duur, ze kosten per stuk vanaf enkele euro’s tot zo’n 15 euro. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn bijvoorbeeld die voor de aanschaf van voer, testsetjes en kosten voor verwarming en verlichting. Daarnaast kunt u voor extra uitgaven komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Vissengroep Levendbarendenhttp://www.animalqueen.nl/c-1984215/vissengroep-levendbarenden/ De groep "levendbarenden" is erg divers. Behalve de bekende en populaire guppy’s, molly’s, platy’s en zwaarddragers horen ook minder bekende en minder makkelijk houdbare soorten tot deze groep. Deze variatie maakt dat elke aquariumliefhebber, beginner of gevorderd, onder de levendbarenden interessante soorten zal vinden. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of levendbarenden de vissen zijn die u zoekt. Algemeen: De groep "levendbarenden" bestaat uit vissoorten die geen eitjes leggen, maar waarbij de jongen in het lichaam van de moeder ontwikkelen. Levendbarende aquariumvissen komen uit de vissenfamilies Goodeidae, Anablepidae, Poeciliidae en Hemiramphidae. Niet alle soorten uit deze families zijn levendbarend, er komen ook eierleggende soorten voor. Binnen de hier besproken groep van levendbarenden komen twee typen voortplanting voor: "echt levendbarend" (vivipaar) en "eierlevendbarend" (ovovivipaar). Het verschil zit in de manier waarop de embryo’s gevoed worden. Verschillende soorten: Onder de levendbarenden is een aantal erg bekende, gemakkelijk te houden aquariumvissen, zoals de guppy en de platy. Daarnaast bestaan er echter ook nog vele andere, onbekendere soorten. Lang niet alle levendbarenden zijn geschikt voor de beginnende aquariumhouder. De familie Goodeidae (Mexicaanse Hooglandkarpers) zijn vivipaar. Veel van deze vissen hebben liefst niet te hoge temperaturen, tot zo’n 22°C. Geslachten die geschikt zijn voor het aquarium zijn bijvoorbeeld Ameca, Chapalichthys, Girardinichthys, Ilyodon en Xenotoca. Met uitzondering van Girardinichthys kunnen deze ook hogere temperaturen goed verdragen. De familie Anablepidae bestaat uit 3 geslachten die weinig in het aquarium worden gehouden. Het geslacht Anableps is opmerkelijk, deze vissen worden ook wel vieroogvissen genoemd, omdat hun ogen uit twee delen bestaan: een deel dat onder water kijkt en een deel dat boven water kijkt als ze aan het oppervlak zwemmen. Het zijn vissen voor brak of zout water. De familie Poeciliidae bevat de meest bekende soorten levendbarenden, de levendbarende tandkarpers zoals de guppy en molly (Poecilia) en de platy en zwaarddrager (Xiphophorus). Van deze bekende vissen bestaan vele varianten in kleur, tekening en vorm van de vinnen. Andere, onbekendere soorten die wel in het aquarium worden gezien zijn de roofzuchtige, tot 20 cm lange Belonesox (Levendbarend Snoekje), de vreedzame Carlhubbsia, Gambusia soorten (het muskietenvisjes, Gambusia affinis, is ingezet om malariamuggen te bestrijden) die zich goed aan allerlei omstandigheden aanpassen, de makkelijk te houden Girardinus (bijv. G. metallicus), het dwergvisje Heterandria formosa en kleurige Limia soorten. De familie Hemiramphidae of halfsnavelbekken bestaat deels uit eierleggende, deels uit levendbarende vissen. Veel soorten leven in zout of brak water. Ze hebben een kenmerkend lange, snavelachtige snuit. Dermogenys pussilla wordt het meest in aquaria gehouden. Ook Hemirhamphodon en Nomorhamphus worden gezien. Deze leven in zoet water. Van nature: De levendbarende vissen leven meestal in de buurt van de zee, zoals in de monding van rivieren, soms in brak of zelfs zout water. De Goodeidae worden gevonden in Mexico en het zuidwesten van de Verenigde Staten, Anablepidae in Mexico en heel Zuid-Amerika en Hemiramphidae over de hele wereld, maar de zoetwatersoorten van de kusten van het Indo-West-Pacifische gebied, vooral in het gebied van Thailand, via Indonesië en Nieuw-Guinea tot Nieuw Zeeland. Poeciliidae komen van nature voor van het zuidoosten van de Verenigde Staten tot in Argentinië en in Afrika, maar door de inzet van sommige soorten tegen malaria vindt men ze nu overal in tropische en subtropische gebieden terug. Van een aantal soorten bestaan veel kweekvormen die niet in de natuur voorkomen. Het karakter van de vissen uit deze groep is divers. Sommige soorten zijn vreedzaam en rustig, andere zijn druk of agressief. De bekende guppy’s, molly’s, platy’s en zwaarddragers zijn erg actief. De halfsnavelbekken (Hemiramphidae) zwemmen graag en hebben veel ruimte nodig, bovendien springen ze en moet u dus voor een dekruit zorgen. Dermogenys pussilla is bovendien nogal schrikkerig. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Veel Goodeidae soorten kunnen slecht tegen temperaturen boven 22°C, maar een aantal hier genoemde kunnen tegen hogere temperaturen en zijn daardoor makkelijker in een gezelschapsaquarium te houden waar het vaak wat warmer is. De meeste Goodeidae zijn aangepast aan schommelende temperaturen en hebben baat bij een dag-nacht ritme en seizoensritme in de watertemperatuur. De pH moet tussen 7 en 8,5 liggen en de hardheid van het water moet gemiddeld tot vrij hard zijn, zo’n 8 tot 18 dH. Het is belangrijk om wekelijks een deel van het water te verversen. De meeste Goodeidae, op enkele uitzonderingen na, moeten in groepjes gehouden worden, anders worden ze agressief tegen andere bewoners. Ze hebben een ruim aquarium nodig met veel schuilplaatsen en beplanting. Goodeidae zwemmen in alle lagen van het aquarium. De Anablepidae komen vooral in zeewater en brak water en maar ook wel in zoet water voor. De vierogen zijn vrij grote vissen die daarom een ruim aquarium nodig hebben. Het water moet niet te hoog staan, omdat ze bij de oppervlakte zwemmen en ook wel boven het water uitspringen om insecten te vangen. Anableps heeft een hoge watertemperatuur nodig van 24°C tot 29°C, een pH tussen 7,5 en 8,5 en middelhard water, zo’n 8 tot 12 dH. Afhankelijk van hun plaats van herkomst moet zeezout aan het water worden toegevoegd, informeer dus bij aankoop wat de dieren gewend zijn. De familie Poeciliidae bevat veel soorten die kunnen verschillen in hun huisvestingseisen. In het algemeen hebben deze vissen, waaronder de bekende levendbarenden, de guppy, molly, platy en zwaarddrager, een watertemperatuur nodig tussen 22°C en 25°C. Veel soorten doen het beter als zij een seizoensschommeling van de watertemperatuur krijgen. Voor de meeste soorten moet het water een pH tussen 7 en 8,5 hebben en middelhard tot vrij hard zijn. Er zijn uitzonderingen die zuur, zacht water nodig hebben of een lagere of hogere temperatuur, dus vraag de precieze eisen na bij aankoop. Molly’s zijn vaak gevoeliger voor waterkwaliteit dan guppy’s, platy’s en zwaarddragers en hebben meestal vrij hard tot hard water nodig. Heterandria formosa heeft baat bij een winterrust van twee tot drie maanden met temperaturen van 16°C tot 18°C. De Poeciliidae zijn actief en hebben daarom voldoende zwemruimte nodig. Ze gebruiken alle lagen van het aquarium. Houd ze in groepjes met meer vrouwtjes dan mannetjes, omdat de mannetjes veel achter de vrouwtjes aanjagen. De Hemiramphidae of halfsnavelbekken doen het goed bij een watertemperatuur van 25°C tot 28°C, een pH tussen 7 en 7,5 en middelhard water, met uitzondering van vissen uit het geslacht Hemirhamphodon en sommige Nomorhamphus soorten, die een lagere pH van 5,8 tot 7 en zacht water nodig hebben. Ze leven in de bovenste laag van het aquarium en hebben voldoende zwemruimte nodig. Dermogenys komt ook voor in brak water en heeft liefst wat toevoeging van zeezout. D. pusilla is vrij zenuwachtig van aard, zorg daarom voor rust en voldoende schuilplaatsen, bijvoorbeeld met drijfplantjes en gedeeltelijk ondoorzichtige wanden. De mannetjes zoeken onderling snel ruzie, dus houd maar 1 mannetje per aquarium. Hemirhamphodon en Nomorhamphus soorten leven in zoet water. De benodigde waterwaarden kunnen per soort verschillen. Zie de tabel onderaan dit document voor een aantal voorbeelden en vraag voor aankoop de precieze waarden voor de soort van uw keuze na bij uw aquariumspeciaalzaak. Vrijwel al deze vissoorten houden van een ruim beplant aquarium met voldoende schuilplaatsen, ook voor de jongen. Er moet echter wel voldoende zwemruimte overblijven. Het formaat van het aquarium moet uiteraard zijn afgestemd op de soort en het aantal vissen. Houd bij het maken van combinaties van vissoorten rekening met het temperament van de soorten en de waterlaag waarin zij zwemmen. Kleine vissen zoals Heterandria formosa kunnen het beste in een aquarium zonder andere soorten of met alleen andere kleine soorten gehouden worden. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door snel groeiende beplanting of door goede beluchting, sneller gaat dit door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Bij Goodeidae kunt u beter wekelijks een deel van het water verversen, ze zijn gevoelig voor de waterkwaliteit. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen zowel voor als nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: De levendbarenden zijn omnivoor, ze eten zowel plantaardig als dierlijk materiaal. Veel soorten hebben naast droogvoer graag planten zoals gekookte groenten, of dierlijk materiaal als diepvriesvoer of levend voer zoals Tubifex, fruitvliegjes of watervlooien. De roofzuchtige Belonesox heeft voedervisjes nodig. Dwergsoorten als Heterandria, Neoheterandria en Alloheterandria soorten moeten fijn voer krijgen. Micropoecilia soorten eten graag algen. Ook de mollies uit Midden Amerika zijn algeneters. Guppies eten naast basisvoedsel graag dierlijk voedsel zoals muggenlarven. Hemiramphidae hebben naast droogvoer insecten nodig zoals fruitvliegjes. Voor alle soorten geldt dat variatie in het voer helpt om de dieren gezond te houden en tekorten te voorkomen. Voer zoveel als de vissen in een minuut op hebben. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Voortplanting: Bij de Goodeidae en Hemiramphidae lijken mannetje en vrouwtje vaak op elkaar in kleur en tekening, bij sommige soorten zijn er kleine verschillen, zoals Xenotoca eiseni. Het mannetje is doorgaans wat kleiner dan het vrouwtje. Ook bij Anablepidae lijken de geslachten op elkaar, maar het vrouwtje is aanzienlijk groter en is bij sommige soorten langer dan 30 centimeter. Bij de Poeciliidae is veel verschil per soort. Soms lijken de geslachten erg op elkaar behalve dat de mannetjes kleiner zijn, maar bij andere soorten zoals de guppy zijn de mannetjes bovendien veel kleurrijker dan de vrouwtjes. Bij de zwaarddrager zijn de mannetjes duidelijk te herkennen aan het zwaard. Behalve kleur, formaat en tekening hebben deze groepen gemeen dat de mannetjes de vrouwtjes inwendig moeten bevruchten. Daarvoor hebben ze aangepaste anaalvinnen. Bij de Goodeidae en de Hemiramphidae is een gedeelte van de anaalvin vergroeid tot een andropodium. Bij de Poeciliidae is de hele anaalvin vergroeid tot voortplantingsorgaan, het gonopodium. Anablepidae hebben ook een tot gonopodium vergroeide anaalvin en bij Anableps is het zo dat de mannetjes het vrouwtje maar vanaf één kant, bij sommige mannetjes links en bij andere rechts, kunnen bevruchten en de vrouwtjes ook maar van óf links óf rechts bevrucht kunnen worden. Voor paarvorming passen dus niet alle mannetjes bij alle vrouwtjes. De mannetjes van de levendbarenden zijn vaak erg actief en jagen achter de vrouwtjes aan om hen te bevruchten. Veel soorten kunnen maar een deel van het sperma gebruiken om eitjes te bevruchten en de rest opslaan om later te gebruiken. Dat betekent dat de vrouwtjes ook nog jongen kunnen krijgen als ze al een tijdje zonder mannetjes gehouden worden. Bij de Goodeidae kan dit niet, maar moet er opnieuw gepaard worden. Onder de Poeciliidae bestaan enkele soorten waarbij de eieren niet bevrucht hoeven te worden om uit te komen. Na de bevruchting groeien de eitjes in het lichaam van de moeder uit tot kleine visjes. Bij de vivipare vissen (veel Goodeidae en een aantal andere soorten) krijgen de embryo’s, behalve uit de dooierzak van het ei, ook voeding uit het lichaam van de moeder. Bij ovovivipare vissen leven de embryo’s alleen van de voeding in de dooierzak. Bij sommige soorten kan de vis zelf bepalen in hoeverre de embryo’s uit het moederlichaam gevoed worden. Als de visjes na drie tot zes weken uiteindelijk geboren worden, kijken de ouders er niet meer naar om. Zorg voor veel planten die als schuilplaats kunnen dienen, anders worden de jongen opgegeten, ook door hun eigen ouders. De pas geboren jongen zijn nog erg klein maar groeien snel. Voer ze meerdere keren per dag met fijn gewreven droogvoer. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld erg langzaam of scheef). Levendbarenden zijn over het algemeen sterke vissen, maar kunnen net als andere vissoorten last krijgen van visziekten zoals witte stip of vinrot. Een bacteriële infectie die nog wel eens bij levendbarenden wordt gezien is Columnaris ziekte. Molly’s zijn relatief gevoelig voor de waterkwaliteit en vatbaar voor "schommelziekte" ("shimmy’s"). Hierbij hangt de vis in het water en schommelt heen en weer. Schommelziekte is geen ziekte op zich, maar een teken dat de vis zich niet optimaal voelt. Dit hangt vaak samen met verkeerde waterwaarden, te zacht en te zuur water. Er moeten voldoende mineralen in het water zitten, zoals calcium en magnesium. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die deskundig zijn op het gebied van visziekten. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Veel soorten uit deze groepen zijn geschikt voor beginners, er is geen specifieke ervaring nodig. Anablepidae en sommige Hemiramphidae zijn wat schrikkerig en gevoeliger voor waterkwaliteit dan veel andere levendbarenden. Houd rekening met de hoge activiteit van veel soorten en de siervinnen van sommige kweekvormen bij het maken van combinaties met andere vissoorten. Zorg dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Levendbarenden kunt u kopen in de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden. Het is aan te raden om nieuwe vissen eerst in een quarantainebak te plaatsen. Levendbarenden zijn in het algemeen niet duur, ze kosten per stuk vanaf één tot enkele euro’s. Bijzondere kweekvormen zijn wat duurder. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn bijvoorbeeld die voor de aanschaf van voer, testsetjes en kosten voor verwarming en verlichting. Daarnaast kunt u voor extra uitgaven komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Vissengroep: harnasmeervallenhttp://www.animalqueen.nl/c-1984214/vissengroep-harnasmeervallen/ Harnasmeervallen zijn interessante vissen met een apart uiterlijk. Er zijn veel soorten, in verschillende maten en met allerlei kleuren en aftekeningen. Hoewel ze bekend staan als algeneters, gaat dat niet voor elke soort op. Bovendien moeten zij altijd bijgevoerd worden. Onder de harnasmeervallen zijn zowel voor beginnende als voor gevorderde aquariumhouders geschikte soorten te vinden. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of harnasmeervallen de vissen zijn die u zoekt. Algemeen: De harnasmeervallen (Loricariidae) vormen een familie van de orde meervallen (Siluriformes). Ze worden in de praktijk ook wel algeneters genoemd, of pleco’s, naar Hypostomus plecostomus die één van de eerste harnasmeervallen was die in het aquarium werd gehouden. Harnasmeervallen hebben geen schubben maar benige platen om hun lichaam te beschermen. Een ander opvallend kenmerk is de omlaag gerichte zuigmond. In het Engels worden ze daarom ook "suckermouth (armored) catfish" genoemd. Ook zijn hun kaken erg beweeglijk. Bij de mond kunnen ze baarddraden hebben, maar dat hebben niet alle soorten. De lichaamsvorm van de harnasmeervallen is langgerekt met een platte onderkant. Ze hebben doorgaans grote rug-, borst- en staartvinnen met vaak stekelige vinstralen. Bij de soorten die een vetvin op hun rug hebben, een eindje voor de staart, heeft deze een stekel aan de voorkant. Veel soorten hebben odontoden, doornachtige uitsteeksels die overal op het lichaam kunnen voorkomen. De lengte van de harnasmeervallen loopt uiteen van enkele centimeters tot een meter lang. Deze laatste zijn uiteraard niet geschikt voor het gemiddelde aquarium. Net als een aantal andere meervallen kunnen de harnasmeervallen lucht gebruiken om te ademen via hun maag-darmkanaal. Veel harnasmeervallen hebben een speciale iris, het gekleurde deel van het oog. Dit wordt een "omega-iris" genoemd, omdat het oog het aanzien van een omgekeerde Griekse letter omega (Ω) heeft, een cirkel waarvan bovenaan een deel ontbreekt. Doordat de iris bij veel licht zich van bovenaf uitspreidt over de pupil (er hangt als het ware een rond deel van de iris over de pupil heen met alleen aan de randjes nog een stukje pupil zichtbaar), ziet die pupil er uit als een sikkel met de opening naar boven. Bij weinig licht trekt de iris zich terug en komt de pupil vrijwel bloot te liggen, waardoor deze er uit ziet als een cirkel waar bovenaan nog maar een klein stukje iris overheen hangt. Alleen de Rhinelepini (een groep van de Hypostominae) hebben dit niet, zij hebben een gewone ronde iris. Verschillende soorten: De familie Loricariidae bevat meer dan 800 omschreven soorten en nog een groot aantal nog niet wetenschappelijk beschreven soorten, totaal meer dan duizend soorten. Er wordt nog steeds onderzoek gedaan naar de verwantschappen binnen de harnasmeervallen. Er worden zes onderfamilies onderscheiden: Hypostominae (432 soorten, o.a. Hypostomus, Pterygoplichthys, Peckoltia): vrij stevig gebouwde soorten die vooral plantaardig materiaal eten; hieronder vallen ook de 244 soorten uit de stam Ancistrini, die vroeger als een aparte onderfamilie (Ancistrinae) werd gezien; de Ancistrini, zoals Ancistrus, Hypancistrus en Panaque, zijn soorten met odontoden op de wangen, die ze kunnen uitzetten; deze zijn het grootst bij mannetjes; ze gebruiken ze o.a. bij gevechten; Loricariinae (236 soorten): onderverdeeld in twee stammen: Loricariini (waaronder Rineloricaria) en Harttiini (waaronder Farlowella en Sturisoma); ze hebben een lange staart en geen vetvin; meestal leven ze in groepjes; Loricariini zijn gemakkelijker te houden dan Harttiini; Hypoptopomatinae (127 soorten, o.a. Otocinclus): kleine, in groepen levende soorten; ze worden ook wel oorzeefmeervallen genoemd, omdat ze een geperforeerd schedelbeen bij het oor hebben; ze leven graag tussen planten en hangen op de bladeren; Neoplecostominae (43 soorten); Delturinae (7 soorten); Lithogeneinae (3 soorten). Er zijn een heleboel harnasmeervalsoorten die een L-nummer (L van Loricariidae) hebben gekregen, omdat er nog geen wetenschappelijke naam was opgesteld. Ook als ze inmiddels wel een naam hebben wordt het L-nummer hier nog veel bij gebruikt. L-nummers werden als eerste gebruikt door het Duitse aquariumtijdschrift "DATZ" en in navolging daarvan zijn ook LDA nummers ontstaan, waarbij DA staat voor een ander Duits tijdschrift, "Das Aquarium". Veel soorten zijn ook nu nog niet wetenschappelijk beschreven en zijn daardoor alleen bekend onder een L of LDA nummer. Soorten die in het aquarium worden gehouden zijn bijvoorbeeld de flink groot wordende Pterygoplichthys gibbiceps en soms Hypostomus plecostomus, diverse Ancistrus, Baryancistrus en Hypancistrus soorten, Panaque (waarvan de kleinere soorten ook wel Panaqolus worden genoemd) en Peckoltia soorten, de vrij kleine Otocinclus, Loricaria en Rineloricaria. Van Ancistrus zijn ook albino vormen en kweekvormen met langere vinnen in de handel, en ook van Hypostomus bestaan albino vormen. Van nature: Harnasmeervallen komen voor in het zuiden van Midden-Amerika en in Zuid-Amerika, tot in het noorden van Argentinië. Ze komen daar in allerlei verschillende leefgebieden voor, zowel in snel stromend als in stilstaand water en bij verschillende waterwaarden en temperaturen. Harnasmeervallen leven vooral op de bodem, de vorm van hun lichaam is hieraan aangepast. Met hun schijfvormige mond kunnen ze zich vastzetten op een ondergrond, bijvoorbeeld in stromend water. Daarnaast wordt deze gebruikt om voedsel te pakken of van een ondergrond af te schrapen. Harnasmeervallen zijn vooral ’s avonds en ‘s nachts actief. Veel harnasmeervallen leven alleen en zijn vooral in het paarseizoen territoriaal, ze beschermen een gebied stevig tegen soortgenoten. De kleine Hypoptopomatinae, zoals Otocinclus, leven echter in groepen. Bovendien zijn zij ook vaak te vinden op de bladeren van waterplanten in plaats van op de bodem. In een aantal landen waar H. plecostomus en P. gibbiceps gekweekt worden, zijn ze een plaag geworden in rivieren. Ze verstoren de natuurlijke vissoorten en in Mexico zelfs de zeekoe, doordat ze de planten weg eten waarvan deze soorten afhankelijk zijn. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. De afmeting van het aquarium moet uiteraard worden aangepast aan het formaat van de vissen en het aantal. Voor de kleinste soorten als Otocinclus is een bak van zeker 60 centimeter nodig. In een bak van 80 tot 100 centimeter kunnen iets grotere soorten worden gehouden die tot zo’n 15 centimeter lang worden, bijvoorbeeld uit de geslachten Panaque, Peckoltia en Hypancistrus. Voor de erg grote soorten die groter worden dan 30 centimeter, zoals Pterygoplichthys gibbiceps, is een bak van zo’n 2 tot 3 meter lang nodig. Zorg voor een deksel, want harnasmeervallen kunnen springen. Vul het aquarium niet helemaal tot de rand met water, want de harnasmeervallen happen soms lucht boven het oppervlak. Voor verreweg de meeste soorten harnasmeervallen is een temperatuur tussen 23°C en 26°C, een pH tussen 6 en 7,5 en zacht tot middelhard water geschikt. De benodigde waterwaarden kunnen per soort verschillen. Zie onderstaande tabel voor een aantal voorbeelden en vraag voor aankoop de precieze waarden voor de soort van uw keuze na bij uw aquariumspeciaalzaak. Veel harnasmeervallen leven in stromend, zuurstofrijk, helder water. Ook in het aquarium hebben ze daarom graag vrij veel stroming, gebruik een goed filter met een sterke pomp. Harnasmeervallen houden doorgaans niet van fel licht. Omdat ze veel op de bodem leven en er in wroeten, is er voldoende bodemoppervlak nodig, liefst met een zandbodem of eventueel klein, rond grind waaraan de dieren zich niet kunnen snijden. Ook moet er hout in het aquarium staan, ze gebruiken dit om algen af te schrapen, maar sommige soorten ook om het hout op te eten. Bovendien kunnen met hout en (niet scherpe) stenen schuilplaatsen worden gemaakt. Harnasmeervallen hebben een plek nodig om zich terug te trekken. Ook bloempotten of PVC buizen kunnen daarvoor geschikt zijn. Planten worden door veel harnasmeervallen opgegeten of losgewoeld en zijn voor veel soorten niet echt noodzakelijk zolang er voldoende andere schuilplaatsen zijn. Hypoptopomatinae zoals Otocinclus hebben wel graag een beplant aquarium, zij gebruiken bladeren om eieren op af te zetten en ook om zelf op te liggen. Bij de kleinere soorten kunt u enkele harnasmeervallen bij elkaar houden, als uw aquarium groot genoeg is. De kleine Hypoptopomatinae leven graag in een groepje, dus neem er daarvan altijd meer dan één. De grote soorten kunnen door hun territoriale gedrag onderling agressief zijn en vaak is het dan beter om er maar één per aquarium te houden. Neemt u meerdere harnasmeervallen dan is een combinatie van een mannetje met een paar vrouwtjes het beste. Houd bij het maken van combinaties van vissoorten rekening met het temperament van de soorten en de waterlaag waarin zij zwemmen. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door snel groeiende beplanting of door goede beluchting, sneller gaat dit door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor harnasmeervallen is om elke week ongeveer een derde van het water te vervangen, ze hebben schoon, helder en zuurstofrijk water nodig. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Pas bij het hanteren van de vissen op voor de stekelige vinstralen en odontoden. Ze kunnen een visnetje, plastic vervoerszak of uw huid beschadigen, en dat laatste kan flink pijn doen. Trek niet aan het netje als er een vis in vast komt te zitten maar maak het voorzichtig los. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen zowel voor als nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Onder de harnasmeervallen zijn veel soorten die voornamelijk plantaardig voedsel en restmateriaal eten. Dit restmateriaal (ook wel "detritus" of "Aufwuchs" genoemd) bestaat uit dierlijk en plantaardig materiaal en vormt een laagje op de bodem en op hout, rotsen of grote bladeren. Er zijn echter ook soorten die vooral dierlijk materiaal eten. Ook bestaan er soorten die (naast plantaardig en dierlijk materiaal) hout eten, zoals de Panaque soorten. Hoewel de harnasmeervallen ook wel bekend staan als "algeneters" en veel van hen dit ook wel eten, is hun dieet dus veel gevarieerder en kunnen ook de planteneters onder hen niet van alleen algen leven. De precieze vorm van de bek en tanden is steeds aangepast aan het type voer en manier van eten. Veel harnasmeervallen, en zeker de planteneters, houden van groente zoals komkommer of courgette en sla. Voor de kleinere dieren kunt u deze even kort in kokend water leggen (blancheren). Bind de groente aan een steen of een stuk hout zodat het op de bodem blijft. Een andere manier is om het aan een clipje met een zuignap aan de ruit vast te maken, deze vindt u in de aquariumspeciaalzaak. Verwijder de overgebleven groente na een dag zodat het niet bederft en het water vervuilt. De harnasmeervallen die dierlijk materiaal eten, zoals bijvoorbeeld de populaire Hypancistrus zebra, kunt u bijvoorbeeld stukjes witvis of garnaal geven. Kook dit eerst om bacteriën tegen te gaan of koop kant en klaar voorgekookt voer. Ook insecten, zoals muggenlarven, of wormpjes zijn geschikt. Voor de houteters moet u verschillende, voor het aquarium geschikte, houtsoorten aanbieden die u in de aquariumspeciaalzaak kunt vinden, zoals kienhout, savannehout of tropisch wortelhout. Vraag bij aankoop of en hoe u het door u gekozen hout moet voorbehandelen. In het algemeen eten harnasmeervallen van alles wat mee. De vleeseters eten ook wel eens groente en de planteneters lusten ook muggenlarven of Artemia. Voor alle soorten geldt dat variatie in het voer helpt om de dieren gezond te houden en tekorten te voorkomen. Harnasmeervallen eten de hele dag door kleine beetjes. Het beste is daarom om hen meerdere malen per dag een klein beetje te voeren. U kunt ook gebruik maken van voedertabletten die langzaam oplossen. Pas wel op dat u niet teveel voert. Let ook op dat de harnasmeervallen voldoende voer binnenkrijgen en het voer niet door andere vissen in het aquarium wordt opgegeten voor de harnasmeerval erbij kan komen. Voortplanting: De verschillen tussen mannetjes en vrouwtjes zijn niet bij alle soorten even duidelijk. De grootste verschillen zijn in het paarseizoen te zien. Bij sommige soorten hebben de mannelijke dieren tentakelvormige uitgroeisels aan hun bek, zoals bijvoorbeeld duidelijk te zien is bij Ancistrus soorten (Ancistrus dolichopterus, maar soms ook andere Ancistrus soorten, worden daarom ook borstelneus genoemd). Bij de soorten met odontoden zijn deze bij mannelijke harnasmeervallen vaak groter en meer dan bij vrouwtjes. Soms is bij het mannetje de voorste straal van de borstvin, of de hele borstvin, dikker dan bij het vrouwtje. Wilt u proberen te kweken met harnasmeervallen, dan kunt u het beste een mannetje bij meerdere vrouwtjes zetten. De voortplanting van de harnasmeervallen verschilt per soort. Zo zijn er veel soorten die eieren leggen in grotten, zoals Ancistrus en Rineloricaria, maar ook soorten die hun eieren aan rotsen of andere gladde oppervlakken (zoals de aquariumruit) vastzetten, zoals Farlowella. De mannetjes bewaken de eieren en houden ze schoon, en soms bewaken ze ook de jonge, net uitgekomen visjes. Ze zijn dan erg territoriaal. Er is ook een aantal soorten onder de Loricariinae waarvan het mannetje de eieren, en later de larven, meedraagt aan een uitgroeisel van zijn onderlip. De vrouwtjes trekken zich na het leggen van de eieren niets meer aan van hun nageslacht. Bij de Hypoptopomatinae, zoals Otocinclus, worden de eitjes tegen bladeren of andere oppervlakken geplakt en is er verder geen broedzorg. De eieren komen, afhankelijk van de soort, na 4 tot 20 dagen uit. De eerste dagen leven de larven van de dooierzak, daarna kunnen ze kleine voedseldeeltjes gaan eten zoals algen, fijngemaakt vlokvoer en Artemia naupliën. Ze groeien vrij langzaam en kunnen makkelijk worden opgegeten door andere vissen in het aquarium. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding en stress zoveel mogelijk te voorkomen. Laat de vissen zoveel mogelijk met rust en houd een vast dagpatroon aan. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm of een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). In het algemeen zijn harnasmeervallen sterke vissen. Wel kunnen ze vrij veel last hebben van stress door het vervoeren naar en van de aquariumspeciaalzaak. Dan eten ze slecht en kan het zijn dat ze afgevallen zijn en in mindere conditie. Bij aanschaf is het daarom altijd belangrijk de dieren eerst in quarantaine te zetten bij de juiste watercondities, hen goed te voeren en te observeren of ze goed eten. Schoon, stromend water met voldoende zuurstof is belangrijk om harnasmeervallen gezond te houden. Net als andere vissen kunnen harnasmeervallen last krijgen van veel voorkomende visziekten zoals witte stip, schimmels of vinrot. Beschadigingen aan vinnen of staart, bijvoorbeeld ontstaan door gevechten of door te scherpe bodembedekking en rotsen, kunnen snel geïnfecteerd raken. In de aquariumspeciaalzaak kunt u middelen kopen die tegen infecties beschermen. Daarnaast is het uiteraard belangrijk om het water goed schoon te houden en geen scherp materiaal te gebruiken in het aquarium. Bij sommige harnasmeervallen kunnen herpesvirusinfecties voorkomen, met bleke, zwerende plekjes op de huid. Wildvang dieren kunnen last hebben van parasieten, zoals wormen of luizen. Let hier op en behandel daartegen als nieuw aangekochte dieren in quarantaine zijn. Bij de populaire Hypancistrus zebra (L46) komen vervormingen voor, zoals een te korte neus of onderontwikkeling van het lijf of de vinnen. De stompe neus komt vooral voor bij vissen van de eerste generatie in gevangenschap gekweekte dieren. Het is niet duidelijk of de afwijking erfelijk is, maar het is beter om niet met deze vissen te kweken. Onderontwikkeling van lichaamsdelen wijst op verkeerde voeding of slechte waterkwaliteit. Een andere aandoening bij deze soort zijn wratachtige uitgroeisels die besmettelijk zijn en waarschijnlijk worden veroorzaakt voor een bacterie of virusinfectie. Hypancistrus zebra (L46), maar ook diverse andere soorten, zijn erg gevoelig voor nitriet. Zorg dus voor een goede watercontrole en voldoende stroming, want bij te weinig stroming kan nitriet zelfs ophopen onder de vis en zo voor vergiftiging zorgen. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Pas bovendien op, niet elk middel is geschikt voor elke vissoort, dus laat u goed voorlichten. Harnasmeervallen kunnen bijvoorbeeld minder goed tegen zout en de meeste soorten kunnen erg slecht tegen koper. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die deskundig zijn op het gebied van visziekten. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het houden van veel soorten harnasmeervallen is het prettig als u ervaring heeft met het opzetten en onderhouden van een aquarium. Ze zijn gevoelig voor waterkwaliteit. Een aantal soorten zijn ook wel geschikt voor beginners, zoals Peckoltia vittata, sommige Otocinclus soorten zoals O. affinis en O. flexilis en een aantal Ancistrus soorten, waaronder de albino variant. Laat u goed informeren over de specifieke behoeften van de soort van uw keuze en houd er rekening mee dat een aantal soorten flink groot worden. Zorg ervoor dat u zich van tevoren verdiept in het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Harnasmeervallen kunt u kopen in de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben, niet mager zijn en geen ingevallen ogen hebben. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden. Het is aan te raden om nieuwe vissen eerst in een quarantainebak te plaatsen. Kiest u voor Hypancistrus zebra, L46, let dan op dat u nakweek vissen koopt, want de soort (en ook andere Hypancistrus soorten) is in Brazilië beschermd en wildvang is dus afkomstig van illegale export. Harnasmeervallen hebben erg uiteenlopende prijzen, afhankelijk van de soort. De goedkopere soorten kosten tussen 5 en 10 euro, maar er zijn ook exemplaren van rond 150 euro in de handel. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Voor de grote harnasmeervallen heeft u een flink aquarium nodig. Terugkerende kosten zijn bijvoorbeeld die voor de aanschaf van voer, testsetjes en kosten voor verwarming en verlichting. Daarnaast kunt u voor extra uitgaven komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Vissengroep cichlidenhttp://www.animalqueen.nl/c-1984213/vissengroep-cichliden/ Cichliden zijn er in vele soorten en maten. Ze vertonen bijna allemaal broedzorg, dit is prachtig om in uw eigen aquarium te kunnen bekijken. Sommige cichliden stellen hoge eisen aan het aquariumwater, andere kunnen erg groot worden of lastig met andere vissen gehouden worden. Als u de moeite en tijd wilt nemen om u te verdiepen in deze vissen, is er zeker een soort te vinden die bij u past en waar u jaren plezier van kunt hebben. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of cichliden de vissen zijn die u zoekt. Algemeen: De cichliden (Cichlidae) vormen een vissenfamilie die in de orde van de baarsachtigen valt. Ze worden ook wel "bonte baarzen" genoemd. Cichliden komen vooral voor in Midden- en Zuid-Amerika en in Afrika, enkele soorten komen voor in Azië en Madagascar. Het is een zeer grote familie waar nog steeds nieuwe soorten van ontdekt worden. Er wordt aangenomen dat er in ieder geval meer dan duizend soorten cichliden zijn. Deze soorten verschillen erg van elkaar qua vorm, grootte en gedrag. De vorm van het lichaam kan langwerpig zijn of juist schijfvormig. Bijna alle soorten hebben een zijdelings afgeplat lichaam. De meeste cichliden blijven vrij klein, maar er zijn ook soorten die bijna een meter lang kunnen worden. Wat de cichliden met elkaar gemeen hebben is dat ze één neusgat aan beide zijden van de kop hebben, terwijl de meeste vissen er twee hebben. Deze familie bevat veel populaire aquariumsoorten, zoals de maanvis en de discusvis. In aquaria leven cichliden gemiddeld tien jaar, sommige soorten kunnen echter wel achttien jaar worden in gevangenschap. Verschillende soorten: De soorten van de cichliden familie worden in de praktijk vaak in groepen ingedeeld, aan de hand van waar ze van nature voorkomen. Zo ontstaat de indeling: Zuid-Amerikaanse soorten, hieronder vallen onder andere de discusvissen en maanvissen; Midden-Amerikaanse soorten; soorten uit het Malawimeer, het Tanganyikameer en het Victoriameer in Afrika, dit is de grootste groep; overige Afrikaanse cichliden; Aziatische cichliden, dit zijn maar enkele soorten. Soorten uit dezelfde groep kunnen onderling erg van elkaar verschillen. Ook kunnen er binnen een soort verschillende kleurvarianten zijn. Er kan ook een groep worden onderscheiden op grond van het formaat: de dwergcichliden, met de soorten die minder dan 12 centimeter lang worden. Verschillende soorten kunnen soms kruisingen voortbrengen, dit gebeurt zowel in het wild als in gevangenschap. Het kruisen van soorten kan leiden tot problemen met gezondheid en vruchtbaarheid. Er is een aantal afwijkende cichliden gekweekt, zoals de "papegaai cichliden" (niet te verwarren met de originele, natuurlijke papegaaicichlide, Hoplarchus psittacus). Deze hebben een vervormd lichaam en een kleine vervormde bek, wat hun gezondheid en welzijn niet ten goede komt. U kunt ze dus beter vermijden. Van nature: De meeste cichliden leven in zoet water, er zijn echter een paar soorten die in zout of brak water kunnen leven, zoals de oranje cichlide (Etroplus maculatus). Sommige cichliden leven in snelstromend water, maar men vindt ze voornamelijk in meren of andere wateren met geen tot weinig stroming. De meeste cichliden hebben een territorium dat zij verdedigen. Sommige soorten verdedigen dit alleen in de voortplantingstijd, andere soorten verdedigen altijd een territorium. De mate van agressie waarmee dit gedaan wordt, verschilt per soort. Een deel van de cichliden leeft alleen in zo’n territorium, terwijl andere soorten dat als paartje doen of zelfs met een hele groep. Cichliden kunnen op verschillende manieren met elkaar communiceren, bijvoorbeeld door bepaalde bewegingen te maken, en bij sommige soorten door het lichaam van kleur te laten veranderen. Cichliden staan er om bekend dat ze agressief kunnen zijn naar andere vissen, dit is vooral het geval bij mannetjes van bepaalde soorten, zoals de zebracichlide (Amatitlania nigrofasciata). Er zijn echter ook rustigere soorten waar bijna geen agressie voorkomt, zoals de maanvis of de oranje cichlide. Als cichliden met elkaar vechten, pakken ze elkaar beet bij de bek, dit kan ook gebeuren in een aquarium. Als er genoeg ruimte is in het aquarium, zal de verliezer zich terugtrekken. De territoriumgrenzen zullen worden gerespecteerd en de rust keert vanzelf terug. Als er echter niet voldoende ruimte is, kunnen de gevechten ernstige verwondingen of zelfs de dood tot gevolg hebben. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Hoeveel cichliden bij elkaar gehouden kunnen worden en of ze samen met andere vissen kunnen leven verschilt erg per soort. Sommige cichliden zullen vissen die veel kleiner zijn dan zijzelf opeten. Let ook op dat vissen die u bij elkaar zet dezelfde eisen stellen aan het water en de voeding. Zeker voor de agressieve, territoriale soorten, zoals sommige Afrikaanse cichliden, geldt dat ze het beste in een biotoop-aquarium gehouden kunnen worden zonder andere soorten. Als u eenmaal een groep cichliden heeft met een bepaalde rangorde, kan het lastig zijn om een nieuwe cichlide te introduceren. Om cichliden en eventueel andere vissen zo vredig mogelijk te laten samenleven is het belangrijk dat uw aquarium groot genoeg is en dat er voldoende schuilplaatsen zijn. Sommige cichliden kunnen als paartje gehouden worden, terwijl bij andere soorten een grote groep de voorkeur heeft. Voor cichliden geldt dat ze meestal een ruim aquarium nodig hebben, de minimale afmetingen verschillen per soort en zijn voor een groot deel afhankelijk van de afmetingen van de vis. Voor de kleinste soorten volstaat een aquarium van zestig centimeter lang, groter is echter beter. Voor de grote soorten is een aquarium van drie meter lang nodig. Voor maanvissen en discusvissen is ook de hoogte van het aquarium van belang, deze moet minimaal 50 centimeter zijn. De gewenste temperatuur, hardheid en pH van het water verschilt per soort, het is belangrijk om de omstandigheden na te bootsen van het water waar de vis van nature voorkomt. De gewenste temperatuur van cichliden varieert tussen 18°C en 30°C , de meeste soorten doen het goed bij temperaturen tussen 23°C en 26°C. Voor de optimale pH-waarde en hardheid van het water is grofweg een indeling te maken per gebied van herkomst, hoewel er uitzonderingen kunnen zijn. De vissen uit het Malawi- en Tanganyikameer hebben bijvoorbeeld een hoge carbonaathardheid (KH) nodig die hoger is dan de totale hardheid (GH) en een vrij hoge zuurgraad (pH). Soorten uit het tropisch regenwoud van Zuid-Amerika en Afrika hebben juist zacht water en een lage pH nodig. Zie voor meer informatie de tabel onderaan deze pagina en vraag voor aanschaf na wat de eisen zijn van de soort die u wilt gaan houden. Een waterfilter en verlichting horen tot de basisuitrusting van het aquarium. Voor sommige cichliden is het belangrijk om planten in het aquarium te zetten. Ze gebruiken deze als schuilplaats of om eitjes op af te zetten. Daarnaast helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Er zijn echter ook cichliden die de grond omwoelen en zo planten uitgraven. Voor de bodem kiest u, afhankelijk van de soort, voor zand of kiezel. Overige inrichting kan, afhankelijk van de gehouden soort, bestaan uit kienhout, stukken rots of stenen (zorg ervoor dat deze heel stevig staan), voor sommige soorten (diverse dwergcichliden) bladstrooisel zoals eikenbladeren, en schuilplaatsen van bijvoorbeeld bloempotten of pvc-buisjes. Ga na wat de natuurlijke leefomgeving is van de soort die u wilt gaan houden en probeer deze na te bootsen. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het snelst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor cichliden is om wekelijks ongeveer een derde van het water te vervangen. Gebruik hier wel water voor met de juiste waterwaarden, voor aquaria met zuur en zacht water kunt u leidingwater mengen met osmosewater of gebruik maken van speciale producten om het water te bewerken. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen zowel voor als nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen en andersom kunnen mensen ook ziekteverwekkers aan vissen doorgeven. Voeding: Sommige cichliden eten alleen plantaardig voedsel, andere cichliden alleen dierlijk voedsel of beide. De meeste cichliden eten gevarieerd. Veel cichliden zullen een dieet van diepvries- en/of droogvoer accepteren. Het is voor veel soorten beter om ze ook af en toe vers, levend voer te geven, zoals muggenlarven, watervlooien of meelwormen. Algeneters zoals Tropheus soorten mag u echter geen eiwitrijk voer zoals Tubifex of muggenlarven geven, zij hebben plantaardig voer zoals Spirulina vlokken nodig. Voer cichliden eenmaal per dag, zoveel als ze in één à twee minuten opeten. Als u ook droogvoer geeft, zet het potje dan niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Bij veel cichliden is het moeilijk om het verschil te zien tussen mannetjes en vrouwtjes. Als er wel verschil is dan zijn de mannetjes vaak wat groter en hebben ze fellere kleuren dan de vrouwtjes. In de paartijd is ook te zien dat de geslachtspapil bij het vrouwtje stomp is en bij het mannetje spits. De geslachtspapil is een verdikking bij de aars. In de manier van voortplanten zit veel verschil tussen de verschillende soorten cichliden. Cichliden vertonen broedzorg, dat betekent dat ze voor de eitjes en de jongen zorgen. Ze doen dit tot de jongen enkele weken of zelfs enkele maanden oud zijn. Bij sommige cichliden doet alleen het vrouwtje of het mannetje dit, maar vaak zorgt een koppeltje samen voor het nageslacht. De jongen hoeven hierdoor ook niet direct weggehaald te worden bij de ouders. Er zijn verschillende vormen van broedzorg. De muilbroeders vormen een hele bijzondere groep. Een deel van de muilbroeders neemt de jongen in de bek, na het uitkomen van de eitjes. Een ander deel neemt de eitjes in de bek en broedt ze daar uit. Het muilbroeden wordt meestal door de vrouwtjes gedaan, maar soms ook door mannetjes. Een andere vorm van broeden is te zien bij de open substraatbroeders, zoals de maanvis en de discusvis. Zij leggen eitjes op een gladde ondergrond, zoals plantenbladeren, gladde wortels of stenen. In de meeste gevallen verdedigt het mannetje het territorium en verzorgt het vrouwtje de eitjes. Ze waaiert zuurstofrijk water over de eitjes heen en haalt onvruchtbare eitjes weg. Ook bij het zoeken naar voedsel worden de jongen begeleid. Sommige soorten, zoals de discusvis, scheiden slijm af uit de huid, waar de jongen van kunnen eten. Holenbroeders lijken op open substraatbroeders, alleen zij leggen hun eitjes in grotten of holen. In het Tanganyikameer leven cichliden die hun eitjes in lege slakkenhuizen leggen, zoals een aantal Lamprologus en Neolamprologus soorten. Een van de ouders kan dan de wacht houden in de ingang van het slakkenhuis, zodat de eieren niet kunnen worden opgegeten. Houdt u deze soorten, dan moet u dus zorgen voor voldoende slakkenhuizen. Bij sommige cichliden paart elk mannetje met één vrouwtje, bij andere soorten paren de mannetjes met meerdere vrouwtjes. Dit hangt niet samen met de broedvorm. Soms heeft een mannetje een harem van vrouwtjes die binnen zijn territorium elk een eigen broedplaats hebben. Per keer leggen deze vissen een paar tot een paar honderd eitjes. De eitjes komen na één dag tot vier weken uit, afhankelijk van de soort, waarbij bijvoorbeeld de muilbroeders uit Afrika een veel langere broedtijd hebben dan veel van de cichliden uit Zuid-Amerika. Er is geen vaste voortplantingstijd, eitjes kunnen het hele jaar door gelegd worden. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastig vallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Cichliden zijn gevoelig voor "gaatjesziekte". Hierbij ontstaan gaatjes in de huid van de kop. Dit kan worden veroorzaakt door een tekort aan mineralen in het water in combinatie met een infectie door de flagellaat Hexamita (ook Octomitus genoemd) of Spironucleus. Cichliden kunnen daarnaast, net als veel andere aquariumvissen, van nog meer parasieten last hebben. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Ook op de kieuwen en in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Columnaris ziekte lijdt vooral tot aantasting van de huid en kieuwen en kan zich snel uitbreiden tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium. Deze tast de organen van de vis aan en veroorzaakt granulomen, kleine geelachtige bolletjes tussen en in de organen. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Belangrijk is dan om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die deskundig zijn op het gebied van visziekten. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: De groep cichliden is erg divers. Diverse soorten zijn geschikt voor beginners, zoals de zebracichlide (Amatitlania nigrofasciata, houd wel rekening met zijn agressie, combineer hem daarom niet met kleine of kwetsbare vissen en zorg voor voldoende ruimte),de felgele Labidochromis caeruleus, de kleurrijke Haplochromis sp. "Ruby Green" en ook de bekende maanvis (Pterophyllum scalare). Voor andere soorten zoals de discusvis (Symphysodon discus en S. aequifasciata), maar ook bijvoorbeeld Petrochromis, Tropheus of Satanoperca soorten, is meer ervaring nodig. Zorg er altijd voor dat u zich van tevoren goed informeert over de verzorging van de soort die u kiest en over het opzetten van een aquarium en houd de waterkwaliteit goed in de gaten. Aanschaf en kosten: Cichliden kunt u kopen in een aquariumspeciaalzaak of bij een kweker. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Veel voorkomende cichlidensoorten zijn te koop voor enkele euro’s, bijzondere soorten kosten vaak enkele tientallen euro’s en soms nog meer. Daarnaast heeft u opstartkosten voor de aanschaf van een aquarium met inrichting en techniek. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Ook kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan.  (Bron: www.licg.nl)Vissengroep: barbelen, danio's, rasbora'shttp://www.animalqueen.nl/c-1984212/vissengroep-barbelen-danio-039-s-rasbora-039-s/ Barbelen, danio’s en rasbora’s zijn populaire, vrij gemakkelijke en sterke vissen die zich goed aan kunnen passen. Omdat het actieve vissen zijn, is er altijd wat te zien in het aquarium. Houd er rekening mee dat de grotere en de erg actieve soorten veel ruimte nodig hebben en dat niet elke soort gemakkelijk met andere soorten te combineren is. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of barbelen, danio’s of rasbora’s de vissen zijn die u zoekt. Algemeen: De vissen uit de groepen barbelen, danio’s en rasbora’s zijn zoetwatervissen die onder de karperachtigen vallen. Deze drie groepen zijn nauw aan elkaar verwant en komen overeen in de manier waarop ze gehouden kunnen worden. Kenmerkend voor karperachtigen zijn de baarddraden naast de mond, hoewel niet elke soort deze heeft en ze niet bij elke soort even duidelijk zichtbaar zijn. Aan deze baarddraden danken de barbelen hun naam, "barba" is Latijn voor baard. Het zijn tastorganen en worden o.a. gebruikt om voedsel te zoeken. Dat doen ze op de bodem, waarbij ze hun mond wat kunnen uitstulpen. Verschillende soorten: Deze drie groepen omvatten een groot aantal soorten. De aquariumvissen uit deze groepen worden zo’n 1 tot 35 centimeter lang, maar de meest gehouden soorten blijven rond vier tot zes centimeter lang. Onder de rasbora’s komen hele kleine soorten voor, de dwerg- of microrasbora’s van 1 tot 2 centimeter lang. Ook in temperament zijn er verschillen. Onder de barbelen zijn kleinere, rustige soorten, maar ook hele actieve soorten die door het aquarium schieten en naar de vinnen van andere vissen bijten. Bekende soorten die in deze drie groepen vallen zijn de sumatraan (Puntius tetrazona), de vuurstaartlabeo (Epalzeorhynchus bicolor), de cherrybarbeel (Puntius titteya), de zebradanio (Danio rerio), de kegelvlekbarbeel (Trichonostigma heteromorpha) en Boraras maculata (een dwergrasbora). Van nature: Barbelen, danio’s en rasbora’s zijn actieve vissen die in het wild meestal in scholen voorkomen. De meeste soorten komen voor in Zuidoost-Azie en India en sommige in Afrika en Europa. Ze leven daar vaak in stromend water met waterplanten die het licht dempen. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Houd barbelen, danio’s en rasbora’s in uw aquarium in een groepje van minstens vijf tot acht soortgenoten zodat zij een school kunnen vormen. Er zijn echter uitzonderingen, zoals de vuurstaartlabeo, die juist in hun eentje gehouden moeten worden. Een schooltje van deze vissen kan vaak ook met andere soorten gehouden worden. Daarbij moet men wel rekening houden met het temperament en het formaat van de vissen. Houd de actieve barbelen en danio’s bijvoorbeeld niet samen met hele rustige vissen, zeker niet als die lange vinnen hebben. Ze willen hier nog wel eens in bijten. Houd de kleine dwergrasbora’s niet met grote, agressieve vissen. De barbelen gebruiken vooral de onderste laag van het aquarium. Rasbora’s zwemmen veel in de middelste laag en danio’s vindt u vooral boven in de bak. Barbelen, danio’s en rasbora’s zijn doorgaans sterke vissen, die in veel verschillende omstandigheden kunnen overleven. Dit betekent echter niet dat ze er geen last van hebben als de omstandigheden niet ideaal zijn. Sommige dwergrasbora’s stellen echter wel hoge eisen aan de watersamenstelling. Daardoor zijn ze niet geschikt voor een gezelschapsaquarium. Zorg ervoor dat het aquarium goed in balans is voor u de vissen er in zet. Het liefst leven ze in een bak met veel planten, maar er moeten ook open ruimtes zijn waar ze vrij kunnen zwemmen. Het bodemmateriaal moet zacht zijn, omdat sommige soorten hier graag in wroeten. Voor de meeste soorten ligt de ideale watertemperatuur tussen de 20°C en 25°C . Het water moet neutraal of licht zuur zijn (pH liefst tussen 6 en 7) en een hardheid hebben tussen 5 en 8 DH. Sommige uit het wild afkomstige Boraras soorten (dwergrasbora’s) daarentegen, komen uit zeer zuur (ph 4,5) en zeer zacht water (hardheid bijna 0 DH). Vraag de precieze waarden voor de soort van uw keuze na bij uw aquariumspeciaalzaak. Het formaat van het aquarium moet uiteraard zijn afgestemd op de soort en het aantal vissen. Zorg vooral bij de actieve en grote soorten dat er voldoende zwemruimte is en zorg dat verschillende vissoorten elkaar kunnen ontwijken. De kleine dwergrasbora’s kunnen in een nano-aquarium gehouden worden. Dek de bovenkant van het aquarium goed af, deze vissen kunnen goed springen. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door snel groeiende beplanting of door goede beluchting, sneller gaat dit door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Bij dwergrasbora’s dient hier echter voorzichtig mee omgegaan te worden vanwege hun speciale eisen aan het water. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen zowel voor als nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Barbelen, danio’s en rasbora’s zijn van nature alleseters. Ze krijgen daarom zowel plantaardig als dierlijk materiaal. U kunt ze droogvoer of diepvriesvoer geven, maar het is goed om ze ook af en toe levend voer te geven. Tubifex, fruitvliegjes, regenworm, watervlooien, pekelkreeftjes en garnaaltjes behoren tot de mogelijkheden. Ook gekookte groenten of algentabletten vallen bij veel soorten in de smaak. De zeer kleine dwergrasbora soorten hebben speciaal, zeer fijn voedsel nodig. Voer zoveel als de vissen in een minuut op kunnen. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Voortplanting: Het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is bij deze soorten weinig opvallend. Mannetjes zijn bij een aantal soorten wat kleiner en slanker, vrouwtjes hebben een wat rondere buik. Mannetjes zijn over het algemeen wat kleurrijker dan de vrouwtjes, zeker in het voortplantingsseizoen. Barbelen leggen hun eitjes tussen de planten of op de bodem van het aquarium. Na het leggen van de eitjes vindt er geen broedzorg plaats. De eitjes kunnen het beste apart gehouden worden van de vissen, omdat ze vaak opgegeten worden. Zorg in elk geval voor veel planten die als schuilplaats kunnen dienen. Als de eitjes uitkomen zijn de diertjes ongeveer 3 millimeter lang. Het zijn vaak veel jongen per keer, die erg hard groeien. U kunt deze jonge visjes voeren met heel fijn levend voedsel, zoals jonge pekelkreeftjes, infusoriën of fijn gemalen droogvoer. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm of een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Barbelen, danio’s en rasbora’s zijn doorgaans sterke vissen. Wel zijn ze gevoelig voor onder andere de parasitaire huidaandoeningen witte stip en fluweelziekte. De vissen kunnen daarnaast bacteriële infecties oplopen, zoals vissen-TBC of infecties met bijvoorbeeld Aeromonas. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. Benodigde ervaring: Veel soorten uit deze groepen zijn geschikt voor beginners, er is geen specifieke ervaring nodig. Houd wel rekening met hun temperament bij het maken van combinaties met andere vissoorten. De dwergrasbora’s zijn minder geschikt voor de beginnende aquariumhouder, omdat deze hogere eisen stellen aan de watersamenstelling en hun voer. Zorg dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Barbelen kunt u kopen in de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Barbelen, danio’s en rasbora’s zijn in het algemeen niet duur, ze kosten per stuk vanaf enkele euro’s. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn bijvoorbeeld die voor de aanschaf van voer, testsetjes en kosten voor verwarming en verlichting. Daarnaast kunt u voor extra uitgaven komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Zwaarddragerhttp://www.animalqueen.nl/c-1984211/zwaarddrager/ Zwaarddragers zijn populaire vissen voor het tropisch zoetwateraquarium. Het zijn relatief sterke dieren en daardoor ook geschikt voor de beginnende aquariumhouder. Door hun mooie kleuren, hun activiteit en het opvallende zwaard van de mannetjes zijn ze interessant om naar te kijken. Heel apart is dat bij deze vis de vrouwtjes kunnen veranderen in mannetjes. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de zwaarddrager het huisdier is dat u zoekt Algemeen: De zwaarddrager is een veel gehouden tropische vis. Van oorsprong komen zwaarddragers uit Mexico, Guatemala en Honduras. Van nature zijn ze overwegend groen gekleurd, waarbij de vrouwtjes een witgele en de mannetjes een rode buik hebben. Mannetjes hebben een lange onderste staartvin, het "zwaard". De vrouwtjes worden tot zo’n twaalf centimeter lang, de mannetjes blijven wat kleiner en worden tot ongeveer acht centimeter lang, het zwaard niet meegerekend. Zwaarddragers zijn levendbarende tandkarpers. Dit betekent dat de vrouwtjes geen eieren leggen maar deze inwendig uitbroeden. Zwaarddragers worden ongeveer drie tot vijf jaar oud. Verschillende varianten: Zwaarddragers komen in verschillende kweekvarianten voor. Ze kunnen zwart, groen, rood, geeloranje of gevlekt zijn. Er bestaat zelfs een albino variant. Sommige zwaarddragers hebben extra hoge rugvinnen of lange staartvinnen. Van nature: Zwaarddragers komen voor in ondiep zoet water zoals warme bronnen, beken en begroeide vijvers en kanalen. Ze eten wormen, insecten en planten zoals algen. Zwaarddragers leven in groepen. Binnen de groep is vaak een hiërarchie aanwezig. Over het algemeen zijn het vreedzame vissen, hoewel mannetjes onderling soms vechten. Zwaarddragers zijn actieve, snelle zwemmers. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. U kunt kiezen voor een aquarium met alleen zwaarddragers, maar deze vissen zijn ook geschikt om in gezelschapsaquaria te houden met andere soorten. Zwaarddragers maken gebruik van alle waterlagen, maar het meest van de bovenste laag. Omdat ze veel zwemmen, mag het aquarium niet te dicht beplant zijn, zeker in het midden moet zwemruimte zijn. Om zwaarddragers te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste 80 centimeter lang. Zorg voor een dekruit, want zwaarddragers kunnen goed springen. Neem altijd meer vrouwtjes dan mannetjes, omdat de mannetjes de vrouwtjes blijven opjagen om te paren. Eén mannetje per tenminste drie vrouwtjes werkt het beste. Voor zwaarddragers is een watertemperatuur rond 24°C het meest gunstig. De pH-waarde (zuurgraad) van het water hoort tussen 7 en 8 te liggen. De hardheid van het water moet tussen 10 en 20 DH liggen. Een waterfilter en verlichting horen ook tot de basisuitrusting van het aquarium. Hoewel de vissen genoeg zwemruimte nodig hebben, is het wel verstandig om voldoende planten in het aquarium te zetten. Deze doen dienst als schuilplaats voor de jonge visjes en helpen de waterkwaliteit op peil te houden. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor zwaarddragers is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Zwaarddragers zijn alleseters, dus u kunt ze voeren met allerlei soorten voer droogvoer, diepvriesvoer zoals Artemia (pekelkreeftjes, goed geschikt voor kleine zwaarddragers) en levend voer zoals watervlooien, Tubifex of muggenlarven. Laat diepvriesvoer wel eerst ontdooien. Voor de pasgeboren visjes verkruimelt u het droogvoer of geeft u stofvoer. Zwaarddragers hebben ook groenvoer nodig zoals algen, eventueel gedroogd. Voer zoveel als de vissen in één tot twee minuten op hebben. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Bewaar het potje droogvoer niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Bij de zwaarddrager is er een duidelijk onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes. Het lichaam van het mannetje is vaak kleiner dan van het vrouwtje, maar hij heeft een tot "zwaard" verlengde onderste staartvin. Vrouwtjes hebben een afgeronde staart. Bij de mannelijke zwaarddrager is bovendien de aarsvin omgevormd tot een paringsorgaan, het gonopodium, want omdat de zwaarddrager levendbarend is, moet de bevruchting van de eieren inwendig gebeuren. Zwaarddragers hebben een uitgebreide balts, waarbij het mannetje zijn zwaard krom trekt en zelfs achteruit zwemt. Vrouwelijke zwaarddragers kunnen het sperma opslaan en verdelen over meerdere bevruchtingen. De zwangerschap duurt ongeveer een maand. Zwangere vrouwtjes zijn te herkennen aan een donkere vlek op hun achterlijf. Het vrouwtje krijgt per keer 10 tot 70 jongen. De jonge zwaarddragers zorgen voor zichzelf. Ze hebben wel een verstopplaats nodig in bijvoorbeeld waterplanten, anders worden ze opgegeten. Vrouwelijke zwaarddragers zijn na ongeveer een half jaar geslachtsrijp. Bij de mannetjes kan dat langer duren. Soms krijgen de mannetjes pas na meer dan een jaar hun uiterlijke geslachtskenmerken zoals het zwaard en gonopodium. Tot die tijd lijken het vrouwtjes. Daarnaast kunnen vrouwelijke zwaarddragers ook daadwerkelijk in een mannetje veranderen. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Zwaarddragers kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen waar de zwaarddrager gevoelig voor is, zijn witte stip en fluweelziekte (ook peperstip genoemd). Op de kieuwen kunnen eencelligen en kieuwwormen voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Columnaris ziekte lijdt vooral tot aantasting van de huid en kieuwen en kan zich snel uitbreiden tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium. Deze tast de organen van de vis aan. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Belangrijk is dus om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg er wel voor dat u zich van tevoren goed laat informeren over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Zwaarddragers kunt u kopen in de dierenspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Een zwaarddrager is een goedkope vis, per stuk bent u enkele euro's kwijt. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Vuurstaartlabeohttp://www.animalqueen.nl/c-1984210/vuurstaartlabeo/ De vuurstaartlabeo is met zijn diep fluweelzwarte lijf en opvallende rode staart een mooie vis om te zien. Vuurstaartlabeo’s verdragen geen soortgenoten in de bak. De combinatie met niet te kleine of rustige vissoorten gaat meestal prima, zo lang het aquarium maar groot genoeg is. De vuurstaartlabeo is een vis om lang plezier van te hebben, hij kan zeker tien jaar oud worden. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de vuurstaartlabeo het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De vuurstaartlabeo behoort tot de familie van de karperachtigen. Hij is ook bekend onder de verouderde naam Labeo bicolor. Van oorsprong komen deze vissen uit Thailand, maar in de natuur komen ze waarschijnlijk niet meer voor. Ze staan daarom op de Rode Lijst van bedreigde diersoorten als "uitgestorven". De hier verkrijgbare exemplaren zijn allemaal in gevangenschap gekweekt. Vuurstaartlabeo’s zijn diepzwart met een felrode staartvin. Bij elke mondhoek hebben ze een baarddraad. Ze kunnen tot vijftien centimeter lang worden. Vuurstaartlabeo’s kunnen tien tot vijftien jaar oud worden. Verschillende varianten: Er bestaat een albino kweekvorm van de vuurstaartlabeo. Deze is wit met een rode staart. Van nature: Oorspronkelijk komt de vuurstaartlabeo voor in stromend water, vooral rivieren. Hij vormt een territorium en is daarbij erg agressief naar soortgenoten. Vuurstaartlabeo’s schuilen graag tussen planten. Als ze last hebben van stress of ziekte wordt hun diepzwarte kleur bleker. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Omdat de vuurstaartlabeo agressief is tegen soortgenoten, kunt u het beste maar één exemplaar houden. U kunt er wel andere vissoorten bijzetten, maar kies geen kleine of gevoelige soorten. Het is daarbij belangrijk dat de bak groot genoeg is, de vuurstaartlabeo verdedigt zijn territorium fel. Bij een klein aquarium zal hij uiteindelijk ook naar andere soorten agressief worden. Vuurstaartlabeo’s gebruiken vooral de onderste en soms de middelste waterlaag. Om een vuurstaartlabeo te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste 125 centimeter lang nodig. Een afdekplaat voorkomt dat de vissen uit het water springen. De watertemperatuur moet tussen 23°C en 27°C liggen. Het water moet een pH-waarde (zuurgraad) tussen 6,5 en 7,5 hebben en een hardheid tussen 8 en 15 DH. Een waterfilter en verlichting horen tot de basisuitrusting van het aquarium. Het licht mag niet te fel zijn. Drijfplantjes en andere planten zorgen voor een wat schemerige omgeving waarin de vuurstaartlabeo zich prettig voelt. Ook helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden en worden ze gebruikt als schuilplaats. Daarnaast trekt de vuurstaartlabeo zich graag terug tussen kienhout of rotsen. Gebruik een donkere bodembedekking, dan kleurt de vuurstaartlabeo beter. Zand of ander fijn substraat is het meest geschikt. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor vuurstaartlabeo’s is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Vuurstaartlabeo’s hebben zowel plantaardig als dierlijk voer nodig. Ze eten het liefst van de bodem, gebruik bijvoorbeeld voedertabletten die zinken. U kunt droogvoer geven en ter afwisseling levend voer, zoals muggenlarven, watervlooien of Tubifex. Diepvriesvoer kan ook, het voordeel is dat hier (bijna) geen ziekteverwekkers meer in kunnen zitten. Laat diepvriesvoer wel eerst ontdooien. De vuurstaartlabeo eet graag algen of sla en ruimt ook voerresten van andere vissen op. Voer zoveel als de vissen in een minuut op hebben. Als u droogvoer geeft, zet het potje dan niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is bijna niet te zien. De vrouwtjes hebben een iets rondere buikvorm en zijn vaak wat minder diep van kleur. Vuurstaartlabeo’s zijn erg moeilijk thuis te kweken, ook omdat het lastig is er meer dan één per aquarium te houden. Het vrouwtje zet haar eieren af tegen planten, waar ze door het mannetje worden bevrucht. Zo’n 30 tot 60 uur later komen de eieren uit. De jongen blijven ongeveer twee tot vier dagen aan de planten hangen. Het mannetje vertoont broedzorg en beschermt de eieren en jongen. Na zeven tot tien weken krijgen de jongen hun rode staart. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Vuurstaartlabeo's kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen en kieuwwormen voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Columnaris ziekte lijdt vooral tot aantasting van de huid en kieuwen en kan zich snel uitbreiden tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium marinum. Deze tast de organen van de vis aan. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Gatenziekte wordt veroorzaakt door de bacterie Aeromonas salmonicida. Deze komt bij karperachtigen en paling voor en veroorzaakt diepe huidwonden met een rode randzone. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Belangrijk is dus om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Bij siervissoorten uit Zuid-Oost Azië komt de schimmelziekte EUS (Epizootic Ulcerative Syndrome) voor. Hierbij ontstaan er diepe wonden tot in de spieren met draderige vezelstructuur. Het is een exotische ziekte voor Europa en is aangifteplichtig, dat betekent dat het gemeld moet worden bij de VWA. Dat kan via de dierenarts of via het CVI (Centraal Veterinair Instituut van de WUR, Lelystad). Zodra er een verdenking op is moet men het visziektenlab van het CVI bellen, waar de vis dan onderzocht wordt. Een aandoening die hier op lijkt is de schimmelziekte Saprolegnia, te zien als wattenachtige plukken op chronische wondjes van vissen. Deze schimmel is niet schadelijk in eerste instantie maar kan dit wel zijn als het een bijkomende infectie is bij andere ziekten. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. Let bij het behandelen van deze huidziekten op, want veel medicijnen zijn te sterk voor de vuurstaartlabeo, gebruik de halve sterkte. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is enige ervaring nodig. Zorg ervoor dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Vuurstaartlabeo’s kunt u kopen bij de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Vuurstaartlabeo's kosten vanaf enkele euro's per stuk. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Denk er aan dat u een grote bak nodig heeft. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Vuurneonhttp://www.animalqueen.nl/c-1984209/vuurneon/ Vuurneons zijn vreedzame scholenvissen die het uitstekend doen in een gezelschapsaquarium. Ze vallen op door hun fluorescerend rode streep. Een school vuurneons is dan ook een prachtig gezicht, vooral tegen het groen van een mooi aangeplante bak. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de vuurneon het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De vuurneon is een vrij populaire aquariumvis. Vuurneons behoren tot de familie van de karperzalmen. Het zijn scholenvissen, afkomstig uit de Essequibo rivier in Guyana. Vuurneons zijn bruingrijs tot zilverkleurig met een rode fluorescerende lengtestreep. Ook het voorste deel van de rugvin is rood gekleurd. Vuurneons zijn maximaal vier centimeter lang. Ze kunnen twee tot vier jaar oud worden. Verschillende varianten: Behalve de standaardvorm bestaan er van de vuurneon ook kweekvormen, waaronder een gouden vuurneon en een albino vuurneon. Van nature: Vuurneons leven in groepen. Van nature komen ze voor in warm en schemerig zoet water met ruime begroeiing. Dit water is vrij zacht en een beetje zuur. Ze eten wormen, kreeftjes en kleine insecten, maar ook planten. Vuurneons hebben een manier om elkaar te waarschuwen als er een roofvis in de buurt is. Ze slaan dan een paar keer achter elkaar snel hun vinnen uit en trekken ze weer in. Daardoor weten de andere vuurneons dat er gevaar dreigt en bovendien houdt het de roofvis op afstand. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. U kunt kiezen voor een bak met alleen een groep vuurneons, maar omdat het erg vreedzame visjes zijn kunt u ze ook in een gezelschapsaquarium houden. Kies er dan niet al te grote soorten bij die de vuurneons als voedsel kunnen zien. Omdat vuurneons echte scholenvissen zijn, is aan te raden om tenminste vijf exemplaren te houden, maar liefst meer. Als er ook grote vissen in de bak zwemmen die door de vuurneons als bedreiging worden gezien, zullen de vuurneons meer in een school zwemmen dan als die er niet zijn. Vuurneons vormen geen school met bijvoorbeeld kardinaaltetra’s. Om als school heen en weer te kunnen zwemmen hebben vuurneons open zwemruimte nodig. Ze gebruiken vooral de onderste en middelste waterlaag. Om vuurneons te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste 60 centimeter lang. De watertemperatuur moet tussen 24°C en 28°C liggen. De pH-waarde (zuurgraad) van het water mag niet te hoog zijn, tussen 6 en 7 is het beste. Vuurneons hebben vrij zacht water nodig tot ongeveer 8 DH. Een waterfilter en verlichting horen ook tot de basisuitrusting van het aquarium. Bij een donkere bodembedekking komen de kleuren van de vissen het beste uit. Planten zijn ook nodig, zodat de vuurneons voldoende schuilplaatsen hebben. Bovendien houden vuurneons niet van fel licht. Drijfplantjes zorgen voor een wat schemerige verlichting die op de natuurlijke omgeving van de vuurneon lijkt. Ook helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Wilt u kweken met vuurneons, dan kunt u het beste een aparte kweekbak gebruiken, met water dat een temperatuur heeft tussen 26°C en 28°C en een hardheid van hoogstens 8 DH, liefst lager. De verlichting moet zwak of afwezig zijn om het vrouwtje te stimuleren om eieren af te zetten. Er moeten planten aanwezig zijn om de eieren op af te zetten en als schuilplaatsen voor de jonge vissen. Een eierrooster kan handig zijn, zodat de eieren daar doorheen vallen en de ouders er niet bij kunnen. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Vuurneons eten droogvoer, diepvriesvoer en levend voer, zoals watervlooien, Tubifex of muggenlarven, maar ook plantaardig voer. Laat diepvriesvoer wel eerst ontdooien. Pasgeboren vuurneons kunt u hele kleine voerdiertjes geven zoals pantoffeldiertjes of infusoriën. Voer zoveel als de vissen in één tot twee minuten op hebben. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Bewaar het potje droogvoer niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is alleen te zien aan de lichaamsvorm. De mannetjes zijn slanker dan de vrouwtjes, die een rondere buik hebben. Het vrouwtje legt per keer zo’n 120 tot 300 eieren. Ze worden afgezet tussen bladeren of boven Javamos. De eieren mogen niet te fel verlicht worden. Vuurneons kennen geen broedzorg en eten hun eigen eieren ook op. Vang dus de ouders weg of gebruik een eierrooster. Na ongeveer een dag komen de eieren uit. Ongeveer vier dagen na het uitkomen zwemmen de jongen vrij rond. Als de jongen zeven tot negen maanden oud zijn kunnen ze zichzelf voortplanten. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Bij de vuurneon komt soms neontetra ziekte voor, een aandoening die wordt veroorzaakt door de parasiet Pleistophora hyphessobryconis. De ziekte wordt ook wel "Pleistophora" genoemd. Neontetra ziekte wordt verspreid via nieuwe vissen of via levend voer. De vissen krijgen last van vervagende kleuren, rusteloosheid, bobbels op het lichaam, kunnen niet meer goed zwemmen, het lichaam kan krom groeien en uiteindelijk gaat de vis dood. Er is geen genezing mogelijk. Haal levend voer dus altijd bij een vertrouwde leverancier of kweek het zelf en zet nieuwe vissen liefst eerst in een quarantainebak. Vuurneons kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen en kieuwwormen voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Columnaris ziekte lijdt vooral tot aantasting van de huid en kieuwen en kan zich snel uitbreiden tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC is een infectie met Mycobacterium, die de organen van de vis aantast. Het kan op de mens worden overgedragen en veroorzaakt dan huidwondjes waartegen langdurige antibiotica nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Belangrijk is dus om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg er wel voor dat u zich van tevoren goed laat informeren over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Vuurneons kunt u kopen bij de dierenspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Een vuurneon is een goedkope vis, per stuk bent u anderhalve tot enkele euro’s kwijt. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Sumatraanhttp://www.animalqueen.nl/c-1984208/sumatraan/ De levendige kleuren en het actieve scholengedrag van de sumatraan maken deze vis tot een populaire bewoner van het aquarium. Sumatranen zijn vrij gemakkelijk te houden. Wel moet u er bij het maken van een combinatie rekening mee houden dat ze aan lange vinnen van andere siervissen kunnen knabbelen. Ook hun drukke gedrag maakt dat ze lang niet met alle vissoorten te combineren zijn. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de sumatraan het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De sumatraan is een populaire aquariumvis uit de familie van de karperachtigen (Cyprinidae). Hij wordt in de literatuur teruggevonden onder de namen Capoeta tetrazona, Barbus tetrazona en ook wel Puntius tetrazona. Sumatranen zijn scholenvissen, afkomstig uit Indonesië, Maleisië en Thailand. Ze hebben een goudgele basiskleur en vier zwarte dwarsbanden. De rugvin heeft een rode rand, de buikvinnen zijn geheel rood en ook de overige vinnen en de neus hebben rode aftekeningen. Sumatranen worden ongeveer zes centimeter lang. Ze kunnen vier tot vijf jaar oud worden. Verschillende varianten: Door kweken zijn diverse kleuren ontstaan, zoals de gouden, groene en albino sumatraan. Er bestaat ook een ondersoort, B. tetrazona partipentazona. Deze heeft vijf dwarsbanden waarvan één niet helemaal compleet is. Kweekvormen hebben soms afwijkende dwarsbanden maar dit hoort niet. Van nature: Sumatranen zijn actieve scholenvissen. Van nature leven ze in helder of ondoorzichtig, ondiep water en rustige stroompjes. Mannetjes hebben een territorium. In een school is een rangorde waarin de mannetjes bovenaan staan Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Sumatranen zijn goed in een aquarium te houden. U moet er echter wel rekening mee houden dat ze de neiging hebben om aan lange vinnen van andere vissoorten te eten. Vissen met lange sluierstaarten, lange vinnen of sprieten vormen dus geen goede combinatie met de sumatraan. Ook kunnen rustige, gevoelige vissoorten last hebben van de soms snel door de bak schietende school sumatranen. Dit maakt sumatranen niet altijd geschikt voor een gezelschapsaquarium. Laat u in de aquariumspeciaalzaak adviseren over geschikte combinaties of houd de sumatranen als enige soort. Ze zijn actief genoeg om ook zonder andere vissen erbij interessant te blijven. Omdat sumatranen echte scholenvissen zijn, is aan te raden om tenminste acht exemplaren te houden, liefst meer. Ze kunnen dan hun scholengedrag uitvoeren en het ziet er mooi uit wanneer ze als groep door het aquarium zwemmen. Daarvoor hebben ze wel genoeg ruimte nodig. Sumatranen zijn vooral te vinden in de middelste waterlaag. Ze houden van stroming in het water. Om sumatranen te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste 80 centimeter lang. De watertemperatuur moet tussen 22°C en 26°C liggen. De pH-waarde (zuurgraad) van het water kan het beste tussen 6,5 en 7,5 gehouden worden. Sumatranen hebben liefst iets zacht tot gemiddeld hard water, tussen ongeveer 5 en 12 DH. Voor de sumatraan is het belangrijk dat het water schoon is en voldoende zuurstof bevat. Gebruik daarom een goede filtering van het water. Ook verlichting behoort tot de basisuitrusting van het aquarium. Een inrichting met planten zorgt voor schuilplaatsen en een plek om eventueel de eieren tegen af te zetten. Ook helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Kies wel voor stevige planten, want zachte blaadjes worden vaak opgegeten. Wilt u kweken met sumatranen dan kunt u het beste een aparte kweekbak gebruiken met water dat een temperatuur heeft rond 25°C, een pH tussen 6,5 en 7 en een hardheid van ongeveer 5 DH. Sumatranen zetten in de natuur hun eieren af tegen planten, maar in een kweekbak kunt u ook een stukje kunstgras of een borstel gebruiken, een voordeel daarvan is dat de volwassen dieren niet gemakkelijk bij de eieren kunnen om ze op te eten. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor sumatranen is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Sumatranen zijn alleseters. Ze eten droogvoer, diepvriesvoer en levend voer, zoals watervlooien, Tubifex of muggenlarven, en hebben ook plantaardig voer nodig, bijvoorbeeld voedingstabletten of vlokken uit plantenmateriaal. Laat diepvriesvoer wel eerst ontdooien. Pasgeboren sumatranen kunt u stofvoer geven en Artemia naupliën (larven). Voer zoveel als de vissen in een minuut op hebben. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Bewaar het potje droogvoer niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is moeilijk te zien. De mannetjes zijn wat kleiner en slanker dan de vrouwtjes, die een rondere buik hebben. Ook hebben de mannetjes wat meer rood op vinnen en neus en zijn de zwarte banen scherper afgetekend. Het vrouwtje legt per keer ongeveer 100 tot 500 eieren. Ze worden afgezet tussen bladeren. Tijdens het afzetten van de eieren houdt het mannetje het vrouwtjes vast met zijn vinnen en bevrucht de eieren. Het afzetten kan een paar uur duren. Sumatranen kennen geen broedzorg en eten hun eigen eieren ook op. Vang dus de ouders weg of gebruik een borstel om de eieren op af te laten zetten. De dieren kunnen dan niet bij de eieren. Na anderhalf tot drie dagen komen de eieren uit, ongeveer vijf dagen na het leggen van de eieren zwemmen de jongen los rond. Al na een week of acht kunnen de jongen zichzelf voortplanten, ze zijn dan twee tot drie centimeter lang. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm of een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld erg langzaam, schommelend of scheef). Net als veel andere aquariumvissen kunnen sumatranen last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip, waar sumatranen gevoelig voor zijn, en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen zoals Trichodina en Ichthyobodo en kieuwwormen zoals Dactylogyrus of Gyrodactylus voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Een voorbeeld is columnaris ziekte. Dit lijdt tot oppervlakkige aantasting van de huid en kieuwen, die zich snel uitbreidt tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium marinum. Deze tast de organen van de vis aan en veroorzaakt granulomen, kleine geelachtige bolletjes tussen en in de organen. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Gatenziekte, ook wel karper erythrodermatitis genoemd, wordt veroorzaakt door de bacterie Aeromonas salmonicida. Deze komt bij karperachtigen en paling voor en veroorzaakt diepe huidwonden met een rode en witte randzone. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Bij dergelijke gevallen is het belangrijk om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook om de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Bij siervissoorten uit Zuid-Oost Azië komt de waterschimmelziekte EUS (Epizootic Ulcerative Syndrome) voor. Hierbij ontstaan er diepe wonden tot in de spieren met draderige vezelstructuur. Het is een exotische ziekte voor Europa en is aangifteplichtig, dat betekent dat het gemeld moet worden bij de VWA. Dat kan via de dierenarts of via het CVI (Centraal Veterinair Instituut van de WUR, Lelystad). Zodra er een verdenking op is moet men het visziektenlab van het CVI bellen, waar de vis dan onderzocht kan worden. Een aandoening die hier op lijkt is de schimmelziekte Saprolegnia, te zien als wattenachtige plukken op chronische wondjes van vissen. Deze schimmel is in eerste instantie niet schadelijk, maar kan dit wel zijn als het een bijkomende infectie is bij andere ziekten. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Houd er wel rekening mee dat de sumatraan lang niet met alle vissen goed combineert. Zorg dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten Sumatranen kunt u kopen bij de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Sumatranen kosten per stuk enkele euro's, speciale kleuren zijn vaak wat duurder. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn bijvoorbeeld die voor de aanschaf van voer, testsetjes en kosten voor verwarming en verlichting. Daarnaast kunt u voor extra uitgaven komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Sluierstaarthttp://www.animalqueen.nl/c-1984207/sluierstaart/ Sluierstaartgoudvissen komen in allerlei varianten voor, met verschillende vormen en kleuren. Het zijn rustige vissen die het beste tot hun recht komen in een mooi aquarium met alleen sluierstaarten of met andere rustige vissoorten. Bij voldoende ruimte en een goede verzorging kunnen sluierstaarten vrij groot en relatief oud worden. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de sluierstaart het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De sluierstaartgoudvis is een variant van de gewone goudvis, een gekweekte zoetwatervis uit de familie van de karperachtigen. Hij wordt kortweg "sluierstaart" genoemd. In de natuur komen sluierstaarten niet voor. Sluierstaartgoudvissen worden gekenmerkt door een gedeelde staartvin en anaalvin en een korte en gebogen ruggengraat. De sluierstaartgoudvis wordt gemiddeld vijftien tot vijfentwintig centimeter lang. Om tot zijn maximale lengte uit te groeien heeft deze vis voldoende ruimte nodig. Ze kunnen met goede verzorging en veel zwemruimte zeker twintig jaar oud worden en soms zelfs ouder, hoewel ze dit in een aquarium lang niet altijd halen. Verschillende varianten: Er bestaan diverse vormen van de sluierstaartgoudvis. Sluierstaarten komen voor in verschillende kleuren, zoals oranje, rood, wit, zwart of gevlekt. Daarnaast zijn er vormen zonder rugvin, met uitpuilende ogen of bolle koppen. Enkele voorbeelden zijn: Telescoopoog (demekin): een vis met een kort lichaam, met grote uitpuilende en naar voren gerichte ogen; Ruykin: dé sluierstaart, met verlengde vinnen en een kort lichaam; Hemelkijker: deze variant heeft een iets langer lichaam met uitpuilende, naar boven gerichte ogen; Blaasoog: een lichaamsbouw zoals de hemelkijker maar met onder elk oog een grote, met vocht gevulde, hangende blaas; Moor of zwarte sluierstaart: dit is de zwart gekleurde versie van de telescoopoog en heeft een gedrongen lichaam met uitpuilende ogen. Soms worden deze vissen op latere leeftijd oranje, dit kan komen door een hoge watertemperatuur. Houd er bij de keuze van uw vis rekening mee dat al deze verschillende vormen voor de vis zelf nadelen kunnen hebben. Uitpuilende ogen beschadigen bijvoorbeeld snel en het ontbreken van een rugvin is slecht voor de stabiliteit. Dergelijke kenmerken worden schadelijke raskenmerken genoemd. Van nature: Sluierstaartgoudvissen kunnen door hun bouw niet zo snel zwemmen. Het zijn rustige, vreedzame vissen die graag met soortgenoten in een bak leven. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. De meest geschikte huisvesting voor de sluierstaart is een aquarium. Een vissenkom is niet geschikt, deze heeft een relatief klein wateroppervlak, zodat maar weinig water met de lucht in contact komt. Hierdoor kan minder zuurstof uitgewisseld worden. Een filter is in een kom moeilijk te plaatsen. Ook is er geen beschutting door middel van een achterwand mogelijk, wat stress op kan leveren voor de vissen. Bovendien is een kom al snel veel te klein voor de sluierstaart. Een aquarium voor sluierstaarten moet in eerste instantie minimaal 60 centimeter lang zijn voor twee jonge vissen maar ze groeien snel. Pas in een groter aquarium groeien de vissen tot hun maximale afmetingen door. Houd de sluierstaart niet samen met snellere, grote goudvisvarianten of andere drukke of agressieve vissen, dit geeft teveel stress voor de langzaam zwemmende sluierstaarten. Sluierstaarten kunnen minder goed tegen koud water dan gewone goudvissen. De temperatuur van het water kan het beste tussen 12°C en 24°C worden gehouden, waarbij een temperatuur tussen 18°C en 22°C het meest gunstig is. Bovendien kan bijvoorbeeld de zwarte sluierstaart beter tegen lage temperaturen dan vormen als de blaasoog en de hemelkijker. In warm water zijn de vissen actiever dan in koud water. Een verwarmingselement is niet nodig als uw kamertemperatuur redelijk stabiel is, maar zorg ervoor dat de temperatuur niet teveel schommelt. Hier kunnen de vissen niet goed tegen. Het water kan eventueel bewerkt worden met een neutraliserend middel dat schadelijke stoffen zoals koper en chloor bindt. De pH-waarde (zuurgraad) van het water moet ongeveer tussen 7 en 7,5 liggen, de totale hardheid tussen 6 en 16 DH. Een filter en verlichting horen tot de basisuitrusting van het aquarium. Pas op dat u geen luchtpompje heeft dat belletjes op het wateroppervlak veroorzaakt, dit kan problemen met de zwemblaas van uw sluierstaarten veroorzaken. De stroming mag niet te sterk zijn, omdat sluierstaarten daar niet tegenin kunnen zwemmen. Sluierstaartgoudvissen woelen de bodem van het aquarium om. Gebruik daarom geen scherpe bodembedekking zodat ze hun mond niet beschadigen. U kunt het beste afgeronde aquariumkiezels van één tot drie millimeter gebruiken. Planten zijn decoratief in het aquarium en bieden de vissen schuilplaatsen. Bovendien helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden, ze gebruiken bijvoorbeeld het afvalproduct nitraat als voedsel. Daarnaast vormen planten een goede aanvulling op het dieet van de sluierstaart. Pas bij sluierstaarten met uitpuilende ogen op met het plaatsen van scherpe of harde voorwerpen. Zij kunnen hun ogen gemakkelijk beschadigen. Sluierstaarten zijn minder geschikt dan "gewone" goudvissen om in een vijver gehouden te worden, doordat ze niet tegen lage watertemperaturen bestand zijn. Ze kunnen dus niet in de vijver overwinteren. Heeft u uw sluierstaarten ’s zomers in een vijver, span dan een net tegen reigers en katten. Sluierstaarten vormen een gemakkelijke prooi omdat ze langzaam zwemmen. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor sluierstaarten is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Sluierstaarten zijn alleseters, ze eten zowel dierlijk als plantaardig voer. Gebruik voor sluierstaarten altijd zinkende voerkorrels, geen drijvend voer. Bij het happen naar drijvend voer krijgt de sluierstaart snel teveel lucht binnen. Als hoofdvoer kunt u droogvoer gebruiken dat geschikt is voor sluierstaarten. Daarnaast kunt u levende, gedroogde of diepgevroren watervlooien, muggenlarven of Tubifex geven. Diepvriesvoer dient u wel te ontdooien en op kamertemperatuur te geven. Als plantaardig voedsel eten sluierstaartgoudvissen graag waterplanten, zoals waterpest, of algen. U kunt hen ook geblancheerde blaadjes sla, spinazie of waterkers geven. Geef de vissen één keer per dag voer. Af en toe een dag overslaan is niet erg, goudvissen eten snel teveel. Omdat hun spijsverteringskanaal is vervormd, kunnen sluierstaarten door een overdaad aan voer extra snel last krijgen van verstopping. Voer de vissen zoveel als ze in een minuut op kunnen eten en zorg dat er geen resten blijven liggen. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetje en vrouwtje kunt u pas zien als de vissen geslachtsrijp zijn, meestal op een leeftijd tussen één en drie jaar oud. Als het tijd is om te paren, heeft het vrouwtje een vollere buik, de mannetjes vertonen "paaiuitslag", witte stipjes op de kieuwdeksels en soms op de borstvinnen. Het vrouwtje zet de eieren af tussen planten, geholpen door tenminste twee mannetjes die tegen haar zijkant duwen met hun kop. Dit kan een dag duren en er worden duizenden eitjes afgezet. Deze worden door de mannetjes bevrucht. Goudvissen vertonen geen broedzorg. Na ongeveer vijf dagen (mede afhankelijk van de temperatuur van het water) komen de jongen uit en blijven dan nog enkele dagen aan de planten hangen. De ouders eten hun jongen op, u kunt de jongen of de ouders dan ook beter in een aparte bak zetten. Voer de jongen met algen, opfokvoer en klein dierlijk voedsel zoals muggenlarven. De jongen zijn erg gevoelig voor temperatuurschommelingen. Sluierstaartgoudvissen worden donker gekleurd geboren, het duurt een maand of acht voor ze oranje kleuren. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm of een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Bij de sluierstaartgoudvis komen erfelijke aandoeningen voor. De speciale vorm van de verschillende varianten van de sluierstaart kan nadelig zijn voor de gezondheid en het welzijn van de vis. Het ontbreken van de rugvin bij hemelkijker en blaasoog zorgt ervoor dat zij slecht hun balans houden. De ogen van de telescoopoog, hemelkijker en blaasoog zijn kwetsbaar en beschadigen snel, met mogelijk infecties tot gevolg. Ook de verdikte huid op de kop van sommige varianten is gevoelig voor infecties. Bij de hemelkijker is er bovendien sprake van het achteruitgaan van het netvlies waardoor het zicht steeds slechter wordt. Sluierstaarten hebben snel last van teveel lucht in hun zwemblaas. Dit kan veroorzaakt worden door lucht happen tijdens het eten van drijvend voer of door een luchtpompje dat belletjes aan het wateroppervlak veroorzaakt. Door de lucht in hun zwemblaas raken de vissen uit evenwicht en gaan op hun kop zwemmen. Ook kunnen ze soms moeilijk overeind blijven, doordat ze last hebben van verstopping. Sluierstaartgoudvissen kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Een veel voorkomende huidparasiet is de karperluis, die zich aan de vis hecht om bloed te zuigen. Deze kunt u op de vis zien zitten als een grijsbruin vlekje van ongeveer een halve centimeter doorsnede. Op de kieuwen kunnen eencelligen zoals Trichodina en Ichthyobodo en kieuwwormen zoals Dactylogyrus of Gyrodactylus voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Een voorbeeld is Columnaris ziekte. Dit lijdt tot oppervlakkige aantasting van de huid en kieuwen, die zich snel uitbreidt tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium marinum. Deze tast de organen van de vis aan en veroorzaakt granulomen, kleine geelachtige bolletjes tussen en in de organen. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Gatenziekte, ook wel karper erythrodermatitis genoemd, wordt veroorzaakt door de bacterie Aeromonas salmonicida. Deze komt bij karperachtigen en paling voor en veroorzaakt diepe huidwonden met een rode en witte randzone. Buikwaterzucht is een aandoening waarbij de vis opzwelt, de schubben uitzetten en de ogen kunnen uitpuilen. Vaak is dit een gevolg van een bacteriële of virusinfectie, die de nieren aantast waardoor vloeistoffen in het lichaam worden vastgehouden. De zieke dieren kunnen meestal niet meer genezen worden. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld van zo’n infectie waarvoor sluierstaarten gevoelig zijn, is vinrot. Bij dergelijke gevallen is het belangrijk om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook om de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Bij siervissoorten uit Zuid-Oost Azië komt de waterschimmelziekte EUS (Epizootic Ulcerative Syndrome) voor. Hierbij ontstaan er diepe wonden tot in de spieren met draderige vezelstructuur. Het is een exotische ziekte voor Europa en is aangifteplichtig, dat betekent dat het gemeld moet worden bij de VWA. Dat kan via de dierenarts of via het CVI (Centraal Veterinair Instituut van WUR, Lelystad). Zodra er een verdenking op is moet men het visziektenlab van het CVI bellen, waar de vis dan onderzocht kan worden. Een aandoening die hier op lijkt is de waterschimmelziekte Saprolegnia, te zien als wattenachtige plukken op chronische wondjes van vissen. Deze schimmel is in eerste instantie niet schadelijk, maar kan dit wel zijn als het een bijkomende infectie is bij andere ziekten. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg ervoor dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Sluierstaartgoudvissen kunt u kopen bij de aquarium- of dierenspeciaalzaak of bij kwekers. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Een sluierstaartgoudvis is een goedkope vis. U koopt ze vanaf enkele euro’s per stuk, waarbij grotere sluierstaarten wat duurder zijn dan kleine exemplaren. Sommige varianten zijn duurder. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Houd er rekening mee dat u een vrij grote bak nodig heeft. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor pomp en verlichting. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Roodkopzalmhttp://www.animalqueen.nl/c-1984206/roodkopzalm/ De roodkopzalm valt op door zijn felle rode kop en de zwart-wit gestreepte staart. Roodkopzalmen zijn mooie en interessante visjes die vooral geschikt zijn voor iets meer ervaren aquariumhouders. Ze zijn gevoelig voor de waterkwaliteit en verliezen hun felle kleuren als ze zich niet prettig voelen. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de roodkopzalm het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De roodkopzalm behoort tot de familie van de karperzalmen. Deze scholenvissen, afkomstig uit Brazilië en Colombia, zijn bruingrijs tot zilverkleurig met een rode kop. De staartvin is horizontaal zwart-wit gestreept, met meestal drie zwarte en vier witte banen. Roodkopzalmen worden maximaal vijf centimeter lang. Over de naamgeving van deze soort is verwarring, hij wordt in de handel zowel "roodkopzalm" als "roodneuszalm" genoemd. De roodkopzalm is erg gevoelig voor watervervuiling. Zodra er teveel nitriet of ammonium in het water zit, krijgen de vissen een bleke kop. Dit moet uiteraard voorkomen worden door steeds tijdig het water te verversen. Ook bij stress verliest de kop zijn felrode kleur. Roodkopzalmen kunnen in gevangenschap drie tot vijf jaar oud worden. Verschillende varianten: De enige variant van de gewone roodkopzalm is de albino roodkopzalm. Daarnaast wordt de vis vaak verward met andere soorten die sprekend op de roodkopzalm lijken, namelijk Hemigrammus rhodostomus, in het algemeen roodneuszalm genoemd, en Petitella georgiae, die ook roodkopzalm wordt genoemd. Omdat deze twee soorten onder gelijke omstandigheden kunnen worden gehouden als de roodkopzalm, gelden de adviezen uit deze huisdierenbijsluiter ook voor hen. H. bleheri heeft in vergelijking met deze twee soorten een wat fellere en verder naar achteren doorlopende rode kop. Deze rode kleur loopt bij H. bleheri tot voorbij de kieuwen, terwijl deze bij H. rhodostomus en P. georgiae tot en met de kieuwen loopt en dan stopt. Een ander verschil is dat H. rhodostomus en H. bleheri bij het begin van de staart zowel boven als onder een zwart vlekje hebben, terwijl P. georgia alleen aan de bovenkant een zwart vlekje heeft. H. bleheri leeft in de Rio Negro en de Rio Meta, H. rhodostomus komt voor in het onderste Amazonebekken en de Rio Orinoco en P. georgiae in de bovenloop van de amazone in Peru, in de Rio Purus en Rio Madeira. Van nature: Roodkopzalmen zijn echte scholenvissen die in een groep leven. Van nature komen ze voor in warm en schemerig zoet water in het Amazonegebied. H. bleheri en H. rhodostomus komen voor in "zwart water", water met veel bladafval en heel weinig mineralen, dat daardoor vrij zuur en zacht is. P. georgia komt in "wit water" voor, water met veel mineralen maar toch met een betrekkelijk lage hardheid. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Omdat roodkopzalmen erg vreedzame vissen zijn, kunt u hen goed in een gezelschapsaquarium houden. Kies er dan geen te grote soorten bij die de roodkopzalm als voedsel zouden kunnen zien en ook geen agressieve vissen die hen lastig vallen. Houd de roodkopzalmen in een groep van tenminste zeven exemplaren, liever nog meer, zodat ze hun natuurlijke scholengedrag kunnen uitvoeren. Roodkopzalmen hebben open zwemruimte nodig om als school heen en weer te kunnen zwemmen. Ze gebruiken vooral de onderste en middelste waterlaag. Om roodkopzalmen te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste 60 centimeter lang. De watertemperatuur moet tussen 23°C en 28°C liggen. Gebruik een verwarmingselement en een thermostaat, zodat de temperatuur niet schommelt. De pH-waarde (zuurgraad) van het water mag niet te hoog zijn, tussen 6 en 6,5 is het beste. Roodkopzalmen hebben zacht water nodig met een totale hardheid tot ongeveer 4 DH. Voor P. georgia mag de hardheid van het water wat hoger zijn, tussen 3 en 12. Een waterfilter en verlichting horen tot de basisuitrusting van het aquarium. Een aquarium waar u doorheen kunt kijken, is voor veel vissoorten erg onaangenaam, omdat het een onveilig gevoel geeft. Kies dus een aquarium met een achterwand. Planten zijn decoratief in het aquarium, maar ook nodig om de roodkopzalmen voldoende schuilplaatsen te bieden. Ook helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Bovendien houden deze vissen niet van fel licht; drijfplantjes zorgen voor een wat schemerige verlichting, die op de natuurlijke omgeving van de roodkopzalm lijkt. Kweken met roodkopzalmen is erg lastig. Wilt u het toch proberen, dan kunt u het beste een aparte kweekbak gebruiken met water dat tussen 26°C en 32°Cis, een pH heeft tussen 5,5 en 6,5 en een hardheid van hoogstens 4 DH, liefst lager. Als u vissen overzet naar de kweekbak moet u hen wel voorzichtig laten wennen aan een hogere temperatuur, voer deze langzaam op. Ontsmet de bak goed voor u hem in gebruik neemt, de eieren schimmelen snel. De verlichting moet zwak of afwezig zijn om het vrouwtje te stimuleren om eieren af te zetten. Er zijn planten nodig om de eieren op af te zetten en als schuilplaatsen voor de jonge vissen. Roodkopzalmen worden onvruchtbaar als ze in te calciumrijk water hebben gezwommen. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor roodkopzalmen is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Roodkopzalmen eten droogvoer, diepvriesvoer en levend voer zoals watervlooien of Tubifex. Laat diepvriesvoer wel eerst ontdooien voordat u het in het water doet. Pasgeboren roodkopzalmen zijn heel klein, deze kunt u hele kleine voerdiertjes geven zoals pantoffeldiertjes of infusorieën. Voer zoveel als de vissen in één tot twee minuten op hebben. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Bewaar het potje droogvoer niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is alleen te zien aan de lichaamsvorm. De mannetjes zijn slanker dan de vrouwtjes, die een rondere buik hebben als ze eieren bij zich dragen. In het aquarium zijn roodkopzalmen moeilijk te kweken. De waterkwaliteit luistert nauw, bovendien worden roodkopzalmen onvruchtbaar als ze in water hebben geleefd dat teveel calcium bevat en dit lijkt onomkeerbaar te zijn. Het vrouwtje zet de eieren af tegen bladeren of boven Javamos. De eieren mogen niet te fel verlicht worden. Roodkopzalmen kennen geen broedzorg. Soms eten ze hun eigen eieren op. Vang dus de ouders weg. Na een tot twee dagen komen de eieren uit. Ongeveer vier dagen na het uitkomen zwemmen de jongen vrij rond. De jongen zijn heel klein en groeien erg langzaam. Ziekten en aandoeningen: Roodkopzalmen zijn gevoelige vissen die snel reageren op afwijkingen van de watersamenstelling. Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Roodkopzalmen kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen en kieuwwormen voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Columnaris ziekte lijdt vooral tot aantasting van de huid en kieuwen en kan zich snel uitbreiden tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC is een infectie met Mycobacterium, die de organen van de vis aantast. Het kan op de mens worden overgedragen en veroorzaakt dan huidwondjes waartegen langdurige antibiotica nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Belangrijk is dus om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is enige ervaring nodig, de roodkopzalm is erg gevoelig voor de watersamenstelling. Zorg ervoor dat u zich van tevoren verdiept in aquariumtechniek. Aanschaf en kosten: Roodkopzalmen kunt u kopen in de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. In de winkel en na het transport zijn de roodkopzalmen vaak bleek door de stress, ze hebben de tijd nodig om bij te kleuren. Een roodkopzalm is geen dure vis, per stuk bent u ongeveer enkele euro’s kwijt. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Pleco Algeneterhttp://www.animalqueen.nl/c-1984203/pleco-algeneter/ De pleco algeneter is een apart uitziende vis met zijn platte buik en tot zuignap gevormde mond. Een voordeel van de pleco is dat hij, behalve sommige algensoorten, ook eventuele voerresten uit uw aquarium zal eten. U moet echter wel een flink aquarium hebben, want de pleco algeneter kan behoorlijk groot worden en produceert veel afval. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de pleco algeneter het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De pleco algeneter, ook wel "zuignapharnasmeerval" genoemd, behoort tot de familie van de harnasmeervallen. De naam pleco algeneter wordt ook wel gebruikt voor allerlei andere soorten algeneters. In deze bijsluiter wordt de soort Hypostomus plecostomus besproken. Deze komt voor in tropisch Midden- en Zuid-Amerika. Vanwege zijn grootte is het niet de meest geschikte soort om in het gemiddelde gezelschapsaquarium te houden. De pleco algeneter heeft harde beenplaten op het bovenste deel van zijn kop en lichaam. Zijn buik is kaal en afgeplat. Hij is bruin gekleurd, vaak met een variabele aftekening van strepen en vlekken. De bek is omlaag gebogen en heeft aan elke zijde een baarddraad. De lippen vormen een zuigschijf, waarmee het dier zich vast kan zetten tegen platte oppervlakken. De pleco algeneter wordt in het aquarium vaak minstens 25 centimeter lang maar hij kan ook groter worden, zelfs tot 50 centimeter lang. Pleco algeneters kunnen tien tot vijftien jaar oud worden. Verschillende varianten: Er bestaat een albinovorm van de Hypostomus plecostomus. Daarnaast zijn er diverse andere algeneters die onder de naam pleco algeneter verkocht worden, o.a. van de geslachten Hypostomus en Pterygoplichthys. Bovendien is er een hele serie harnasmeervallen die een L-nummer hebben gekregen, omdat er nog geen wetenschappelijke naam was opgesteld. Ook als ze inmiddels wel een naam hebben, wordt het L-nummer hier nog veel bij gebruikt. Van nature: De pleco algeneter leeft in zoet en brak water. Hij is vooral ‘s nachts actief. Als aanpassing aan het nachtleven heeft dit dier speciale irissen in de vorm van een cirkel die aan 1 zijde onderbroken is, "omega iris" genoemd. Deze sluiten bij lichte omstandigheden tot een dunne streep. Pleco algeneters eten algen, kleine waterplantjes en schaaldieren. Ze vormen een territorium en verdedigen dit vaak feller naarmate ze ouder worden. Ze kunnen agressief zijn naar soortgenoten, maar zijn doorgaans vreedzaam tegenover andere soorten. De pleco algeneter kan, als er te weinig zuurstof in het water zit, overgaan op inademen van lucht met behulp van zijn maag. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Omdat de pleco algeneter soms agressief is tegen soortgenoten, kunt u het beste maar één exemplaar houden. U kunt er wel andere vissoorten bijzetten, ook kleine vissen worden met rust gelaten. Pleco algeneters vindt u meestal op de bodem, in schuilplaatsen tussen rotsen of hout of tegen de wanden van het aquarium. Vanwege het grote formaat van de volwassen vis heeft u een groot aquarium nodig van zeker zo'n twee meter lang. De watertemperatuur moet tussen 21°C en 28°C liggen. Het water moet een pH-waarde (zuurgraad) tussen 6 en 7 hebben en een hardheid tussen 1 en 20 DH. Een waterfilter en verlichting horen tot de basisuitrusting van het aquarium. De pleco algeneter eet veel en wroet in de bodem. Dat veroorzaakt behoorlijk veel afval, zorg daarom dat uw filter sterk genoeg is. Hoewel de pleco algeneter zelf een nachtdier is, is het goed om een vast verlichtingsschema aan te houden. Bovendien hebben eventuele andere soorten en ook de planten licht nodig. Drijfplantjes en andere planten zorgen voor een wat schemerige omgeving zodat het licht niet te fel is. Planten zijn decoratief in het aquarium en bieden de vissen schuilplaatsen. Ook helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Kies wel stevige planten, want planten met zachte bladeren worden opgegeten. Overdag trekt de pleco algeneter zich graag terug tussen kienhout of rotsen. Deze gebruikt hij tevens om algen vanaf te grazen. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor pleco algeneters is om elke week ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Pleco algeneters eten voornamelijk plantaardig, maar ook wel dierlijk voedsel. Ze schrapen algen van hout en rotsen, maar eten lang niet alle soorten algen. Naast de algen die ze uit het aquarium halen, moeten ze zinkende voertabletten krijgen op basis van algen en kunt u groenvoer geven zoals sla, komkommer, courgette, broccoli en dergelijke. Bind dit eventueel vast aan stenen of kienhout. Ter afwisseling kunt u levend voer geven, zoals muggenlarven of watervlooien. Diepvriesvoer kan ook, maar laat dit wel eerst ontdooien. De pleco algeneter ruimt voerresten van andere vissen op. Naarmate de vissen ouder worden, eten ze vaak minder algen en hebben ze meer aanvullend plantaardig voer nodig. Pleco’s hebben ook hout nodig als bron van vezels voor hun spijsvertering. Zorg altijd voor voldoende kienhout, zodat ze dit kunnen afschrapen. Voer de pleco algeneter het liefst nadat het licht is uitgegaan, zodat het voer niet door de andere vissen wordt weggegeten. Als u droogvoer geeft, zet het potje dan niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is bijna niet te zien. De vrouwtjes zijn als ze eieren dragen wat ronder, gezien vanaf de bovenkant. De mannetjes hebben als ze volwassen zijn wat verdikte borstvinnen die rozerood kunnen kleuren. Pleco algeneters worden niet gekweekt in aquaria. In de natuur of in de kweekvijvers in Azië en Amerika maken ze een hol in de rivierbedding of zijwanden of ze zetten hun eieren af tegen rotsen of hout. Het mannetje bewaakt de eieren die na drie tot vijf dagen uitkomen. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Pleco algeneters kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen en kieuwwormen voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Columnaris ziekte lijdt vooral tot aantasting van de huid en kieuwen en kan zich snel uitbreiden tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium marinum. Deze tast de organen van de vis aan. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Belangrijk is dus om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. U heeft echter wel een behoorlijk groot aquarium en een sterk werkend filter nodig. Zorg ervoor dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Pleco algeneters kunt u kopen bij de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. De pleco algeneter kan met de stekel aan zijn rugvin gaatjes maken in plastic zakken, let dus op bij het vervoeren van de vis. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. De prijs van een pleco algeneter hangt af van de grootte, reken op enkele tot zo’n vijftien euro per stuk. Andere soorten pleco’s, zoals de L-nummers, kunnen duurder zijn, variërend van vijftien tot meer dan honderd euro per stuk. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Houd er rekening mee dat u een flink grote bak nodig heeft. Er zijn ook kosten die terugkeren, zoals bijvoorbeeld de aanschaf van voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. Aandachtspunten: Bedenk vooraf of u wel plaats heeft voor een dergelijke grote vis. Voor het gemiddelde gezelschapsaquarium zijn er diverse meer geschikte soorten te koop, die kleiner blijven en er ook fraai uitzien. (Bron: www.licg.nl)Platyhttp://www.animalqueen.nl/c-1984201/platy/ De platy is een populaire verschijning in menig gezelschapsaquarium. Het is dan ook een vrij gemakkelijk te houden vis die goed samengaat met andere vissoorten en kleur brengt in het aquarium. Er bestaan platy’s met diverse kleuren en aftekeningen. Ze planten zich gemakkelijk voort. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de platy het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De platy, ook wel "plaatje" genoemd, is een bekende aquariumvis. Oorspronkelijk komen ze uit Mexico, Guatemala en Honduras. Van nature hebben ze allerlei kleurschakeringen, maar de kweekvormen hebben eerder egale oranje- en roodtinten met of zonder aftekening. De vrouwtjes worden tot zes centimeter lang, de mannetjes blijven kleiner. Platy’s behoren tot de levendbarende tandkarpers. Dit betekent dat de vrouwtjes geen eieren leggen maar deze inwendig uitbroeden. Platy’s worden maximaal drie tot vier jaar oud. Verschillende varianten: Platy’s komen in verschillende kweekvarianten voor. Deze kunnen geel, oranje, zwart, rood, blauw en gevlekt zijn. Er bestaan allerlei tekeningen, zoals bijvoorbeeld de Mickey Mouse platy die bij zijn staart een aftekening heeft die op het hoofd van Mickey Mouse lijkt. Ook zijn er platy’s met extra hoge rugvinnen. De platy is gemakkelijk te verwarren met de nauw verwante Xiphophorus variatus. Deze is echter wat groter. Er komen ook kruisingen voor. Van nature: Van nature komen platy’s voor in rustig zoet water met ruime begroeiing. Ze eten wormen, kreeftjes, insecten en planten zoals algen. Platy’s zijn vreedzaam en leven in groepen. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. U kunt kiezen voor een bak met alleen platy’s, maar ze zijn ook geschikt om in gezelschapsaquaria te houden met andere soorten, bijvoorbeeld guppy’s of neontetra’s. Platy’s maken gebruik van alle waterlagen, maar het meest van de middelste laag. Om platy’s te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste 50 tot 60 centimeter lang. Neem altijd meer vrouwtjes dan mannetjes, omdat de mannetjes de vrouwtjes blijven opjagen om te paren. Eén mannetje per twee tot vier vrouwtjes werkt het beste. Hoewel platy’s bestand zijn tegen temperaturen tussen 20°C en 26°C, is een watertemperatuur rond 24°C het beste voor hen. De pH-waarde (zuurgraad) van het water hoort tussen 7 en 8 te liggen, de hardheid moet tussen 10 en 25 DH liggen. Een luchtpomp, een waterfilter en verlichting horen ook tot de basisuitrusting van het aquarium. Waterplanten doen dienst als schuilplaats voor de jonge visjes en helpen de waterkwaliteit op peil te houden. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor platy’s is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: U kunt allerlei soorten voer gebruiken voor de platy’s, zoals droogvoer, diepvriesvoer zoals Artemia (pekelkreeftjes, geschikt voor jonge platy’s) en levend voer zoals watervlooien, Tubifex of muggenlarven . Laat diepvriesvoer wel eerst ontdooien. Voor pasgeboren platy’s verkruimelt u het droogvoer. Platy’s eten ook graag algen en ander groenvoer. Voer zoveel als de vissen in één tot twee minuten op eten. Bewaar het potje droogvoer niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Bij platy’s is het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes gemakkelijk te zien. Niet alleen is het mannetje vaak kleiner dan het vrouwtje, ook de aarsvin ziet er anders uit. Bij de mannetjesplaty is deze omgevormd tot een paringsorgaan, het gonopodium. Omdat de platy levendbarend is, moet de bevruchting van het vrouwtje inwendig gebeuren. Vrouwtjesplaty’s kunnen in de loop van hun leven in een mannetje veranderen. De vrouwtjes kunnen het sperma opslaan en verdelen over meerdere bevruchtingen. Zwangere vrouwtjes zijn te herkennen aan een donkere vlek op hun achterlijf. De zwangerschap duurt vier tot zes weken. Het vrouwtje krijgt per keer gemiddeld twintig tot veertig jongen. Grotere vrouwtjes krijgen vaak meer jongen dan kleine vrouwtjes. De jonge platy’s zorgen voor zichzelf. Ze hebben wel een verstopplaats nodig in bijvoorbeeld drijvende waterplanten, anders worden ze opgegeten. Na ongeveer drie maanden kunnen platy’s zichzelf alweer voortplanten, hoewel er ook typen zijn waarbij dit langer duurt, voor vrouwtjes soms zelfs meer dan een jaar. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Platy’s kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen en kieuwwormen voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Columnaris ziekte lijdt vooral tot aantasting van de huid en kieuwen en kan zich snel uitbreiden tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium. Deze tast de organen van de vis aan. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Belangrijk is dus om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook om de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg wel dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Platy’s kunt u kopen bij de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Een platy is een goedkope vis, per stuk bent u ongeveer een tot enkele euro’s kwijt. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Neontetrahttp://www.animalqueen.nl/c-1984200/neontetra/ De neontetra is een opvallende, relatief gemakkelijk te houden vis voor het tropisch aquarium. Neontetra’s zijn echte scholenvissen waar u het beste een heel groepje van kunt houden. Door hun felle kleuren leveren deze visjes een prachtig schouwspel op als zij als school door uw aquarium zwemmen. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de neontetra het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De neontetra is een veel gehouden aquariumvis. Hij behoort tot de familie van de karperzalmen. Neontetra’s zijn scholenvissen, afkomstig uit de bovenloop van het Amazonegebied in Venezuela, Colombia en Brazilië. Ze zijn prachtig gekleurd met een rood onderlijf en een felle blauwe lengtestreep. De buik is zilverwit. Daarmee onderscheidt de neontetra zich van de kardinaaltetra, waar hij vaak mee verward wordt. Die heeft echter een rode buik. Neontetra’s zijn maximaal vier centimeter lang. Een opvallend kenmerk van de neontetra is dat de vis zijn kleuren laat vervagen als het licht uit is. Zo zorgt hij ervoor dat hij niet opvalt als hij rust. Na het aangaan van het licht moet de vis dus eerst weer even op kleur komen. Neontetra’s kunnen vijf tot tien jaar oud worden. Verschillende varianten: Hoewel de natuurlijke vorm van de neontetra al erg mooi is om te zien, zijn er ook een paar kweekvormen bekend. Er bestaat bijvoorbeeld een vorm die in plaats van de blauwe streep alleen wat blauw op de kop heeft ("diamond head"), er is een goudneon die een geel, haast doorschijnend lichaam heeft met een minder duidelijke blauwe streep, en er zijn vormen met lange vinnen. Van nature: Neontetra’s zijn echte scholenvissen die in grote groepen leven. Van nature komen ze voor in rustig, schemerig zoet water met ruime begroeiing. Dit water is vrij zacht en een beetje zuur. Ze eten zowel plantaardig voer als wormen, kreeftjes en kleine insecten. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. U kunt kiezen voor een bak met alleen een groep neontetra’s, maar omdat het erg vreedzame visjes zijn, kunt u ze ook in een gezelschapsaquarium houden. Kies er dan geen soorten bij die de neontetra’s lastig vallen, zoals barbelen, en geen te grote soorten die de neontetra’s als voedsel kunnen zien. Omdat de neontetra een echte scholenvis is, wordt aangeraden om tenminste vijf exemplaren te houden, maar liefst meer. Neontetra’s hebben ruimte nodig om als school heen en weer te kunnen zwemmen. Ze gebruiken vooral de middelste waterlaag. Om neontetra’s te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste 60 centimeter lang, liefst langer. De watertemperatuur moet rond 24°C liggen. De pH-waarde (zuurgraad) van het water mag niet te hoog zijn, tussen 6 en 7 is het beste. Neontetra’s hebben vrij zacht water nodig tot ongeveer 8 DH. Een luchtpomp, een waterfilter en verlichting horen ook tot de basisuitrusting van het aquarium. Op een donkere bodembedekking komen de kleuren van de vissen goed uit. Planten zijn nodig, zodat de neontetra’s voldoende schuilplaatsen hebben. Drijfplantjes zorgen voor een wat schemerige omgeving, waar deze tetra zich van nature prettig in voelt, omdat hij niet van fel licht houdt. Ook helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Als u ook wilt kweken met de neontetra’s, dan luistert de inrichting en de waterkwaliteit nogal nauw. Ze hebben dan het liefst een temperatuur van 24°C, een lage pH van 6 en erg zacht water met een totale hardheid onder 4 DH. Er moeten planten aanwezig zijn om de eieren tegen af te zetten en als schuilplaatsen voor de jonge vissen. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor neontetra’s is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Neontetra’s kunt u voeren met droogvoer, diepvriesvoer en levend voer zoals watervlooien, Tubifex of muggenlarven. Laat diepvriesvoer wel eerst ontdooien. Voor pasgeboren neontetra’s kunt u rotiferen, infusoriën of gekookte eidooier gebruiken. Met levend voer moet u wel oppassen voor neontetraziekte. Voer zoveel als de vissen in één tot twee minuten opeten. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Bewaar het potje droogvoer niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het kweken met neontetra’s is niet eenvoudig. De watersamenstelling luistert erg nauw. Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is bij de neontetra moeilijk te maken. De mannetjes zijn wat slanker dan de vrouwtjes. Doordat de vrouwtjes een rondere buik hebben, lijkt er een kronkel te zitten in de blauwe lijn die over het midden van het lichaam loopt. Het vrouwtje legt per keer soms wel 130 eieren. Deze worden in het water bevrucht door het mannetje. Ze worden afgezet tussen bladeren. De eieren mogen niet te fel verlicht worden. Neontetra’s kennen geen broedzorg en eten hun eigen eieren ook op. Het aantal jongen is dan ook lager dan het aantal eieren. Na één tot twee dagen komen de overgebleven eieren uit. Ongeveer vijf dagen na het uitkomen zwemmen de jongen vrij rond. Na een maand hebben ze hun volwassen afmeting en kleur. Als de jongen vijf tot zes maanden oud zijn, kunnen ze zichzelf voortplanten. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm of een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Neontetraziekte is een aandoening die wordt veroorzaakt door de parasiet Pleistophora hyphessobryconis. De ziekte wordt ook wel "Pleistophora" genoemd en kan ook bij andere vissoorten voorkomen. Neontetraziekte wordt verspreid via nieuwe vissen of via levend voer. De vissen krijgen last van vervagende kleuren, rusteloosheid, bobbels op het lichaam, kunnen niet meer goed zwemmen, het lichaam kan krom groeien en uiteindelijk gaat de vis dood. Er is geen genezing mogelijk. Haal levend voer dus altijd bij een vertrouwde leverancier of kweek het zelf en zet nieuwe vissen liefst eerst in een quarantainebak. Naast neontetraziekte kunnen neontetra’s, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen zoals Trichodina en Ichthyobodo en kieuwwormen zoals Dactylogyrus of Gyrodactylus voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Een voorbeeld is columnaris ziekte. Dit lijdt tot oppervlakkige aantasting van de huid en kieuwen, die zich snel uitbreidt tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium marinum. Deze tast de organen van de vis aan en veroorzaakt granulomen, kleine geelachtige bolletjes tussen en in de organen. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Bij dergelijke gevallen is het belangrijk om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook om de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg wel dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Neontetra’s kunt u kopen bij de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Een neontetra is een goedkope vis, per stuk bent u één tot enkele euro’s kwijt. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Marmerbijlzalmhttp://www.animalqueen.nl/c-1984198/marmerbijlzalm/ De marmerbijlzalm is zowel letterlijk als figuurlijk een vis die er uit springt, figuurlijk vanwege zijn aparte lichaamsbouw met diepe borst, maar ook letterlijk omdat deze vis boven het water uitspringt en zo daadwerkelijk stukjes vliegt! Een afdekruit mag dan ook niet ontbreken. Bijlzalmen zijn interessante vissen, geschikt voor aquariumhouders met enige ervaring. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de marmerbijlzalm het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De marmerbijlzalm behoort tot de familie van de bijlzalmen. Het zijn scholenvissen, afkomstig uit het Amazonegebied in Zuid-Amerika. De familie van de bijlzalmen bestaat uit verschillende soorten die wat huisvesting en verzorging betreft erg op elkaar lijken. De marmerbijlzalm, Carnegiella strigata, wordt hier behandeld omdat dit een populaire aquariumvis is, maar de gegeven richtlijnen gelden ook voor de andere leden van de bijlzalmfamilie. Bijlzalmen vallen op door hun afwijkende lichaamsbouw. Ze hebben een erg diepe borst. Bijlzalmen springen boven het water uit om insecten te vangen of als ze vluchten. Ze kunnen dan wel twee tot drie meter ver over het wateroppervlak "vliegen". Dit is niet alleen een zeilvlucht, ze gebruiken ook hun borstvinnen om vliegbewegingen mee te maken. De marmerbijlzalm is glanzend zilverbruin met schuine zwarte banden. Over de bovenste helft van het lichaam loopt een horizontale gele streep. Ze worden ongeveer 3,5 centimeter lang. De marmerbijlzalm kan vier tot vijf jaar oud worden. Verschillende varianten: Er komen verschillende kleurpatronen voor bij de marmerbijlzalm, afhankelijk van de vangstlocatie. Andere soorten bijlzalmen die in aquaria voorkomen zijn Carnegiella marthae (dwergbijlzalm), die kleiner is dan de marmerbijlzalm en in plaats van de zwarte banden alleen een zwarte streep langs de onderste buikrand heeft, Gasteropelecus sternicla (gewone bijlzalm) die tot ongeveer zes centimeter lang is en veel gezien wordt in aquaria, Gasteropelecus maculatus (gestippelde bijlzalm) en Gasteropelecus levis (zilverbijlzalm). Een grotere soort is Thoracocharax securis (diamantbijlzalm) die zilver gekleurd is en bijna zeven centimeter lang wordt. Deze is nogal schuw en wordt niet vaak in de handel gezien. Van nature: Bijlzalmen leven in grote groepen. Van nature komen ze voor in open water en in kleine stroompjes met veel plantengroei in het Amazonegebied. Ze eten vooral kleine kreeftjes en insecten, die ze van het wateroppervlak happen. Ze leven dan ook vlak onder het wateroppervlak. Als ze schrikken of moeten vluchten voor een roofdier, springen ze boven het water uit. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Omdat bijlzalmen erg vreedzame vissen zijn, kunt u hen goed in een gezelschapsaquarium houden. Kies er dan geen te actieve soorten bij die de bijlzalm lastig vallen en geen agressieve soorten. Het is aan te raden om tenminste vijf exemplaren te houden, zodat ze hun natuurlijke scholengedrag kunnen uitvoeren, maar liefst nog meer. Bijlzalmen hebben open zwemruimte nodig om als school heen en weer te kunnen zwemmen. Ze gebruiken vrijwel alleen de bovenste waterlaag. Om marmerbijlzalmen te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste zestig centimeter lang. Voor de grotere bijlzalmen zoals Thoracocharax securis heeft u een aquarium van tenminste een meter lang nodig. Voor deze laatste soort is schoon en zuurstofrijk water erg belangrijk. Het aquarium moet afgedekt zijn omdat de vissen er anders uit zullen springen. De watertemperatuur moet tussen 24°C en 28°C liggen. De pH-waarde (zuurgraad) van het water mag niet te hoog zijn, tussen 5,5 en 7,5 is het beste. Bijlzalmen hebben graag water met een totale hardheid tussen ongeveer 4 en 18 DH. Een waterfilter en verlichting horen ook tot de basisuitrusting van het aquarium. Bijlzalmen houden van wat stroming in het water. Planten zijn nodig, zodat de bijlzalmen voldoende schuilplaatsen hebben. Bovendien houden ze niet van fel licht. Drijfplantjes zorgen voor een wat schemerige omgeving waar bijlzalmen zich van nature prettig in voelen. Ook helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Kweken met bijlzalmen is moeilijk, maar wilt u het proberen, dan kunt u het beste een aparte kweekbak gebruiken waarin de pH rond de 6 ligt en de hardheid rond 5 DH. De verlichting moet zwak zijn omdat de eieren niet goed tegen licht kunnen. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor marmerbijlzalmen is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Bijlzalmen eten dierlijk, drijvend voer, bijvoorbeeld levend voer zoals zwarte muggenlarven, fruitvliegjes, watervlooien of Tubifex. U kunt hen ook wennen aan droogvoer. Voer dat naar de bodem zakt, eten ze niet meer op. Voer zoveel als de vissen in één tot twee minuten op hebben. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Bewaar het potje droogvoer niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is nauwelijks te zien. Als de vrouwtjes eieren bij zich dragen, hebben ze een iets dikkere buik en zijn de eieren zichtbaar. Het vrouwtje zet de eieren af tussen bladeren. Ze vallen dan op de bodem. De eieren mogen niet te fel verlicht worden. Bijlzalmen kennen geen broedzorg. Soms eten ze hun eigen eieren op. Vang dus de ouders weg of gebruik een eierrooster. Na ongeveer dertig uur komen de eieren uit. Vijf dagen na het uitkomen zwemmen de jongen vrij rond. Ze zijn dan erg klein en moeten gevoerd worden met infusoriën. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Bijlzalmen kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen en kieuwwormen voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Columnaris ziekte lijdt vooral tot aantasting van de huid en kieuwen en kan zich snel uitbreiden tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium marinum. Deze tast de organen van de vis aan. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Belangrijk is dus om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is enige ervaring nodig. De marmerbijlzalm is wat sterker en daardoor gemakkelijker te houden dan sommige andere bijlzalmsoorten . Zorg dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Een marmerbijlzalm koopt u bij de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. De marmerbijlzalm kost vanaf enkele euro's per stuk. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Er zijn ook kosten die terugkeren, zoals bijvoorbeeld de aanschaf van voer. Omdat bijlzalmen vooral levend voer eten, bent u hier wat meer geld aan kwijt dan bij vissen die met alleen droogvoer toe kunnen. Overige terugkerende kosten zijn die voor testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Maanvishttp://www.animalqueen.nl/c-1984196/maanvis/ Maanvissen zijn rustige, sierlijke scholenvissen met een opvallende volle maan vorm en lange vinnen. Door hun afgeplatte lichaam zijn ze erg wendbaar. Een groepje maanvissen beweegt zich dan ook gemakkelijk tussen planten met lange, vertikale bladeren. Maanvissen zijn gevoelig voor de waterkwaliteit, maar heeft u uw aquariumwater goed onder controle, dan is de maanvis verder niet moeilijk te verzorgen. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de maanvis het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De maanvis behoort tot de familie van de cichliden. Het zijn scholenvissen, afkomstig uit het Amazonegebied. Maanvissen heten zo, omdat hun lichaam een ronde, vertikaal in het water staande schijf is, zoals een volle maan. Oorspronkelijk zijn ze licht zilvergrijs gekleurd met vertikale zwarte strepen. Bij schrik of stress trekken de kleuren van de maanvis weg. Volwassen maanvissen kunnen ongeveer tien centimeter lang en vijftien centimeter hoog worden, afhankelijk van de kweekvariant. Kweekdieren worden gemiddeld zo’n vijf jaar oud. Verschillende varianten: Er bestaan diverse kweekvormen van de maanvis. Deze kunnen allerlei kleuren hebben zoals goud, zwart, wit, blauw of rood, en verschillende aftekeningen zoals vlekken, strepen of een gemarmerd patroon. Er bestaan bovendien langvinnige en sluierstaartvarianten. Naast de "gewone" Pterophyllum scalare zijn er nog drie verwante maanvissensoorten, namelijk Pterophyllum altum, die meer dan 25 centimeter hoog kan worden, Pterophyllum dumerilii en Pterophyllum leopoldi. Deze soorten komen echter veel minder voor in aquaria. Van P. altum en P. leopoldi is af en toe nakweek verkrijgbaar. Van nature: Maanvissen zijn vreedzame vissen die in groepen leven. Van nature komen ze voor in warm en schemerig, langzaam stromend water tussen boomwortels en planten. Dit water is zacht en een beetje zuur. Door zijn vorm is de maanvis erg wendbaar en kan hij gemakkelijk tussen planten en wortels door zwemmen. Maanvissen zwemmen niet snel en houden niet van sterk stromend water, omdat ze dan worden meegesleurd. Door hun vertikale strepen vallen ze niet op tussen de waterplanten. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Maanvissen kunnen samen met andere vissen gehouden worden, maar omdat ze op hun rust gesteld zijn, kunt u er het beste rustige soorten bij kiezen. Kies niet voor erg kleine medebewoners zoals tetra’s, want die worden door de maanvissen voor voer aangezien. Kies ook geen vissen die de vinnen van de maanvis zullen beschadigen, zoals de sumatraan of andere barbelen. Houd minstens zes exemplaren, zodat de vissen hun natuurlijke scholengedrag kunnen uitvoeren. Neem een even aantal, zodat er geen enkele vissen overblijven als ze koppels vormen. Maanvissen zwemmen niet zo veel. Ze gebruiken vooral de middelste waterlaag. Om maanvissen te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste 120 centimeter lang en minimaal 50 centimeter hoog. De watertemperatuur moet tussen 24°C en 28°C liggen. De pH-waarde (zuurgraad) van het water mag niet te hoog zijn, tussen 6 en 7 is het beste. Maanvissen hebben liefst zacht water met een totale hardheid tot ongeveer 12 DH en een lage kaliumhardheid onder 4 DH. Een waterfilter en verlichting horen tot de basisuitrusting van het aquarium. Het water mag niet te sterk stromen. Houd er rekening mee dat de maanvis niet van fel licht houdt. Drijfplantjes zorgen voor een wat schemerige omgeving die op de natuurlijke onderwaterwereld van de maanvis lijkt. Daarnaast helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Planten met lange, vertikaal groeiende bladeren passen het beste bij de maanvis. Wilt u met de maanvis kweken, dan kunt u het beste een aparte kweekbak gebruiken met water van 28°C. Er moet een vertikaal oppervlak zijn om de eieren op af te zetten, zoals een afzetkegel van aardewerk of PVC of breedbladige planten. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor maanvissen is om wekelijks ongeveer een derde van het water te vervangen. Om te zorgen voor de juiste zuurgraad en hardheid kunt u het mengen met osmosewater, wat u kunt maken met een osmoseapparaat dat u in de aquariumspeciaalzaak koopt. Zorg ervoor dat het verse water eerst de goede samenstelling heeft voor u het in het aquarium doet. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Maanvissen eten voornamelijk dierlijk voer, het liefst levend voer, zoals muggenlarven, watervlooien of Tubifex, maar ook wel droogvoer. Daarnaast kunt u diepvriesvoer geven, laat dit wel eerst ontdooien. Geef weinig of geen muggenlarven, deze kunnen vissen-TBC overbrengen, ook als ze bevroren geweest zijn. Maanvissen eten ook andere, kleine vissen, zoals de jongen van hun soortgenoten. Afwisseling in het voer is belangrijk om de vissen gezond te houden. Jonge maanvissen kunt u voeren met Artemia of watervlooien. Voer zoveel als de vissen in één tot twee minuten op kunnen eten, zodat er geen voerresten overblijven. Als de maanvissen weigeren te eten, kan dit een teken zijn dat het water vervuild is. Als u ook droogvoer geeft, zet het potje dan niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is alleen te zien aan de geslachtspapil, een verdikking bij de aars. Deze is bij de vrouwtjes groter dan bij de mannetjes. Dit is met name in de paartijd te zien. Maanvissen vormen paren die zich afzonderen en een territorium verdedigen. Daarbij willen ze hun partner zelf kunnen kiezen. Voor ze eieren afzetten, poetsen ze eerst een stuk schoon op de afzetkegel of ander substraat. Daarna zet het vrouwtje de eieren af in slierten die samen een plakkaat vormen. Vervolgens zwemt het mannetje over de eieren heen om ze te bevruchten. Er worden enkele honderden eieren gelegd. De ouders bewaken deze goed, bewaaieren ze en verwijderen zelfs dode eieren. Na twee tot drie dagen komen de jongen uit en blijven dan eerst met draden hangen aan het substraat. Na een dag of vijf zwemmen de jongen vrij rond. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastig vallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm of een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Maanvissen zijn net als andere cichliden gevoelig voor "gaatjesziekte". Hierbij ontstaan gaatjes in de huid van de kop. Dit kan worden veroorzaakt door een tekort aan mineralen in het water en gaat vaak samen met een infectie door de flagellaat Hexamita (Octomitus). Maanvissen kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen zoals Trichodina en Ichthyobodo en kieuwwormen zoals Dactylogyrus of Gyrodactylus voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Een voorbeeld is columnaris ziekte. Dit lijdt tot oppervlakkige aantasting van de huid en kieuwen, die zich snel uitbreidt tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Bacteriën kunnen ook "witte vlek ziekte" veroorzaken, waarbij witgrijze vlekken op de huid en de vinnen te zien zijn Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium marinum. Deze tast de organen van de vis aan en veroorzaakt granulomen, kleine geelachtige bolletjes tussen en in de organen. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan dat bij maanvissen voorkomt is vinrot. Bij dergelijke gevallen is het belangrijk om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook om de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg wel dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium en houd de waterkwaliteit goed in de gaten. Aanschaf en kosten: Maanvissen kunt u kopen in een aquariumspeciaalzaak of bij een kweker. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. De maanvis is niet zo duur in aanschaf. Jonge maanvissen zijn te vinden vanaf enkele euro’s, volwassen exemplaren kosten vanaf zo’n tien euro. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Houd er rekening mee dat u een vrij grote bak nodig heeft. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Koihttp://www.animalqueen.nl/c-1984195/koi/ De koi is een bekende vijvervis die door de veelheid aan kleurpatronen met hun Japanse namen en zijn geschiedenis tot de verbeelding spreekt. De koi kent dan ook vele fervente liefhebbers die soms enorme prijzen voor een fraai gekleurd exemplaar neertellen. Voor de wat meer ervaren vijvereigenaar valt veel plezier te beleven aan deze fraaie vissen. Met een goede verzorging in een ruime vijver kunnen deze dieren relatief hoge leeftijden bereiken. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de koi het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De koi is een kweekvariëteit van de gewone karper (Cyprinus carpio). Oorspronkelijk heet hij Nishikigoi, wat zoiets betekent als "karper met kleurig kleed". Andere gebruikte namen zijn (Japanse) kleurkarper en brokaatkarper. De koi is dan ook een vis met opvallende, felle kleuren. De meningen over de precieze geschiedenis van deze vis verschillen, maar er wordt aangenomen dat in Japan vanaf de 19e eeuw wordt gekweekt met koi als siervis. Vanaf 1914 werd de koi ook buiten Japan bekend. In kleine vijvers wordt een koi meestal niet groter dan 50 centimeter. Als ze genoeg ruimte hebben kunnen ze echter groter worden. Koi kunnen heel oud worden, hun gemiddelde levensverwachting ligt tussen 18 en 40 jaar. Verschillende varianten: Er zijn veel verschillende koi varianten. Deze verschillen van elkaar in kleur en patroon. Ze hebben allemaal een Japanse naam. Daarnaast worden er in de Japanse naam beschrijvende termen gebruikt, zoals wel of geen schubben. Bekende namen zijn: Kohaku: dit is een witte koi met rode patronen; (Taisho) Sanke: dit is een witte koi met rode en zwarte patronen, maar zonder zwart op de kop; Showa (Sanshoku): dit is een Sanke met meer zwart, ook op de kop; Tancho, een witte koi met een rode ronde vlek op de kop, zoals de Japanse vlag, en eventueel nog zwarte of rode aftekening op het lijf. Er worden koi gekweekt in Japan, Israel en Europa. Van nature: De koi komt niet voor in het wild. Koi zijn actieve vissen, die de hele dag op zoek zijn naar voedsel. Ze wroeten hierbij door de bodem, maar nemen ook voedsel op dat aan het wateroppervlak te vinden is. Huisvesting: Koi kunnen het beste in een buitenvijver gehouden worden. De minimale diepte voor het midden van de vijver is anderhalve meter. Jonge koi kunnen ook in een aquarium gehouden worden, maar ze zullen snel te groot worden en toch naar een vijver moeten verhuizen. Het water in de vijver moet helder zijn en er moet een stroming staan. De koi zwemt in alle lagen van het water. Koi kunnen overleven bij watertemperaturen van ongeveer 4°C tot 31°C. De temperatuur waar ze zich prettig bij voelen ligt echter tussen de 15°C en 25°C. Als u uw vijver in de winter laat bevriezen, kunt u gebruik maken van een bellenbaan of een ijsvrijhouder om een open plek te houden. Heeft u deze niet, dan kunt u ook een bos stro in het water hangen. Op deze plek kan dan gasuitwisseling plaatsvinden. Koi hebben felle kleuren en zijn makkelijk te zien voor vijanden, zoals reigers of katten. In een goede vijver zijn plaatsen die zo diep zijn dat een reiger er niet kan staan en zijn de randen zo hoog dat een kat niet bij het water kan. Koi kunnen het beste samen met andere koi gehouden worden. Ook kunnen ze met veel andere vijverdieren gehouden worden, zoals kikkers, goudvissen en andere vissen. Visseneitjes en visjes kleiner dan drie centimeter kunnen opgegeten worden door de koi. Ammoniak en nitriet ontstaan als afvalstoffen en zijn erg giftig voor vissen. Een koivijver heeft een goed mechanisch en biologisch filter nodig om het water schoon te houden. Ook planten kunnen bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Koi staan er echter om bekend dat ze alles loswroeten dat in de vijver staat, dus het is erg lastig om planten bij koi te zetten. Dit wroeten maakt bovendien het water troebel. Het is wel mogelijk om naast een mechanisch en biologisch filter ook een plantenfilter te maken. Dit is een apart gedeelte waar planten in staan, waar het water van uw koivijver doorheen stroomt. Om het water helder te houden kan ook gebruik gemaakt worden van UV-licht en een ozon-apparaat. Geschikt water voor koi heeft een pH waarde tussen de 7 en 8. De hardheid moet tussen 5 en 15 DH liggen. Verzorging: Controleer regelmatig het water op verschillende eigenschappen. Belangrijk is het zuurstofgehalte, maar ook de hardheid en de pH-waarde moeten in de gaten gehouden worden. Het nitriet- en ammoniumgehalte van het water geeft aan of het filter voldoende werkt, de meetwaarden horen voor beide nul te zijn. Testsetjes kunt u kopen in de aquariumspeciaalzaak of een tuincentrum met vijverafdeling. Als de gemeten waarden niet goed zijn, kunt u daar tevens terecht voor producten waarmee u deze kunt bijstellen. Probeer natuurlijk ook de oorzaak te achterhalen en de noodzakelijke aanpassingen te doen, bijvoorbeeld door een luchtpompje aan te brengen, een groter filter te gebruiken of minder te voeren. Het is belangrijk om het filter van uw koivijver goed te onderhouden. De filtermaterialen van het mechanische filter moeten regelmatig uitgespoeld worden in vijverwater. De frequentie van de spoelingen is afhankelijk van het aantal vissen dat u heeft en de kwaliteit van het voer. U kunt koi uit de hand voeren, op deze manier kunnen ze erg tam worden. Tijdens het voeren kunt u uw koi goed observeren, hierdoor zult u ziekten snel opmerken. Voeding: Koi zijn omnivoor, ze eten dus dierlijk en plantaardig voedsel. Ze worden meestal gevoerd met speciale koipellets. Dit voer is te koop in de dierenspeciaalzaak. U kunt dit eventueel aanvullen met bijvoorbeeld sla en regenwormen. Er zijn verschillende soorten koivoer, namelijk wintervoer en zomervoer. Het zomervoer is veel zwaarder verteerbaar dan het wintervoer. Als het kouder wordt, vertraagt de spijsvertering van de koi en kan zelfs stil komen te staan. Als het water onder de 16°C komt, is aan te raden om het licht verteerbare wintervoer te geven. Als de temperatuur in de lente weer rond vijftien graden Celsius komt, kunt u steeds meer zomervoer door het wintervoer gaan mengen. Op deze manier kunnen de koi weer langzaam wennen. Als de temperatuur van uw vijver in de winter erg laag wordt, rond 5°C, kunt u beter helemaal stoppen met voeren. Als u aan het eind van een seizoen voer over heeft, gooi dit dan weg als de houdbaarheidsdatum na de winter verstreken is. Gebruikt u voer dat over de houdbaarheidsdatum is, dan is de kans groot dat uw koi er ziek van worden. In de zomer geeft u twee tot drie keer per dag een hoeveelheid voer die uw koi in ongeveer vijf minuten opeten. Het lijkt misschien of uw koi hier niet genoeg aan hebben, omdat ze altijd door blijven eten. Koi zullen echter niet uit zichzelf stoppen met eten, zelfs als ze meer dan genoeg voer gehad hebben. Als u uw koi te veel voedsel geeft, worden ze te dik, waarbij de organen vervetten en niet meer goed kunnen functioneren. Bovendien leidt dit tot vervuiling van het water door een overmaat aan afvalstoffen. Voortplanting: Het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is bij koi vaak lastig te zien. Als ze ongeveer 25 centimeter lang zijn, beginnen er wat verschillen op te treden. De mannetjes zijn meestal wat slanker en kleiner dan de vrouwtjes. Ook hebben de mannen puntige borstvinnen. Vanaf een leeftijd van twee tot drie jaar zijn koi geslachtsrijp. Het vrouwtje legt, meestal in de lente, tienduizenden eitjes in de vijver, die daarna door het mannetje bevrucht worden. De eitjes worden vaak opgegeten door de ouders, na ongeveer zeven dagen komen de overgebleven eitjes uit. Als de vader en moeder mooie kleuren of patronen hebben, betekent dat niet dat de jongen dat ook altijd hebben. De patronen van de jongen kunnen bovendien sterk veranderen. Na een tot twee maanden zijn de visjes drie tot acht centimeter lang. Na ongeveer drie jaar weegt een koi 1.200 tot 1.800 gram. Ziekten en aandoeningen: Gezonde koi zijn actief, hebben goed aansluitende schubben, een goede eetlust en geen beschadigingen aan de vinnen. De meeste ziekten die voorkomen bij koi zijn primair te wijten aan een slechte leefomgeving. Het is natuurlijk beter om deze ziekten te voorkomen door een goede huisvesting en verzorging te bieden dan hen te moeten genezen. Een zieke koi zal zich vaak afzonderen van de rest van de groep. Daarnaast is een ziek dier te herkennen aan lusteloosheid, een verminderde eetlust en happen naar zuurstof aan het wateroppervlak. Koi kunnen last hebben van allerlei parasieten, bacteriële infecties en schimmelwoekeringen. Parasieten komen vooral in het begin van de lente voor, als de watertemperatuur weer hoger wordt. Schimmelwoekeringen kunnen voorkomen na verwonding, door stress of door een slechte waterconditie. Schimmel bij een vis ziet er uit als een gezwel dat lijkt op watten, dit kan voorkomen op de huid, de vinnen of de kieuwen. Bacteriële infecties kunnen de huid, vinnen, staart of kieuwen van uw koi wegvreten. Een voorbeeld daarvan is de gatenziekte, ook wel karper erythrodermatitis genoemd. Dit wordt veroorzaakt door de bacterie Aeromonas salmonicida. Bij deze ziekte ontstaan er zweren tot diep in het spierweefsel van de vis, met een rode en witte rand. Therapie hangt af van een antibioticumtest, door een laboratorium uit te voeren. Ook kunnen karpers lijden aan columnaris ziekte door de bacterie Flavobacterium columnare, waarbij er witte oppervlakkige huidwonden ontstaan, vaak beginnend bij de rugvin en zich als een sigarenbandje verspreidend naar onder. Secundaire bacteriën doen daarbij vervolgens vaak de vis de das om. Dergelijke infecties kunnen ook voor ademhalingsproblemen zorgen. Net als veel andere vissen kan een koi een zwemblaasaandoening hebben. Hierdoor heeft hij moeite om op de juiste diepte te zwemmen of kan hij scheef gaan zwemmen. Een virusziekte die alleen bij karpers en koi voorkomt is het Koi Herpes Virus (vaak afgekort als KHV). Deze ziekte komt vooral voor bij wat grotere vissen boven tien centimeter. De symptomen zijn vaak extreme kieuwontsteking (vlekkerige kieuwen), een ruwe huid, zeer veel slijmproductie, ingevallen ogen en soms bleke ringen op de huid. Deze ziekte is besmettelijk en dodelijk. Er is geen geneesmiddel voor dit virus beschikbaar, maar soms helpt het tijdelijk verhogen van de watertemperatuur naar boven de 28°C om de ziekte te onderdrukken. Doe dit altijd in overleg met een dierenarts. Het virus blijft daarbij echter aanwezig. Als u vermoedt dat uw vissen dit virus hebben, kunt u ze hierop laten testen. U kunt hiervoor contact opnemen met het visziektenlaboratorium van het CVI (Centraal Veterinair Instituut van de WUR in Lelystad). Daarnaast kunnen karper en koi voorjaarsviraemie van de karper (SVC) krijgen. Het SVC virus veroorzaakt met name in het vroege voorjaar ziekte in buitenvijvers of open water, als de karpers na een koude winter flink zijn ingeteerd op hun reserve en een verminderde weerstand hebben. Hieraan dankt de ziekte de naam voorjaarsviraemie. Als de watertemperatuur nog onder de 15-17°C is kan het virus toeslaan en een geleidelijk oplopende sterfte veroorzaken van 30%, afhankelijk van de omgevingsfactoren en de conditie van de vis. Boven de 20°C komen doorgaans geen uitbraken voor. Men kan de sterfte remmen door de watertemperatuur te verhogen naar meer dan 20°C. De verschijnselen van SVC zijn de volgende: eerst zondert de koi zich af en vertoont donkerkleuring, dan ontstaan uitpuilende ogen, een opgezette buik door veel buikvocht, puntbloedingen in de huid en kieuwen (en inwendig in vet, zwemblaas, andere inwendige organen en in de spieren), bloedarmoede, een wittige slijmdraad uit de anus, steeds slomer worden en uiteindelijk sterfte van de koi. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. Start nooit zomaar met een behandeling als u denkt dat uw koi ziek is. Vraag advies aan een expert, zoals een gespecialiseerde dierenarts of vijverspeciaalzaak. Laat bij ernstige ziekteproblemen vis onderzoeken bij het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het houden van koi is het belangrijk dat u kennis heeft van biologisch evenwicht en waterhuishouding. Het aanleggen van een goede koivijver is niet zo eenvoudig. Koi zijn daarom minder makkelijke dieren om te houden voor mensen zonder ervaring. Aanschaf en kosten: Koi kunt u kopen bij een aquarium- of vijverspeciaalzaak. Kies actieve dieren met gave schubben en vinnen. De prijs van koi varieert heel erg. Een kleine koi zonder bijzondere tekening koopt u vanaf zo'n vijftien euro. Een grote koi, met mooie kleuren en patronen is duurder en kan wel een paar duizend euro kosten. Ook het aanleggen en inrichten van de vijver en het voer kosten geld. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als uw dier onverhoopt ziek wordt. (Bron: www.licg.nl)Kardinaaltetrahttp://www.animalqueen.nl/c-1984194/kardinaaltetra/ De felle rode en blauwe kleuren en zijn vreedzame aard maken de kardinaaltetra populair bij veel aquariumbezitters. Als u de waterkwaliteit goed op peil houdt zijn kardinaaltetra’s niet moeilijk te verzorgen. Een groepje van deze mooie visjes is dan ook uitstekend geschikt voor het gezelschapsaquarium. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de kardinaaltetra het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De kardinaaltetra is een veel gehouden aquariumvis die behoort tot de familie van de karperzalmen. Kardinaaltetra's zijn scholenvissen, afkomstig uit de Rio Negro en Rio Orinoco in het Amazonegebied van Zuid-Amerika. Ze zijn prachtig gekleurd, de buik en het achterlijf zijn felrood en ze hebben een felle blauwe lengtestreep. Ze worden soms verward met de neontetra, die echter een witte buik heeft. Als het licht uit is, laat de kardinaaltetra zijn kleuren vervagen. Zo zorgt hij ervoor dat hij niet opvalt als hij rust. Als het licht weer aan gaat, moeten de kardinaaltetra's even op kleur komen. Kardinaaltetra’s zijn ongeveer vier centimeter lang. Ze kunnen in gevangenschap vijf tot tien jaar oud worden. Verschillende varianten: In de natuur komen verschillende vormen van de kardinaaltetra voor. Zo is er verschil tussen de populaties afkomstig uit de Rio Negro en die uit de Rio Orinoco. Bij de kardinaaltetra’s uit de Rio Negro loopt de blauwe streep helemaal door tot aan de staartvin, terwijl deze bij de kardinaaltetra’s uit de Rio Orinoco wat verder naar voren stopt. Van nature: Kardinaaltetra’s leven in grote groepen van meer dan duizend visjes. Van nature komen ze voor in rustig, schemerig zoet water met ruime begroeiing. Dit water is vrij zacht en een beetje zuur. Kardinaaltetra's eten wormen, kreeftjes en kleine insecten, maar ook plantaardig voer zoals algen. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. U kunt kiezen voor een aquarium met alleen een groep kardinaaltetra’s, maar omdat het erg vreedzame visjes zijn, kunt u ze ook in een gezelschapsaquarium houden. Kies er dan geen te grote soorten bij die de kardinaaltetra’s als voedsel kunnen zien. Omdat de kardinaaltetra een echte scholenvis is, wordt aangeraden om tenminste tien exemplaren te houden, maar liefst meer. Als u ook neontetra’s heeft, zullen de twee soorten ook samen in een school gaan zwemmen. Kardinaaltetra’s hebben open zwemruimte nodig om als school heen en weer te kunnen zwemmen. Ze gebruiken vooral de middelste waterlaag. Om kardinaaltetra’s te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste zestig centimeter lang, liefst langer. De watertemperatuur moet tussen 23°C en 28°C liggen. De pH-waarde (zuurgraad) van het water mag niet te hoog zijn, tussen 6 en 7 is het beste. Kardinaaltetra’s hebben vrij zacht water nodig tot ongeveer 8 DH. Een waterfilter en verlichting horen ook tot de basisuitrusting van het aquarium. Op een donkere bodembedekking komen de kleuren van de vissen goed uit. Planten zijn nodig, zodat de kardinaaltetra’s voldoende schuilplaatsen hebben. Bovendien houden kardinaaltetra’s niet van fel licht. Drijfplantjes zorgen voor een wat schemerige omgeving waar kardinaaltetra's zich van nature prettig in voelen. Ook helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Zelf kardinaaltetra’s kweken is erg lastig. Mocht u het willen proberen, dan luistert de inrichting en de waterkwaliteit nogal nauw. Het beste kunt u dan een aparte kweekbak gebruiken die vooraf goed ontsmet is. Zorg voor een temperatuur van 24°C tot 25°C, een lage pH van 6 en zacht water met een totale hardheid onder 6 DH. De verlichting moet zwak zijn. Er moeten planten aanwezig zijn om de eieren tegen af te zetten en als schuilplaatsen voor de jonge vissen. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor kardinaaltetra’s is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Kardinaaltetra’s kunt u voeren met droogvoer, diepvriesvoer en levend voer zoals watervlooien, Tubifex of muggenlarven. Laat diepvriesvoer wel eerst ontdooien. Ze eten daarnaast ook graag plantaardig voer. Pasgeboren kardinaaltetra’s kunt u hele kleine voerdiertjes geven, zoals pantoffeldiertjes. Voer één keer per dag zoveel als de vissen in één tot twee minuten opeten. Bewaar het potje droogvoer niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is niet zo duidelijk te zien. De mannetjes zijn slanker dan de vrouwtjes, die een rondere en ook wat blekere buik hebben. Het vrouwtje legt per keer soms wel vijfhonderd eieren. Deze worden in het water bevrucht door het mannetje. Ze worden afgezet tussen bladeren of boven Javamos. De eieren mogen niet te fel verlicht worden. Kardinaaltetra’s kennen geen broedzorg en eten hun eigen eieren ook op. Na ongeveer een dag komen de overgebleven eieren uit. Ongeveer vier dagen na het uitkomen, zwemmen de jongen vrij rond. Als de jongen negen maanden oud zijn, kunnen ze zichzelf voortplanten. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Kardinaaltetra’s kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen en kieuwwormen voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Columnaris ziekte komt regelmatig voor bij de kardinaaltetra. Dit lijdt vooral tot aantasting van de huid en kieuwen en kan zich snel uitbreiden tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC is een infectie met Mycobacterium, die de organen van de vis aantast. Het kan op de mens worden overgedragen en veroorzaakt dan huidwondjes waartegen antibiotica nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Belangrijk is dus om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook om de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg wel dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: U kunt kardinaaltetra’s kopen bij de dierenspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Een kardinaaltetra is een goedkope vis, per stuk bent u ongeveer anderhalve tot enkele euro’s kwijt. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Guppyhttp://www.animalqueen.nl/c-1984193/guppy/ Guppy’s behoren tot de bekendste aquariumvissen. Ze zijn interessant voor zowel beginnende aquariumhouders als voor mensen met meer ervaring. Guppy’s combineren goed met allerlei andere vissen en zijn daardoor geschikt voor het gezelschapsaquarium. Mannetjesguppy’s kunnen allerlei kleuren hebben. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de guppy het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De guppy is één van de bekendste aquariumvissen. Van oorsprong komen ze uit Zuid-Amerika. De mannetjes hebben vaak prachtig gekleurde staarten en vinnen. Vrouwtjes zijn overwegend grijsbruin gekleurd, maar de kweekvormen hebben vaak ook mooi gekleurde staarten. De lengte van een guppy ligt ongeveer tussen drie en zes centimeter, waarbij de vrouwtjes groter zijn dan de mannetjes. Guppy’s behoren tot de levendbarende tandkarpers. Dit betekent dat de vrouwtjes geen eieren leggen maar deze inwendig uitbroeden. Guppy’s worden niet zo oud, ze leven ongeveer een half tot twee jaar. Verschillende varianten: Guppy’s komen in verschillende kweekvarianten voor. Er bestaan allerlei kleurvormen van zowel vinnen als lichaam. Ook zijn er verschillen in staartvormen, zoals de vlagstaart, onderzwaard, rondstaart en speerstaart. Van nature: Guppy’s zijn vreedzaam en leven in groepen. Van nature komen guppy’s voor in zowel zoet als brak water. Ze gebruiken alle waterlagen, maar zwemmen het meest in de bovenste laag. Guppy's eten voornamelijk insectenlarven. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. U kunt kiezen voor een bak met alleen guppy’s, maar ze zijn ook geschikt om in gezelschapsaquaria te houden met andere soorten. Houd er wel rekening mee dat sommige andere soorten (zoals sumatraantjes) de staarten van uw guppen kunnen beschadigen. Om guppy’s te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste zestig centimeter lang. Neem altijd meer vrouwtjes dan mannetjes omdat de mannetjes de vrouwtjes blijven opjagen om te paren. Eén mannetje per twee tot vijf vrouwtjes werkt het beste. Zorg ervoor dat de watertemperatuur tussen de 23°C en 25°C ligt. De pH-waarde (zuurgraad) van het water hoort tussen 7 en 8. Guppen hebben het liefst water met een hardheid tussen 9 en 20 DH. Een luchtpomp, een waterfilter en verlichting horen ook tot de basisuitrusting van het aquarium. Zet planten in het aquarium, deze doen ook dienst als schuilplaats voor de jonge visjes en helpen de waterkwaliteit op peil te houden. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor guppy’s is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: U kunt allerlei soorten voer gebruiken voor de guppy’s, zoals droogvoer, diepvriesvoer zoals Artemia (pekelkreeftjes, geschikt voor jonge guppen) en levend voer zoals watervlooien, Tubifex of muggenlarven. Laat diepvriesvoer wel eerst ontdooien. Voor pasgeboren guppy’s verkruimelt u het droogvoer. Guppy’s eten ook graag algen en ander groenvoer. Voer één keer per dag zoveel als de vissen in één tot twee minuten opeten. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Bewaar het potje droogvoer niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Bij guppy’s is duidelijk onderscheid te maken tussen mannetjes en vrouwtjes. Niet alleen is het mannetje vaak kleurrijker en kleiner dan de vrouwtjes, ook de aarsvin ziet er anders uit. Bij de mannetjesgup is deze omgevormd tot een paringsorgaan, het gonopodium. Omdat de guppy levendbarend is, moet de bevruchting van het vrouwtje inwendig gebeuren. Guppy’s zijn ontzettend vruchtbaar, daarom worden ze ook wel "miljoenvisje" genoemd. Het vrouwtje krijgt per keer tien tot zeventig jongen. Grotere vrouwtjes krijgen vaak meer jongen dan kleine vrouwtjes. Bovendien kunnen vrouwtjes het sperma opslaan en verdelen over meerdere bevruchtingen. De zwangerschap duurt vier tot zes weken. Zwangere vrouwtjes zijn te herkennen aan een donkere vlek op hun achterlijf. De jonge guppy's zorgen voor zichzelf. Ze hebben wel een verstopplaats nodig in bijvoorbeeld waterplanten, anders worden ze opgegeten. Na ongeveer twee tot drie maanden kunnen ze zichzelf alweer voortplanten. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastig vallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm of een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Guppy’s kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte. Op de kieuwen kunnen eencelligen zoals Trichodina en Ichthyobodo en kieuwwormen zoals Dactylogyrus of Gyrodactylus voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Een voorbeeld is columnaris ziekte. Dit lijdt tot oppervlakkige aantasting van de huid en kieuwen, die zich snel uitbreidt tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium marinum. Deze tast de organen van de vis aan en veroorzaakt granulomen, kleine geelachtige bolletjes tussen en in de organen. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Bij dergelijke gevallen is het belangrijk om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook om de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg wel dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Guppy’s kunt u kopen bij de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Een guppy is een goedkope vis, per stuk bent u voor vrouwtjes ongeveer een euro kwijt, voor mannetjes enkele euro’s. Sommige speciale kweekvarianten zijn duurder. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Goudvishttp://www.animalqueen.nl/c-1984192/goudvis/ De goudvis is waarschijnlijk de bekendste vis die als huisdier wordt gehouden. Het is dan ook een fraai gekleurde en bovendien vrij sterke vis, die het zowel in een aquarium als in een vijver goed doet. Goudvissen worden groter en ouder dan veel mensen denken, zeker als ze genoeg ruimte hebben en goed verzorgd worden. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de goudvis het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De goudvis is een kweekvorm van de giebel en behoort tot de familie van de karperachtigen. Het is een zoetwatervis die al duizenden jaren gekweekt wordt, oorspronkelijk in China maar nu over de hele wereld. In de natuur komt de goudvis niet voor. Goudvissen kunnen zowel in een vijver als in een aquarium, verwarmd of onverwarmd, gehouden worden. De "standaard" goudvis is goudgeel tot oranjerood gekleurd en wordt gemiddeld vijftien tot twintig centimeter lang. Bij voldoende ruimte, zoals in een vijver, kan een goudvis echter doorgroeien tot maximaal veertig centimeter lang. Goudvissen kunnen ongeveer vijftien tot twintig jaar oud worden en soms zelfs ouder, hoewel ze dit in een aquarium lang niet altijd halen. Verschillende varianten: Er bestaan erg veel verschillende kweekvarianten met allerlei kleurschakeringen en lichaamsvormen. Zo zijn er goudvissen met lange of korte lichamen, lange of korte staarten, normale of bolle koppen, dubbele staarten, vissen zonder rugvin of vissen met uitpuilende ogen te krijgen. Enkele voorbeelden zijn : shubunkin: doorzichtige schubben en blauwe, rode, zwarte en witte vlekken; sarasa: oranje-wit gekleurd; jikin: wit gekleurd met oranje vinnen en een dubbele staart, het lichaam is iets korter dan dat van de "gewone" goudvis. Van de eerste twee typen bestaat ook een vorm met een langere staart, die komeetstaart wordt genoemd. Sluierstaart goudvissen, met lange dubbele sluierstaarten en korte gedrongen lichamen, wijken wat verzorging betreft wat af van de meer standaard vormen. Daarom worden zij in een aparte bijsluiter besproken. Voorbeelden zijn de telescoopoog, de ruykin, de hemelkijker en de moor of zwarte sluierstaart. Van nature: Goudvissen houden ervan om in de bodem te wroeten op zoek naar voedsel. Het is een rustige, vreedzame vis die graag met meerdere vissen in een bak of vijver leeft. Goudvissen die lang alleen in een te kleine bak hebben gezeten, zijn soms agressief tegen nieuwe vissen in hun bak. U kunt de vissen dan beter in een nieuwe omgeving plaatsen. Kweekvormen met slanke lichaamsvormen zijn sneller en beweeglijker dan de gedrongen vormen. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Als u de goudvis binnenshuis houdt, kies dan voor een aquarium en niet voor een kom. Een vissenkom heeft vaak een klein oppervlakte, zodat maar weinig water met de lucht in contact komt. Hierdoor kan minder zuurstof uitgewisseld worden. Het is bovendien lastig om hier een filter in te hangen. Ook is een kom al snel te klein voor goudvissen. Goudvissen hebben graag gezelschap van andere vissen. Het is echter geen optimale combinatie om de snellere, grote goudvisvarianten samen te houden met sluierstaart kweekvormen, omdat de laatste juist langzame zwemmers zijn en de aanwezigheid van drukke vissen voor hen stress oplevert. Een aquarium voor goudvissen moet minimaal 60 centimeter lang zijn, maar pas in een groter aquarium zal de goudvis tot zijn volle afmetingen doorgroeien. "Gewone" goudvissen tolereren watertemperaturen van 2°C tot 28°C, maar een temperatuur tussen 10°C en 21°C is het meest gunstig. In warm water zijn de vissen actiever dan in koud water. Een verwarmingselement is niet nodig als uw kamertemperatuur redelijk stabiel is, maar laat de temperatuur niet teveel schommelen. Hier kunnen de vissen niet goed tegen. Sommige varianten geven de voorkeur aan een hogere watertemperatuur, zoals sluierstaarten. De pH-waarde (zuurgraad) van het water moet ongeveer tussen 7 en 8 liggen, de totale hardheid tussen zes en zestien DH. Een filter en verlichting horen tot de basisuitrusting van het aquarium. Goudvissen woelen de bodem van het aquarium om. Gebruik daarom geen scherpe bodembedekking. U kunt het beste aquariumkiezels van vijf tot acht millimeter gebruiken. Planten helpen de waterkwaliteit op peil te houden, ze gebruiken bijvoorbeeld nitraat, een afvalproduct, als voedsel. Ze vormen bovendien een goede aanvulling op het dieet van de goudvis. Houdt bij uw keuze van de planten rekening met de watertemperatuur, vraag in de dierenspeciaalzaak om advies. Goudvissen zijn ook geschikt om in een vijver te houden. De vijver moet dan in elk geval een gedeelte hebben waarin het water minimaal een meter diep is, zodat de vissen ook in de winter buiten kunnen blijven. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor sluierstaarten is om elke twee weken ongeveer een derde van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door het te spoelen in het verwijderde aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Goudvissen zijn alleseters, ze eten zowel insecten als planten. Afwisseling van voer vergroot de levendigheid en vruchtbaarheid van vissen. Als hoofdvoer kunt u droogvoer gebruiken dat geschikt is voor goudvissen. Daarnaast kunt u levende, gedroogde of diepgevroren watervlooien, muggenlarven of Tubifex geven. Diepvriesvoer dient u wel te ontdooien en op kamertemperatuur te geven. Het zelf vangen van insectenlarven is mogelijk, maar er bestaat een risico dat u ziekteverwekkers meebrengt in uw aquarium. Als plantaardig voedsel eten goudvissen graag waterplanten, zoals waterpest, of algen. U kunt hen ook geblancheerde blaadjes sla, spinazie of waterkers geven. Geef de vissen één keer per dag voer. Af en toe een dag overslaan is niet erg. Levend voer kan eenmaal per week gegeven worden. Voer de vissen zoveel als ze in een minuut op kunnen eten, zorg dat er geen resten blijven liggen. Als de watertemperatuur onder de tien graden komt, eten de vissen minder of helemaal niet, pas dan de hoeveelheid voer aan of voer tijdelijk niet. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetje en vrouwtje kunt u pas zien als de vissen geslachtsrijp zijn, meestal op een leeftijd vanaf twee jaar oud. Het vrouwtje heeft dan in het paarseizoen een vollere buik, de mannetjes vertonen "paaiuitslag", witte stipjes op de kieuwdeksels en soms op de borstvinnen. Het paarseizoen buiten is in het late voorjaar en zomer, in een aquarium kan in elk seizoen gepaard worden. Om te kweken is een watertemperatuur van tenminste 22°C het beste. Het vrouwtje zet de eieren af tussen planten, geholpen door tenminste twee mannetjes die tegen haar zijkant duwen met hun kop. Dit kan een dag duren en er worden duizenden eitjes afgezet. Deze worden door de mannetjes bevrucht. Goudvissen vertonen geen broedzorg. Na ongeveer vijf dagen (mede afhankelijk van de temperatuur van het water) komen de jongen uit en blijven dan nog enkele dagen aan de planten hangen. De ouders eten hun jongen op, er moet dus voldoende schuilgelegenheid tussen planten zijn. Voer de jongen met algen, opfokvoer en klein dierlijk voedsel zoals muggenlarven. De jongen zijn erg gevoelig voor temperatuurschommelingen. Goudvissen worden donker gekleurd geboren, het duurt een maand of acht voor ze oranje kleuren. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm of een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Goudvissen kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte, ook wel peperstip genoemd. Een veel voorkomende huidparasiet is de karperluis, die zich aan de vis hecht om bloed te zuigen. Deze kunt u op de vis zien zitten als een grijsbruin vlekje van ongeveer een halve centimeter doorsnede. Op de kieuwen kunnen eencelligen zoals Trichodina en Ichthyobodo en kieuwwormen zoals Dactylogyrus of Gyrodactylus voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Een voorbeeld is columnaris ziekte. Dit lijdt tot oppervlakkige aantasting van de huid en kieuwen, die zich snel uitbreidt tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium marinum. Deze tast de organen van de vis aan en veroorzaakt granulomen, kleine geelachtige bolletjes tussen en in de organen. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook worden overgedragen via diepvriesvoer, vooral voer met rode muggenlarven. Gatenziekte, ook wel karper erythrodermatitis genoemd, wordt veroorzaakt door de bacterie Aeromonas salmonicida. Deze komt bij karperachtigen en paling voor en veroorzaakt diepe huidwonden met een rode en witte randzone. Buikwaterzucht is een aandoening waarbij de vis opzwelt, de schubben uitzetten en de ogen kunnen uitpuilen. Vaak is dit een gevolg van een bacteriële of virusinfectie, die de nieren aantast waardoor vloeistoffen in het lichaam worden vastgehouden. De zieke dieren kunnen meestal niet meer genezen worden. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair: ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Bij dergelijke gevallen is het belangrijk om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook om de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Bij siervissoorten uit Zuid-Oost Azië komt de waterschimmelziekte EUS (Epizootic Ulcerative Syndrome) voor. Hierbij ontstaan er diepe wonden tot in de spieren met draderige vezelstructuur. Het is een exotische ziekte voor Europa en is aangifteplichtig, dat betekent dat het gemeld moet worden bij de VWA. Dat kan via de dierenarts of via het CVI (Centraal Veterinair Instituut van WUR, Lelystad). Zodra er een verdenking op is moet men het visziektenlab van het CVI bellen, waar de vis dan onderzocht kan worden. Een aandoening die hier op lijkt is de schimmelziekte Saprolegnia, te zien als wattenachtige plukken op chronische wondjes van vissen. Deze schimmel is in eerste instantie niet schadelijk, maar kan dit wel zijn als het een bijkomende infectie is bij andere ziekten. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen ervaring nodig. Zorg wel dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium of het inrichten van een vijver. Aanschaf en kosten: Een goudvis kunt u kopen bij de aquariumspeciaalzaak of bij een tuincentrum met een dierenafdeling. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen.Een goudvis is een goedkope vis. Kleine exemplaren koopt u al vanaf een halve euro per stuk, grotere goudvissen kosten tot enkele euro’s per stuk. Sommige varianten zijn iets duurder. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Houd er rekening mee dat u een vrij grote bak nodig heeft. Terugkerende kosten zijn die voor voer, testsetjes, filtermateriaal en energie voor pomp en verlichting. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Discusvishttp://www.animalqueen.nl/c-1984191/discusvis/ Discusvissen zijn prachtige vissen die in vele kleuren en met allerlei patronen voorkomen. Ze voelen zich het beste in een groep en dat ziet er ook het mooiste uit. Discusvissen stellen hoge eisen aan hun zwemwater, een echte uitdaging dus voor wie geïnteresseerd is in aquariumtechniek. Kweken met de discusvis is niet zo eenvoudig, maar voor wie het eens lukt is de broedzorg van de discusvis fascinerend. De vissen voeden hun jongen met een afscheidingsproduct van hun eigen huid. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de discusvis het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Discusvissen behoren tot de familie van de cichliden. Het zijn scholenvissen, afkomstig uit het Amazonegebied. Discusvissen zijn genoemd naar de kenmerkende vorm van hun lichaam: een ronde, vertikaal in het water staande schijf. Ze komen voor in allerlei kleuren en zijn ongeveer twintig centimeter lang. Discusvissen kunnen zeker tien jaar oud worden. Verschillende varianten:Over de indeling van de discusvissen in soorten bestaan verschillende ideeën. De meest gebruikte indeling voor wilde discusvissen is dat er 2 soorten zijn, te weten Symphysodon discus en Symphysodon aequifasciata, waarbij de laatste is onderverdeeld in 3 ondersoorten. Heckel Discus (Symphysodon discus; deze heeft een zwarte streep in het midden van het lichaam) Bruine Discus (Symphysodon aequifasciata axelrodi) Blauwe Discus (Symphysodon aequifasciata haraldi) Groene Discus (Symphysodon aequifasciata aequifasciata) Daarnaast bestaan er allerlei kweekvormen met diverse kleuren en aftekeningen en komen er kruisingen voor. Van nature: Discusvissen leven in groepen, waarin een rangorde bestaat. Van nature leven discusvissen in warm en schemerig, langzaam stromend water tussen boomwortels in het Amazonegebied. Dit water is zacht en een beetje zuur. Discusvissen hebben een uitgebreide broedzorg. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Omdat discusvissen erg op rust gesteld zijn en specifieke eisen stellen aan de waterkwaliteit, kunt u hen het beste als enige soort in een biotoop-aquarium houden. Hooguit kunt u er rustige, kleine vissen, zoals kardinaaltetra’s, bij zetten of bodemvissen om voedselresten op te ruimen, bijvoorbeeld Corydoras (deze hebben een zelfde leefomgeving nodig als de discusvissen). Het is verstandig om minstens vijf à zes zes exemplaren te houden, zodat ze hun natuurlijke scholengedrag kunnen uitvoeren. Discusvissen hebben open zwemruimte nodig om als school heen en weer te kunnen zwemmen. Ze gebruiken vooral de middelste waterlaag om te zwemmen, eten doen ze van de grond. Om discusvissen te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste 150 centimeter lang en minimaal 50 centimeter hoog. Zorg, als u nakweekvissen heeft, voor minstens vijftig liter water per vis, voor wildvang liefst meer. Wildvangvissen zijn gevoeliger voor schommeling van de waterkwaliteit. Dat maakt het moeilijker ze te houden. Hoe groter het aquarium is, hoe beter het water in balans te houden is, dus kies een zo groot mogelijke bak. De watertemperatuur moet tussen 28°C en 30°C liggen. De pH-waarde (zuurgraad) van het water mag niet te hoog zijn, tussen 6 en 6,5 is het beste. Discusvissen hebben liefst zacht water met een totale hardheid tot ongeveer 4 DH. Nakweekvissen kunnen ook in kraanwater worden gehouden met een pH van ongeveer 7 tot 8, maar alleen als ze er al aan gewend zijn. Vraag bij het aankoopadres aan wat voor water de vissen gewend zijn en meet af en toe de waterkwaliteit van het kraanwater. Een waterfilter en verlichting horen ook tot de basisuitrusting van het aquarium. Omdat de discusvis erg gevoelig is voor watervervuiling en bovendien veel afvalstoffen produceert is een goed biologisch filter extra belangrijk. Filteren over turf helpt om de watersamenstelling goed te houden, naast regelmatig water verversen. Het licht mag voor de discusvis niet te fel zijn. Drijfplantjes zorgen voor een wat schemerige omgeving waar de discusvis zich prettig in voelt. Ook helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Kies wel planten die tegen het warme water kunnen, rond 30 graden doen veel planten het slecht. Op de bodem kunt u bijvoorbeeld donker zand gebruiken. Kweken met de discusvis is niet zo eenvoudig. Wilt u het proberen dan kunt u het beste een aparte kweekbak gebruiken met water dat tussen 29°C en 31°C is, een pH tussen 5,5 en 6,5 en een hardheid van hoogstens 4 DH. In de kweekbak moet een goed filter aanwezig zijn en moet het water regelmatig ververst worden, elke dag of om de dag is het beste. Er moet een verticaal oppervlak zijn om de eieren op af te zetten, zoals een afzetkegel van aardewerk of verticale bladeren. Verzorging: Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. De discusvis is erg gevoelig voor de kwaliteit van het water. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid, de hoeveelheid nitriet en ammonium (als maat voor de werking van het filter; bij een goed werkend filter zijn deze niet meetbaar aanwezig) en nitraat om te weten hoe vaak u water moet verversen. Ververs het water regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor discusvissen is om elke vier tot zeven dagen ongeveer een kwart van het water te vervangen. Om te zorgen voor de juiste zuurgraad en hardheid kunt u het nieuwe water mengen met osmosewater. Dit kunt u maken met behulp van een osmoseapparaat dat u in de dierenspeciaalzaak koopt. Zorg ervoor dat het verse water eerst de goede samenstelling heeft voor u het in het aquarium doet. Hiervoor kunt u eventueel een speciale watervoorbereidingsbak inrichten. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door het te spoelen in het verwijderde aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Discusvissen eten dierlijk voer, het liefst levend voer,  zoals watervlooien, muggenlarven en Artemia. Het is echter het beste om als hoofdvoeding diepvriesvoer te geven. Door het invriezen worden de meeste ziekteverwekkers gedood. Dit geldt echter niet voor vissen-TBC, dat vooral door rode muggenlarven kan worden overgebracht. Geef daarom liefst geen rode muggenlarven. Laat diepvriesvoer eerst ontdooien. Ook mosselen, Artemia of vlees, zoals runderhart of kalkoenhart, kunnen gegeven worden. Door dit eerst in te vriezen zorgt u ervoor dat eventuele parasieten zoals wormen dood zijn. Droogvoer wordt vaak na enige gewenning geaccepteerd. Afwisseling in het voer is belangrijk voor een goede gezondheid van de vissen. Er zijn speciale discusmixen kant en klaar op de markt. Hierin zitten naast vlees ook ingrediënten als spinazie, soorten algen en knoflook. Door deze mixen af te wisselen met Artemia, mosselvlees en watervlooien en dergelijke ontstaat een afwisselend dieet. Pasgeboren discusvissen eten de eerste weken een afscheidingsproduct van de huid van hun ouders. Na een dag of vijf kunt u hen bijvoeren met Artemia naupliën (larven) of watervlooien. Voer volwassen vissen minstens drie keer per dag een klein beetje en geef zoveel als de vissen in één tot twee minuten op hebben. Jonge vissen voert u vijf tot tien keer per dag hele kleine hoeveelheden. Geef het voer op meerdere plaatsen, zodat alle vissen de kans krijgen ervan te eten. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Als u ook droogvoer geeft, zet het potje dan niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is alleen te zien aan de geslachtspapil, een verdikking bij de aars. Deze is bij de vrouwtjes rond en plat en bij de mannetjes puntig. Dit is met name tijdens de paring bij het eieren afzetten te zien. Discusvissen vormen paren die zich afzonderen en een territorium verdedigen. Voor ze eieren afzetten, poetsen ze eerst een stuk schoon op de afzetkegel of ander substraat, zoals bladeren of een stuk hout. Daarna zet het vrouwtje de eieren af in slierten die samen een plakkaat vormen. Hierbij is duidelijk een legbuis te zien. Vervolgens zwemt het mannetje direct over de eieren heen om ze te bevruchten. Er worden 100 tot 250 eieren gelegd. De ouders bewaaieren de eieren met hun vinnen. Na twee tot drie dagen komen de jongen uit, ze worden hierbij door de ouders opgezogen en even verder neergezet aan een kleefdraad. Na weer twee tot drie dagen zwemmen de jongen vrij rond. Ze eten dan van een speciale afscheiding op de huid van hun ouders, dat geproduceerd wordt bij aanwezigheid van jongen. Het is een mengsel van weefsel en bacteriën dat de jongen voedt en beschermt. De jongen groeien snel. Na ongeveer drie maanden krijgen ze een echte discusvorm en met anderhalf jaar zijn ze geslachtsrijp, de vrouwtjes iets eerder dan de mannetjes. Ziekten en aandoeningen: Discusvissen zijn erg gevoelig voor afwijkingen en wisselingen van de watersamenstelling. Om uw vissen gezond te houden is het belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastig vallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn donkerkleuring bij ondersoorten die kunnen kleuren (met name turquoise soorten), een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen en een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Zoals veel vissoorten kunnen ook discusvissen last hebben van de veel voorkomende visziekten witte stip en fluweelziekte (oodinium). Ook vinrot is een algemene visziekte, deze wordt veroorzaakt door een bacterie die toeslaat als de weerstand van de vis verlaagd is of bij een beschadigde huid. Door snelle behandeling kunnen de aangetaste vinnen binnen een aantal weken weer herstellen. Bacteriën kunnen ook witte vlek ziekte veroorzaken, waarbij witgrijze vlekken op de huid en de vinnen te zien zijn. Discusvissen zijn net als andere cichliden gevoelig voor de gaatjesziekte. Hierbij ontstaan gaatjes in de huid van de kop. Dit kan worden veroorzaakt door te zacht water in combinatie met tekorten aan bepaalde voedingsstoffen en gaat vaak samen met een infectie door de flagellaat Hexamita (Octomitus) of Spironucleus. Hoewel discusvissen zacht water nodig hebben, moeten altijd voldoende mineralen en sporenelementen in het water aanwezig blijven. Vul dit eventueel aan met behulp van mineraalsupplementen uit de dierenspeciaalzaak. Flagellaten (zweepdiertjes), die normaal in de darmen van vissen voor kunnen komen, zorgen bij cichliden nogal eens voor ziekteverschijnselen, zeker als er sprake is van verlaagde weerstand door stress, andere ziekten of een tekort aan voedingsstoffen. Symptomen zijn een donkere verkleuring van de huid, angstig gedrag, witte ontlasting en gebrekkige eetlust. Bij verdergaande besmetting worden de dieren mager en verdwijnen de vinranden, doordat de parasiet voedingsstoffen uit de darmen wegneemt. Een oorzaak kan liggen in het te veel en eenzijdig voeden met vlees. Ook de discus darmparasiet, Protoopalina symphysodonis, is een flagellaat. Deze kan soms in grote aantallen worden gevonden, maar vaak vertoont de discusvis dan geen ziekte. Wel kan de groei van de vis achterblijven. Wormen zoals Gyrodactylus en Dactylogyrus kunnen de huid en kieuwen van de discusvis aantasten. Deze wormen kunnen zich in het biologische filter vestigen. Ook in de darmen kunnen wormen voorkomen. Discuspest, een doorgaans bacteriële aandoening, kan zich voordoen na aanschaf van nieuwe vissen. Het is een ouderwetse benaming van problemen die voort kunnen komen uit het mengen van de verschillende, van nature in en op de vissen voorkomende bacterieflora van twee verschillende vispopulaties. Diverse bacteriën kunnen erbij betrokken zijn, die secundair nog andere gezondheidsproblemen kunnen veroorzaken. Vissen kleuren donker, de huid van de vissen laat los en ze hangen aan het wateroppervlak. Om discuspest te voorkomen is het raadzaam om nieuwe vissen eerst gedurende ongeveer vier weken in quarantaine te doen. Vervolgens doet u gedurende twee weken beetje bij beetje wat aquariumwater in de quarantainebak. Ook moet tegelijkertijd met kleine hoeveelheden wat water uit de quarantainebak in het aquarium gedaan worden zodat de daarin aanwezige vissen kunnen wennen aan eventuele vreemde bacteriën van de nieuwkomers. Discusvissen kunnen lijden aan vissen-TBC, veroorzaakt door Mycobacterium marinum. Dit is een bacterie die de organen van de vissen aantast. Uiteindelijk gaat de vis ten onder aan het slecht functioneren van de organen en uitputting. De bacterie kan bij de mens het zogenaamde zwemmersgranuloom veroorzaken, waarbij chronische huidwondjes ontstaan die slechts met langdurige antibioticumzalf over gaan. Vissen-TBC kan ook door diepvriesvoer worden overgedragen. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen. Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is vrij veel ervaring nodig, de discusvis is erg gevoelig voor de watersamenstelling. Zorg ervoor dat u zich van tevoren goed informeert over aquariumtechniek. Aanschaf en kosten: Discusvissen kunt u kopen bij de aquariumspeciaalzaak of bij gespecialiseerde kwekers. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben, niet mager zijn, mooi rond zijn en geen spitse kop hebben en niet achtergebleven zijn in de groei. Dat laatste is bij de discusvis te herkennen aan ogen die te groot zijn voor de grootte van het lichaam. Laat nieuw gekochte vissen geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. Jonge discusvissen koopt u vanaf ongeveer vijftien tot dertig euro, maar er zijn ook kweekvormen die veel duurder zijn, zo'n 250 euro per stuk. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Omdat discusvissen graag afwisselend (o.a. diepvries en levend) voer eten en niet zo snel genoegen nemen met droogvoer, bent u met voer wat duurder uit. Overige terugkerende kosten zijn die voor testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming (denk aan de hoge watertemperatuur), pomp en verlichting. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. Aandachtspunten: Wildvangexemplaren stellen hogere eisen aan de watersamenstelling. Als u nog geen ervaring heeft met discusvissen kunt u dus het beste nakweekexemplaren kopen. Zonder ervaring is het moeilijker om de waterwaarden constant te houden en het gedrag en de behoeften van de discusvis te leren kennen. Zorg altijd dat u goede hygiëne in acht neemt, nakweek discusvissen zijn vaak gevoeliger voor aquariumziekten dan wildvang. (Bron: www.licg.nl)Betta (Kempvis)http://www.animalqueen.nl/c-1984190/betta-kempvis/ Betta’s zijn opvallende vissen die door hun felle kleuren en vaak lange vinnen erg populair zijn. Een bijzondere eigenschap van betta’s is dat ze boven water kunnen ademen. Mannelijke betta’s zijn agressief tegen elkaar en kunnen dus niet samen in een aquarium geplaatst worden. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de betta het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De betta, ook bekend als Siamese kempvis, behoort tot de familie van de labyrintvissen (Osphronemidae). Het zijn zoetwatervissen, afkomstig uit Zuidoost Azië. Labyrintvissen hebben behalve kieuwen nog een ademhalingsorgaan, het labyrint, dat bestaat uit een aantal kamers aan weerszijden van de kop. Door aan het wateroppervlak lucht te happen en dit op te slaan in de labyrintkamers kan de vis ook in vervuild, zuurstofarm water aan voldoende zuurstof komen om te overleven. Ze hebben dit labyrint ook nodig in zuurstofrijk water. Als de vissen niet bij het wateroppervlak kunnen komen, verdrinken ze. Betta’s danken de naam "Siamese kempvissen" aan het feit dat de mannetjes erg agressief zijn tegen elkaar en kunnen vechten tot één van hen dood is. In Thailand worden gevechten georganiseerd waarbij op de mannetjes gewed wordt. De betta wordt ongeveer zes centimeter lang, gemeten van de kop tot het begin van de staart. Mannetjes hebben meestal lange, opvallende vinnen. De vrouwtjes hebben korte vinnen en zijn wat minder fel van kleur. Betta's worden gemiddeld zo’n drie jaar oud. Verschillende varianten: Van nature is de betta roodachtig met groen van kleur en zijn de vinnen afgerond en korter dan die van de bekende kweekvormen. Door kweken zijn allerlei felle kleuren ontstaan, zoals rood, blauw, groen, geel en albino en een aantal kleurpatronen. Ook zijn de vinnen van de mannetjes veel langer geworden en bestaan er verschillende staartvormen. Er bestaan ook kweekvormen met korte vinnen, deze worden "plakat" genoemd. De natuurlijke variant van de betta is wat kleiner dan de kweekvormen. Van nature: Betta's leven zowel in helder water als in vieze slootjes. Ze houden van warm, stilstaand water, waar veel muggenlarven te vinden zijn die ze van het wateroppervlak zuigen. Betta's hebben een territorium en de mannetjes kunnen onderling erg agressief zijn. In de natuur zal de vis die het onderspit delft vluchten. In een klein aquarium kan dit niet en vechten de mannetjes op leven en dood. Vooral in het paarseizoen wordt het territorium fel verdedigd. Mannetjes zetten hun kieuwdeksels wijd om elkaar of de vrouwtjes te imponeren. De vrouwtjes vertonen verticale strepen als ze bereid zijn om te paren. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In het document informatie "Het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Van de betta kunt u slechts één mannetje per aquarium houden, omdat ze anders gaan vechten. Wilt u er ook vrouwtjes bij houden, dan moet u er meer dan één nemen, omdat het mannetje erg achter de vrouwtjes aan kan jagen. Is er maar één vrouwtje dan kan hij haar zo uitputten dat ze er aan kan overlijden, zeker in een klein aquarium met weinig schuilplaatsen. U kunt wel andere soorten bij de betta houden, maar kies geen soorten met lange siervinnen, zoals sommige guppy’s, want de kempvis kan deze als concurrent zien en kan dan met hen vechten. Ook drukke vissen of vissen die aan de lange vinnen van de kempvis zullen eten, zoals sumatranen, zijn geen goede medebewoners. Erg kleine vissen zullen door de betta worden opgegeten. Betta's gebruiken vooral de bovenste waterlaag. Om betta's te houden heeft u een aquarium nodig van tenminste 60 centimeter lang. Een dekruit is noodzakelijk, omdat de vissen niet tegen grote temperatuurverschillen kunnen en zij lucht happen aan het wateroppervlak. Als de lucht boven het water kouder is dan het water zelf, kunnen ze ziek worden. Let er wel op dat er voldoende luchtverversing is, niet alleen in het water, maar ook boven het wateroppervlak. De watertemperatuur moet tussen 24°C en 32°C liggen. Een pH-waarde (zuurgraad) tussen 6,5 en 7,5 is geschikt voor de betta. De totale hardheid kan het beste tussen acht en twaalf DH gehouden worden. Een waterfilter en verlichting horen tot de basisuitrusting van het aquarium. Het water mag vooral niet hard stromen. Betta's hebben graag drijfplanten en andere planten in het aquarium. Hierin kunnen de vrouwtjes schuilen voor het mannetje en planten zijn nodig om de schuimnesten te bouwen. Daarnaast helpen planten om de waterkwaliteit op peil te houden. Wilt u met de betta kweken, dan kunt u het beste een aparte kweekbak gebruiken met water van 28 tot 30 graden Celsius. De waterstand moet dan laag zijn, ongeveer vijftien centimeter is genoeg, omdat de uitgekomen jongen anders niet naar de oppervlakte kunnen komen om te ademen. Verzorging: Betta's leren snel dat uw aanwezigheid voedsel kan betekenen en zullen naar u toe komen.   Dagelijks moet u de vissen even bekijken om te zien of ze gezond zijn. Controleer ook de watertemperatuur en verwijder eventuele voedselresten. Haal elke week losse plantenresten weg. Test geregeld het water met testsetjes die u in de dierenspeciaalzaak kunt kopen. Belangrijk zijn daarbij vooral de zuurgraad (pH), de hardheid en de hoeveelheid ammonium, nitriet en nitraat. Bij een goed werkend filter zijn ammonium en nitriet niet meetbaar aanwezig. Nitraat kan het gemakkelijkst uit het water worden verwijderd door water te verversen. Ververs daarom regelmatig, afhankelijk van de gemeten waterkwaliteit. Een richtlijn voor betta’s is om elke twee weken ongeveer een kwart van het water te vervangen. Maak het mechanische deel van het filter regelmatig schoon door te spoelen in het oude aquariumwater. Maak indien nodig de ruiten schoon met een magneetveger, een krabber of filterwatten. Gebruik attributen die voor het aquarium bestemd zijn, zoals een emmer en schepnetje, alleen voor het aquarium en niet voor andere huishoudelijke activiteiten. Was altijd uw handen nadat u met het aquarium bezig bent geweest. Gebruikt u een hevelslang, zorg er dan voor dat u geen water binnen krijgt. Sommige visziekten zijn ook besmettelijk voor mensen. Voeding: Betta's eten dierlijk voer, liefst levend voer, zoals watervlooien of Tubifex, maar ook droogvoer. Daarnaast kunt u diepvriesvoer geven, laat dit wel eerst ontdooien. Geef weinig of geen muggenlarven, deze kunnen vissen-TBC overbrengen, ook als ze bevroren geweest zijn. Betta's eten tevens kleine vissen, zoals hun eigen jongen of die van andere vissen. Afwisseling in het voer is belangrijk voor een goede gezondheid van de vissen. Jonge betta's kunt u vloeibaar voedsel geven. Voer één keer per dag zoveel als de vissen in één tot twee minuten op hebben. Voerresten moeten verwijderd worden omdat ze het water vervuilen. Als u ook droogvoer geeft, zet het potje dan niet op de lichtkap van het aquarium, want dan wordt het te warm en gaan de vitaminen verloren. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is duidelijk: de mannetjes hebben opvallende, vaak lange vinnen, de vrouwtjes hebben vaak een minder grove kop en hebben normale vinnen. Ook is bij vrouwtjes de geslachtspapil te zien, een verdikking bij de aars. Het mannetje van de betta bouwt een schuimnest van luchtbelletjes aan het wateroppervlak. Soms worden ook plantendelen in het nest geweven. Als het nest klaar is, laat het mannetje het vrouwtje toe en vindt de paring plaats. Als het vrouwtje verticale strepen op haar lichaam heeft, is ze klaar om te paren. Het mannetje draait daarbij zijn lichaam om dat van het vrouwtje heen. De paring kan, met pauzes ertussen, wel zes uur duren. Er worden een paar honderd eitjes gelegd die door het mannetje bevrucht worden en vervolgens door hem met zijn bek in het nest geplaatst worden. Na de paring word het vrouwtje door het mannetje verjaagd, haal haar dan uit de kweekbak. Het mannetje zorgt voor de eieren, houdt ze schoon en brengt eieren die uit het nest vallen weer terug. Na ongeveer 36 uur komen de eieren uit. Na een dag of twee zwemmen de jongen vrij rond. Haal ook het mannetje uit de bak zodat hij de jongen niet opeet. Ziekten en aandoeningen: Om uw vissen gezond te houden is het erg belangrijk om te zorgen voor een goede waterkwaliteit en goede voeding. Stress kunt u voorkomen door de vissen zoveel mogelijk met rust te laten en een vast dagpatroon aan te houden. Zet geen soorten bij elkaar die elkaar lastigvallen. Tekenen van gezondheidsproblemen zijn een doffe of aangetaste huid, geknepen vinnen, een afwijkende lichaamsvorm of een afwijkende manier van zwemmen (bijvoorbeeld schommelend of scheef). Betta’s kunnen, net als veel andere aquariumvissen, last krijgen van parasieten. Voorbeelden van parasitaire huidaandoeningen zijn witte stip en fluweelziekte (ook wel peperstip genoemd). Op de kieuwen kunnen eencelligen zoals Trichodina en Ichthyobodo en kieuwwormen zoals Dactylogyrus of Gyrodactylus voorkomen. Deze laatsten zetten zich in de kieuwen vast met haakjes, waardoor het weefsel beschadigt en er infecties ontstaan. Ook in de darmen komen parasieten voor, waaronder verschillende wormen en flagellaten. Bacteriën kunnen diverse visziekten veroorzaken. Een voorbeeld is columnarisziekte. Dit lijdt tot oppervlakkige aantasting van de huid en kieuwen, die zich snel uitbreidt tot een ernstige ziekte. Het is lastig te behandelen. Vissen-TBC wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium marinum. Deze tast de organen van de vis aan en veroorzaakt granulomen, kleine geelachtige bolletjes tussen en in de organen. Bij de mens kan deze bacterie zwemmersgranuloom veroorzaken, een ziekte met huidwondjes waar een lange antibioticumkuur voor nodig is. Vissen-TBC kan ook via bevroren voeding worden overgedragen. Infecties door bacteriën zijn vaak secundair, ze zijn dan een gevolg van verminderde weerstand (bijvoorbeeld door stress), een beschadigde huid of een aantasting van de slijmlaag van de huid door een slechte waterkwaliteit. Een voorbeeld hiervan is vinrot. Bij dergelijke gevallen is het belangrijk om niet alleen de aandoening te verhelpen, maar vooral ook om de primaire oorzaak op te sporen en te corrigeren. Bij siervissoorten uit Zuid-Oost Azië komt de waterschimmelziekte EUS (Epizootic Ulcerative Syndrome) voor. Hierbij ontstaan er diepe wonden tot in de spieren met draderige vezelstructuur. Het is een exotische ziekte voor Europa en is aangifteplichtig, dat betekent dat het gemeld moet worden bij de VWA. Dat kan via de dierenarts of via het CVI (Centraal Veterinair Instituut van de WUR, Lelystad). Zodra er een verdenking op is moet men het visziektenlab van het CVI bellen, waar de vis dan onderzocht kan worden. Een aandoening die hier op lijkt is de schimmelziekte Saprolegnia, te zien als wattenachtige plukken op chronische wondjes van vissen. Deze schimmel is in eerste instantie niet schadelijk, maar kan dit wel zijn als het een bijkomende infectie is bij andere ziekten. Betta’s zijn gevoelig voor buikwaterzucht, een aandoening met diverse oorzaken waarbij de vis er opgeblazen uitziet en de schubben wijd uit gaan staan. Vaak kunnen vissen door een snelle behandeling weer herstellen. In de dieren- of aquariumspeciaalzaak kunt u terecht voor algemeen advies over ziekten en mogelijke behandelwijzen Ook vindt u hier enkele middelen om ziekten te behandelen. Zorg er wel voor dat u lang genoeg doorgaat met behandelen, zodat alle ziekteverwekkers gedood worden. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die gespecialiseerd zijn in vissen. Is laboratoriumonderzoek nodig, dan kunt u contact opnemen met het visziektenlaboratorium van CVI in Lelystad. In het document "Ziekten en aandoeningen bij zoetwatervissen" leest u meer over visziekten. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg er wel voor dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium. Aanschaf en kosten: Betta’s kunt u kopen in de aquariumspeciaalzaak. Let er bij het kopen van vissen op dat ze uit schone bakken met gezonde dieren komen. Kies de meest actieve vissen. Let erop dat de vissen een mooie schone huid hebben en niet mager zijn. Laat de dieren geleidelijk wennen aan de nieuwe wateromstandigheden, nog beter is het om nieuwe vissen in een quarantainebak te plaatsen. De aanschafprijs van een betta is afhankelijk van de kweekvorm en ligt ongeveer tussen enkele en enkele tientallen euro’s per stuk. De opstartkosten van een aquarium hangen af van de grootte van het aquarium en de gewenste techniek. Als u uw betta’s graag levend voer wilt geven, bent u wat duurder uit dan als u droogvoer geeft. Overige terugkerende kosten zijn die voor testsetjes, filtermateriaal en energie voor verwarming en licht. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als er ziekten in het aquarium ontstaan. (Bron: www.licg.nl)Vissenhttp://www.animalqueen.nl/c-1984188/vissen/Hieronder vindt u een aantal pagina's over verschillende soorten vissen. Heeft u een huisdier, dat u niet terugvindt in onze lijst, neem dan gerust contact met ons op en wij zullen onze uiterste best voor u doen om u van alle gewenste informatie te voorzien. Er zijn momenteel ruim 27.000 soorten vissen bekend. Voorbeelden van vissen die u als huisdier kunt houden zijn karperachtigen (zoals barbelen, goudvissen en koi) en baarsachtigen (zoals baarzen en cichliden). Vissen kunnen zeer verschillende lichamelijke kenmerken hebben, bijvoorbeeld in grootte, vorm en lengte van vinnen en staart, en kleur. Ook in hun voedingsbehoefte zijn ze zeer divers, ze kunnen carnivoor, herbivoor, insectivoor of omnivoor zijn.Zoetwatergarnaalhttp://www.animalqueen.nl/c-1984187/zoetwatergarnaal/ De zoetwatergarnaal is goed op zijn plaats in een gezelschapsaquarium met geschikte vissoorten of in een aquarium met alleen garnalen. Er bestaan allerlei soorten zoetwatergarnalen in diverse maten en kleuren. Het zijn actieve dieren die interessant zijn om naar te kijken en u bovendien goede diensten bewijzen bij het opruimen van voedsel- en plantenrestjes. Garnalen hebben een goede waterkwaliteit nodig. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de zoetwatergarnaal het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Garnalen (Caridea) behoren net als krabben en kreeften tot de orde Decapoda, oftewel tienpotigen. Het zijn ongewervelden, ze hebben geen ruggengraat maar wel een stevig pantser (exoskelet) dat grotendeels bestaat uit kalk en chitine. Het lichaam van een garnaal bestaat uit een door een schild bedekt kopborststuk en een achterlijf bestaande uit zes segmenten. Aan het kopborststuk zitten twee paar antennes, het mondapparaat, bestaande uit drie paar scharen, en vijf paar pereiopoden, waarvan de voorste twee paar scharen dragen en de achterste drie paar lange, dunne looppoten zijn, bestemd voor het lopen over de bodem. De eerste vijf segmenten van het achterlijf zijn elk voorzien van een paar zwempootjes (pleopoden genoemd). Aan het laatste pootloze segment zit het staartstuk dat de anus bevat en een soort zwemvoetjes (de uropoden). Het staartstuk vormt samen met de uropoden de staartwaaier, die de zwempootjes ondersteunt bij het zwemmen. Er bestaan zowel zoetwater- als zoutwatergarnalen, hier worden de zoetwatergarnalen besproken. Verschillende varianten: Er bestaan vele soorten zoetwatergarnalen, die voorkomen in subtropische en tropische, maar ook in koude wateren. Sommige soorten komen van nature voor in brak water. Een klein deel van de zoetwatergarnalen wordt als huisdier gehouden. Vooral dwerggarnalen (Caridina- en Neocaridina-soorten) zijn erg populair. Voorbeelden zijn de veel gehouden Japanse garnaal (Caridina japonica), maar ook de vuurgarnaal, hommelgarnaal, tijgergarnaal en de bijengarnaal. Dit zijn kleine garnalen van twee tot vier centimeter lang. Ook langarmgarnalen (Macrobrachium-soorten, zoals de roodschaargarnaal en de glasgarnaal) en waaierhandgarnalen (Atyopsis, bijvoorbeeld de Aziatische waaierhandgarnaal) kunnen in het aquarium worden gehouden. Deze worden gemiddeld zes tot tien centimeter lang, maar er bestaan soorten die meer dan twintig centimeter lengte bereiken. Van een aantal soorten zijn kweekvormen bekend, zoals de crystal red garnaal als variant van de bijengarnaal en de citroengarnaal die een geelgekleurde kweekvorm is van de oorspronkelijk rode vuurgarnaal. Van nature: Garnalen zijn, als ze zich veilig voelen, een groot deel van de dag druk op zoek naar voedsel op de bodem en op planten. De looppoten worden gebruikt om over de bodem te lopen, de zwempoten en de staartwaaier om te zwemmen. Om zich te beschermen tegen roofdieren zullen garnalen zich verschuilen tussen de begroeiing en stenen. Sommige soorten gebruiken materiaal van de omgeving om zich mee te camoufleren. Garnalen blijven hun hele leven lang vervellen, ook als ze uitgegroeid zijn. Volwassen garnalen vervellen elke vier tot zes weken, hele jonge dieren soms zelfs dagelijks. Enkele dagen voor de vervelling stoppen de dieren met eten. Laat de afgestoten velletjes, die veel bouwstoffen bevatten, in het aquarium liggen, de garnalen eten ze op. Pas drie dagen na de vervelling is het pantser volledig uitgehard en dus is de garnaal tot de tijd erg kwetsbaar en heeft hij goede schuilplaatsen nodig. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een aquarium komt heel wat kijken. In de praktische informatie over "het tropisch zoetwateraquarium" leest u hoe u dat aan kunt pakken en worden de gebruikte termen nader uitgelegd. Huisvest garnalen bij voorkeur in een zoetwateraquarium met een inhoud van tenminste 30 liter water. In een kleinere bak is het moeilijk om de waterwaarden constant te houden. Dwerggarnalen (Caridina en Neocaridina-soorten) moeten in groepen van tenminste tien soortgenoten worden gehuisvest. In grotere groepen voelen ze zich veiliger en zullen ze meer natuurlijk gedrag vertonen. Begin met een groepje van tien tot twintig dieren. Als de dieren zich goed voortplanten zijn het er al gauw veel meer. Garnalen hebben relatief weinig ruimte nodig, maar voorkom overbevolking en houdt maximaal vijf dwerggarnalen per tien liter water. Grotere garnalen, zoals Macrobrachium-soorten en waaierhandgarnalen, kunnen beter in kleine groepen van enkele dieren worden gehouden. Een richtlijn voor de benodigde ruimte is één dier per tien liter water. Dek het aquarium goed af en stop ook de openingen voor apparatuur dicht met bijvoorbeeld filterwatten of stukjes filterspons, want garnalen zijn goede klimmers. Plaats het aquarium niet voor de verwarming of in de zon, de temperatuur van het water zal oplopen. Dit is niet alleen gevaarlijk voor de garnalen, maar kan ook explosieve algengroei veroorzaken. Het is aan te raden in het aquarium één garnalensoort te houden, aangezien veel soorten onderling kunnen kruisen en er dus (vaak minder gezonde en minder vruchtbare) bastaarden kunnen ontstaan. Bovendien loopt u het risico dat door een verschil in voortplantingssnelheid een soort in uw aquarium uitsterft. Het is mogelijk garnalen samen te houden met vissen, maar niet elke vissoort is geschikt. Veel vissen eten jonge garnalen. Cichliden, karperachtigen, regenboogvissen en labyrinthvissen zijn niet geschikt, evenals vele andere, ook kleine vissen. Vissoorten die wel met kleine garnalen kunnen worden gecombineerd zijn o.a. kleine tetra-soorten, endlerguppen, kegelvlekbarbeeltjes, dwerggourami's en algeneters. Grote garnalensoorten kunnen eventueel samen worden gehouden met wat grotere vissoorten. Kies bij grote garnalensoorten niet voor vissoorten die op of laag bij de bodem slapen, want met zijn schaartjes kan de garnaal de vis beschadigen. Als bodembedekking van het aquarium is zand of fijn grind van één tot drie mm groot zeer geschikt. Zorg voor voldoende schuilplaatsen met mos, aangevuld met kienhout, stenen en planten met een fijne bladstructuur, zoals Cabomba, hoornblad en waterpest. Beschikbaarheid van voldoende schuilplaatsen is extra belangrijk wanneer garnalen het aquarium delen met vissen. Zorg wel dat er voldoende zwemruimte overblijft. Een aquariumfilter is noodzakelijk, maar dicht de filterkieren wel af met filterwatten, stukken filterspons of een panty om te voorkomen dat de garnalen in het filter terecht komen. Zorg er ook voor dat het filter geen snelle stroming veroorzaakt, de meeste garnalen houden daar niet van. Eén of meerdere sponsfilters is de veiligste en eenvoudigste manier van filtering. Bovendien is een sponsfilter gemakkelijk schoon te maken en goedkoop. De beste watertemperatuur ligt voor de meeste garnalensoorten tussen 20 en 24 graden Celsius. Het aquarium kan op kamertemperatuur worden gehouden, tenzij de watertemperatuur dan daalt tot 18 graden Celsius of lager (meestal ’s nachts). In dat geval moet het aquarium worden voorzien van een verwarmingsbuis. Stel deze in op 19 graden Celsius. Sommige soorten, bijvoorbeeld Japanse en waaierhandgarnalen, hebben altijd een verwarmingsbuis nodig die het water moet verwarmen tot tenminste 24 graden Celsius. Vraag bij de koop van garnalen dus altijd naar de temperatuur waarop ze het beste gehouden kunnen worden. Controleer de watertemperatuur regelmatig met een aquariumthermometer. Een watertemperatuur boven 28 graden Celsius kan voor garnalen dodelijk zijn. Houd de zuurgraad van het water (pH) tussen 6 en 8. De meeste garnalensoorten hebben middelhard water nodig (tussen de 8 en 12 DH). Voor de garnalen is het van levensbelang dat de gehaltes nitriet, nitraat en koper in het water laag worden gehouden. Gebruik een voor garnalen geschikt waterbereidingsmiddel. Garnalen stellen geen bijzondere eisen aan de verlichting, maar de planten in het aquarium wel. TL-verlichting en gloeilampen zijn geschikt. Garnalen houden niet van fel licht, dus gebruik geen lampen met een hoog vermogen. De verlichting mag twaalf uur per dag branden, de garnalen hebben namelijk een dag-nacht ritme nodig en bij langer verlichten kan de algengroei uit de hand lopen. Voedingsbodems voor planten bevatten vaak metalen, die uiterst giftig zijn voor garnalen. Bovendien kunnen voedingsbodems gaan rotten. Vermijd daarom liever het gebruik van een voedingsbodem. Als u aquariumplanten toch goed wilt laten wortelen, kies dan voor een turfbodem of voedingszand. Verzorgen en hanteren: Nieuw aangekochte garnalen kunnen niet zomaar in het aquarium worden gezet. Ze moeten eerst langzaam wennen aan de voor hen nieuwe watersamenstelling. Doe de inhoud van het zakje, dus water en garnalen, in een lege emmer en laat deze tien minuten afgedekt bij kamertemperatuur staan. Vul vervolgens het water in de emmer iedere paar minuten aan met water uit het aquarium. Gebruik hiervoor bij voorkeur een luchtslangetje van het filter, zodat het water langzaam in de emmer druppelt tot er minstens drie keer zoveel aquariumwater als water uit het zakje in de emmer zit. Vang de garnalen in een netje, giet het water uit de emmer voorzichtig terug in het aquarium en zet tot slot de garnalen erin. Door het transport en het andere water kunnen de garnalen kleur verliezen. De normale kleur moet echter binnen twee dagen weer terugkeren. Omdat garnalen erg gevoelig zijn voor slechte waterkwaliteit moet het water regelmatig getest worden. Test in ieder geval op nitriet, nitraat, pH, fosfaat en bij voorkeur ook op koper. Ververs wekelijks 30 tot 50% van het water. Gebruik daarbij een waterbereidingsmiddel dat zware metalen als ijzer en koper bindt. Maak regelmatig het filter schoon door het filtermateriaal uit te spoelen in schoon water op kamertemperatuur. Voeding: De meeste garnalen zijn van nature omnivoor en eten allerlei dierlijke en plantaardige resten. In gevangenschap kunnen ze gevoerd worden met een speciaal garnalenvoer. Dit verkleint de kans op vervellingsproblemen en valt meestal langzaam uiteen, waardoor het nauwelijks zorgt voor een afname van de waterkwaliteit als het voer niet direct wordt opgegeten. Het garnalenvoer moet voor de nodige variatie wel worden aangevuld met andere voedingsmiddelen, zoals diepvriesvoer (bijvoorbeeld Cyclops, Daphnia, Artemia, Tubifex, rode muggenlarven), algen (ook in tablet-/poedervorm, Spirulina), gedroogde bladeren (met name beuk en eik, 2-3 bladeren per 100 liter water), fruit (appel, peer, aardbei) en groenten (bijvoorbeeld gekookte wortelen, spruitjes, open geknepen erwten, broccoli, verse spinazie, komkommer). Macrobrachium-soorten hebben behoefte aan relatief veel vlees in de vorm van diepvriesvoer of een visje. Kies voor voer dat snel zinkt of laat het zelf zinken, want garnalen eten alleen van de bodem. Voer nooit te veel, door een overmaat aan voedselresten gaat de waterkwaliteit sterk achteruit. Voortplanting: Het geslachtsonderscheid is bij garnalen te maken op basis van uiterlijke kenmerken. Bij vrouwtjes loopt het kopschild wat lager door aan de zijkant en is de buik boller. Vrouwtjes zijn bovendien vaak herkenbaar aan een eivlek net achter de kop of aan het dragen van eitjes bij hun buikpoten. Zoetwatergarnalen worden geslachtsrijp op een leeftijd van drie tot vier maanden. De voortplanting begint met de vorming van kuit rond de nekstreek van het vrouwtje en is te herkennen aan de eivlek. Na ongeveer vier tot zes weken zijn de eitjes rijp en vervelt het vrouwtje. Het vrouwtje geeft daarbij geurstoffen af, die de mannetjes opwinden. De mannetjes zwemmen vervolgens met hoge snelheid door het aquarium op zoek naar het bewuste vrouwtje. Dit gebeurt vaak na een waterwissel, omdat dat de garnalen vaak tot vervelling en vervolgens paring aanzet. Zodra een mannetje een paringsbereid vrouwtje gevonden heeft, hecht hij zich vast aan haar nekstreek. Hij laat zich vervolgens langs de zijkant van het vrouwtje naar beneden glijden en zet met behulp van de voorste twee paren zwembenen een zaadpakketje af in de buurt van haar geslachtsopening die zich tussen haar looppoten bevindt. Direct daarna zwemt het mannetje weg. Enkele minuten na de paring neemt het vrouwtje een gekromde houding aan en perst ze met draaiende bewegingen haar eipakketje door de geslachtsopening in de draagtassen van haar achterlijf. Hierbij komen de eitjes in contact met het zaad van het mannetje en vindt de bevruchting plaats. Met haar zwempoten houdt het vrouwtje vervolgens de eitjes schoon en voorziet zij ze van zuurstof door te waaieren. Vrouwtjes dragen de eitjes bij hun buikpoten totdat ze na ongeveer twee tot zes weken uitkomen, dit verschilt per soort. Laat drachtige vrouwtjes met rust, door stress kunnen de eitjes worden afgestoten. De eieren van de meeste dwerggarnalen zijn aanvankelijk donker van kleur, maar worden steeds doorzichtiger, zodat uiteindelijk de larven met hun donkere ogen door het ei heen zichtbaar zijn. De jongen worden na het uitkomen direct los gelaten en moeten meteen voor zichzelf zorgen. Het vrouwtje wordt vlak voor het loslaten van de jongen heel rustig. Ze zoekt meestal een hoog plekje op en gaat daar bijna onbeweeglijk zitten. Enige tijd later begint ze met haar zwembenen te wapperen en daarbij laten de jongen los. Bij sommige soorten hebben de jongen als ze worden losgelaten al alle larvenstadia doorlopen en zijn dus volledig ontwikkeld. Dit wordt een gespecialiseerd voortplantingstype genoemd. Bij andere soorten worden de jongen al als larve losgelaten en dit wordt een primitief voortplantingstype genoemd. Bij soorten met een primitief voortplantingstype worden de jongen geboren in zoet water, maar vervolgens kunnen ze meestal alleen opgroeien in brak water (half zoet, half zout). Ze moeten binnen vier dagen na de geboorte worden overgebracht naar brak water en kunnen na ongeveer vier weken (volledig ontwikkeld) weer terug naar zoet water. In gevangenschap is de kweek van primitief voortplantende garnalen moeilijk te realiseren. Garnalen kunnen zich ongeveer iedere twee maanden voortplanten. De kweek in gevangenschap verloopt vaak beter als de dieren niet op kamertemperatuur, maar in verwarmd water worden gehouden. Voer de watertemperatuur geleidelijk en niet te hoog op. De jongen zullen in het begin vaak vervellen maar naarmate ze ouder worden zal dit minder worden. Jonge garnalen moeten zich kunnen verstoppen tussen de planten. Ze hoeven niet extra gevoerd te worden, in een goed draaiend aquarium vinden ze genoeg voedsel tussen planten en op de bodem. Een kleine hoeveelheid vuil op de bodem is dus gewenst in een garnalenaquarium. Indien nodig kunnen jonge garnalen bijgevoerd worden met fijngewreven garnalenvoer. Strooi dan twee keer daags een klein beetje op het wateroppervlak. Ziekten en aandoeningen: De eencellige parasiet Thelohania contejani veroorzaakt porseleinziekte. De parasiet tast de spieren van de garnaal aan, waardoor het dier, beginnend bij de kop, melkwit kleurt en meestal binnen een dag op zijn zij ligt, alleen nog ongecontroleerde bewegingen makend. Dit leidt altijd snel tot de dood. De eencellige parasiet Myxosporidias veroorzaakt een soortgelijk beeld, dat melkziekte wordt genoemd. Hierbij kleurt het gehele lichaam van de garnaal wit en zal de dood snel volgen. Zelfs het water kan troebel worden. Verwijder bij een verdenking van porselein- of melkziekte de zieke en dode dieren onmiddellijk uit het aquarium en raadpleeg een dierenarts met specifieke kennis op het gebied van aquariumdieren. Katoenziekte kenmerkt zich door wittige knobbeltjes tot ovale of langwerpige blaasjes in de huid. Het wordt veroorzaakt door sporozoën, parasieten die ook de inwendige organen binnendringen en in het lichaam vermenigvuldigen. Een geïnfecteerde garnaal scheidt sporozoën uit met de ontlasting, deze kunnen zo weer andere garnalen infecteren. Daarnaast kan de parasiet ook overgedragen worden via kannibalisme. Hoewel zieke dieren nog lang kunnen leven is het vanwege de snelle overdracht verstandig ze zo snel mogelijk uit het aquarium te verwijderen. Er bestaat geen medicijn voor deze ziekte. Bewaar eventueel dode dieren in een afgesloten plastic zakje in de koelkast en laat ze onderzoeken door uw dierenarts om te achterhalen of er inderdaad sprake was van katoenziekte. Verwar een eivlek, een witte vlek achter de kop, niet met katoenziekte. Een dier met een eivlek is gezond en de inwendige organen zijn duidelijk afgegrensd. Bij een dier met katoenziekte zijn de afzonderlijke organen niet meer van elkaar te onderscheiden. Haakwormen kunnen zich onder het pantser of in de organen van de garnaal bevinden. Ze voeden zich met darmslijmvlies dat ze met hun haakjes ernstig beschadigen. Door het voeren van te eiwitrijk voer (bijvoorbeeld visvoer) versnelt de stofwisseling van de garnaal en kunnen er problemen ontstaan bij de vervelling, zoals misvormingen, verlies van ledematen, of zelfs de dood als de garnaal niet snel genoeg uit zijn oude pantser kan kruipen. Voer daarom speciaal garnalenvoer. Vervellingsproblemen kunnen ook ontstaan door een slechte waterkwaliteit. Zorg voor goede filtering, voldoende vaak verversen en een goede doorluchting van het aquariumwater en overvoer de vissen niet. Verwondingen kunnen leiden tot een verlies van een deel van een ledemaat. In het algemeen groeit dat deel na vier of vijf vervellingen in een kleinere vorm terug, maar via zo’n verwonding kunnen ook bacteriën of schimmels binnendringen. Behalve verwondingen maken ook verkeerde omstandigheden in het aquarium, verkeerd voer en stress een garnaal gevoelig voor bacteriële en schimmelinfecties. Een infectie door bacteriën veroorzaakt vaak verkleuring, aangevreten lichaamsdelen en soms sterfte. Een dierenarts kan u een geschikt antibioticum meegeven. Geef nooit zomaar antibiotica, want deze kunnen giftig zijn voor zowel de garnaal als voor uzelf en bovendien hun werking verliezen als ze onnodig worden toegediend. Bij inwendige schimmelinfecties sterven dieren vaak zonder voorafgaande verschijnselen. Uitwendige schimmelinfecties zijn te herkennen aan meestal witte, soms gele of groene watachtige woekeringen aan het lichaam van de garnaal. Raadpleeg uw dierenarts. Vergiftigingen treden vaak op kort (meestal enkele uren) nadat veranderingen in het aquarium zijn aangebracht. De dieren vertonen afwijkend gedrag en opeens gaan er meerdere dieren dood. Koperhoudende medicijnen of water uit een koperen waterleiding kunnen vergiftiging veroorzaken. Laat kraanwater altijd eerst stromen vóór het tappen van water bestemd voor het aquarium. Vloeibare plantenvoeding, anti-algenmiddelen of ongeschikte waterbereidingsmiddelen kunnen ook voor vergiftiging zorgen. Verstoring van de waterkwaliteit door toevoeging van nieuwe planten of dieren kan problemen geven. Plaats nieuwe planten eerst tenminste drie dagen in een emmer met water dat bij de waterwissel uit het aquarium is gehaald, ververs dit water regelmatig en voeg steeds een waterbereidingsmiddel toe. Spoel de planten vervolgens nog één keer af voordat u ze definitief in het aquarium plaatst. Overige oorzaken zijn te veel nitriet of ammoniak, te weinig zuurstof of te hoge watertemperatuur. Als er sprake zou kunnen zijn van een vergiftiging, ververs dan direct 50 tot 80% van het water en voeg aan het nieuwe water een goed waterbereidingsmiddel toe. Benodigde ervaring: Voor wie voor het eerst garnalen wil gaan houden is de vuurgarnaal zeer geschikt. Deze garnaal plant zich eenvoudig en snel voort en is niet veeleisend wat betreft de huisvesting. Ook de Japanse garnaal is vrij gemakkelijk te houden, hoewel deze zich niet zal voortplanten bij gebrek aan brak water voor de jongen. Aanschaf en kosten: Zoetwatergarnalen kunt u kopen bij een aquariumspeciaalzaak of een kweker. Let op dat de dieren uit schone bakken komen en kies actieve exemplaren uit. Zorg dat u vier tot zes weken voor de komst van de garnalen een volledig ingericht aquarium hebt staan, dat u tot de komst van de dieren verlicht en filtert zoals u zou doen als de dieren er al in zouden zitten. Deze aanlooptijd is nodig om de bacteriën die moeten zorgen voor stabiel aquariumwater te laten vermenigvuldigen. Als u nieuw aangekochte dieren wilt bijplaatsen in een bestaande groep, plaats de nieuwe dieren dan eerst vier weken in een aparte quarantainebak. De meest gangbare zoetwatergarnalen, zoals vuurgarnalen, zijn te koop vanaf ongeveer een euro per stuk. Voor meer bijzondere soorten wordt een hogere prijs gevraagd, vanaf enkele euro’s tot enkele tientallen euro’s per stuk. Een compleet aquarium van zo’n 30 liter inclusief filter en verlichting is te koop vanaf ongeveer 50 euro, grotere aquaria zijn uiteraard duurder. Planten zijn verkrijgbaar vanaf enkele euro's per stuk. Een complete testkit voor de waterkwaliteit is verkrijgbaar vanaf enkele tientallen euro’s. Een potje garnalenvoer van 100 ml kost enkele euro's. Houd er ook rekening mee dat het aquarium stroom verbruikt voor filter, verlichting en eventueel verwarming, waarschijnlijk zult u dit kunnen merken aan uw energienota. (Bron: www.licg.nl)Wandelende Takhttp://www.animalqueen.nl/c-1984184/wandelende-tak/ Met zijn perfecte camouflage is de wandelende tak een fascinerend dier. Er bestaan vele soorten, waarvan sommige flink groot kunnen worden. Ook zijn er wandelende takken met vleugels of opvallende kleuren. Sommige soorten zijn geschikt voor beginnende terrariumhouders, voor andere heeft u wat ervaring nodig. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de wandelende tak het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Er zijn veel verschillende soorten wandelende takken en de verzorging van deze dieren hangt in veel gevallen af van de soort. Voor veel soorten is een hoge luchtvochtigheid belangrijk. Het is daarom erg belangrijk om bij aanschaf van de takken goed na te vragen welke soorten u koopt en hoe deze gehouden, verzorgd en gevoerd moeten worden. De levensverwachting is per soort verschillend. Er zijn soorten die maar een paar maanden leven, terwijl anderen wel een paar jaar oud kunnen worden. Vrouwtjes worden meestal ouder dan mannetjes. Verschillende varianten: De wandelende tak is geen aparte diersoort, maar een groep insecten waar veel verschillende soorten onder vallen. Er zijn meer dan 2.000 soorten bekend. Zij verschillen van elkaar in grootte, in kleur en in lichaamsbouw. De grootste wandelende tak kan 55 centimeter lang worden, maar er zijn ook soorten die niet langer worden dan enkele centimeters. De meeste soorten zijn onopvallend en lijken op een tak, er zijn ook soorten die juist opvallend gekleurd zijn. Sommige wandelende takken hebben vleugels. Van nature: De wandelende tak komt voor over de hele wereld. De meeste soorten leven in Zuidoost Azië en in Zuid-Amerika, maar er zijn ook wandelende takken te vinden in Europa en Afrika. De meeste wandelende takken zijn nachtdieren, overdag houden ze zich rustig en ’s nachts worden ze juist actief. Een wandelende tak houdt zich graag verborgen, dit lukt meestal goed door zijn onopvallende uiterlijk. Sommige soorten wandelende takken houden zich dood als ze zich bedreigd voelen. Ze blijven stil liggen tot het gevaar geweken is. Omdat verschillende soorten op verschillende plaatsen in de wereld leven, hebben ze niet allemaal dezelfde verzorging nodig. Ze stellen verschillende eisen aan huisvesting en voedsel. Huisvesting: U kunt wandelende takken houden in een terrarium. Voor de bodem kunt u bijvoorbeeld zand, bark, humus, turfmolm, spagnum of onbemeste potgrond gebruiken. Een verblijf voor wandelende takken moet minstens drie keer zo hoog en twee keer zo lang zijn als de grootste tak die u erin wilt huisvesten. Om de wandelende takken klimgelegenheid te geven, kunt u een achterwand van kurk in het verblijf plaatsen of losse boomtakken neerzetten. Het benodigde klimaat is voor elke soort anders en het is belangrijk dat u zich voor aanschaf hierover informeert. Veel soorten hebben een verblijf nodig met een hoge luchtvochtigheid, andere soorten kunnen alleen gehouden worden in een droog verblijf met goede ventilatie. De meeste wandelende takken kunnen leven bij een temperatuur van 20 tot 28 °C, maar ook dit kan per soort verschillen. Het is mogelijk om verschillende soorten in één verblijf te houden, maar niet alle combinaties kunnen bij elkaar gehouden worden. Het is belangrijk dat de soorten in hetzelfde klimaat leven en van dezelfde planten eten. Daarnaast is het niet verstandig om soorten die erg verschillen in formaat bij elkaar te zetten. De grotere soort kan de kleinere potentieel ernstig verwonden. Verzorging en hanteren: Als u soorten houdt die oorspronkelijk leven in een klimaat met een hoge luchtvochtigheid, is het noodzakelijk dat het verblijf minimaal één keer per dag wordt besproeid met een plantenspuit. Gebruik hiervoor geen harde straal, maar een waternevel. Wandelende takken zijn erg tere diertjes, wees zeer voorzichtig bij het hanteren. Als u een wandelende tak wilt oppakken kunt u hem beetpakken tussen het eerste en het tweede paar poten. Beter is het om het dier op uw hand of op een voorwerp te laten lopen. Een wandelende tak vervelt een aantal keer in zijn leven. Het is belangrijk om het dier tijdens en net na de vervelling met rust te laten en zeker niet op te tillen. U kunt zijn nieuwe huid makkelijk beschadigen en hieraan kan een wandelende tak overlijden. Sommige soorten wandelende takken kunnen bijten en met hun poten knijpen. Dit zal in de meeste gevallen geen gevaar opleveren. Als u geknepen of gebeten wordt door een wandelende tak kan dit kleine wondjes opleveren. Wandelende takken van de Anisomorpha soort staan er om bekend dat ze zuur spuiten. Bij deze soort is het verstandig om tijdens het hanteren uw ogen te beschermen met een veiligheidsbril. Voeding: Wandelende takken zijn planteneters. Elke soort heeft een eigen dieet, maar braamblad wordt door bijna alle soorten wel gegeten. Let er bij de aanschaf van de wandelende tak in ieder geval op dat ze blad eten wat goed verkrijgbaar is. Veel soorten zijn extreem specialistisch en hebben blad nodig dat soms niet in Nederland groeit of niet het gehele jaar door. Jonge wandelende takken (nimfen) zijn soms niet in staat om harde bladranden te eten, deze kunt u er daarom afknippen. Wat uw wandelende tak nog meer eet, kunt u bij aanschaf navragen. U kunt voedselplanten vinden in de natuur, zelf kweken of kopen. Let wel op dat de planten niet bespoten zijn met insecticiden, dat is dodelijk voor een wandelende tak. Er moet altijd voldoende eten aanwezig zijn. Het is verstandig de voedselplanten in water te zetten, zodat ze langer vers blijven. Zorg er wel voor dat de wandelende takken niet in het water kunnen komen, want dan zullen ze verdrinken. Wandelende takken drinken niet veel. Als u het terrarium besproeit, hebben ze genoeg aan de druppeltjes die blijven liggen. Voortplanting: Bij een aantal soorten wandelende takken zijn de mannetjes wat groter dan vrouwtjes. Het mannetje heeft aan de onderkant van zijn achterlijf een geslachtsorgaan, dit is te zien als een verdikking. Een vrouwtje legt per nacht één tot vijftien eieren en in totaal vijftig tot duizend per periode. Bij de meeste soorten is er geen mannetje nodig. Het vrouwtje kan dan bevruchte eitjes leggen, zonder dat ze gepaard heeft. Afhankelijk van de soort duurt het twee tot twaalf maanden voordat de eitjes uitkomen. Uit de eitjes komen jonge wandelende takken, ook wel "nimfen" genoemd. Zij moeten een aantal keer vervellen totdat ze volwassen zijn, dit gebeurt meestal vijf of zes keer. Dit duurt circa drie tot zes maanden. Twee tot vier weken na de laatste vervelling kunnen de vrouwtjes voor het eerst eitjes gaan leggen. Omdat het vrouwtje zoveel eitjes legt, is het verstandig slechts een klein deel van de eitjes te bewaren en de rest te verwijderen. De eitjes die u bewaart, kunt u uit het verblijf halen en in een geschikt klimaat bewaren. Voor elke soort verschilt het optimale klimaat, dit kunt u navragen bij aanschaf. Ziekten en aandoeningen: Wandelende takken kunnen last hebben van ongedierte, dat per ongeluk met het voedsel in het verblijf gebracht wordt. De eitjes kunnen aangetast worden door schimmels die in hun omgeving terecht komen. Meestal gebeurt dit als de omstandigheden niet optimaal zijn. Als een wandelende tak diarree heeft, kan dit duiden op een te vochtig klimaat in het verblijf of op het aanbieden van een onjuiste voedselplant. Als een wandelende tak een pootje verliest, kan dit na een aantal vervellingen weer aangroeien. Volwassen dieren vervellen niet meer, zij krijgen dus geen nieuw pootje meer. Benodigde ervaring: De makkelijkste soort is de Indische wandelende tak, of Carausius morosus. Voor deze soort heeft u niet veel ervaring nodig, omdat hij geen hoge eisen stelt aan zijn omgeving en verzorging. Voor andere soorten is meer ervaring nodig Aanschaf en kosten: Wandelende takken kunt u kopen bij de dierenspeciaalzaak of bij kwekers. Let er op dat het terrarium waar de dieren vandaan komen goed onderhouden is en dat de dieren onbeschadigd zijn. Eitjes van een wandelende tak zijn al te koop voor tien eurocent per stuk. Een wandelende tak is bij de dierenspeciaalzaak te koop vanaf enkele euro's. Een zeldzame soort is duurder dan een veel voorkomende soort. Voedselplanten kunt u meestal zelf kweken of in de natuur vinden, dus die hoeven weinig te kosten. De prijs voor een geschikt verblijf voor uw wandelende takken varieert van enkele tientallen tot enkele honderden euro's. Dit hangt af van de hoeveelheid wandelende takken die u erin wilt huisvesten en welk klimaat uw wandelende takken nodig hebben. Een plantenspuit om het verblijf te besproeien kost enkele euro's. (Bron: www.licg.nl)Schorpioenhttp://www.animalqueen.nl/c-1984183/schorpioen/ De meeste schorpioenensoorten leven ’s nachts en laten zich overdag bijna niet zien. Het is een erg interessante groep dieren met veel verschillende levenswijzen. Ze hebben relatief weinig verzorging nodig, maar voor het hanteren is wel enige ervaring nodig. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de schorpioen het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Schorpioenen zijn ongewervelde, geleedpotige dieren. Een schorpioenenlichaam bestaat uit een kopstuk en een achterlijf met een staart (waarbij de staart eigenlijk een verlengde is van het achterlijf). Op de staart zit een gifstekel en aan de voorkant van het lichaam zitten twee grijpscharen. Schorpioenen kunnen trillingen waarnemen door middel van de haren op hun grijpscharen, staart en lichaam. De schorpioen valt onder de spinachtigen en heeft dus acht looppoten. Er zijn veel verschillende soorten schorpioenen. De manier waarop u deze dieren moet verzorgen en huisvesten hangt af van de soort. Wel zijn alle soorten giftig en carnivoor (vleeseters). Sommige schorpioenensoorten zijn gevaarlijk voor de mens. De levensverwachting verschilt per soort. Sommige schorpioenen worden maximaal twee jaar oud, er zijn echter ook soorten die wel zes jaar oud kunnen worden. Enkele soorten, zoals bijvoorbeeld Hadrurus arizonensis, kunnen zelfs dertig jaar oud worden. Verschillende varianten: De schorpioen is geen aparte diersoort, maar een groep waar heel veel verschillende soorten onder vallen. Sommige soorten worden niet veel groter dan één centimeter, maar er zijn ook schorpioenen die ongeveer twintig centimeter lang kunnen worden. Ook in kleur verschillen de soorten van elkaar. Schorpioenen uit woestijngebieden zijn vaak zandgeel, maar schorpioenen uit het regenwoud zijn vaak donkerder van kleur. Van nature: Schorpioenen komen van nature op alle continenten voor, behalve op Antarctica. Ze zijn vooral te vinden in tropische en subtropische landen. De meeste schorpioenen leven in spleten en holen, die ze soms zelf graven. Er zijn ook soorten die in bomen leven. Schorpioenen leven niet in groepen, maar alleen. In sommige gevallen kunnen ze echter elkaars aanwezigheid tolereren. Ze kunnen heel goed in droge gebieden leven, omdat ze vocht lang vast kunnen houden in hun lichaam. Bijna alle soorten zijn nachtdieren. Ze verschuilen zich overdag bij voorkeur in een (zelf-)gegraven schuilplaats of bijvoorbeeld onder stukken schors. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken. Een schorpioen heeft een terrarium nodig dat minimaal driemaal zijn totale lengte lang en tweemaal die lengte breed is. Zorg ervoor dat het verblijf zo hoog is dat de schorpioen niet bij de bovenkant kan als hij rechtop staat. Schorpioenen zijn namelijk erg goed in ontsnappen. Ze kunnen prima steunen op hun staart en daardoor hogere plekken bereiken dan men zou denken. Daarom is het ook belangrijk dat er geen kieren zijn in het verblijf en dat de wanden erg glad zijn. Zorg voor een goed deksel maar denk ook aan ventilatie. Zet nooit zomaar meerdere schorpioenen in één verblijf, er kan dan kannibalisme optreden. Verzamel van tevoren informatie over de soort schorpioen van uw keuze, zodat u weet of die soort mogelijk in groepen gehouden kan worden. De woestijnschorpioenen hebben een zanderige bodem nodig, regenwoudbewoners moeten een vochtige bodem hebben, zoals een turflaag. Voor gravende schorpioenen is een bodem van ongeveer tien centimeter diepte nodig, zodat de dieren kunnen graven. Verder heeft een schorpioen een schuilplaats nodig, bijvoorbeeld een stuk kurk of boomschors. Qua klimaat verschillen de eisen per soort, de meeste soorten kunnen leven in een temperatuur tussen de 24 en 30 graden Celsius. Sommigen kunnen hogere of lagere temperaturen aan. Als het nodig is om bij te verwarmen, kan dit het beste door middel van een warmtemat tegen de achterkant of zijkant van het terrarium. Leg een warmtemat nooit onder het terrarium. Een schorpioen die het te warm krijgt gaat graven om aan de warmte te ontsnappen en een warmtemat onder het terrarium kan dan gevaarlijk worden voor de schorpioen. De luchtvochtigheid voor oerwoudsoorten moet tussen 70 en 80% liggen. Om de gewenste luchtvochtigheid te bereiken, kunt u bijvoorbeeld een bak water in het verblijf plaatsen en zo nu en dan de bodem in een hoek van het terrarium goed natmaken. Zorg er altijd voor dat de schorpioen uit de waterbak kan komen. Leg bijvoorbeeld kiezels onderin de waterbak. Voor de woestijnsoorten is het aan te raden om één kant van het terrarium eens per week licht te sprayen. Verzorgen en hanteren: Alle schorpioenen hebben een gifstekel waarmee ze kunnen steken. Ze zijn niet allemaal gevaarlijk voor de mens, maar er zijn wel schorpioenen waarvan de steek dodelijk kan zijn. Kinderen en ouderen kunnen hier extra gevoelig voor zijn. Informeer daarom altijd om welke soort het gaat als u een schorpioen aan wilt schaffen. Over het algemeen zal een schorpioen alleen steken als hij zich bedreigd voelt. Het is belangrijk om er voor te zorgen dat uw schorpioen niet kan ontsnappen, zeker wanneer het om een erg giftige soort gaat. Sluit daarom de kamer waarin u uw schorpioenen houdt goed af, laat ook geen raam openstaan als u er niet bent. Als er dan een schorpioen uit het terrarium ontsnapt, weet u zeker dat hij nog in de kamer is. Zorg ervoor dat kinderen niet bij de schorpioen kunnen komen. Voor hen is een beet gevaarlijker dan voor een volwassene. Schorpioenen moeten zo min mogelijk gehanteerd worden. Soms is het echter toch nodig om ze te verplaatsen. De beste manier om een schorpioen te verplaatsen is door een bakje over het dier te plaatsen en het deksel er onderdoor te schuiven. Een andere methode is de schorpioen oppakken met een lange pincet, pak de schorpioen dan bij het tweede staartsegment (vanaf het achterlijf). Gebruik een pincet met stukjes tochtstrip aan het eind geplakt, zodat de schorpioen niet beschadigd raakt. Als u de schorpioen uit zijn verblijf haalt, is het het beste om het terrarium in een grotere bak te zetten. Als de schorpioen dan valt, valt hij in de bak en is hij nog steeds gemakkelijk te pakken. Zorg ervoor dat de schorpioen nooit te diep kan vallen. Een val van een meter kan voor schorpioen dodelijk zijn. Schorpioenen hebben geen intensieve verzorging nodig, maar u moet wel regelmatig een kijkje bij ze nemen. Ga ongeveer elke 24 uur even kijken of alles goed gaat. Haal na het voeren de overgebleven voedselresten uit het verblijf, als deze niet meer opgegeten worden. Het verblijf hoeft niet vaak helemaal verschoond te worden. Als na het voeren de prooiresten voldoende opgeruimd worden, hoeft een complete verschoning van een verblijf vaak maar eens tot enkele malen per jaar te gebeuren. Voeding: Alle schorpioenen zijn carnivoor, ze eten voornamelijk insecten, zoals krekels. Grote schorpioenen kunnen ook gevoerd worden met jonge muisjes. Geef deze echter niet te vaak, een schorpioen kan dan te dik worden. Bij voorkeur voert u alleen insecten. De meeste schorpioenen moeten elke week tot elke twee weken eenmaal gevoerd worden. Schorpioenen die hoogzwanger zijn of binnenkort gaan vervellen, eten minder dan normaal. Babyschorpioenen (ook wel "scorplings" genoemd) beginnen pas te eten na hun eerste vervelling, ze zijn dan ongeveer zeven tot tien dagen oud. Jonge schorpioenen moeten twee tot drie keer per week gevoerd worden. Een schorpioen kan uren bezig zijn met het eten van zijn prooi. De meeste schorpioenen eten alleen levende prooidieren. Als u levende krekels voert, controleer dan of de krekel binnen 24 uur gevangen en opgegeten wordt. Zo niet, verwijder dan de krekel uit het verblijf en probeer het een paar dagen later nog eens. Een hongerige krekel kan van de schorpioen gaan eten. Voor sommige soorten moet er altijd drinkwater aanwezig zijn. Bied dit aan in een zeer ondiepe bak, zodat de schorpioen er niet in kan verdrinken. Vooral woestijnsoorten staan er om bekend zeer weinig te drinken, zet bij deze soorten eens per week een waterbakje in het terrarium en laat deze hoogstens 48 uur staan. Voortplanting: Het is lastig om het verschil te zien tussen mannetjes en vrouwtjes. Mannetjes zijn over het algemeen slanker en iets kleiner of hebben een dikkere gifstekel dan vrouwtjes. Aan de buikzijde hebben schorpioenen buikborstels. Deze gebruiken ze om de omgeving te voelen. Bij volwassen mannelijke dieren zijn deze buikborstels over het algemeen groter dan bij volwassen vrouwtjes. Om zeker te weten welk geslacht een schorpioen heeft, kunt u het beste een expert raadplegen, omdat dit bij sommige soorten zeer lastig te zien is. Schorpioenen hebben een opvallende manier van voortplanten. Het mannetje plaatst een spermatofoor, een pakketje met sperma, op de grond. Daarna stuurt hij het vrouwtje eroverheen. Zij neemt het pakketje in zich op en zo worden haar eitjes bevrucht. De eitjes worden in het vrouwtje uitgebroed en ze baart dus levende jongen. De dracht kan wel twaalf maanden duren. Per keer worden er 8 tot 35 jongen geboren. De jongen kruipen direct na de geboorte op moeders rug. In deze periode is het vrouwtje vaak erg agressief. Als de jongen na ongeveer twee weken van de moeder afgaan, kunnen ze ook agressief naar elkaar toe worden. Dit is het tijdstip dat ze zelfstandig gaan leven. Schorpioenen vervellen een paar keer tijdens hun leven. Dit is nodig om te kunnen groeien. In het eerste jaar vervellen schorpioenen vier tot zes keer. Na vier tot zeven vervellingen zijn schorpioenen volwassen, afhankelijk van de soort. Ziekten en aandoeningen: Schorpioenen hebben niet vaak last van ziekten. Als ze ouder worden, gaan ze langzamerhand steeds minder eten. Uiteindelijk gaan de meeste schorpioenen dood van ouderdom. Als schorpioenen ergens aan lijden, zijn het meestal schimmelinfecties of bacteriële infecties. Ook kunnen schorpioenen last krijgen van mijten tussen de dekschilden. Dit is een zeer ernstig probleem. In het geval van mijten kunt u het beste zo snel mogelijk roofmijten bestellen en deze in het terrarium erbij zetten. Roofmijten eten de mijten op en laten de schorpioen met rust. Bij een schimmelinfectie kan men het beste de schorpioen tijdelijk wat droger zetten en het gehele terrarium goed schoonmaken. Schimmelinfecties op de schorpioen zelf komen niet veel voor, de meest bekende is een infectie waarbij zwarte vlekken op het pantser optreden. Hier is helaas nog geen goede behandeling voor, het meest raadzame is de schorpioen iets droger zetten en uit de buurt houden van andere schorpioenen. Bacteriële infecties komen maar zeer zelden voor, helaas is hier geen goede behandeling tegen. Neem bij twijfel over de gezondheid van de schorpioen contact op met een expert. Zoek indien mogelijk een dierenarts met verstand van schorpioenen. Benodigde ervaring: Schorpioenen hebben niet veel ruimte en geen intensieve verzorging nodig. Het zijn echter wel giftige dieren en voor het hanteren is ervaring nodig. Begin niet aan de voor de mens giftige soorten als u geen ervaring met schorpioenen hebt. Net zoals voor alle andere dieren is het nodig om van te voren informatie te verzamelen over deze diersoort. Aanschaf en kosten: In veel gemeenten is het houden van giftige dieren verboden. Hiervoor moet dan eerst een ontheffing worden aangevraagd bij de gemeente. U kunt een schorpioen kopen bij een gespecialiseerde dierenspeciaalzaak, een reptielenbeurs of een kweker. Afhankelijk van de soort betaalt u enkele tientallen euro’s. De prijzen van een terrarium beginnen bij ongeveer 100 euro. Insecten om te voeren koopt u vanaf enkele euro’s per bakje en u zult af en toe nieuwe bodembedekking moeten kopen. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als uw dier onverhoopt ziek wordt. (Bron: www.licg.nl)Mexicaanse Roodknievogelspinhttp://www.animalqueen.nl/c-1984179/mexicaanse-roodknievogelspin/ Mexicaanse roodknievogelspinnen zijn mooi om naar te kijken. Ze bewegen niet veel, maar komen wel regelmatig uit hun schuilplaats. De vrouwtjes kunnen tot 30 jaar oud worden en bij iedere vervelling wordt de spin groter en mooier. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de Mexicaanse roodknievogelspin het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De Mexicaanse roodknievogelspin is een populaire vogelspinsoort. Deze spinnen zijn mooi om te zien en zijn niet erg agressief. Net als alle vogelspinnen zijn ze echter niet geschikt om te hanteren. Het blijven wilde dieren die niet tam gemaakt kunnen worden. Ze zijn giftig en kunnen wonden veroorzaken. In zeldzame gevallen, wanneer mensen overgevoelig zijn voor dit gif, kan de reactie zelfs fataal zijn. Mexicaanse roodknievogelspinnen bewegen weinig en kunnen lang op één plaats stil blijven zitten. Een volwassen Mexicaanse roodknievogelspin is, met de poten meegerekend, vijftien tot achttien centimeter groot. Het lijf is maximaal acht centimeter groot. Het achterlijf is voornamelijk zwart behaard, het kopschild is zwart met een oranje of bruine rand. De poten zijn zwart met bruinrode haren en felrode of oranje knieën. Vogelspinnen hebben geen oren, maar kunnen trillingen voelen. Ze hebben vier paar ogen, maar kunnen slecht zien. Vrouwtjes kunnen in gevangenschap een leeftijd van 25 tot 30 jaar bereiken. Mannetjes worden veel minder oud, ongeveer vier tot zeven jaar. Zij sterven binnen ongeveer twee jaar nadat ze de volwassenheid hebben bereikt. Verschillende varianten: De Mexicaanse roodknie kent geen ondersoorten. Van nature: De Mexicaanse roodknievogelspin leeft van nature o.a. in de halfwoestijnen van Mexico. Het dier kan ook in nattere gebieden leven. Het is een bodembewoner, die schuilplaatsen zoekt in bijvoorbeeld rotsspleten of onder stenen. Deze vogelspin kan holen graven tot een halve meter diep. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken. Een volwassen roodknievogelspin voelt zich prettig in een terrarium van ongeveer 40 x 30 x 30 centimeter. Als het terrarium hoger is, kan deze bodembewoner bij een val fatale verwondingen oplopen. Bij een te groot bodemoppervlak bestaat de kans dat de spin zijn prooi niet kan vinden. Zorg ervoor dat het terrarium goed afgesloten kan worden en dat het een luchtvochtigheid heeft van 60 tot 70%. Dit is bijvoorbeeld te bereiken door een waterbakje te plaatsen en een scheut water naast het bakje te gieten. De dagtemperatuur zou tussen de 22 en 27 graden Celsius moeten liggen. ’s Nachts mag het koeler zijn, met een minimum temperatuur van 18 graden Celsius. In de winter mag het droger zijn, met een dagtemperatuur tussen de 22 en 25 graden Celsius. U kunt de temperatuur bijvoorbeeld regelen met een gloeilamp of warmtemat. Deze laatste optie droogt de grond minder uit. Let er bij een lamp op dat de spin zich niet kan branden en houd er rekening mee dat spinnen lichtschuwe dieren zijn. Zorg dus altijd voor voldoende schuilmogelijkheden. Bij een warmtemat mag deze niet aan de onderzijde van het terrarium worden toegepast, warmte van onderen is niet natuurlijk. Gebruik een ventilatierooster om schimmelvorming te voorkomen, maar let erop dat het rooster kleine gaten heeft, zodat voedseldieren niet kunnen ontsnappen. Als bodemlaag kunt u een ongeveer tien centimeter dikke laag (turf)grond gebruiken. Hier kan de spin in graven. Verder is het belangrijk dat er een schuilplaats is, bijvoorbeeld een omgekeerde bloempot. Planten zijn niet noodzakelijk. Neemt u toch planten, dan mogen deze natuurlijk niet bespoten zijn met insectenverdelgers. U kunt voor de aankleding van het terrarium ook kiezen voor kunstplanten. Haal regelmatig ontlasting van de spin en resten van prooidieren weg. Dit voorkomt groei van bacteriën en mijten. Maak het terrarium één tot twee keer per jaar volledig schoon. Omdat vogelspinnen elkaar kunnen opeten, moeten ze apart gehuisvest worden. Verzorgen en hanteren: Een vogelspin is mooi om naar te kijken, maar niet geschikt als knuffeldier. Vanwege hun zware achterlijf zijn deze vogelspinnen kwetsbaar. Let daarom op dat ze niet kunnen ontsnappen en vallen, want dat kan fataal zijn. De dieren zijn erg stressgevoelig en moeten zo min mogelijk gestoord worden. Als u in de bak aan het werk bent, kijk dan uit dat de spin niet schrikt. Hij zou hierdoor als verdediging kunnen bijten. De Mexicaanse roodknievogelspin kan met zijn kaken gif injecteren. Hij bijt als hij een prooi aanvalt, maar ook als hij zich genoodzaakt voelt zich te verdedigen. Het gif van deze vogelspin is niet heel sterk, maar kan (net als bij wespen) dodelijk zijn wanneer er een allergische reactie optreedt. Een beet is in ieder geval pijnlijk. Ook kan de Mexicaanse roodknievogelspin brandharen afstoten, deze kunnen irriteren. Het is daarom raadzaam een Mexicaanse roodknievogelspin niet te hanteren. Werk altijd met een pincet en niet met uw blote hand. Als u de spin wilt verplaatsen, tik hem dan zachtjes aan met het pincet om hem naar een andere plek te sturen. Wanneer de spin moet worden uitgevangen, kunt u het beste gebruik maken van een plastic transparant bakje. Zet dit over de spin heen en schuif er een plaatje onder. Dit is de voor de spin de minst stressvolle manier om gevangen te worden. De Mexicaanse roodknievogelspin is niet geschikt voor kinderen. Voeding: Van nature eet deze vogelspin voornamelijk grote insecten en soms kikkers of kleine reptielen. Hij vangt zijn prooi vanuit een hinderlaag en injecteert deze met gif, waardoor de prooi verlamd raakt. De prooi wordt buiten het lichaam van de spin verteerd en leeggezogen. U kunt een volwassen roodknievogelspin één tot twee keer per week voeren. Voer levende prooidieren, want de spin reageert niet op dood voedsel. De prooi moet kleiner zijn dan de spin zelf. U kunt insecten, zoals krekels en sprinkhanen voeren, maar pas op met te veel voedsel. Dit kan de levensduur van de spin verkorten. Een te dik achterlijf geeft extra risico bij een val. Geef per voerbeurt bijvoorbeeld één tot drie krekels, afhankelijk van hun grootte. Volwassen spinnen kunt u tevens een paar keer per jaar een nestmuis of nestrat voeren. Dit is niet altijd noodzakelijk, maar is goed ter afwisseling om tekorten aan te vullen. Vogelspinnen kunnen lange tijd zonder voedsel. Wanneer uw spin niet goed eet, kan dat komen omdat hij overvoerd is of omdat hij gaat vasten voor een vervelling. Dit kan dagen tot maanden duren. Tijdens het vervellen en de eerste weken daarna is de spin kwetsbaar. Voer dan geen voedseldieren die hem kunnen aanvreten en beschadigen. Zorg dat er een ondiep waterbakje is waaruit de spin kan drinken, ook wanneer hij niet eet. Ververs het water minimaal eenmaal per week om bacteriegroei te voorkomen. Voortplanting: Mannetjes zijn geslachtsrijp na twee tot vijf jaar. Het mannetje zal dan een spermaweb maken. Hierbij vult hij sperma in zijn bulbussen, deze zitten voorop de tasters van de mannelijke spin. Een volwassen mannetje wordt in gedrag erg onrustig. De geslachtsrijpe man gaat op zoek naar een vrouwtje. Bij een paring bevrucht hij het vrouwtje, terwijl hij haar kaken blokkeert om een beet te voorkomen. Na afloop vlucht het mannetje om geen prooi voor het vrouwtje te worden. Een paar maanden na de paring spint het vrouwtje een kom om honderden eitjes in af te zetten. Hiervan maakt zij een cocon die ze bewaakt. Na een aantal weken komen de larven ("spiderlingen") uit. Deze voeden zich direct zelfstandig met bijvoorbeeld kleine vliegjes. Jonge spinnetjes zijn enkele millimeters groot. Het kan wel acht jaar duren voordat de Mexicaanse roodknievogelspin volledig volgroeid is. Vrouwtjes worden groter dan mannetjes. Als een spin groeit, groeit zijn pantser niet mee. Daarom moet de spin vervellen. De eerste tekenen van een aankomende vervelling zijn stoppen met eten, het afzetten van brandharen in het terrarium en het donker kleuren van de huid van de spin. Dit laatste is goed te zien bij een spin die een kaal achterlijf heeft. Zorg bij deze eerste tekenen voor een goede optimale luchtvochtigheid in het terrarium, dit is zeer belangrijk voor een succesvolle vervelling. Tijdens de vervelling ligt de spin vaak op zijn rug en lijkt soms dood te zijn. Hij is dan ontzettend kwetsbaar. Stoor het dier niet en raak hem niet aan. Na afloop van iedere vervelling is de spin groter en zijn de kleuren mooier en feller. Eventuele wondjes zijn verdwenen en afgestoten brandharen zijn weer terug. Zelfs poten kunnen weer teruggroeien. Ziekten en aandoeningen: Een veel voorkomend probleem bij vogelspinnen is een infectie met mijten. Als u daar niets aan doet, kan de spin eraan overlijden. Wanneer u een mijtinfectie constateert, kunt u het beste de spin tijdelijk in een lege kunststof bak plaatsen. Mijten hebben namelijk de bodembedekking nodig voor voortplanting. Verschoon het terrarium goed voordat u de spin terugplaatst, zodat u zeker weet dat er geen mijten meer in het terrarium aanwezig zijn. U kunt met een penseel, met het puntje getipt in vaseline, de mijten voorzichtig één voor één verwijderen van de spin. Let daarbij goed op dat u niet met de vaseline in de buurt van de monddelen van de spin komt. Gebruik geen bestrijdingsmiddelen tegen mijten. Mijten vallen zelf namelijk ook onder de spinachtigen, een bestrijdingsmiddel tegen mijten zal uw spin dus ook aantasten. Roofmijten zijn een andere goede optie om parasitaire mijten te bestrijden. Roofmijten eten de parasitaire mijten op, zijn commercieel verkrijgbaar en vallen de spin niet lastig. Zorg ervoor dat het vochtgehalte in het verblijf goed is om problemen met vervelling te voorkomen. Een zieke spin kan verstoord gedrag vertonen. Benodigde ervaring: De Mexicaanse roodknievogelspin wordt vaak gezien als een geschikte spin voor beginnende spinnenhouders vanwege zijn rustige karakter. Zijn opvallende uiterlijk maakt het een aantrekkelijke eerste keuze. Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is echter wel ervaring nodig. Zorg er bovendien voor dat u zich van tevoren goed informeert, bijvoorbeeld via uw verkoopadres of een vereniging. Vogelspinnen zijn niet geschikt voor (gezinnen met) kinderen. Aanschaf en kosten: U kunt een Mexicaanse roodknievogelspin kopen bij een gespecialiseerde kweker of dierenspeciaalzaak. Deze spin valt onder CITES Bijlage II. CITES regelt de handel in bedreigde dier- en plantensoorten. Vraag bij aankoop om de CITES-papieren, deze hoort u van de verkopende partij altijd te ontvangen. Er is voldoende nakweek verkrijgbaar, dus wildvang is niet nodig. De prijs van een Mexicaanse roodknievogelspin hangt af van het geslacht, de leeftijd en de grootte. Gemiddeld zal deze spin enkele tientallen euro’s kosten. Een terrarium van de juiste afmetingen kost ook enkele tientallen euro’s, net als verdere inrichting zoals bodembedekking, verlichting, eventuele luchtvochtigheid- en temperatuurmeters. Krekels en sprinkhanen kosten enkele euro’s per bakje. (Bron: www.licg.nl)Landheremietkreefthttp://www.animalqueen.nl/c-1984177/landheremietkreeft/ Landheremietkreeften zijn kleurrijke kreeften die op het land leven. Omdat ze steeds doorgroeien, zoeken ze regelmatig een nieuwe schelp uit, waardoor hun uiterlijk steeds verandert. Het zijn uitdagende dieren om te houden, omdat ze erg gevoelig zijn voor afwijkingen van de ideale omstandigheden. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de landheremietkreeft het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De heremietkreeft is een kreeftachtige met tien poten. Er zijn in de hele wereld ongeveer vijfhonderd bekende heremietkreeftsoorten. Het merendeel van de heremietkreeften leeft in water. Landheremietkreeften leven echter, zoals de naam al aangeeft, op het land. Sommige soorten landheremietkreeften leven dichtbij zee, rondom het strand. Andere soorten trekken verder het land in, tot enkele kilometers van zee. Ze blijven echter allemaal afhankelijk van het zoute zeewater voor de zoutopname en de voortplanting. Landheremietkreeften dragen een schelp afkomstig van een land- of zeeslak. Ze doen dit om hun kwetsbare achterlijf te beschermen en om een waterreserve vast te kunnen houden. Deze waterreserve bestaat uit zowel zout als zoet water en wordt gebruikt om allerlei lichaamsprocessen te kunnen regelen. De kreeften kunnen als het nodig is het zoete en/of zoute water aanvullen. De landheremietkreeft heeft o.a. drie paar monddelen en kieuwen die zijn aangepast aan het ademen van lucht. Daarnaast heeft deze kreeft een grote en een kleine schaar, twee paar looppoten, poten voor het bewegen in en uit de schelp en poten om de kieuwen en de binnenkant van de schelp mee schoon te maken. Aan het uiteinde van het achterlijf bevindt zich een aanhangsel waarmee de kreeft zich vastzet in de schelp (uropode). Landheremietkreeften moeten vervellen om te kunnen groeien. Regelmatig kunnen landheremietkreeften ledematen verliezen zoals een antenne, poot of schaar, maar deze ledematen kunnen weer aangroeien bij een goed verlopen vervelling. Landheremietkreeften worden in gevangenschap bij een goede verzorging rond de tien jaar oud. Een enkele keer worden ze zelfs wel 30 jaar oud. Verschillende varianten: Landheremietkreeften behoren tot het geslacht Coenobita van de familie Coenobitidae. Er zijn zestien soorten beschreven, maar slechts drie ervan worden in Europa regelmatig aangeboden: Coenobita clypeatus (C. clypeatus), C. rugosus en C. perlatus. Ze kunnen in veel verschillende kleuren voorkomen, al naar gelang de soort en hun dieet. Van nature: Landheremietkreeften komen van nature voor in (sub)tropische gebieden. Ze zijn vooral in de schemering, nacht en een deel van de dag actief, de rest van de dag liggen ze te slapen. Het zijn bodembewoners, maar ze klimmen ook graag in een boom of struik. Voor de vervelling graven ze zich in een stevige holte in de grond in. Bij jonge dieren duurt dit ongeveer twee weken en bij volwassen dieren soms wel meer dan drie maanden. Landheremietkreeften graven zich echter ook in bij stress en soms ook zonder aanwijsbare reden. Landheremietkreeften zijn geen sociale dieren, maar in het wild leven ze in groepen van 100 of meer dieren die samen een ideaal leefgebied delen. Ze maken zelden geluid, maar soms kunnen ze een vrij luid raspend, tsjirpend geluid voortbrengen. Dit wordt striduleren genoemd en vindt bijvoorbeeld plaats bij onderlinge irritatie en soms ook zonder aanwijsbare reden. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken. Landheremietkreeften kunnen in groepen van drie of meer dieren worden gehouden. Het geslacht maakt daarbij niet uit. In het algemeen kunnen verschillende soorten landheremietkreeften zonder problemen samen gehouden worden. Zorg er dan wel voor dat de kreeften van ongeveer gelijke grootte zijn. Landheremietkreeften kunnen het beste in een glazen aquariumbak of terrarium worden gehuisvest. Glas houdt de warmte en vochtigheid namelijk beter binnen dan kunststof. Het deksel bestaat bij voorkeur uit glas of plexiglas, voorzien van ventilatieopeningen voor verse lucht. Zorg ervoor dat het deksel stevig vastzit en niet te grote openingen heeft, zodat de kreeftjes niet kunnen ontsnappen. De grootte van de bak is afhankelijk van het aantal en de grootte van de kreeften. In het algemeen geldt dat de bak per middelgrote landheremietkreeft een inhoud van minimaal tien liter moet hebben. Naarmate de dieren groeien zullen ze meer ruimte nodig hebben. Daarom is het aan te raden direct een grotere bak te kopen of anders na verloop van tijd minder dieren per bak te houden. Let er bij de groei op dat niet alleen de huisvesting wordt vergroot, maar dat er voor dieren ook nieuwe schelpen aanwezig zijn, die beter geschikt zijn voor het grotere lichaamsformaat. Als bodembedekking zijn kwartszand, humus, spagnum, beukenblad en kokosvezel zeer geschikt. De laag bodembedekking moet altijd minimaal twee keer zo dik zijn als de hoogte van de grootste kreeft, zodat alle dieren zich goed en volledig kunnen ingraven voor de vervelling. Vul bij voorkeur een deel van de bak met kokosvezel en het andere met kwartszand, zodat de kreeften zelf kunnen kiezen waar ze zich ingraven. De temperatuur in het verblijf moet overdag tussen de 22 en 28 graden Celsius liggen. Dit is te bereiken met behulp van een warmtemat. Deze kunt u plaatsen onder ongeveer de helft van de bak, zo ontstaat een warm en een koeler gedeelte in de bak. Eventueel kunt u gebruik maken van een spot of gloeilamp met een laag wattage. Dit dient niet alleen als warmtebron, maar zorgt tegelijkertijd voor verlichting. Als verlichting kunt u ook TL-buizen gebruiken. Voorkom oververhitting en een te droge bak door te sterke lampen. De verlichting mag twaalf uur per dag ingeschakeld zijn. ’s Avonds kunnen de verlichting en verwarming worden uitgeschakeld, maar alleen wanneer het niet kouder wordt dan achttien graden Celsius. Anders moet u ’s nachts de warmtemat ingeschakeld houden. Controleer niet alleen de temperatuur van de lucht in de bak, maar ook de temperatuur van de bodembedekking direct boven de warmtemat. Dit mag niet te warm zijn, de kreeft graaft zich tenslotte in. Landheremietkreeften hebben een hoge luchtvochtigheid van 75 tot 85% nodig. Bij een hogere of lagere luchtvochtigheid kunnen vervellings- en/of ademhalingsproblemen ontstaan. Bovendien bestaat er bij een te hoge luchtvochtigheid een groter risico op bacterie- en schimmelgroei. Zorg daarom ook dat het terrarium voldoende geventileerd wordt. Gebruik voor landheremietkreeften alleen ontchloord water, zowel voor gebruik in het verblijf als het drinkwater, want chloor beschadigt de kieuwen. De eenvoudigste manier om water te ontchloren is het 24 uur in een emmer te laten staan, maar bij dierenspeciaalzaken zijn voor het ontchloren ook speciale vloeistoffen verkrijgbaar. Er moeten minimaal twee waterbakjes zijn, één met zout en één met zoet water. Het zoute water hoort het zoutgehalte van zeewater te bevatten en met zeezout aangemaakt te zijn. De waterbakjes moeten dusdanig groot zijn dat de grootste kreeft erin kan baden, maar zorg er wel voor dat ze niet zo diep zijn dat de kreeften er in kunnen verdrinken. Zorg vanwege het verdrinkingsgevaar voor schuin aflopende wanden of eilandjes in de waterbakken (bijvoorbeeld spons of stenen). Er moeten enkele schuilplaatsen zijn zoals stukken hout, kurkschors en kunstplanten met grote bladeren, klimgelegenheden (bijvoorbeeld takken, kunstplanten, visnetten), lege schelpen en een voerbakje. Omdat landheremietkreeften voortdurend uit hun schelp groeien en een slecht passende schelp kan leiden tot misvormingen, moet de kreeft altijd de keuze hebben uit verschillende typen en formaten schelpen. Kies altijd voor een natuurlijke schelp en niet voor een geverfde. De verf kan namelijk giftig zijn voor de kreeft. Steriliseer nieuwe schelpen voor gebruik door ze 10 minuten in kokend (ontchloord) water te leggen. Laat de schelpen uiteraard eerst afkoelen voordat u ze aan de kreeften aanbiedt. Landheremietkreeften hebben in het algemeen een voorkeur voor schelpen met een ronde of D-vormige ingang en een niet al te aparte of langwerpige vorm. Geef per kreeft minimaal drie extra schelpen van iets uiteenlopende grootte. Een schelp past goed wanneer de kreeft zich goed terug kan trekken in de schelp en hij de ingang af kan sluiten met zijn grote klauw en een looppoot. Gebruik voor de inrichting niets van metaal, roest kan de dieren vergiftigen. Zieke, agressieve en gewonde dieren kunnen tijdelijk apart gehouden worden in een transparante kunststof opbergbox. Die box moet op dezelfde manier ingericht worden als het normale verblijf (waterbakjes, bodembedekking, enz.). Deze opbergbox kan met een rooster als deksel in het normale verblijf gezet worden als dat groot genoeg is. Op die manier worden de dieren niet blootgesteld aan extra stress ten gevolge van een verandering van de omstandigheden. Nieuw aangekochte dieren moeten eerst drie tot vier weken in quarantaine gezet worden vanwege mogelijke ziekteverwekkers. Om nieuwe dieren toe te voegen aan de bestaande groep dieren, kunt u de bestaande bewoners even kort in hun eigen waterbakje met zoet water dompelen. Vervolgens dompelt u de nieuwkomers in datzelfde bakje. Op die manier brengt u de geur van de bestaande bewoners over naar de nieuwkomers. Verzorgen en hanteren: Verwijder iedere dag ontlasting en eventuele voedselresten. Ververs ook dagelijks zowel het zoete als zoute water en maak eventueel gebruikte sponsen schoon. Iedere één tot twee maanden moet het hele verblijf leeggemaakt worden, moet alles worden schoongemaakt en moet de bodembedekking worden vervangen. Gebruik geen zeep of bleek, maar ontchloord water met daarin eventueel witte azijn of het product dat u gebruikt voor het aanmaken van het zoute drinkwater (in hogere dosering dan gebruikt voor het drinkwater). In het vochtige verblijf groeien schimmels en bacteriën snel en daarom is het verstandig regelmatig alles te stomen, uit te koken, te bakken in de oven of, als dat niet mogelijk is, zaken te vervangen. Landheremietkreeften zijn in het algemeen niet agressief en goed te hanteren, maar prettig vinden ze dat niet. Hanteer de kreeft pas als hij op zijn gemak lijkt te zijn. Houd kreeften niet te lang buiten hun verblijf omdat het klimaat daar niet optimaal is. Laat vervellende of pas vervelde kreeften altijd met rust, hanteer ze niet. Ze zijn tijdens en na de vervelling namelijk zeer kwetsbaar vanwege het nog zachte nieuwe pantser. Bij het hanteren kunnen landheremietkreeften het beste op de vlakke hand met de vingers tegen elkaar worden gezet om te voorkomen dat ze met een schaar een vinger te pakken krijgen. Mocht dit toch gebeuren en de kreeft laat niet direct weer los, besproei of overgiet de betreffende schaar dan met warm ontchloord water, de kreeft zal dan loslaten. Ga nooit schudden of trekken, want dat kan het dier beschadigen. Probeer een landheremietkreeft nooit uit zijn schelp te krijgen. Sommige dieren laten zichzelf nog liever uit elkaar trekken dan dat ze de veiligheid van de schelp zullen verlaten. Wees uiterst terughoudend met het hanteren van uw kreeften door kinderen. Houd in ieder geval altijd toezicht. Voeding: Landheremietkreeften zijn alleseters. Ze eten van nature bijna alles wat ze tegenkomen, zoals vruchten, bladeren, dode insecten, zeewieren, dode vissen en noten. Ze hebben wel een zeer gevarieerd dieet nodig. Wissel verschillende groentesoorten, fruitsoorten, planten, granen en rijst, noten, insecten, vlees/vis, wier, melkproducten en in beperkte mate citrusvruchten met elkaar af. Er zijn ook vele kant-en-klare mengvoeders voor landheremietkreeften verkrijgbaar, maar deze zijn niet allemaal even geschikt. Voer alleen een kant-en-klaar voer als u er zeker van bent dat er geen schadelijke ingrediënten in zitten en vul het aan met verse producten. Voer bij voorkeur ‘s avonds en gooi de volgende ochtend al het niet opgegeten voedsel weg. Het vervellen van een landheremietkreeft kost veel energie en het nieuwe pantser moet hard worden. Geef daarom voer van goede kwaliteit en extra kalk zoals eierschalen of gemalen oesterschalen. Landheremietkreeften zullen het afgestoten pantser opeten om de voedingsstoffen die erin zitten niet verloren te laten gaan. Verwijder het oude pantser dus niet uit de bak. Landheremietkreeften moeten altijd de beschikking hebben over een bakje met zoet water en een bakje met zout water. Zout water moet u aanmaken met producten voor zeeaquaria, nooit met keukenzout. Alleen producten die ook jodium bevatten zijn geschikt. Gebruik voor zoet en zout water alleen ontchloord water. Voortplanting: Bij landheremietkreeften is het geslacht te onderscheiden op basis van het uiterlijk. Alleen vrouwtjes hebben gonoporiën. Dit zijn poriën die zich bevinden aan de onderzijde van het tweede paar looppoten. Verder beschikt alleen het vrouwtje over zogenaamde pleopoden. Dat zijn aanhangsels aan het achterlijf waarmee ze haar eieren kan dragen. Bij de paring laat het mannetje zaadpakketjes achter aan de onderkant van het vrouwtje. Hiermee bevrucht het vrouwtje de eitjes onder haar buik. De eitjes worden losgelaten in zee en na enkele dagen komen de larfjes uit de eitjes tevoorschijn. De larfjes zijn dan microscopisch klein. Ze groeien en vervellen gedurende meerdere weken tot kleine kreeftjes. Zodra ze enkele millimeters groot zijn, ongeveer drie maanden na het uitkomen, zijn ze klaar voor het leven op het land. Eenmaal op het land gaat het kreeftje meteen op zoek naar een passende schelp om het tere achterlijf te beschermen. Jonge dieren vervellen eens per maand, volgroeide dieren elke anderhalf jaar. Dankzij deze vervellingen groeit de kreeft en zal hij steeds opnieuw op zoek moeten naar een passende schelp. Volgroeide dieren van sommige soorten hebben ongeveer de grootte van een honkbal. Het in gevangenschap kweken van landheremietkreeften is onmogelijk, daarvoor is de zee onmisbaar. Ziekten en aandoeningen: Problemen met de vervelling komen regelmatig voor. Tijdens de vervelling kunnen kreeften ledematen kwijt raken. Door stress of ziekte kunnen kreeften de vervelling aan de oppervlakte van het terrarium doormaken, wat nog meer stress oplevert. Kreeften die aan het oppervlak aan het vervellen zijn, moeten beschermd worden tegen de andere kreeften in de bak. Ook moet voorkomen worden dat de andere kreeften het afgestoten pantser opeten en de pas vervelde kreeft essentiële voedingsstoffen misloopt. Tekenen dat een kreeft binnenkort gaat vervellen zijn een askleurig pantser, troebele ogen, veel graven en langdurig baden. Als zich problemen bij de vervelling voordoen is het belangrijk de watervoorziening, de luchtvochtigheid, de voeding en de gezondheid van de kreeft te controleren. Landheremietkreeften die niet in optimale conditie verkeren hebben grote moeite zich aan te passen aan een verandering van vochtigheid en/of temperatuur. Dit leidt tot stress en soms zelfs tot de dood van het dier. Houd daarom de temperatuur en vochtigheid op een constant en optimaal niveau. Als verandering nodig is, laat die dan geleidelijk plaats vinden. Te weinig eiwit in de voeding of te weinig voorzieningen in de bak voor het aantal kreeften dat erin verblijft, kunnen leiden tot onderlinge agressie. Gevechten om een schelp komen regelmatig voor als er onvoldoende schelpen zijn om uit te kiezen. Dit gaat vaak met veel lawaai gepaard en kan leiden tot ernstige verwondingen, soms zelfs de dood. Haal vechtende kreeften altijd uit elkaar. Benodigde ervaring: Het handhaven van de juiste omstandigheden in het verblijf van de kreeften kan moeilijk zijn voor een beginner, zeker omdat landheremietkreeften weinig tolerant zijn voor afwijkingen van de optimale omstandigheden. Het is daarom handig als al enige ervaring is opgedaan met wat tolerantere terrariumdieren. Zorg er voor dat u ruim voor de komst van de dieren volledig geïnformeerd en voorbereid bent. Aanschaf en kosten: Zorg ervoor dat u tenminste twee weken voor de aankomst van de landheremietkreeften een volledig ingericht, verwarmd en bevochtigd verblijf klaar heeft staan. U heeft zeker twee weken nodig om de temperatuur en vochtigheid te stabiliseren. De landheremietkreeft kan niet worden gekweekt in gevangenschap, elk exemplaar dat als huisdier gehouden wordt, is dus uit het wild gevangen. Koop uw landheremietkreeft in elk geval bij een verkoper met een goede reputatie, de kans is groot dat u dan bij de koop en erna van hem of haar waardevolle hulp en advies kunt krijgen. Let er bij de aankoop op dat de landheremietkreeft geen ledematen mist, het schild van het kop/borststuk en de antennes intact zijn, er geen parasieten zichtbaar zijn en de kreeft een levendige indruk maakt. Landheremietkreeften zijn te koop vanaf enkele tientallen euro's. Terraria kosten in het algemeen enkele honderden euro’s. Voor de voeding en verzorging moet u rekenen op enkele honderden euro’s per jaar. Aandachtspunten: Een nieuwe landheremietkreeft heeft enige tijd nodig om te wennen. Soms verschuilen ze zich wel enkele weken ingegraven in de bodembedekking. Raak hiervan niet bezorgd, dit gebeurt tenslotte ook bij de vervelling. Dierenartsen hebben doorgaans geen ervaring met de landheremietkreeft. Bij problemen met dit dier kunt u soms wel terecht bij een goede verkoper of een liefhebbersvereniging. (Bron: www.licg.nl)Bidsprinkhaanhttp://www.animalqueen.nl/c-1984176/bidsprinkhaan/ De bidsprinkhaan heeft zowel een naam als een reputatie die tot de verbeelding spreekt. Hun naam danken ze aan hun aparte houding met gevouwen voorpoten. Bidsprinkhanen zijn jagers die alles vangen wat beweegt, vaak ook soortgenoten. U kunt er daarom meestal maar één per terrarium houden. Ook tijdens de voortplanting gaat het er niet zachtzinnig aan toe, de paring wordt het mannetje meestal fataal. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de bidsprinkhaan het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Er bestaan zo’n 2.300 soorten bidsprinkhanen (Mantodea) verdeeld over ongeveer 400 geslachten. Deze insecten komen overal ter wereld voor, maar vooral in warme gematigde gebieden, de subtropen en de tropen. Het leefgebied varieert van tropische regenwouden tot woestijnen. Het tweede deel van hun naam, "sprinkhaan", is eigenlijk niet passend. Bidsprinkhanen zijn meer verwant aan de kakkerlak dan aan de sprinkhaan. De meeste soorten worden acht tot tien centimeter lang, de kleinste soort wordt zo’n 2,5 centimeter lang, de grootste ongeveer 25 centimeter. Bidsprinkhanen zijn efficiënte jagers. Als de bidsprinkhaan zit te wachten op een prooi, heeft hij zijn vangpoten gevouwen. Deze "biddende" houding heeft het dier zijn naam opgeleverd. Bidsprinkhanen worden enkele maanden tot een jaar oud. Verschillende varianten: Veel soorten bidsprinkhanen kunnen als huisdier worden gehouden, maar Sphodromantis-soorten (Afrikaanse bidsprinkhaan) worden het meest gehouden. Deze dieren zijn groen of bruin van kleur en worden zes tot acht centimeter lang, met uitzondering van S. viridis, die acht tot tien centimeter lang wordt. Zowel het mannetje als het vrouwtje heeft lange vleugels, met daarop een witte of gele vlek. Het zijn felle jagers die actief een prooi achtervolgen en die relatief makkelijk te verzorgen zijn. Enkele opvallende en bijzondere soorten, die ook als huisdier kunnen worden gehouden, zijn Gongylus gongylodes ("vioolbidsprinkhaan"), Blepharopsis mendica ("duivelsbloembidsprinkhaan"), Hymenopus coronatus ("Orchideebidsprinkhaan") en Pseudocreobrota wahlbergi ("bloembidsprinkhaan"). Van nature: Bidsprinkhanen leven alleen (solitair) en bevinden zich meestal op planten, zoals bloemen, lang gras en boomtakken. Enkele soorten leven op de grond. Ze zijn zowel dag- als nachtactief. De meeste bidsprinkhanen hebben twee paar vleugels, maar ze vliegen eigenlijk alleen in noodsituaties (bijvoorbeeld bij een val uit een boom). De vleugels liggen meestal gewoon tegen het achterlijf gevouwen. Bidsprinkhanen zitten de hele dag te wachten op langslopende of langsvliegende prooien van geschikte grootte, maximaal 1,5 x de eigen lengte. Ze kunnen alleen bewegende prooien waarnemen. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat bij veel soorten ook soortgenoten slachtoffer worden (kannibalisme). Ze nemen waar dat er iets beweegt van prooigrootte, maar zien niet wát er beweegt. Huisvesting: Vanwege het kannibalisme moeten de meeste soorten individueel gehuisvest worden. Bij sommige kannibalistische soorten is het wel mogelijk in het begin de nimfen (jongen) in groepen te huisvesten tot ongeveer de derde vervelling, bijvoorbeeld bij Sphodromantis-soorten. Slechts enkele soorten (o.a. Gongylus gongylodes) zijn niet kannibalistisch, waardoor ook de volwassen dieren in groepen kunnen worden gehouden. Als u kiest voor groepshuisvesting van kannibalistische soorten, kunt u het kannibalisme beperken door ervoor te zorgen dat de dieren volop worden gevoerd, het verblijf relatief groot is en dat het is voorzien van meerdere verticale objecten die kunnen dienen als schuilplaats (bijvoorbeeld stukken schors en takjes). Een verblijf voor individuele huisvesting kan bij de meeste soorten bestaan uit een klein terrarium vervaardigd van kunststof of glas. De inrichting kan bestaan uit ongeveer 2,5 centimeter vochtige potgrond of turf (eventueel gemengd met zand). Bark, humus en spagnum mos zijn ook zeer geschikt. Rechtopstaand in de pot kunt u één of enkele aan het bovenste uiteinde gekromde takken neerzetten. Het verblijf kan verder ingericht worden met levende planten, zoals ficus en klimop, of met kunstplantjes. Zorg er wel voor dat het niet te vol wordt, de bidsprinkhaan heeft ruimte nodig om rond te lopen, te jagen en te vervellen. Het verblijf moet minimaal drie keer zo hoog en twee keer zo breed zijn als de lengte van de bidsprinkhaan. Bidsprinkhanen houden van een warme omgeving. Voor de meeste soorten volstaat een temperatuur tussen de 22 en 30 graden Celsius. Dit is te bereiken met een warmtemat onder het verblijf of met halogeenspots (20 tot 35 Watt). Sommige soorten kunnen ook bij kamertemperatuur worden gehouden. ’s Nachts moet het iets koeler zijn dan overdag, want constante warmte verkort de levensduur. Qua verlichting volstaat in de meeste gevallen daglicht, maar nooit direct zonlicht, achter het glas loopt de temperatuur te hoog op. De verlichting mag afhankelijk van het seizoen acht uur per dag (winter) tot twaalf uur per dag (zomer) ingeschakeld zijn, bij tropische soorten altijd twaalf uur per dag. Het verblijf van dieren uit tropische regenwouden dient dagelijks gesproeid te worden, dat van dieren uit droge gebieden (waaronder Sphodromantis-soorten) één tot twee keer per week. Met name tijdens de vervelling mag het niet te droog of te nat zijn in het verblijf. Bij pas vervelde dieren moet u er tijdens het sproeien op letten dat u niet de dieren zelf besproeit. Aangezien bidsprinkhanen vaak ’s nachts vervellen is het verstandig te zorgen dat de relatieve luchtvochtigheid ’s nachts iets hoger is dan overdag door ’s avonds te sproeien. Een klein schaaltje met water is meestal niet noodzakelijk, omdat bidsprinkhanen kunnen drinken van de druppels in het verblijf na het sproeien, maar kan wel helpen om de vochtigheid van het verblijf op peil te houden. Zorg er voor dat de dieren niet kunnen verdrinken door in het water kiezelstenen, watten of een stuk spons te leggen. Verzorgen en hanteren: Hanteer bidsprinkhanen zo min mogelijk en laat vervellende nimfen volledig met rust. Een vervellende bidsprinkhaan die valt zal in ongeveer 75% van de gevallen binnen 48 uur na de val doodgaan. Ontsnapte bidsprinkhanen kunnen het beste voorzichtig met een kwast opgepakt en weer teruggezet worden. Vervang de bodembedekking eens in de zes tot acht weken. Voeding: Bidsprinkhanen zijn vleeseters en eten zo ongeveer alles wat ze aankunnen. Ook kannibalisme komt veel voor. In gevangenschap kunnen ze het beste gevoerd worden met een gevarieerd aanbod van allerlei insecten. Voor de jonge nimfen zijn o.a. bladluizen, springstaarten en fruitvliegen geschikt, voor de oudere dieren bijvoorbeeld huisvliegen, zweefvliegen, krekels, sprinkhanen, meelwormen, kakkerlakken en blauwe vleesvliegen. Deze moeten levend worden gevoerd, beweging is nodig voor herkenning als prooi. Meelwormen kunnen worden bewogen met een pincet. De prooi moet in de vangpoten van de bidsprinkhaan passen. Een groot deel van het jaar kunt u uw bidsprinkhanen weideplankton voeren. Weideplankton is een verzamelnaam voor insecten die u in de vrije natuur kunt vangen. Bij voedering van weideplankton bestaat er echter wel een risico op rondworminfecties. U kunt er daarom ook voor kiezen steeds voedseldieren aan te schaffen bij een terrariumspeciaalzaak. Ook is het mogelijk zelf voedseldieren te kweken, maar dit zal vaak meer tijd vergen dan de verzorging van de bidsprinkhanen zelf. Als u een goed voerschema hanteert, ziet de buik van de bidsprinkhaan er tamelijk bol uit, maar niet op het punt uiteen te barsten. Bidsprinkhanen kunnen overvoerd raken met soms de dood tot gevolg. Beperk daarom vooral het voeren van krekels en meelwormen enigszins. Vrouwtjes hebben in het algemeen meer voer nodig dan mannetjes. Ze zijn meestal groter en de eiproductie kost ook energie. Bidsprinkhanen zullen in het algemeen ongeveer twee dagen voor de vervelling stoppen met eten. Soms probeert het dier zelfs aangeboden prooidieren af te schrikken en ook lijkt het vaak alsof het dier is afgevallen. Voer vervellende bidsprinkhanen niet, het risico dat de voedseldieren de bidsprinkhaan aanvreten is te groot. Ongeveer 24 tot 48 uur na de vervelling kan weer veilig voedsel worden aangeboden. Voortplanting: Vrouwtjes zijn groter en hun vleugels bedekken bij veel soorten het gehele achterlijf, bij de meeste mannetjes wordt ongeveer driekwart bedekt. Bij mannetjes zijn de voelsprieten in het algemeen veervormig, bij de vrouwtjes zijn deze vaak kleiner en dunner. Een ander verschil is het aantal buikschilden (sternieten). Vrouwtjes hebben er zes (soms vijf), mannetjes acht (soms zeven). Dit verschil is waarneembaar vanaf ongeveer de derde vervelling. Tot slot is de vorm van de laatste sterniet bij de vrouwtjes wat ronder dan bij de mannetjes. Een vrouwtje is gemiddeld drie weken na de laatste vervelling geslachtsrijp. Een mannetje moet het vrouwtje voorzichtig benaderen. Vaak wordt het mannetje voor, tijdens of na de paring opgegeten. Om de kans hierop te verkleinen kunt u er het beste voor zorgen dat het vrouwtje goed heeft gegeten voordat ze samen met het mannetje in het terrarium wordt gezet of zet het mannetje er bij wanneer het vrouwtje aan het eten is. Een paring kan wel vier tot zeven uur duren. Binnen twee weken na de paring begint het vrouwtje met het leggen van eieren. Ze legt enkele tientallen tot wel 300 eitjes, verpakt in een soort cocons (oötheken). Tussen het leggen van opeenvolgende oötheken kan bij sommige soorten enkele weken zitten. Onder geschikte omstandigheden komen de eitjes van de meeste soorten na vier tot zes weken uit. De net uitgekomen jongen (nimfen genoemd) zijn kleiner dan vijf millimeter. Ze hebben direct levend voedsel nodig en bij de meeste soorten zijn ook de nimfen al kannibalistisch. De nimfen ondergaan zeven tot tien vervellingen om het volwassen stadium te bereiken. Pas uitgekomen nimfen die nog nooit zijn verveld worden aangeduid als L1, na één vervelling worden nimfen aangeduid met L2, na twee vervellingen met L3, enzovoort. Eenmaal volwassen kunnen bidsprinkhanen nog enkele maanden leven. Afhankelijk van de temperatuur en de beschikbaarheid van voedsel leven mannetjes vaak nog maximaal twee maanden en vrouwtjes nog drie tot zes maanden. Overigens zetten bidsprinkhanenvrouwtjes altijd, of ze nu wel of niet gepaard hebben, na het geslachtsrijp worden oötheken af. Als geen paring en bevruchting heeft plaatsgevonden zullen deze natuurlijk niet uitkomen, behalve bij soorten die zich parthenogenetisch (= zonder bevruchting) kunnen voortplanten. In gevangenschap is alleen Brunerria hiertoe in staat. Ziekten en aandoeningen: Vervellingsproblemen zijn de belangrijkste oorzaak voor sterfte onder bidsprinkhanen die als huisdier worden gehouden. Vaak is dit het gevolg van een verkeerde luchtvochtigheid. Bij een moeilijke vervelling kunnen bidsprinkhanen ledematen verliezen. Deze kunnen teruggroeien bij een eventuele volgende vervelling. Als de problemen optreden bij de laatste vervelling, dan zullen verloren ledematen niet meer teruggroeien. Een ander probleem dat vaak het gevolg is van verkeerde omstandigheden in het terrarium is legnood. Dit komt voornamelijk bij onbevruchte en zelden bij bevruchte vrouwtjes voor en is te herkennen aan zwelling van het achterlijf, uiteindelijk verkleuring en in het eindstadium het openbarsten van het achterlijf. Wanneer bidsprinkhanen bij elkaar in één verblijf zitten, verwonden ze elkaar vaak of doden ze elkaar. Dit komt bijvoorbeeld veel voor tijdens de paring. Bij bidsprinkhanen komen ook infecties voor, zoals rondworminfecties. Infecties kunnen ontstaan door het voeren van weideplankton en verlopen meestal fataal. Tot slot hebben bidsprinkhanen een beperkte levensduur en daardoor al snel last van "ouderdomskwaaltjes", zoals zwarte vlekken op de ogen die niet van positie veranderen bij het richten van de ogen, gele vlekken, afgebroken antennes en afgebroken ledematen. Benodigde ervaring: Veel bidsprinkhanen zijn geschikt voor beginners. Neem dan bijvoorbeeld een Sphodromantis- of Hierodula-soort, deze soorten zijn makkelijk te houden en te kweken. Als beginner kan het beste een dier worden aangeschaft dat minimaal enkele vervellingen groot is om zodoende zeker te zijn van een gezond en sterk dier. Bijzondere soorten zijn minder geschikt voor beginners, omdat zij vaak speciale eisen stellen aan bijvoorbeeld vochtigheid en temperatuur. Aanschaf en kosten: Een bidsprinkhaan koopt u bij een terrariumspeciaalzaak of bij een kweker. Koop geen dieren met afgebroken antennes of ledematen, mogelijk gaat het om oude dieren of dieren die onder verkeerde omstandigheden zijn gehouden. Ook mogen de vleugels niet rafelen. Maak ongeveer twee weken voor de komst van de dieren het verblijf in orde. Begin direct met verwarmen en besproeien zoals u zou doen als de dieren er al in zouden zitten en meet de vochtigheid en temperatuur. Pas de verwarming en besproeiing indien nodig naar aanleiding van de meetresultaten aan. Zorg ervoor dat de temperatuur en vochtigheid op het gewenste niveau gestabiliseerd zijn als u de bidsprinkhanen daadwerkelijk in het terrarium zet. De prijzen van bidsprinkhanen zijn afhankelijk van de soort en de ontwikkelingsfase waarin ze zich bevinden. Bij veel gehouden en makkelijk te kweken soorten (zoals Sphodromantis) zijn nimfen te koop vanaf ongeveer een euro en volwassen exemplaren vanaf ongeveer tien euro per stuk. Voor bijzondere soorten betaalt u al gauw meer dan tien euro voor één nimfe, voor een eipakket van Hymenopus coronatus moet zelfs vaak rond de 100 euro worden betaald. Voor enkele tientallen euro’s kunt u een mooi verblijf samenstellen. Voor de voeding en verzorging moet u rekenen op enkele tientallen euro’s per jaar. (Bron: www.licg.nl)Ongewerveldenhttp://www.animalqueen.nl/c-1984175/ongewervelden/Hieronder vindt u een aantal pagina's over verschillende soorten ongewervelden. Heeft u een huisdier, dat u niet terugvindt in onze lijst, neem dan gerust contact met ons op en wij zullen onze uiterste best voor u doen om u van alle gewenste informatie te voorzien. Veel ongewervelde huisdieren, namelijk insecten, spinachtigen en kreeftachtigen, zijn geleedpotig. Bij geleedpotigen zijn de poten, en vaak ook het lichaam, verdeeld in segmenten. Ze hebben geen inwendig skelet, maar een zogenaamd uitwendig skelet. Dit pantser groeit niet mee, om te kunnen groeien is het daarom nodig dat de dieren vervellen. Dit proces kan er ook voor zorgen dat bijvoorbeeld afgebroken ledematen, zoals pootjes, uiteindelijk vervangen kunnen worden. Tijdens de vervelling zijn de dieren extra kwetsbaar.Rathttp://www.animalqueen.nl/c-1984173/rat/ Ratten zijn sociale, slimme knaagdieren die erg tam kunnen worden. Een goed aan mensen gewende rat zal graag bij u zitten en niet snel bijten. Huisvest ratten altijd met soortgenoten, want het zijn groepsdieren die onderlinge interactie nodig hebben. Denk er wel aan dat ze zich snel kunnen voorplanten. Ratten houden van aandacht en zijn nieuwsgierig, geef ze daarom genoeg te doen. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de rat het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Ratten zijn knaagdieren die behoren tot de familie van de muisachtigen. Onze tamme rat is de gedomesticeerde vorm van de wilde bruine rat. Ratten zijn intelligent, u kunt ze bijvoorbeeld zindelijk maken en leren om op uw schouder te zitten. In het algemeen zijn ratten vriendelijke dieren die de verzorger niet bijten. Ratten worden gemiddeld tussen 21 en 29 centimeter lang, hun staart is tussen 15 en 23 centimeter lang. Mannetjes wegen in het algemeen 350 tot 600 gram, vrouwtjes ongeveer 250 tot 400 gram. Ratten worden meestal ongeveer twee jaar oud. Vrouwtjes leven gemiddeld wat langer dan mannetjes. Verschillende varianten: Er zijn verschillende variëteiten tamme ratten. Zo is er een groot aantal kleurvarianten, bijvoorbeeld agouti (wildkleur bruin), albino (volledig wit) en beige (effen beige). Ook zijn er allerlei tekeningen, een dalmatiër heeft vlekken op zijn kop, rug en flanken, terwijl een rat met een effen tekening een volledig gekleurd lichaam heeft. Sommige ratten hebben grote, laagafstaande oren (dumbo), andere ratten zijn haarloos (naakt) of hebben juist krulhaar (rex). Van nature: Ratten komen van oorsprong uit Oost-Azië, maar hebben zich in de loop van de tijd over bijna de hele wereld verspreid. Ze wonen graag in een vochtige, niet te warme omgeving in de buurt van mensen. Ratten zijn vooral enkele uren na zonsondergang en enkele uren voor zonsopgang actief en kunnen ’s nachts wel vier kilometer afleggen. In gevangenschap kunnen ratten ook overdag actief zijn. Ze leven van nature in kleine groepen, die bestaan uit een dominant mannetje, een harem vrouwtjes en enkele ondergeschikte mannetjes. Het zijn alleseters, die niet erg kieskeurig zijn. Huisvesting: Ratten zijn sociale dieren die gewend zijn in groepjes te leven. Als huisdier moet u de rat daarom altijd met ten minste één soortgenoot huisvesten. Zet geen mannetjes en vrouwtjes bij elkaar, de kans is dan groot dat het vrouwtje al snel zwanger wordt. Ratten zijn ondernemende dieren, die van spelen en klimmen houden. Koop daarom een kooi van ten minste 80 x 40 x 70 centimeter (breedte x diepte x hoogte) voor twee ratten. Natuurlijk geldt hoe groter, hoe beter. Een kooi met verdiepingen, zodat de ratten kunnen klimmen en verkennen, is ideaal. Hoe groot de kooi precies moet zijn, hangt af van het aantal ratten dat in de kooi gehuisvest zal gaan worden en de inrichting van de kooi. Ratten kunnen zich prima vermaken met bijvoorbeeld zitplankjes, takken, (doosjes) papieren tissues, lege toiletrolletjes, buizen en schone glazen potten. Door het speelgoed regelmatig te wisselen, kan de rat regelmatig zijn kooi opnieuw "ontdekken". Geef de rat geen loopmolentje, hierin loopt de rat in een onnatuurlijke houding en kunnen de poten en de staart beschadigen. U kunt een toiletbakje neerzetten. Door hier steeds de keutels in te doen, kunt u de ratten leren zindelijk te zijn. De kooi zelf bestaat bij voorkeur uit een lage onderbak met daarop een bovenkant van tralies, zodat er geen urineluchtjes kunnen blijven hangen. Let er op dat de tralies knaagbestendig zijn. De luchtwegen van ratten zijn gevoelig. Een kooi met hoge plastic wanden is daarom ongeschikt, de urinedampen kunnen dan niet weg en tasten de luchtwegen aan. Ook bij de keuze van een bodembedekking moet u hiermee rekening houden, deze moet stofvrij zijn en mag geen schadelijke dampen afgeven. Geschikt zijn bijvoorbeeld papier, fijne beukensnippers of bodembedekkers op basis van schoon karton, maïs of hennep. Zaagsel is ongeschikt voor ratten. Gebruik geen materiaal dat gemaakt is van naaldhout, er zijn aanwijzingen dat dit op termijn ongezond kan zijn voor de ratten. Plaats de kooi niet op de tocht om ademhalingsziekten te voorkomen. Zet de kooi ook niet direct in de zon of naast de verwarming. Verzorgen en hanteren: Ratten vinden het vaak leuk om te worden opgepakt. Tamme ratten kruipen vaak spontaan op de hand van hun verzorger. U kunt een rat ook oppakken door voorzichtig uw hand onder zijn buik te schuiven. Pak een rat nooit bij het puntje van zijn staart. U kunt hem wel bij zijn staartbasis oppakken. Ratten vinden dat echter niet zo fijn. Ratten zijn nieuwsgierige dieren en vinden het leuk om ook de omgeving buiten de kooi te verkennen. Maar pas op met bijvoorbeeld losliggende kabels, ratten zijn knaagdieren. Houd er rekening mee dat zij goed klimmen en in kleine hoekjes passen, werk elektriciteitskabels daarom veilig weg in kabelgoten. Haal voedselresten die kunnen bederven dagelijks uit de kooi. Zijn uw ratten zindelijk, vervang dan dagelijks de inhoud van het toiletbakje. Maak de kooi regelmatig schoon. Gebruik hiervoor eventueel een niet-geurende zeep, bijvoorbeeld groene zeep. Vergeet daarbij de voerbak niet. Ververs het drinkwater elke dag. Bij gebruik van een waterfles is het essentieel dat ook de tuit van de fles schoongemaakt wordt. Voeding: In de dierenspeciaalzaak is speciaal voer te koop voor ratten. Dit is ander voer dan knaagdiervoer. Dit laatste is ongeschikt, omdat er te weinig dierlijke eiwitten in zitten. Ratten zijn van nature alleseters. Als extraatje op dit basisvoer zijn er dan ook vele mogelijkheden. U kunt ze groenten (geen sla of dichte koolsoorten, boerenkool of bloemkool mag wel) en fruit geven. Eén keer in de week kunt u ze een hardgekookt ei geven. Ook kleine beetjes ongezoete ontbijtgranen, aardappel, gekookte rijst of pasta en oud brood vinden ratten lekker. Maar let op, ratten worden gemakkelijk dik, dus beperk deze extraatjes. Weeg de ratten regelmatig zodat u weet of ze niet te dik worden. Geef ratten geen gekruid, vet, gezoet of gezouten voedsel en geen melkproducten. Het voer kunt u in een bakje doen. Zorg er daarnaast voor dat er voldoende water is. Water kunt u in een drinkflesje aanbieden. Voortplanting: Jonge ratten (ook wel rittens genoemd) worden na een draagtijd van 21 tot 23 dagen kaal en blind geboren. Vanaf de achtste dag krijgen ze beharing. Na twee weken gaan hun oogjes open. Op een leeftijd van drie weken beginnen de rittens zelfstandiger te eten, maar ze worden gezoogd tot ze ongeveer vier à vijf weken oud zijn. Vanaf deze leeftijd kunnen de jongen gespeend worden. Het is zaak om de mannetjes in ieder geval uit het nest te halen, ze kunnen dan geslachtsrijp zijn en de moeder opnieuw bevruchten. Vrouwtjes zijn ongeveer met vijf à zes weken geslachtsrijp, maar iets eerder komt ook voor. Daarom kunt u het beste vanaf zo’n vier en een halve week ook de vrouwelijke jongen apart van mannelijke ratten huisvesten. In tegenstelling tot vrouwtjes hebben mannetjes geen tepels. Vanaf de eerste of tweede dag na de geboorte kunt u beginnen met het socialiseren van ratten door de rittens voorzichtig in uw handen te nemen. Daardoor wennen ratten aan de geur van mensen en aan het opgepakt worden. Vanaf ongeveer twee weken oud kunt u ratten leren uit uw hand te eten, met ongeveer drie weken om op uw schouder te zitten. Oude ratten kunnen, net als mensen, kaal worden. Het haar kan ook lichter van kleur worden. Ziekten en aandoeningen: Bij de rat ontwikkelen de meeste ziekten zich geleidelijk. Een gedragsverandering kan wijzen op ziekte. Ook verlies van gewicht, een opgezette vacht, niezen, snotteren en minder activiteit duiden op een aandoening. De meest voorkomende aandoeningen bij ratten zijn ademhalingsziekten, gezwellen van de melkklieren en huidproblemen als gevolg van parasieten zoals mijten, teken, luizen en vlooien. Knobbeltjes op de staart en oren van de rat kunnen wijzen op schurftmijt. Sommige aandoeningen komen bij ratten met een specifiek kenmerk vaker voor. Zo hebben bepaalde kleurslagen eerder last van megacolon (een dodelijke aandoening van de darmen die vaak al fataal is als de rittens nog in het nest verblijven), terwijl naakte ratten meer huidwondjes hebben. Raadpleeg altijd de dierenarts als u vermoedt dat uw rat ziek is. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Aanschaf en kosten: Een rat kunt u kopen bij fokkers, bij een rattenopvang of bij een dierenspeciaalzaak. Let er bij het kopen op dat de ogen van de rat schoon en droog zijn, de vacht glanzend. De haren mogen niet rechtop staan. Let ook op wondjes en korstjes. Koop geen dier dat niest of reutelend ademhaalt. Een dergelijk dier heeft een luchtweginfectie die meestal het gehele leven klachten blijft geven. Een gezonde rat is schoon, actief en onderzoekend, een goed gesocialiseerde rat is niet bang voor mensen. De gemiddelde aanschafprijs van een rat ligt ongeveer tussen zeven en vijftien euro. Dit is onder andere afhankelijk van het type en de kleur. Natuurlijk moet u investeren in een ruime rattenkooi. Terugkerende kosten zijn die voor voer en bodembedekking. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als uw dier onverhoopt ziek wordt. Aandachtspunten: Het oog- en neusvocht van ratten bevat porfyrine, een roodbruine kleurstof. Het kan daardoor soms lijken alsof de rat bloedt. Een echte bloedneus is hoogst uitzonderlijk bij ratten. Overproductie van porfyrine kan wijzen op stress of ziekte. Mannetjesratten zijn vaak wat rustiger van karakter dan vrouwtjesratten, vrouwtjesratten zijn ondernemender. (Bron: www.licg.nl)Muishttp://www.animalqueen.nl/c-1984172/muis/ Muizen zijn kleine, actieve knaagdieren die snel contact maken met mensen, vrij tam kunnen worden en betrekkelijk eenvoudig te verzorgen zijn. Het is wel nodig meer dan één muis te houden, want het zijn groepsdieren. Muizen zijn slim, u kunt hen van alles leren en laten ontdekken. Daarmee geeft u zowel de muizen als uzelf een leuke bezigheid. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de muis het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Al ver voor de jaartelling werden er muizen in gevangenschap gehouden. Heel bekend van oudsher zijn de witte muizen, maar deze diertjes kunnen worden gefokt in bijna alle kleuren van de regenboog. Vandaar dat liefhebbers voor de muis die als gezelschapsdier wordt gehouden de naam kleurmuis gebruiken. Onze tamme muizen stammen af van de wilde huismuis. Het lichaam van de muis is ongeveer 6,5 tot 9,5 centimeter lang. Hij heeft een vrij spitse neus, grote ronde oren en een kale, zes tot tien centimeter lange staart. Kleurmuizen worden gemiddeld één tot twee jaar oud. Verschillende varianten: Tot de groep van muisachtigen behoren wel zo’n duizend soorten. Muizen kunnen zich heel goed aanpassen en weten daardoor op allerlei plekken te overleven. Vaak zijn de soorten vernoemd naar hun leefomgeving, er zijn bijvoorbeeld sneeuwmuizen, bosmuizen, veldmuizen, woestijnmuizen en huismuizen. De kleurmuis wordt het vaakst als gezelschapsdier aangeboden en is het eenvoudigst te verzorgen. Hij komt voor in tal van kleuren, kleurpatronen en haarvariëteiten. Zo zijn er muizen met de kleuraftekening van een Siamese kat, Hollander konijn of Dalmatische hond en langharige, borstelharige, krulharige en extra glimmende satijnharige muizen. De meer bijzondere "exotische" muizensoorten als stekelmuizen, grasmuizen en dwergmuizen hebben vaak een andere leefwijze en eigenschappen dan de kleurmuis en stellen daardoor speciale eisen aan hun huisvesting en verzorging. Ze kunnen wat sneller en schuwer zijn en hebben vaak nog een sterke vluchtreactie, waardoor ze vlugger schrikken, lastiger op te pakken zijn en zich meer verschuilen. Van nature: Muizen leven in de natuur in familiegroepen waarin een duidelijke rangorde heerst. Met behulp van onder meer hun urine zetten ze geursporen uit om hun territorium af te bakenen en routes uit te zetten waarlangs ze de weg kunnen vinden. Muizen communiceren vooral door middel van geur en geluid. Ze kunnen heel hoge, ultrasone geluidjes maken die voor mensenoren niet hoorbaar zijn. Muizen zijn erg beweeglijk en kunnen goed klimmen, springen en rennen. Net als veel andere knagers zijn muizen nachtdieren. Ze komen uit veiligheidsoverwegingen vooral in actie als het schemerig of donker is. Muizen brengen een groot deel van de dag slapend door, maar kunnen overdag ook af en toe actief zijn. Huisvesting: Kies bij het uitzoeken van een muizenverblijf voor een onderkomen dat zo veel mogelijk ruimte biedt. Voor twee tot vier muizen is al snel een verblijf van minimaal 60 x 40 x 30 centimeter nodig. Muizen zijn goed te huisvesten in een grote glazen of plastic bak, bijvoorbeeld een aquarium of terrarium. Zorg dat de bak is afgedekt met een deksel van fijnmazig gaas, want muizen kunnen goed en hoog springen. Er zijn maar weinig traliekooien die voor muizen geschikt zijn. De spijlen van deze verblijven staan al snel te ver uit elkaar, waardoor de diertjes snel een opening vinden om door te verdwijnen. Om muizen de beweging te geven die ze nodig hebben kan het verblijf worden ingericht met tunnels, trapjes, klimtouwen en een loopwiel. Wilt u een loopwiel geven, kies dan een ruim rad met een dicht loopoppervlak en zonder spaken, zodat de dieren niet met hun staart bekneld kunnen raken. Een flinke laag absorberende bodembedekking zorgt dat urine snel wordt opgenomen. Omdat muizen vrij gevoelige luchtwegen hebben, mag de bodembedekking niet stoffig of te sterk geurend zijn. Zaagsel is niet geschikt, dit is vaak te stoffig. Bovendien zijn er aanwijzingen dat zaagsel van naaldhout op termijn schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de muizen. Bodembedekking op basis van maïs of hennep of bijvoorbeeld biologisch afbreekbare kattenbakkorrels zijn beter geschikt. Zorg voor voldoende schuilplekken, bijvoorbeeld knaagdierenhuisjes of vogelnestkastjes, gevuld met papiersnippers of een flinke pluk hooi, waar de muizen zich veilig voelen en niet gestoord worden. Kartonnen doosjes kunnen ook goed dienst doen. Muizen leven van nature in groepsverband. Aangezien het sociale dieren zijn, is het niet diervriendelijk om een muis alleen te houden. Kies daarom voor minimaal twee dieren of bijvoorbeeld een groepje van drie tot vijf muizen. Mannetjes zijn doorgaans onverdraagzamer en vechtlustiger en kunnen meestal niet met andere mannetjes samenleven. Wie deze problemen wil omzeilen, kan het beste kiezen voor vrouwtjes. Een gemengde groep met zowel mannetjes als vrouwtjes is geen goed idee, dat levert aan de lopende band jonge muisjes op. Een vreemde, anders ruikende muis zal niet worden geaccepteerd. Het samenstellen van een groep muizen vergt daarom enige voorzichtigheid. Het beste is de dieren van jongs af aan met elkaar te laten opgroeien. Verzorgen en hanteren: Muizen zijn te klein en kwetsbaar om veel op te pakken of overal mee naar toe te nemen. Het zijn geen knuffeldieren, maar vooral kijkdiertjes. Een muis aan het eind van zijn staart beetpakken is buitengewoon oncomfortabel en bovendien pijnlijk voor het dier. Een muis kan daarnaast langs zijn eigen staart omhoog klimmen. Hij kan dan zijn ongenoegen uiten door in uw vingers te bijten. Het is wel mogelijk de muis met duim en wijsvinger vast te pakken bij de staartbasis, oftewel het dikkere gedeelte vlakbij het lichaam, om het dier zo op hand of arm te zetten. Ook dat levert echter stress op voor de muis. Het beste is om een tamme muis met beide handen op te pakken en vast te houden, met daarbij de ene hand onder en de andere hand iets over de muis. Het is ook mogelijk het dier in bijvoorbeeld een plastic bakje te laten lopen en hem daarin op te tillen. Pas op, want jonge muisjes zijn erg springerig. Muizen zijn slimme, nieuwsgierige dieren. Geef hen daarom regelmatig iets nieuws in het verblijf dat ze kunnen onderzoeken, zoals lege doosjes, wc-rolletjes of ander speelgoed. Muizen met te lange, scherp gepunte nagels kunnen zichzelf tijdens hun poetsbeurten beschadigen. Te lange nagelpuntjes kunnen voorzichtig worden ingekort. Nageltjes laten slijten kan door te zorgen voor wat ruw oppervlak in het muizenverblijf, bijvoorbeeld een (bak)steen waar de dieren overheen moeten lopen. Een wekelijkse schoonmaakbeurt van het verblijf is meestal voldoende. Muizen zetten urinespoortjes uit om hun omgeving van een eigen luchtje te voorzien. Hoe vaker en beter hun verblijf wordt schoongemaakt, des te meer ze zullen plassen om alles weer zo snel mogelijk vertrouwd te laten ruiken. Dit is te voorkomen door tijdens het schoonmaken een klein deel van de oude bodembedekking en/of het nestmateriaal te laten liggen. Ververs dagelijks het water en haal voedselresten weg. Maak tijdens het wekelijks schoonmaken van het verblijf ook de drinkfles, het voerbakje en indien nodig ook de overige inrichting schoon. Bij het schoonmaken van het drinkflesje moet de tuit niet vergeten worden. Hier kan makkelijk algengroei in optreden, wat als goede voedingsbodem kan dienen voor ongewenste bacteriën. Voeding: Muizen zijn echte alleseters. Granen en zaden vormen het hoofdbestanddeel van hun menu, maar daarnaast eten ze ook dierlijk voedsel, denk bijvoorbeeld aan insecten. Kies als basismaaltijd voor een compleet voer dat specifiek voor muizen of voor meerdere kleine knagers inclusief muizen (zie de verpakking) is gemaakt. Deze voeders zijn te koop bij de dierenspeciaalzaak. Het menu kan worden aangevuld met wat groenvoer of fruit of een extraatje in de vorm van wat muesli of vogelzaad. Wilgentakken en harde hondenkoeken kunnen dienen als knaagmateriaal. Speciale knagersnacks kunnen voor een muis te groot zijn, waardoor hij er al snel te veel van eet. Knaagblokken en vitaminedruppels zijn overbodig, de muis krijgt er vaak veel te veel mineralen en vitaminen door binnen. Kleurmuizen drinken in vergelijking met de meeste andere kleine knaagdieren relatief veel en horen altijd te beschikken over vers drinkwater. Geef dit in een glazen drinkflesje of, indien u een plastic flesje gebruikt, hang het flesje buiten de kooi zodat er niet aan geknaagd kan worden. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is bij kleurmuizen vrij eenvoudig te zien. Bij de mannetjes is de afstand tussen anus en geslachtsopening ongeveer tweemaal zo groot als bij de vrouwtjes. Bij volwassen muizenmannen is onder het begin van de staart, vlak onder de anus, bovendien de balzak goed te zien. Pas daarbij wel op, want als u de muis helemaal optilt dan zakt deze een eindje terug in het lichaam, wat tot een verkeerde conclusie kan leiden. Til dus alleen de staart op en laat de muis zelf zoveel mogelijk op de ondergrond rusten. Bij muizenvrouwtjes zijn vaak de tepeltjes, verdeeld over twee rijen, als kleine stipjes op de buik zichtbaar. Kleurmuizen zijn heel snel vruchtbaar, al vanaf de leeftijd van vier tot vijf weken kunnen ze voor nageslacht zorgen. Het is echter beter om te wachten met fokken tot de ouderdieren uitgegroeid en minimaal drie maanden oud zijn. Het muizenvrouwtje is eenmaal in de vier à vijf dagen dekrijp. Een zwanger vrouwtje kunt u gewoon bij de groep laten, de vrouwtjes zorgen namelijk ook voor elkaars jongen. De draagtijd is circa 21 dagen, het kan enkele dagen korter of langer zijn. Het nest bestaat doorgaans uit twee tot veertien jongen maar meer kan ook. De muizen worden kaal en blind geboren. Omdat muizen al vanaf zeer jonge leeftijd vruchtbaar zijn, is het verstandig de broertjes na uiterlijk een maand van hun moeder en zusjes te scheiden. Ziekten en aandoeningen: Een gezonde muis is levendig, heeft een schone, glanzende vacht, glimmende oogjes en een soepele ademhaling. Tumoren, huidirritaties en luchtwegproblemen zijn aandoeningen die bij kleurmuizen veel voorkomen. Muizen zijn erg gevoelig voor kwaadaardige tumoren, die snel erg groot kunnen worden. Bij huidproblemen, te herkennen aan jeuk, krabben, kale plekken, roodheid of irritatie van de huid, schilfers, korstjes en kleine wondjes, zijn er vaak parasieten in het spel, zoals mijten of luizen. Knobbeltjes op de staart en oren van de muis kunnen wijzen op schurftmijt. Helaas zijn dergelijke infecties lastig te bestrijden. De parasieten zijn wel te verwijderen, maar de overgevoeligheid van de huid blijft vaak bestaan. Muizen hebben gevoelige luchtwegen en kunnen door kou, vocht en tocht snel kouvatten. Een muis met een luchtweginfectie maakt hikkende, sniffende, brommende, piepende of reutelende geluiden. Als luchtwegproblemen onbehandeld blijven, kunnen ze chronisch worden en leiden tot een (dodelijke) longontsteking. Soms komen gebitsproblemen voor bij muizen. Als tanden of kiezen niet goed op elkaar aansluiten, kunnen ze niet slijten tijdens het knagen en daardoor te lang worden en scheef groeien. De muizen kunnen dan niet of nauwelijks eten en zullen daarom sterk vermageren. Ook kwijlen, doordat de muis zijn bek niet meer goed dicht kan doen, is een alarmsignaal. Muizen zijn erg kwetsbaar als ze ziek zijn. Wacht daarom niet te lang met het inroepen van deskundige hulp van een dierenarts. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van kleurmuizen is geen specifieke ervaring nodig. Voor het houden van andere muizensoorten is vaak meer kennis en ervaring nodig. Aanschaf en kosten: Muizen kunt u kopen bij de dierenspeciaalzaak, bij fokkers en ook bij een knaagdierenopvang. Let erop dat de dieren gezond en levendig zijn. Zet niet zomaar vreemde muizen bij elkaar. Zorg ervoor dat u het verblijf thuis al klaar heeft staan, muizen ontsnappen snel en u kunt ze niet zolang even in een kartonnen doos houden. De prijs van een muis valt doorgaans erg mee, u koopt ze vanaf enkele euro's, afhankelijk van de soort. U moet wel investeren in een ruim, goed ingericht verblijf. Terugkerende kosten zijn die voor een goede kwaliteit voer en bodembedekking. Daarnaast kunt u onverhoopt te maken krijgen met gezondheidsproblemen, waarvoor behandeling bij de dierenarts nodig is. Aandachtspunten: Muizen hebben een typisch muizenluchtje, dat bij de mannetjes het sterkst is. Muizen zijn dol op pindakaas, bij het vangen van een ontsnapt dier kan dat een prima lokmiddel zijn. (Bron: www.licg.nl)Mongoolse Gerbilhttp://www.animalqueen.nl/c-1984171/mongoolse-gerbil/ De Mongoolse gerbil is een slim en vriendelijk knaagdier. Gerbils leven in familiegroepjes, houd ze daarom nooit in hun eentje. Het zijn geen echte knuffeldieren, maar hun actieve gedrag biedt een interessant schouwspel. Gerbils kunnen flink graven, u doet hen dus een plezier met een dikke laag bodembedekking. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de Mongoolse gerbil het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Er zijn tientallen soorten gerbils, kleine knaagdieren die van nature bewoners van steppen en (half)woestijnen van Afrika en Azië zijn. Ze behoren tot de familie Gerbillinae. De Mongoolse gerbil is veruit de bekendste gerbilsoort en wordt het vaakst als gezelschapsdier gehouden. De wetenschappelijke naam van de Mongoolse gerbil, Meriones unguiculatus, heeft een krijgshaftige klank. Meriones was een Grieks krijger en unguis is het Latijnse woord voor nagel, de Mongoolse gerbil is dus "de krijger met de klauwen". De Mongoolse gerbil verwierf bekendheid als het "woestijnratje", maar de gerbil is geen familie van de rat. Hij behoort tot de onderfamilie van de renmuizen en tot het geslacht van de woestijn- of zandmuizen. In het wild komt hij voor op de zanderige steppen van Mongolië. Qua bouw lijkt de gerbil wel een beetje op een minikangoeroe. Hij heeft een stel goed ontwikkelde achterpoten waarmee hij flink kan springen en met stevige nagels uitgeruste voorpoten, waarmee het dier goed kan graven. De Mongoolse gerbil heeft een lange, behaarde staart, met aan het uiteinde een pluimpje. Mongoolse gerbils zijn nieuwsgierig, intelligent en zeer vriendelijk van aard. Gerbils worden doorgaans wat ouder dan de meeste andere kleine knaagdieren en kunnen een leeftijd van drie tot vijf jaar halen. Verschillende varianten: De meeste gerbilsoorten zijn van origine zandkleurig geel tot bruin van kleur. De wildkleurige Mongoolse gerbil heeft bruine haren met daaraan zwarte haarpuntjes en een crèmewitte buik. Deze gerbilsoort wordt echter ook in diverse andere kleuren gefokt, waaronder geel-wildkleur (oranje met witte buik en rode ogen), wit, zwart, lilac, zilver-agouti, crème en gevlekt. De meer bijzondere, "exotische" gerbilsoorten als de bleke gerbil, de dikstaart- of vetstaartgerbil en de Sundevall gerbil hebben vaak andere eigenschappen en een wat andere leefwijze dan de Mongoolse gerbil en kunnen daardoor extra of speciale eisen aan hun huisvesting en verzorging stellen. Ze kunnen wat sneller en schuwer zijn en hebben vaak nog een sterke vluchtreactie, waardoor ze vlugger schrikken, lastiger op te pakken zijn en zich meer verschuilen. Van nature: Gerbils zijn sociale en actieve dieren. In het wild wonen ze in zelfgemaakte holen en gangenstelsels, die bescherming bieden tegen zowel de hitte als de kou. Ze leven in kolonies, waarbinnen een strikte rangorde heerst. Indringers worden in zo’n hechte familiegroep niet geduld. Geluiden (piepjes) en geuren spelen een belangrijke rol in de gerbilcommunicatie, bij het afbakenen van hun territorium en het herkennen van groepsleden. Het verzorgen van elkaars vacht versterkt het groepsgevoel. Mongoolse gerbils wisselen slaap en activiteit regelmatig af en zijn daardoor zowel overdag, tijdens de schemering als ’s nachts actief. Huisvesting: Kies bij het uitzoeken van een gerbilverblijf voor een knaagbestendig onderkomen dat zo veel mogelijk ruimte biedt. Voor twee gerbils is een verblijf van 80 x 50 x 50 centimeter een goede maat. Mongoolse gerbils zijn goed te huisvesten in een grote glazen of plastic bak, bijvoorbeeld van een aquarium of terrarium. Verblijven met spijlen zijn minder geschikt, omdat de dieren daarin door hun graafwerkzaamheden veel bodembedekking zullen morsen. Gezien de atletische sprongen die gerbils kunnen maken is het verstandig de bak af te sluiten met een deksel van fijnmazig gaas. Omdat gerbils graag graven, doet u ze een groot plezier met een heel dikke laag bodembedekking. Hun graaflust maakt ze extra leuk om naar te kijken. Als u gerbils de ruimte en vooral de diepte geeft, leggen ze in hun verblijf prachtige gangenstelsels aan. Grond of zand is als bodembedekking niet zo geschikt, omdat het te koud of vochtig kan zijn en bovendien erg zwaar is, waardoor het lastig te verschonen is en bovendien kans op instortingsgevaar geeft. Beter is het om houtvezel of houtkrullen (niet van naaldhout, omdat er aanwijzingen zijn dat dit slecht voor de gezondheid is) te mengen met flink wat hooi voor de stevigheid. Het hooi wordt bovendien graag gegeten. Bovengronds hebben de gerbils graag schuilgelegenheden. Dat kunnen stenen of takken zijn, knaagdierhuisjes, nestkastjes of op hun kop neergezette terracotta bloempotten, met een scherf uit de rand geslagen als ingang. Een flinke pluk hooi, papierstrookjes of repen tissue, toiletpapier of keukenrol zijn geschikt als nestmateriaal. Bewegen doen gerbils graag. Een ruim looprad, voorzien van een dicht bodemoppervlak en geheel zonder spijlen om beknelling te voorkomen, wordt dan ook vaak op prijs gesteld. Kies nooit een rad waar de staart tussen kan komen, want deze breekt gemakkelijk af. Gerbils zijn meesters in het knagen. Geef ze voor het uitleven van die passie voldoende geschikte takken van wilgen- of fruitbomen. Kies bij de inrichting van het verblijf voor materialen als steen en harde kunststof en niet voor hout of zacht plastic. Dat hebben gerbils zo kapot geknaagd. Voer kunt u om die reden het best geven in een geglazuurd aardewerken bakje. Gerbils houden door het nemen van een zandbad hun vacht in conditie. In hun verblijf hoort daarom een stevige bak met chinchillazand. De Mongoolse gerbil is een echt groepsdier en mag nooit alleen worden gehouden, maar dat betekent niet dat u dieren zomaar bij elkaar kunt zetten. De onderlinge groepsstructuur is zó hecht, dat nieuwkomers doorgaans niet worden geaccepteerd. De dieren kunnen echt vechten tot de dood er op volgt. Schaf daarom altijd twee of meer dieren op jonge leeftijd aan die samen kunnen opgroeien en zet nooit zomaar vreemde gerbils bij elkaar. Verzorgen en hanteren: Gerbils zijn erg vriendelijk, maar geen echte knuffeldieren. Ze kunnen schrikken als ze onverwacht van bovenaf worden opgepakt. Schep de dieren altijd voorzichtig met beide handen op of til ze op in een bakje. Pak een gerbil nooit aan zijn staart vast. Dan loopt u namelijk het risico dat de huid van de staart loslaat en u alleen nog een leeg velletje vasthoudt. De gerbil gebruikt dit stukje techniek in de natuur in uiterste nood om aan zijn vijand te kunnen ontsnappen. De huid groeit niet meer aan en de staartwervels sterven af. Na enige tijd verliest de gerbil ook deze wervels. Haal voedselresten die kunnen bederven dagelijks uit het hok en ververs het drinkwater elke dag. In hun oorspronkelijke leefgebied zijn gerbils gewend om heel zuinig om te gaan met water, wat tot gevolg heeft dat ze slechts weinig urine en droge keutels produceren en dus vrijwel reukloos zijn. Een tweewekelijkse schoonmaakbeurt van het verblijf, waarbij u het bodemmateriaal vervangt en de bak reinigt, is doorgaans voldoende. Maak dan ook de inrichting schoon, zoals de schuilplaatsen, waterflesje (inclusief de tuit) en voerbak. Vervang ook het zand in het zandbadje. Gebruiken de gerbils het zand om hun ontlasting in te doen, dan moet u het bakje slechts gedurende een half uur per dag aanbieden. Voeding: Gerbils eten van nature plantaardig voedsel, zoals zaden, granen en andere delen van planten, maar ook kleine diertjes als insecten. Kies als basismaaltijd voor een compleet voer dat specifiek voor gerbils of voor meerdere kleine knagers inclusief gerbils (zie de verpakking) is gemaakt. Geef niet te veel, meestal is tien tot vijftien gram per gerbil per dag genoeg. U kunt de maaltijd aanvullen met een beetje, niet te veel vocht bevattend, groenvoer en fruit en met dierlijke eiwitten in de vorm van bijvoorbeeld wat honden- of kattenbrokjes of een meelworm. Zorg dat er altijd hooi aanwezig is zodat de dieren genoeg vezels binnen krijgen. Mongoolse gerbils wegen gemiddeld 100 gram. Sommige gerbils hebben aanleg om dik te worden en vetzucht te ontwikkelen. Pas met deze dieren op met te veel extraatjes en calorierijke hapjes als pinda’s en zonnebloempitten. Ondanks dat gerbils van nature in zeer droge, woestijnachtige gebieden leven, hebben ze beslist vers drinkwater nodig. Geef dit in een stevig, liefst glazen, drinkflesje. Voortplanting: Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is bij gerbils vrij eenvoudig te zien. Bij de mannetjes is de afstand tussen anus en geslachtsopening groter dan bij de vrouwtjes. Bij de volwassen mannetjes van de Mongoolse gerbil is de balzak meestal goed zichtbaar. Bij Mongoolse gerbilmannetjes is bovendien de geurklier, die gerbils midden op hun buik hebben, duidelijk zichtbaar. Mongoolse gerbils zijn vanaf een leeftijd van negen tot twaalf weken geslachtsrijp en vanaf een leeftijd van circa vijf maanden voldoende uitgegroeid voor de fok. De draagtijd van de Mongoolse gerbil ligt rond de 24 dagen, het aantal jongen varieert van één tot negen. De jongen worden kaal en blind geboren, meestal in een door de ouders gegraven hol of schuilplek. Beide ouders zorgen voor de jongen. Jonge gerbils zijn vanaf een leeftijd van vier tot vijf weken zelfstandig, maar hebben dan nog tijd nodig om verder uit te groeien en allerlei sociale vaardigheden te leren. Haal ze daarom niet uit het nest voordat ze zes weken oud zijn. Ziekten en aandoeningen: Gerbils hebben een vrij sterke gezondheid. Typisch voor gerbils is wel dat ze niet altijd even stressbestendig zijn en door spanning en stress een soort epileptische aanval kunnen krijgen. Daarbij verstarren ze en liggen plat op de grond gedrukt met trillende snorharen, knipperende ogen en klapperende oortjes, de voorpoten krampachtig vooruit. Dan vallen ze op hun zij en schokken met hun lijf. Het ziet er eng uit, maar meestal loopt zo’n aanval goed af als de gerbil in zijn vertrouwde omgeving kan bijkomen. Diarree komt soms voor en kan onder meer wijzen op een teveel aan groenvoer. Gerbils komen oorspronkelijk uit droge gebieden en zijn dus van nature niet al te sappig voedsel gewend. Als tanden of kiezen niet goed op elkaar aansluiten, kunnen ze niet slijten tijdens het knagen en daardoor te lang worden en scheef groeien. Gerbils met een gebitsprobleem kunnen niet of nauwelijks eten en zullen daarom sterk vermageren. Ook kwijlen, doordat de gerbil zijn bek niet meer goed dicht kan doen, is een alarmsignaal. Bij gerbilmannetjes is het raadzaam regelmatig te controleren of de goed ontwikkelde en wat vettige geurklier op hun buik mooi schoon en niet ontstoken is. Als uw gerbil slecht eet, afwijkende ontlasting heeft of zich ziek of sloom gedraagt, raadpleeg dan uw dierenarts. Mocht u een gerbil een tijdje apart moeten zetten vanwege ziekte, houd er dan rekening mee dat u deze vaak niet meer zomaar terug kunt zetten in de groep. De overige groepsleden zullen hem of haar niet meer herkennen. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van gerbils is geen specifieke ervaring nodig. Voor het houden van meer bijzondere gerbilsoorten is iets meer kennis en ervaring nodig. Informeer bij liefhebbers die ervaring met het houden van deze soorten hebben. Aanschaf en kosten: Gerbils zijn te koop bij de dierenspeciaalzaak of bij fokkers. U kunt ook gerbils vinden in een asiel of knaagdierenopvang. Let op of de dieren levendig zijn en of hun vacht, ogen en oren schoon zijn. De prijs van een gerbil begint vanaf ongeveer tien euro. U moet wel investeren in een ruim, goed ingericht verblijf. Terugkerende kosten zijn die voor bodembedekking en een goede kwaliteit voer. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als uw dier onverhoopt ziek wordt. Aandachtspunten: Mongoolse gerbils doen aan een vorm van geboortebeperking. In een overvol verblijf kunnen de geboortes stoppen en een vrouwtje kan de duur van haar zwangerschap verlengen als ze nog eerdere jongen zoogt. (Bron: www.licg.nl)Konijnhttp://www.animalqueen.nl/c-1984169/konijn/ Konijnen zijn actieve, slimme dieren die samen met een soortgenoot gehouden moeten worden. Het is ontzettend leuk om te zien hoe de dieren bij elkaar liggen, samen rondrennen of elkaar wassen. Veel konijnen vinden het fijn om geaaid te worden, hoewel ze daarbij graag met vier poten op de grond blijven staan. Geef uw konijnen de ruimte. Om gezond te blijven hebben ze, naast de juiste voeding, ook veel beweging nodig! Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of het konijn het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Het konijn behoort tot de familie van de haasachtigen (Lagomorpha). Een konijn is dus, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, geen knaagdier. De haasachtigen hebben achter hun bovenste snijtanden nog twee kleine tandjes staan, de stifttanden. De onderste snijtanden slijten hier tegen af. Knaagdieren hebben deze extra tandjes niet. Konijnen hebben lange oren en grote, sterke achterpoten. Ze zijn snel en wendbaar. Het wilde konijn heeft een grijsbruin gekleurde vacht met een lichte buik. De onderzijde van de staart is wit. Een konijn kan gemiddeld zo'n acht tot tien jaar oud worden. Verschillende varianten: Er zijn ongeveer vijftig verschillende konijnenrassen. Deze onderscheiden zich o.a. door vachtkleur, vachtlengte, bouw en formaat. Er bestaan bovendien konijnen met rechtopstaande oren, maar ook met hangoren. Kleine rassen, zoals bijvoorbeeld de kleurdwerg en de Nederlandse hangoordwerg, wegen ongeveer één tot anderhalve kilo. Een Vlaamse reus kan daarentegen wel acht kilo wegen. Vaak zijn de kleine konijnen wat feller en schrikachtiger dan hun grote soortgenoten. Van nature: In de natuur leven konijnen in grote groepen in grasland, duinen of heidegebieden. Ze zetten hun territorium af met keutels, plasjes en door hun kin langs voorwerpen te wrijven. In de groep is een hiërarchie aanwezig. Konijnen hebben zelfgegraven holen en gangenstelsels met meerdere uitgangen, maar brengen veel tijd boven de grond door met voedsel zoeken, rennen en spelen. Ze eten vooral in de avond en ochtend. Midden op de dag rusten ze. Konijnen vinden het prettig om bij elkaar te liggen en elkaars vacht te verzorgen. Huisvesting: Konijnen zijn echte groepsdieren. Ze leven niet graag alleen. Houd daarom minstens twee konijnen samen in een voldoende groot hok. Een mannetje en een vrouwtje is meestal de beste combinatie. Natuurlijk moet u dan maatregelen nemen om te voorkomen dat u er al snel jonge konijntjes bij hebt. Het is te adviseren om liefst beide dieren, maar in elk geval het mannetje, te laten castreren. Twee ongecastreerde mannetjes gaan vrijwel altijd vechten als ze ouder worden. Ook bij een combinatie van twee vrouwtjes gebeurt het dat de dieren, als ze volwassen zijn, plotseling gaan vechten onder invloed van hormonen. Twee gecastreerde vrouwtjes kunnen vaak goed samenleven, zeker als ze van jongs af aan samen opgroeien, of op neutraal terrein (dus buiten het hok) rustig aan elkaar kunnen wennen en voldoende ruimte en schuilmogelijkheden hebben. Dat lukt soms ook met twee op jonge leeftijd gecastreerde mannetjes die samen opgroeien. Zet echter nooit twee vreemde volwassen konijnen zomaar bij elkaar, ze kunnen elkaar flink verwonden. Konijnen kunt u binnen of buiten houden. Wilt u ze buiten houden, dan heeft u een hok nodig met een flinke ren er aan vast. Een deel van het hok moet afgesloten en water- en winddicht zijn, zodat het als nachthok en schuilplek tegen weersomstandigheden kan dienen. Plaats het hok zo dat er geen koude noordenwind in kan blazen en zo dat de konijnen 's zomers de schaduw op kunnen zoeken. Konijnen kunnen slecht tegen temperatuurschommelingen. Het is daarom niet verstandig om een buitenkonijn 's winters steeds naar binnen te halen. Als u konijnen buiten wilt laten leven, zet ze dan voor het eerst buiten in de zomer. Als ze buiten gewend zijn, ontwikkelen ze een wintervacht waarmee ze stevige vrieskou kunnen weerstaan. Zorg er wel voor dat de konijnen zich warm kunnen ingraven in bijvoorbeeld een dikke laag stro. Geef de konijnen ook een vrije uitloop naar een buitenren. Zorg in de ren voor een ondergrond van bijvoorbeeld deels tegels, deels zand of gras, en graaf aan de zijkanten het gaas tenminste 50 centimeter in de grond, om te voorkomen dat het konijn zich een weg naar de vrijheid graaft. Zorg er ook voor dat er geen roofdieren zoals katten, vossen, bunzings of roofvogels van bovenaf in de ren kunnen komen! De grootte van het buitenhok hangt af van het formaat van de konijnen en hun aantal. Twee dwergkonijnen kunnen met 150 x 60 x 60 cm goed uit de voeten. Een konijn moet in zijn hok kunnen lopen en op zijn achterpoten kunnen staan. De ren moet het liefst vrij toegankelijk zijn, zodat de konijnen kunnen kiezen waar ze willen zijn. Een goede afmeting voor twee kleine konijnen is minstens 3 tot 4 m2, de konijnen moeten in hun ren ook daadwerkelijk kunnen rennen. Voor twee grote konijnen moeten het hok en de ren uiteraard groter zijn, houd voor twee konijnen van 5 kilo of meer tenminste 200 x 80 x 80 cm aan voor het hok en een ren van minimaal 5 m2. Ook als u uw konijnen binnen wilt houden, heeft u een flink hok nodig. Daarnaast moeten de konijnen een paar uur per dag buiten het hok los mogen lopen. Voor twee dwergkonijnen is een hok van 80 x 150 cm geschikt, voor twee konijnen van 2 kilo heeft u al een hok van 80 x 200 cm nodig. Voor konijnen tussen 2,5 en 5 kilo moet u rekenen op ongeveer 0,3 m2 per kilo lichaamsgewicht. Voor twee konijnen van 4 kilo komt u dan uit op 2 x 0,3 x 4 = 2,4 m2 = 100 x 240 cm. Reken voor konijnen zwaarder dan 5 kilo op 0,25 m2 per kilo lichaamsgewicht, voor twee Vlaamse reuzen van 7 kilo komt u dan op 3,5 m2 = 100 x 350 cm. Vaak is het moeilijk (en voor grote konijnen zelfs onmogelijk) om binnenkooien in het juiste formaat te kopen. Een goede oplossing is om aan het hok een vaste ren te maken en het deurtje uit het hok te halen, zodat de konijnen altijd in en uit de ren kunnen. Hekjes voor een konijnenren koopt u in de dierenspeciaalzaak of u kunt zelf iets maken. Voor grote konijnen kunt u hekken gebruiken die bedoeld zijn voor een puppyren. Op de vloer kunt u ruw zeil of een stuk tapijt leggen. Let wel op dat de konijnen hier niet van eten. Een binnenhok mag niet op de tocht, bij een verwarmingsbron of in de zon staan. Om de konijnen voldoende beweging te geven is het nodig hen dagelijks een paar uur uit hun hok (en ren) te laten. Een konijn dat alleen in een hok zit en niet kan rennen zal dik worden, geen goede spieren kunnen ontwikkelen, geen conditie opbouwen en meer kans hebben op darmproblemen. Laat konijnen echter nooit zonder toezicht los in huis. Maak bovendien de kamers waar de konijnen komen zo goed mogelijk konijn-proof. Elektriciteitskabels leveren gevaar op, werk ze bijvoorbeeld weg in kabelgoten, want u kunt uw konijn niet afleren eraan te knagen. Ook giftige planten moet u buiten het bereik van uw konijnen houden, denk bijvoorbeeld aan populaire kamerplanten als de Ficus, Dieffenbachia, Dracaena, Aloe vera, Azalea, Cyclamen en bolgewassen als Narcis en Amaryllis. Als bodembedekker in een binnenhok of in het nachthok van een buitenhok is een laag kranten met daarop stro of hooi geschikt. U kunt ook een onderlaag van bodemmateriaal op basis van maïs, strokorrels of hennep gebruiken. Zaagsel wordt ook veel gebruikt, maar pas op dat het niet stoffig is. Bovendien zijn er aanwijzingen dat zaagsel van naaldhout op termijn ongezond zou kunnen zijn. Konijnen zijn heel schone dieren, ze doen hun behoefte het liefst in een vaste hoek van hun verblijf. In de hoek die uw konijn als toilet kiest, kunt u wat extra kranten op de bodem leggen, maar nog makkelijker met schoonmaken is het om een toiletbak neer te zetten, bijvoorbeeld een speciale hoekbak, een afwasteil of de onderkant van een kattenbak. Hierin kunt u bodemmateriaal leggen zoals houten kattenbakkorrels of materiaal op basis van hennepvezel, afgedekt met stro of hooi. Als u de keutels van de konijnen steeds in deze bak legt, kunt u de konijnen vaak leren om hem als toilet te gebruiken. Dit kan zowel buitenshuis als binnenshuis. Gebruik nooit klompvormende kattenbakvulling. Dit kan verstopping veroorzaken als het wordt opgegeten. Pas ook op dat de korrels niet scherp zijn, dit kan de poten beschadigen. Zijn uw konijnen zindelijk, dan hoeft u in een groot hok met ren niet overal bodemmateriaal zoals hooi of stro te leggen maar kunt u een paar toiletbakken neerzetten. Konijnen zitten graag ergens in of onder, dat geeft hen een veilig gevoel. Geef hen daarom een plek om zich terug te trekken, bijvoorbeeld een kartonnen doos waar ze ook meteen fijn aan kunnen knagen of dek een deel van de bovenkant van de binnenkooi af. In een buitenren kunt u speel- en schuilhokjes en tunnels plaatsen. Verzorgen en hanteren: Veel konijnen vinden het fijn om geaaid te worden, maar ze worden meestal liever niet opgetild. Konijnen kunnen bijten, maar ze kunnen met hun achterpoten ook flink krabben als ze spartelen om weg te komen. Pak ze daarom, als het nodig is, voorzichtig op. Als u een konijn wilt optillen, doe dat dan als volgt: begin met de kop van het konijn naar u toe. Leg uw ene hand om zijn achterwerk heen. Schuif uw andere hand onder zijn borst. Til het konijn op en leg het tegen uw lichaam aan, het liefst met zijn kop onder uw arm. Daardoor blijft het konijn rustig. Bij het terugzetten van het konijn kunt u het dier het beste achteruit zijn hok in zetten, zodat het niet uit uw armen kan springen en zich verwonden. Bij een konijn dat erg wild is of spartelt, kunt u met een hand zo veel mogelijk vel op de schouderbladen (dus niet in zijn nek!) pakken. Gebruik altijd uw andere hand ter ondersteuning, schuif deze onder het achterwerk. Til het dier op en druk het zachtjes tegen u aan. Til een konijn nooit op aan zijn oren of alleen aan zijn nekvel. Zorg ervoor dat het konijn niet kan spartelen, zijn achterpoten zijn zo sterk dat hij daardoor zijn eigen rug kan breken. Kortharige konijnen moeten vooral tijdens de ruiperioden regelmatig gekamd worden. Omdat de vacht van langharige konijnen gemakkelijk gaat klitten, is het verstandig hen ook als ze niet ruien dagelijks te kammen. Houd er rekening mee dat de huid van konijnen gevoelig is, het trekken aan klitten is uit den boze. Ook moet u controleren of de nagels niet te lang worden en ze knippen als dat nodig is. Pas dan op dat u niet in het "leven" knipt, het deel waar bloedvaten en zenuwen doorheen lopen. Bij witte nagels kunt u dit door de nagel heen zien schijnen, bij donkere nagels is dit lastiger. Laat het eventueel door uw dierenarts voordoen. Maak het hok regelmatig schoon, tenminste eens per week. Als het gaat stinken, bent u te laat. Ververs dagelijks de bodembedekking in de toilethoek of toiletbakken. Gebruikt u een toiletbak, maak deze dan wekelijks schoon met azijn om aanslag te verwijderen. Ververs elke dag het drinkwater en maak wekelijks het drinkflesje en de voerbakjes schoon. Voeding: Een konijn is een planteneter en heeft behoefte aan heel veel vezels. Die zitten vooral in ruwvoer zoals hooi. Geef uw konijn daarom elke dag onbeperkt vers hooi. Stro bevat ook veel vezels, maar heeft minder voedingswaarde. Ook in gras en groenten zitten vezels, wen uw konijn hier langzaam aan om diarree te voorkomen. Niet elke groente is geschikt, van gasvormende groenten zoals kolen, prei en dergelijke kan uw konijn erg ziek worden. Witlof, andijvie, wortelloof, radijsblad of een stukje wortel zijn, mits langzaam aangewend, wel prima groenten voor uw konijnen. Fruit en droog brood zijn weliswaar lekker, maar dikmakers. Daarnaast bevatten ze veel suikers die niet goed door het maagdarmkanaal verwerkt kunnen worden. Het gezondst is het om, naast hooi, hardvoer te geven. Bij de dierenspeciaalzaak is biks (brokjes) en gemengd konijnenvoer te koop. Een groot voordeel van biks is dat het konijn alle voedingsstoffen binnenkrijgt in de juiste verhouding, omdat het konijn er niet de lekkerste dingen uit kan pikken. Bovendien vermoedt men dat gemengd konijnenvoer kan leiden tot gebitsproblemen. Het is daarom aan te raden voor biks te kiezen, liefst met een hoog gehalte ruwe celstof (vezels). Houd wel in gedachten dat hooi het hoofdvoedsel moet zijn. Geef een volwassen konijn niet meer dan 20 gram brokjes per kilo lichaamsgewicht per dag zodat uw konijn niet te dik wordt. Een actief buitenkonijn heeft meer voer nodig dan een rustig binnenkonijn. Weeg het konijn eventueel om zijn gewicht bij te houden. Konijnen eten een deel van hun keutels, de zogenaamde blindedarmkeutels, direct uit de anus op. In deze ontlasting zitten onmisbare voedingsstoffen. Vindt u deze zachte, glimmende trosjes keutels vaak terug in het hok, dan is de kans groot dat uw konijn teveel voer krijgt. Konijnen vinden het lekker om op takken te knagen, bijvoorbeeld van wilgen. Dit geeft ze wat te doen, het is goed voor de tanden en het levert extra vezels op. Geef uw konijn geen knaagsteen, deze bevat teveel kalk en kan blaasstenen veroorzaken. Een konijn moet onbeperkt vers water kunnen drinken. U kunt dit geven in een drinkflesje of in een stevige stenen bak. Voortplanting: Konijnen zijn vruchtbaar vanaf drie tot vijf maanden. Vrouwtjes, ook wel voedsters of moeren genoemd, kunnen dan drachtig worden. Na 29 tot 33 dagen werpen zij een nest jongen. Een nest bestaat vaak uit drie tot acht jongen, maar kan ook groter zijn. De jongen worden kaal en blind geboren. Ze worden vaak maar eens per dag door hun moeder gezoogd. Na drie weken komen ze uit het nest, maar pas na zes tot zeven weken zijn ze oud genoeg om hun geboorteplek te verlaten. Houd er rekening mee dat de moeder direct na de worp weer vruchtbaar is. Ziekten en aandoeningen: Een gezond konijn is een actief, oplettend dier, dat graag eet en een schone en droge vacht heeft. Aanwijzingen dat uw konijn ziek is, zijn lusteloosheid, niet willen eten, vuile ogen, een vuile neus, een vieze vacht rond de anus, kwijlen, jeuk, kale plekken en het schuin houden van de kop. Een belangrijke aanwijzing over de gezondheid van uw konijn zijn de keutels. Zijn deze klein en hard, dan wijst dit op een naderende verstopping of te weinig eten. Te zachte, natte keutels wijzen op darmklachten. Vaak wordt dit veroorzaakt door verkeerde voeding. Als uw konijn niet eet, moet u dezelfde dag nog naar de dierenarts gaan. Te lang wachten kan dodelijk zijn en bijvoeding is vrijwel altijd nodig. Niet of slecht eten kan verschillende oorzaken hebben, zoals pijn, stress of gebitsproblemen. Als er niet snel iets aan gedaan wordt, kunnen de darmen van het konijn stil gaan liggen en daar kan het dier aan overlijden. Ook andere gezondheidsproblemen, zoals olifantentanden (te lange tanden) en vetzucht, kunt u deels voorkomen door een verantwoorde voeding met voldoende ruwvoer. Er komen twee gevaarlijke besmettelijke ziekten voor bij konijnen: myxomatose en VHD. Deze ziekten zijn vrijwel altijd dodelijk. U moet uw konijnen dan ook jaarlijks hiertegen laten inenten. Vrouwtjeskonijnen hebben op latere leeftijd een vrij grote kans op baarmoederkanker of baarmoederontstekingen. Deze problemen zijn te voorkomen door voedsters, liefst rond de leeftijd van 6 maanden, te laten castreren. Raadpleeg in geval van ziekte of een vermoeden daarvan altijd uw dierenarts. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Toch zijn konijnen geen heel gemakkelijke huisdieren, omdat ze vrij gevoelig zijn voor voedingsfouten. Zorg er daarom voor, dat u zich van tevoren goed informeert en dat u weet waar u op moet letten om uw konijn gezond te houden. Aanschaf en kosten: U kunt een konijn kopen bij een gespecialiseerde fokker of dierenspeciaalzaak, maar er zijn ook konijnen van allerlei rassen en leeftijden te vinden bij asielen of een konijnen- en knaagdierenopvang. De gemiddelde aanschafprijs van een konijn ligt tussen 10 en 50 euro. Dit is mede afhankelijk van het ras. De prijs van een konijnenhok varieert, maar begint bij ongeveer 50 euro. Een ren kost enkele tientallen euro’s. Biks kost vanaf enkele euro’s per kilo, voor hooi en stro betaalt u één tot enkele euro’s per kilo. Prijzen zijn afhankelijk van de hoeveelheid die u koopt. Houd er rekening mee dat u soms met uw konijn naar de dierenarts zult moeten gaan, zowel voor de jaarlijkse entingen als bij het vermoeden van ziekte. Aandachtspunten: Vrouwtjes die drachtig of schijnzwanger zijn kunnen agressiever dan normaal reageren. Sommige konijnen, vaak mannetjes maar soms ook vrouwtjes, "sproeien", ofwel spuiten urine. Na castratie stopt dit meestal. Overigens wordt met sproeien de blaas wel goed geleegd. Hierdoor zou de vorming van blaasgruis mogelijk verminderd kunnen worden. De urine van konijnen is meestal dik en geel, maar kan ook oranje of zelfs rood zijn door plantenkleurstoffen in de voeding. Hoewel men soms een konijn en een cavia bij elkaar zet, is dit in de meeste gevallen niet aan te raden. Ze begrijpen elkaar niet, het konijn kan de cavia verwonden, ze hebben beide ander voer nodig en soms eet de cavia aan de vacht van het konijn. Konijnen kunnen bovendien een bacterie (Bordetella) bij zich dragen die dodelijk kan zijn voor de cavia. Geef uw konijn dan ook een soortgenoot als gezelschap. (Bron: www.licg.nl)Hamsterhttp://www.animalqueen.nl/c-1984168/hamster/ Hamsters zijn kleine knaagdiertjes die er met hun bolle wangen, zachte vachtjes en korte pootjes erg aaibaar uitzien en vrij tam kunnen worden. Hamsters slapen overdag, zeker de Syrische hamsters, en kunnen bijten als ze wakker gemaakt worden. Voor kinderen kan dat minder leuk zijn. Als zij gaan slapen, wordt de hamster net actief! Voor wie zelf overdag weg is, kan dit juist goed uitkomen. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de hamster het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De hamster is een knaagdier dat 's nachts en in de schemering actief is. Hamsters worden veel als huisdier gehouden, mede door hun handzame formaat. Hoewel kinderen vaak dol zijn op dit diertje, zijn hamsters eigenlijk niet geschikt voor kleine kinderen, omdat ze overdag slapen en dan niet gestoord willen worden. Dat kan voor het kind erg teleurstellend zijn. Bovendien zijn hamsters tere diertjes, ze zijn niet "knuffelproof". Voor mensen die overdag niet thuis zijn, kan het juist handig zijn dat de hamster ’s avonds pas actief wordt. De Syrische hamster ("goudhamster") en de Chinese dwerghamster leven solitair en kunnen absoluut niet samen met soortgenoten worden gehouden. De andere dwerghamsters kunnen soms wel met meerdere dieren gehuisvest worden, maar ook dat gaat lang niet altijd goed en vaak is het verstandiger om voor één dier te kiezen. Hamsters worden tussen de twee en drie jaar oud. Verschillende varianten: Er zijn zo'n twintig verschillende hamstersoorten, die lang niet allemaal als huisdier worden gehouden. Hamsters die geschikt zijn als huisdier zijn onder andere de Syrische hamster (Mesocricetus auratus) en een aantal dwerghamstersoorten. De verschillende hamstersoorten komen voor in verschillende kleuren en vachtstructuren. Zo zijn er gladharige hamsters, maar ook dieren met lang haar of een rex-vacht (gekrulde vacht). Syrische hamsters met een goudkleurige vacht (wildkleur) heten goudhamsters, maar de Syrische hamster komt ook voor in andere kleuren. Een dwerghamstersoort die veel als huisdier gehouden wordt, is de Russische dwerghamster (Phodopus sungorus sungorus). Daarnaast zijn er ook nog de Campbelli dwerghamster, Roborovski dwerghamsters en de Chinese dwerghamster. De Russische, Campbelli- en Roborovski dwerghamsters zijn kortstaartdwerghamsters. Ze hebben dus een kort staartje. De Chinese dwerghamster is een langstaartvariant, met een grijsbruin gestreepte vacht. Van nature: Hamsters zijn schemer- en nachtdieren. Overdag slapen ze graag en laten ze zich niet veel zien. De Russische dwerghamster vormt een uitzondering op de regel, die is ook wel overdag actief. Syrische hamsters en langstaart dwerghamsters zijn goede klimmers, maar de kortstaartdwerghamstersoorten leven vooral op de grond.Een hamster kan hamsteren, dat wil zeggen dat het dier eten verzamelt in twee grote wangzakken en dit vervolgens meeneemt naar het hol. In de natuur houden Syrische hamsters een winterslaap. Dit gebeurt echter doorgaans pas als de temperatuur onder de tien graden Celsius blijft, wat in onze huiskamers niet voorkomt. Het is niet nodig voor de gezondheid van de hamster om een winterslaap te houden. Een hamster in winterslaap ligt half opgerold met de voorpootjes vooruit en voelt koel, maar wel zacht, aan. Is uw hamster toch in winterslaap gegaan en wilt u hem er uit halen, warm hem dan langzaam op. Huisvesting: Een hamsterkooi moet goed geventileerd en knaagbestendig zijn. Hamsters hebben ruimte nodig. De minimale afmeting voor een hamsterkooi is 70 x 50 of 80 x 40 centimeter, voor Syrische hamsters is groter nog beter. Een verdieping is prettig, zodat het oppervlak van de kooi wordt vergroot. Het beste is een kooi met horizontale spijlen, zodat de hamster kan klimmen. Pas wel op dat hij niet van grote hoogte kan vallen. Let bij dwerghamsters op dat de tralies niet te ver uit elkaar staan, want zij kunnen gemakkelijk ontsnappen. De diepte van de onderbak is ook belangrijk, hamsters maken in de natuur een slaapkamer op zo’n 50 centimeter diepte en graven graag. Hoe meer een hamster kan graven, hoe minder hij afwijkend gedrag zal vertonen zoals traliebijten. Een diepte van 40 tot 50 centimeter zou ideaal zijn, maar als dit niet gehaald kan worden geldt hoe dieper, hoe beter. Er zijn kooien in de handel met een speciale diepe onderbak voor gravende knaagdieren, u doet uw hamster daar een groot plezier mee. Soms worden hamsters in glazen bakken gehouden. Op zich is dat, als de hamster voldoende bewegingsvrijheid heeft, geen probleem, maar een nadeel is wel dat de hamsters niet de gelegenheid hebben tegen de spijlen op te klauteren. Voor kortstaartdwerghamsters zijn deze verblijven wel erg geschikt. In het hamsterhok is een donkere schuilplaats noodzakelijk, waarin de hamster kan slapen. Hiervoor zijn speciale hamsterhuisjes te koop. Ook is het mogelijk om de hamster zelf een holletje te laten maken, maar dan moet er wel voldoende bodembedekking in de kooi aanwezig zijn. Geschikte bodembedekkers voor hamsters zijn bijvoorbeeld materialen op basis van maïs, houtpulp, papier of hennep. U kunt ook houtkrullen (zaagsel) gebruiken, maar er zijn aanwijzingen dat houtkrullen van naaldhout slecht voor de gezondheid van de hamster kunnen zijn. Bij langharige hamsters zult u een bodembedekker moeten zoeken die niet te veel in het haar blijft hangen, zaagsel is dan niet geschikt. Zorg ervoor dat de bodembedekking goed absorbeert en stofvrij is. Hooi is ook nodig, zowel als voer als om holletjes mee te maken. Ook papier is geschikt als nestmateriaal. Gebruik géén synthetische "hamsterwatten", dat kan de wangzakken of de darmen van de hamster verstoppen en draden van het materiaal kunnen zijn pootjes afknellen. De meeste hamstersoorten zijn zindelijk. Het is verstandig om in de hoek van de kooi waar de hamster zijn behoefte doet wat kattenbakvulling op de bodem te leggen. Zo is de toiletplaats gemakkelijk schoon te houden. Kies geen klompvormende korrels, deze kunnen bij inslikken verstopping veroorzaken. Hamsters vinden het prettig om een zandbadje te kunnen nemen. Zet een zware, lage schaal met chinchillazand neer, zodat ze er in kunnen rollen. Hamsters hebben graag beweging. Als de hamsters niet kunnen ontsnappen en de omgeving veilig is, is het verstandig om ze van tijd tot tijd buiten de kooi de pootjes te laten strekken. Zorg er ook voor dat ze in hun verblijf wat te doen hebben. Daarvoor zijn er hamsterspeeltjes, schuilplaatsen en loopradjes te koop bij de dierenspeciaalzaak. Kies altijd voor een gesloten looprad zonder spijlen en zonder standaard, zodat de hamster niet knel kan komen te zitten met bijvoorbeeld zijn poten of zijn kop. Als de hamster continu in het radje loopt, is het beter om het rad af en toe even weg te zetten, zodat het dier zichzelf niet uitput. Zorg voor veel afwisseling in het speelgoed. Kartonnen doosjes, wc-rolletjes, ongeverfde houten speeltjes of nestmateriaal om mee te bouwen en te versnipperen houden de hamster bezig. Ook kunt u stukjes droog voedsel verstoppen, zodat de hamster dit zelf kan zoeken. Voor Chinese dwerghamsters en Syrische hamsters geldt dat het solitair levende dieren zijn. In het wild zoeken ze hun soortgenootjes alleen op om te paren en zodra de moeder haar jongen heeft grootgebracht verlaten zij het nest om alleen verder te leven. Deze hamsters kunnen dus niet samen met soortgenoten in één verblijf worden gehouden, ze zijn dan agressief tegen elkaar. Dit begint in de puberteit, voor die tijd gaat het vaak nog goed. De vrouwtjes zijn het meest agressief. Sommige hamstersoorten, zoals de Russische dwerghamster, Roborovski dwerghamster en Campbelli dwerghamster, leven van nature in kleine groepjes. Toch gaat het samenleven ook bij deze dwerghamsters in gevangenschap vaak niet goed. Bij Roborovski’s en soms Campbelli’s lijkt dit iets beter te gaan dan bij Russische dwerghamsters, bij Russen loopt dit vaak niet goed af, dus houd deze liever alleen. Wilt u van de andere twee soorten meer dan één dwerghamster, neem dan twee hele jonge dieren (van hetzelfde geslacht), bijvoorbeeld uit hetzelfde nest, zodat ze van jongs af aan samen zijn. Zet nooit zomaar een nieuwe hamster bij uw hamster in het hok. Zorg voor een flinke kooi met meerdere slaaphuisjes en veel speelgoed dat u regelmatig afwisselt, zodat de dieren iets te doen hebben. Controleer regelmatig of de dieren geen wondjes hebben. Merkt u dat uw dwerghamsters ruzie maken, dan zult u hen uit elkaar moeten halen en in twee gescheiden hokken moeten huisvesten. Houd er rekening mee dat een hamster 's nachts actief is en dan aardig herrie kan maken. Een plekje op de kinderkamer is daarom geen goed idee! Verzorgen en hanteren: Hamsters kunnen bijten, maar doen dit niet vaak. Als een hamster bijt, is dit meestal omdat hij ziek is, ergens pijn heeft of omdat hij te hardhandig wordt opgepakt. Ook wanneer hamsters uit hun slaap gewekt worden, kunnen ze erg schrikken en dan bijten. Hamsters kunnen erg tam worden. Het is verstandig de hamster van jongs af aan regelmatig op te pakken en te aaien, zodat hij eraan went. Til het diertje altijd voorzichtig op door hem van voren of opzij rustig in uw handen te scheppen en laat hem in het kommetje van uw hand zitten. Een hamster kan het als bedreigend ervaren als u hem onverwachts van boven oppakt en zal dan proberen te vluchten of bijten. Hamsters zijn erg snel, let dus op dat ze niet uit de hand of van tafel springen. Vooral Roborovski dwerghamsters zijn razendsnel en moeilijk te vangen als ze ontsnappen! Laat ze daarom niet door kleine kinderen hanteren. Voor alle hamsters geldt dat ze klein en teer zijn, daarom is het zaak kinderen te leren dat ze er heel voorzichtig mee om moeten gaan. Blijf erbij als de kinderen een hamster willen oppakken. Een hamster is te klein en te teer om daadwerkelijk geknuffeld te worden. Soms moeten de nagels van een hamster worden geknipt. Om te voorkomen dat u in het leven knipt, kunt u dit door de dierenarts laten doen, maar als u voorzichtig te werk gaat, kunt u het met een speciaal nageltangetje zelf doen. Als u een langharige hamstersoort heeft, moet de vacht regelmatig (voorzichtig!) ontward en gekamd worden. Natuurlijk moet u de kooi regelmatig schoonmaken. Vervang wekelijks het bodemmateriaal. U kunt een deel van het materiaal dat niet erg vies is, laten liggen, zodat de kooi voor de hamster nog als "thuis" ruikt. Maak ook de inrichting, zoals loopradje of slaaphuisje, zandbadje, drinkflesje en voerbakje schoon. Omdat hamsters voedsel in hun nest bewaren, moet u dit dagelijks even controleren. Verwijder voer dat kan bederven. Voeding: Alle hamstersoorten hebben dierlijke eiwitten nodig om gezond te blijven. In de natuur eten ze bijvoorbeeld insecten om in deze behoefte te voorzien. In compleet hamstervoer zitten alle voedingsstoffen die een hamster nodig heeft. Het is beter om biks te voeren dan om gemengd voer te geven. Uit het gemengde voer snoept een hamster vaak de lekkere zaden en noten die erg vet zijn en weinig calcium bevatten. Hierdoor wordt het voer te eenzijdig en kan het dier bijvoorbeeld gaan lijden aan botontkalking. De hoeveelheid biks is tien tot twaalf gram per dier per dag. Dit kan aangevuld worden met groenten of fruit of bijvoorbeeld een klein stukje kaas of ei. Ook kunt u soms wat katten- of hondenbrokjes geven. Zorg er wel voor dat u de hamster niet overlaadt met extraatjes. Als u ziet dat het dier het speciale hamstervoer laat staan, krijgt hij teveel "lekkers" en loopt u het risico dat hij belangrijke voedingsstoffen mist. Ook kan hij dan suikerziekte ontwikkelen. Hamsters moeten kunnen knagen om hun tanden af te laten slijten. Geef daarom takken van bijvoorbeeld wilg en eventueel af en toe noten. Hamsters hebben onbeperkt vers drinkwater nodig. Dit kunt u geven in een bakje of in een drinkflesje. Controleer bij een drinkflesje dagelijks of de drinknippel niet verstopt is geraakt. Voortplanting: Het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes is bij jonge hamsters te zien als u onder de staart kijkt. Bij vrouwtjes is de afstand tussen de anus en de plasopening veel kleiner dan bij mannetjes. Bij vrouwtjes is daar bovendien de vulva te zien, terwijl er bij mannen haar groeit tussen beide openingen. Bij volwassen hamsters is het geslachtsonderscheid gemakkelijker te maken: als u van bovenaf kijkt, ziet u dat vrouwtjes een afgerond achterwerk hebben. Dat van mannetjes loopt toe in een punt. Hamsters zijn op een leeftijd van vier tot vijf weken al vruchtbaar (Roborovski’s en Chinese dwerghamsters meestal iets later), maar als ze erg jong zijn, zijn ze nog niet in staat een nestje groot te brengen. Roborovski dwerghamsters planten zich in de natuur pas voort na hun eerste winter, maar inmiddels planten ze zich in gevangenschap ook wel voort zonder eerst een koudere periode te hebben doorgemaakt. Zet nooit zomaar een mannetje en een vrouwtje bij elkaar, ze kunnen dan gaan vechten. Een hamstervrouwtje is eens per vier dagen bereid te paren. De draagtijd is afhankelijk van de soort, ongeveer 16 dagen bij de Syrische hamster, zo’n 19 dagen bij de Russische dwerghamster, 21 dagen bij de Roborovski en de Chinese dwerghamster en rond 18 dagen bij de Campbelli dwerghamster. Per keer worden er ongeveer vijf tot acht jongen geboren. Pasgeboren hamsters zijn kaal en blind en erg klein. Als de moeder zich bedreigd of niet op haar gemak voelt, bestaat de kans dat ze haar jongen doodt of opeet. Als de jongen twee weken oud zijn, nemen ze al regelmatig een kijkje buiten het nest. Op de leeftijd van drie tot vier weken (vier bij Roborovski’s) kunnen ze apart van de moeder gehuisvest worden. Zorg ervoor dat mannetjes en vrouwtjes van elkaar gescheiden worden. Ziekten en aandoeningen: Een gezonde hamster heeft een glanzende vacht en een levendige uitstraling. De oogjes zijn helder en droog en de nagels niet te lang. Een gezonde hamster ademt rustig en regelmatig. Hamsters zijn over het algemeen sterke dieren. Ze worden niet snel ziek maar als u ziet dat het dier sloom, lusteloos of apathisch is, is de kans groot dat hij iets onder de leden heeft. Ook is het verstandig alert te zijn op de volgende verschijnselen: een opgetrokken rug, sterke vermagering, een mottige vacht, veel water drinken en diarree (vaak herkenbaar aan plakkerige ontlasting in de vacht). Het is vaak moeilijk om te zien of een hamster niet goed eet of drinkt. Als een hamster geen eetlust heeft, blijft het dier nog wel hamsteren. Het voerbakje raakt in dat geval dus wel leeg, maar het holletje ligt vol ongebruikt voedsel. Om te voorkomen dat een hamster ziek wordt, is het zaak de kooi goed schoon te houden en ervoor te zorgen dat het dier gezonde, uitgebalanceerde voeding binnenkrijgt. De wangzakken van de hamster worden gebruikt om voedsel in te verzamelen, maar ze kunnen ook verstopt raken door bijvoorbeeld synthetisch, onverteerbaar nestmateriaal of kleverig snoepgoed. Dat kan ook voorkomen als de hamster niet goed kan kauwen doordat zijn tanden en kiezen niet goed op elkaar aansluiten. Diarree bij de hamster kan komen door verkeerde voeding of door een infectie met een bacterie die darmontstekingen veroorzaakt. Dat laatste wordt ook wel "natstaart" of "wet tail" genoemd en komt vooral voor bij jonge hamsters. Hierbij is snelle behandeling nodig om de bacterie te remmen en uitdroging te voorkomen. Stress is een factor in het ontstaan van de ziekte. Diarree kan ook ontstaan na gebruik van antibiotica, omdat deze de darmflora aantasten, waardoor ongewenste bacteriën kunnen uitgroeien. Hamsters kunnen hartklachten krijgen als ze ouder worden, vanaf zo’n anderhalf jaar, waarbij ze snel gaan ademen, sloom worden, slecht eten en koude pootjes hebben. Met behulp van medicijnen kan daar soms iets aan worden gedaan. Bij hamsters komt soms suikerziekte (diabetes) voor. Dit kan erfelijk zijn, maar ook voeding is een belangrijke factor. Om diabetes te voorkomen is het belangrijk een goede kwaliteit voer te geven, de hamster niet te overvoeren en spaarzaam te zijn met snoepgoed en vette voedingsmiddelen. Andere aandoeningen bij hamsters zijn verwondingen, tandproblemen en soms verkoudheid of longontsteking. Raadpleeg bij twijfel over de gezondheid van uw hamster altijd een dierenarts. Hamsters hebben geurklieren op hun flanken en bij mannetjes zijn deze meer ontwikkeld. Ze zijn soms te zien doordat de vacht daar wat vochtig is. Vrouwelijke hamsters scheiden elke vier dagen een witte substantie uit, dit hoort bij hun normale cyclus en is geen reden tot ongerustheid. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Aanschaf en kosten: U kunt een hamster aanschaffen bij een fokker, een dierenspeciaalzaak of een asiel of knaagdierenopvang. De prijs van een hamster hangt af van de soort, vachtkleur en vachtsoort. Over het algemeen kunt u voor minder dan twintig euro slagen. Een hamsterkooi, compleet ingericht met huisje, drinkflesje en voerbak is bij de dierenspeciaalzaak te koop vanaf ongeveer vijftig euro, maar dit is ook afhankelijk van het formaat van het verblijf. Terugkerende kosten zijn die voor hooi, bodembedekker en voer. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als uw dier onverhoopt ziek wordt. Aandachtspunten: Wanneer hamsters los mogen lopen, kunnen ze door knagen veel schade veroorzaken. Pas op met snoeren en let ook op dat het dier niet in een ruimte kruipt waar hij niet meer uit kan komen (bijvoorbeeld onder het aanrecht). Het is beter om een deel van de kamer af te zetten met een ren (met smalle spijltjes of gesloten schotten!) en er bij te blijven als u de hamster wilt laten rondlopen. (Bron: www.licg.nl)Frethttp://www.animalqueen.nl/c-1984166/fret/ Fretten zijn snelle, behendige roofdiertjes. Ze zijn speels en slim en kunnen daardoor interessante huisdieren zijn voor mensen die bereid zijn zich goed in hen te verdiepen. Geef hen voldoende speelruimte, waarin ze niks kapot kunnen maken. Bovendien moeten ze opgevoed worden! Fretten vragen speciale medische verzorging, houd rekening met de kosten daarvan. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de fret het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De fret is een langgerekt roofdiertje met een flexibel lijf en korte pootjes, dat tot de familie van de marterachtigen behoort. Het is de gedomesticeerde vorm van de bunzing. Bunzing en fret zijn onderling te kruisen, maar de kruisingen die dat oplevert, zijn ongeschikt als huisdier. De fret is familie van onder meer de steenmarter, otter, wezel, hermelijn en nerts. Al voor de jaartelling werden de jachtkwaliteiten van de fret gebruikt bij de jacht op voornamelijk konijnen en het bestrijden van muizen en ratten. Fretten worden doorgaans zes tot tien jaar oud. Verschillende varianten: Wildkleur en albino zijn de meest geziene kleuren bij de fret. De wildkleur heeft een zwartbruine tekening, die in allerlei variaties kan voorkomen, licht of donker en met of zonder "boevenmaskertje" over de ogen. De kleur kan gedurende het leven van de fret en ook afhankelijk van het jaargetijde van tint verschieten. De witvoetvariant van de wildkleur heeft witte voetjes en een witte "slab" op de keel. De albino is wit met rode ogen. Deze fretjes zijn soms meer geel dan wit. Dit komt door hun talgproductie. Vrij bekend is verder de kaneel- of zandkleurige cinnamon of sandy-colour fret. Daarnaast zijn er nog andere kleuren en aftekeningen en zogeheten angorafretten met een lange(re) vacht. Voorzichtigheid bij dieren met een afwijkende aftekening of haarstructuur is geboden. Het is namelijk vrijwel zeker dat er een verband bestaat tussen langharige vachten en bepaalde witte aftekeningen en een aantal lichamelijke afwijkingen, zoals doofheid. Van nature: Fretten blijven hun leven lang speels, vrolijk, nieuwsgierig en ondeugend. Ze zijn intelligent en u kunt hen dingen aanleren, maar verwacht van dit dier geen absolute gehoorzaamheid. Ze hebben een geheel eigen taal met karakteristieke geluiden en bewegingen. De fret is van nature géén groepsdier. Bunzingen leven in het wild solitair en komen elkaar alleen in de paartijd tegen. Daarbuiten zullen ze hun territorium hevig verdedigen. Door domesticatie is het gedrag van de fret aangepast en socialer geworden. Veel fretten leven dan ook samen met soortgenoten, die hen gezelschap bieden. Huisvest, om stress en gezondheidsproblemen te voorkomen, echter nooit meer dan 5 fretten samen en zet alleen dieren bij elkaar die écht goed met elkaar overweg kunnen. Fretten zijn geen uitgesproken nachtdieren. Ze slapen overdag veel, maar hebben daarnaast een vast dagritme. Ze zijn het meest actief in de schemering. Huisvesting: Fretten hebben een verblijf nodig waarin ze uit de voeten kunnen. Een algemene richtlijn is minimaal anderhalve tot twee vierkante meter bodemoppervlak voor één of twee fretten, met voor iedere volgende fret een halve vierkante meter extra. De dierenspeciaalzaak verkoopt speciale frettenverblijven. Voor de huisvesting van fretten buitenshuis heeft u een minimaal bodemoppervlak van zes vierkante meter nodig en een nachthok dat goed geïsoleerd is tegen zowel warmte als kou. Binnen of buiten, het verblijf dient altijd uit de zon te staan, omdat fretten erg gevoelig zijn voor warmte en snel oververhit raken. In het frettenverblijf hoort een toiletbak te staan met een stofvrije vulling die geen klonten mag vormen. Zaagsel is voor fretten taboe, de bodem van het verblijf kan onbedekt blijven. Zorg voor een slaapgelegenheid die met behulp van wat handdoeken of lappen zodanig is ingericht dat de fret altijd ergens in of onder kan slapen. Een "nestbox", een kistje met een gat erin, wordt door de fret ook erg gewaardeerd als slaapplaats. Weg kunnen kruipen geeft een gevoel van veiligheid en dat is belangrijk voor het welzijn van het dier. Fretten gebruiken hun verblijf voornamelijk als "hol" om in te slapen. Bewegen doen ze vooral buiten hun verblijf. Fretten moeten dagelijks twee uur vrij kunnen bewegen om zo al rennend en spelend hun energie kwijt te raken. Ze houden er van om overal in te kruipen en alles te onderzoeken en u kunt hen blij maken met speelmateriaal in de vorm van dozen, tunnels, balletjes en veilige pluchen beestjes. Zorg dat de speelruimte "fretproof" is. Fretten proberen namelijk overal op, onder en achter te komen. Het uitgraven van plantenbakken, leeghalen van prullenbakken en krabben aan vloerbedekking is gedrag dat u niet kunt afleren, hooguit kunt u het proberen te voorkomen. Veel fretten worden nooit helemaal zindelijk. Het kan dus gebeuren dat u af en toe ontlasting vindt. Fretten zijn meesters in het ontsnappen en kunnen door kleinere ruimten kruipen dan de meeste eigenaren voor mogelijk achten. Houd hier rekening mee! Verzorgen en hanteren: Gebruik voor het oppakken en vasthouden van een fret altijd twee handen. Leg bij het oppakken één hand over de schouders, net achter de voorpoten van het dier en ondersteun met de andere hand de achterhand. Het is ook mogelijk om de fret achter de oksels, onder de borstkast vast te houden. Een fret heeft opvoeding en zindelijkheidstraining nodig. Dat hoort al te beginnen bij de fokker. Een regelmatige controle van nagels, gebit, oren (fretten zijn erg gevoelig voor oormijt) en vacht is belangrijk. Fretten gaan doorgaans in het voor- en najaar in de rui. Elke dag moet het drinkwater verschoond worden en moet u de voerbakjes en de toiletbak schoonmaken. Reinig minimaal 1 maal per week het waterflesje. De dagelijkse verzorging van een fret is dusdanig intensief, dat deze niet aan een kind kan worden overgelaten. Fretten kunnen hard bijten, laat ze daarom nooit alleen met jonge kinderen. De omgang met fretten dient altijd onder supervisie van een volwassene te staan. Voeding: De wilde verwanten van de fret zijn echte vleeseters en voeden zich in de natuur met prooien als knaagdieren en vogels. Het maagdarmkanaal van de fret is dan ook helemaal ingesteld op het verteren van vlees. Voer een kwalitatief zeer hoogwaardige en speciaal voor fretten gemaakte voeding met relatief veel eiwitten en vetten (en weinig koolhydraten). Hoogwaardig voer voor kittens kan ook worden gegeven. Algemene richtlijn is een eiwitpercentage tussen de 30 en 40 procent, een vetpercentage tussen de 20 en 30 procent en zo min mogelijk (minder dan 2 procent) vezels. U kunt een fret ook dode prooidieren, zoals ratten en muizen, voeren. Een frettenmaag kan niet overweg met groenten en fruit. Hondenvoer is ongeschikt omdat daar voor fretten te veel onverteerbare plantaardige producten en vezels in zitten. U kunt uw fret met mate verwennen met een speciaal frettensnoepje gemaakt van vleesproducten, stukjes (gekookte) kip, stukjes gekookt ei of een heel klein klontje roomboter. Pas op met suikerhoudende of koolhydraatrijke producten, die kunnen voor gezondheidsproblemen zorgen. Er wordt aangeraden om voor fretten altijd voer ter beschikking te hebben. Houd in de gaten dat de fret zijn eten niet verstopt, zodat het bederft. Een gezonde fret kan makkelijk gedurende twaalf uur zonder voer. Vers drinkwater hoort altijd aanwezig te zijn. Een drinkfles is hiervoor het handigst. Voortplanting: Mannetjes zijn aanzienlijk forser dan de vrouwtjes, die doorgaans wat actiever en iets temperamentvoller zijn. Het lichaamsgewicht varieert van 900 tot 2500 gram (gemiddeld 1500 gram) voor mannetjes en van 400 tot 1200 gram (gemiddeld 700 gram) voor vrouwtjes. Fretten hebben een zomer- en een wintergewicht. De dieren eten in het najaar meer en zijn dan ook aanzienlijk zwaarder dan in het voorjaar. De draagtijd bij de fret bedraagt circa 42 dagen, waarna er twee tot vijftien, maar gemiddeld acht, jongen worden geboren. De frettenpups horen de periode tot en met de achtste levensweek bij de moeder te blijven. Vooral tussen vijf en acht weken leren ze allerlei sociale vaardigheden van hun moeder en nestgenoten. Pas vanaf een leeftijd van acht weken zijn ze zelfstandig en kunnen ze naar een nieuwe eigenaar. Fretten die te jong van eigenaar wisselen, hebben een groot deel van hun opvoeding in het nest gemist, wat kan leiden tot gedragsproblemen, zoals bijten. Fretten waarmee niet wordt gefokt, worden vrijwel altijd gecastreerd. Bij mannetjes gebeurt dat doorgaans als ze tussen de zes en negen maanden oud zijn. Na de castratie verdwijnt de "wildebeestengeur" die de geslachtsrijpheid met zich meebrengt, evenals eventueel machogedrag. Vrouwtjes kunnen worden gecastreerd als ze tussen de zes en negen maanden oud zijn, maar het beste is om dit te doen voor ze loops worden of direct in de eerste weken van de loopsheid. Loopse fretjes hebben een sterk opgezette, roze vulva. Ze kunnen onzindelijk worden en urinesporen gaan uitzetten, gedrag dat na de castratie weer verdwijnt. Vrouwtjes die niet worden gecastreerd of gedekt, blijven loops. Hun lichaam blijft dan hormonen aanmaken, waardoor ze ziek worden (zogeheten beenmergdepressie) en dood kunnen gaan. Het is dus heel belangrijk om een vrouwtje waarmee niet wordt gefokt, te castreren. Sinds een aantal jaren bestaat er een hormoonimplantaat wat even effectief blijkt te zijn als chirurgische castratie bij fretten. Ziekten en aandoeningen: Een fret heeft specifieke diergeneeskundige zorg nodig. Omdat fretten erg gevoelig zijn voor hondenziekte, dienen ze preventief tegen deze virusziekte te worden ingeënt. Vraag de dierenarts uitdrukkelijk om een vaccin dat veilig en geschikt is voor fretten, een aantal entstoffen voor honden kunnen de fret juist ziek maken. Jonge fretjes moeten met negen en veertien weken tegen hondenziekte worden ingeënt, daarna moet de enting jaarlijks herhaald worden. Fretten zijn weinig gevoelig voor natuurlijke besmetting met de ziekte van Weil. Het is dan ook niet noodzakelijk ze hiertegen te enten. Voor fretten die meegaan naar het buitenland is een rabiësenting verplicht, vraag ook hier om de juiste enting voor fretten, omdat sommige vaccins een allergische reactie kunnen opwekken. Ook moeten zij gechipt zijn om de grens over te mogen. Fretten kunnen vlooien en teken oplopen. Er is een bestrijdingsmiddel in de handel dat ook voor de fret vanaf zes maanden oud geregistreerd is, vraag hiernaar bij uw dierenarts of dierenspeciaalzaak. Het middel heeft de vorm van een spot-on, een klein pipetje met vloeistof die u in de nek aanbrengt. De handigste manier om dit te doen is om het dier af te leiden met wat lekker voer, terwijl u de vacht vlak achter de schedel uit elkaar duwt en de druppels op de huid aanbrengt. Veel fretten krijgen vroeg of laat te maken met bijnierproblemen of een te laag bloedsuikergehalte door insulinomen, kleine tumoren in de alvleesklier. Een groot aantal fretten blijkt verder te kampen met maagdarmproblemen, waarbij stress (en de daarbij behorende maagbacterie Helicobacter) en verkeerde voeding vaak een belangrijke rol spelen. Bij oudere fretten kunnen hartproblemen voorkomen en lymfomen, vergrotingen van de lymfelieren met aantasting van andere organen. Aleutian Disease is een door een parvovirus veroorzaakte ziekte, die tot allerlei gezondheidsklachten bij fretten kan leiden. Om deze problemen vroegtijdig te ontdekken en direct goed aan te pakken, is een jaarlijkse gezondheidscontrole onontbeerlijk. Kaalheid, jeuk, omvallen, verminderde activiteit, gewichtsverlies, braken, diarree, slecht eetlust, een gespannen buik, achterhandzwakte en hoesten zijn alarmsignalen die op ziekten kunnen wijzen. Benodigde ervaring: De fret is beslist een gezelschapsdier met een specifieke gebruiksaanwijzing. Het is dus erg belangrijk dat u precies weet waaraan u begint. Zorg er voor dat u zich van tevoren zeer goed informeert, neem bijvoorbeeld contact op met ervaren frettenhouders. Aanschaf en kosten: Een fret koopt u bij een betrouwbare frettenfokker. Ook zijn er speciale fretten-opvangadressen waar u een fret kunt aanschaffen. Voor de aanschaf van een fret, een ruim verblijf en de eerste benodigdheden bent u al snel een paar honderd euro kwijt. U moet verder investeren in een hoge kwaliteit voer en rekening houden met jaarlijks terugkerende dierenartskosten voor gezondheidsonderzoeken, entingen en mogelijk andere behandelingen of operaties. Aandachtspunten: Fretten hebben een specifieke frettengeur, vooral als ze niet gecastreerd zijn. Ze zijn gek op rubber en kunnen in de problemen komen als ze kleine stukjes van dit materiaal afbijten en inslikken. Houd daarom spullen van zacht rubber, latex, foam of sponsachtig materiaal uit hun buurt. Mits ze goed aan elkaar worden gewend kan een fret samenleven met honden en katten, maar kleinere huisdieren, met name knaagdieren, zal hij als een prooi zien. Bij frettenverenigingen en organisaties is veel kennis aanwezig, zij kunnen u informatie geven over verzorging of betrouwbare aankoopadressen. (Bron: www.licg.nl)Degoehttp://www.animalqueen.nl/c-1984164/degoe/ De degoe is een nieuwsgierig, vriendelijk knaagdier dat als huisdier steeds populairder wordt. Als knuffeldier zijn degoes niet geschikt, maar ze zijn wel handtam te maken en bijten zelden. Neem altijd meer dan één degoe, want het zijn echte groepsdieren. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de degoe het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De degoe is een knaagdier dat nauw verwant is aan de cavia en de chinchilla. Hij heeft een korte bruingrijze vacht, waarvan de dikte zich aanpast aan de temperatuur. De staart van de degoe is met tien tot zestien centimeter iets korter dan zijn lijf (twaalf tot twintig centimeter) en ook helemaal behaard. Een degoe weegt tussen de 175 en 300 gram. Hij is vooral overdag actief, met een rusttijd midden op de dag. Degoes worden gemiddeld vijf tot acht jaar oud. Verschillende varianten: Degoes zijn te koop met verschillende vachtkleuren. Naast de bruingrijze vacht komen ook een blauwe, grijze en witte vacht voor. Er zijn geen ondersoorten van de degoe bekend. Van nature: De degoe leeft van oorsprong in een strook land die loopt van de westkust tot de hellingen van het Andesgebergte in Chili. Het zijn sociaal levende dieren, in de natuur leven ze in grote groepen. Ze zijn erg actief en klimmen en klauteren graag op rotsen. Ook graven ze uitgebreide gangenstelsels, waarin ze een wintervoorraad aanleggen. Ze zijn gewend aan een karig dieet. De degoe maakt net als de cavia piep- en gromgeluidjes om te communiceren. Huisvesting: Omdat degoes van nature in grote groepen leven, moet u er voor zorgen dat u ten minste twee degoes bij elkaar houdt. Kiest u er voor om een groepje degoes te houden, ga dan voorzichtig te werk. In de kooi kunnen ze elkaar niet ontwijken en dat kan tot vechtpartijen leiden. Vooral bij geslachtsrijpe mannetjes kan dit een probleem zijn, zeker als ze niet samen zijn opgegroeid. U kunt er daarom voor kiezen om alleen vrouwtjes te houden. Wilt u graag mannetjes en vrouwtjes houden, zorg er dan voor dat het verblijf erg ruim is en dat er voldoende vrouwtjes zijn. Het beste is in dat geval om één mannetje met één of meerdere vrouwtjes te houden in plaats van meerdere mannetjes en meerdere vrouwtjes samen. Zet geen broertjes en zusjes bij elkaar, dat kan leiden tot inteelt. U kunt de mannetjes ook laten castreren om ongewenste nakomelingen te voorkomen. Als u nieuwe degoes in de groep wilt introduceren, dan kunt u ze het beste op neutraal terrein laten kennismaken. Het soepelste verloopt de kennismaking als de dieren nog jong zijn. U kunt degoes het beste huisvesten in een grote glazen bak met een oppervlakte van ten minste 100 x 50 centimeter. Bakken van kunststof en hout zijn niet geschikt. De bovenkant moet afgedekt zijn met stevig gaas. De kooi moet zeker 50 centimeter hoog zijn, degoes gaan graag staan en moeten bovendien lekker kunnen klauteren. Een opening aan de zijkant is handig, zo schrikt het dier niet als u hem probeert te pakken. U kunt ook kiezen voor een metalen kooi, die heeft als voordeel dat er meestal een opening aan de zijkant zit. Een traliekooi kan wel rommel geven doordat de degoes de bodembedekking naar buiten graven. Pas ook op met tocht. U kunt degoes ook buiten huisvesten, mits u de dieren regelmatig observeert en er voldoende beschutting is. Geef ze in de winter extra hooi en nestmateriaal om in weg te kruipen. Houd er rekening mee dat degoes goed kunnen graven! Plaats zowel binnen als buiten de kooi niet in de directe zon. De bodem van de kooi kunt u bedekken met een dikke laag stofvrije houtkrullen. Als de bodembedekking niet stofvrij is, kunnen degoes een longontsteking ontwikkelen. Er zijn aanwijzingen dat naaldhoutkrullen op termijn mogelijk ongezond kunnen zijn. U kunt ook hooi gebruiken. In de plashoek kunt u niet-stuivende, biologisch afbreekbare kattenbakkorrels doen. Gebruik geen klompvormende korrels, deze kunnen verstopping veroorzaken als de degoe ze opeet. Omdat degoes van klimmen en klauteren houden, is het belangrijk dat ze hiervoor in hun kooi de gelegenheid hebben. U kunt hiervoor takken, stenen en bloempotten gebruiken en op meerdere niveaus zitplankjes aanbrengen, maar kijk ook eens bij de dierenspeciaalzaak. In de kooi kunt u een voerbakje plaatsen en aan de kooi kunt u een glazen drinkflesje bevestigen. Let er op dat het voerbakje zo zwaar is dat de degoes het niet kunnen omgooien. Degoes houden van zandbadderen en moeten dit zeker twee keer per week kunnen doen. Ze wassen dan viezigheid en overmatig vet uit hun vacht. U kunt als "bad" bijvoorbeeld een zware bak van aardewerk gebruiken die u vult met chinchillazand. Chinchillazand kunt u bij de dierenspeciaalzaak kopen. Het zand kunt u schoonhouden door het dagelijks te zeven en wekelijks te verversen. Als u het zand twee maal per week aanbiedt en daarna weghaalt, hoeft u het minder vaak te verversen. Daarnaast vinden degoes het fijn om zich terug te kunnen trekken om uit te rusten of om te slapen. Geef de degoes daarom een nestkastje. Bied ook nestmateriaal aan, zoals toiletpapier, zakdoekjes, toiletrolletjes, kartonnen verpakkingen en takjes. In de natuur verzamelen ze ook van alles om daarmee enorme hopen te bouwen. Verzorgen en hanteren: Degoes zijn vrij makkelijk tam te maken. U kunt gebruik maken van hun nieuwsgierigheid door hen uit de hand te voeren of van jongs af in de hand te nemen. Laat ze wel eerst aan uw geur wennen. Zo aanhankelijk en tam als cavia’s worden deze beweeglijke dieren echter niet. Daarom zijn degoes voor kinderen geen geschikte huisdieren. Til een degoe nooit op aan zijn staart. De huid van de staart kan daardoor loslaten waarna de onderliggende staart afsterft. De staart groeit niet meer aan. Het beste kunt u een degoe oppakken door hem op twee vlakke handen te laten stappen of met twee handen "op te scheppen". Houd er rekening mee dat jonge dieren de neiging kunnen hebben om in paniek van uw hand af te springen. Degoes bijten zelden. Controleer regelmatig of de tanden van uw degoes niet langs elkaar heen groeien en of ze goed blijven eten. Als de dieren slecht eten, laat een dierenarts dan de kiezen van de degoe controleren. Let ook op of de nagels niet te lang worden. Maak het hok ten minste één keer per week volledig schoon en vervang de bodembedekking. U kunt eventueel een beetje chloor of soda gebruiken. Vervang het drinkwater dagelijks en maak het flesje minimaal één maal per week schoon om groei van bacteriën te voorkomen. Was ook het voerbakje geregeld af. Voeding: De degoe is een echte knager en moet, net als andere knaagdieren, zijn gebit veel en intensief gebruiken om te voorkomen dat de voortanden te lang worden. Op wilgenhout en takjes van fruitbomen kunnen degoes naar hartelust knagen. Knaagstenen en likstenen mogen niet aan degoes gegeven worden, deze kunnen blaasstenen veroorzaken. Van nature zijn degoes planteneters en eten zij grassen, zaden en dorre plantendelen. Er is speciaal voer voor degoes verkrijgbaar in de dierenspeciaalzaak. Kunt u dit voer niet vinden, kies dan voor chinchillavoer of een combinatie van cavia- en chinchillavoer. Voer met veel vet en oliën, bijvoorbeeld in de vorm van zonnebloempitten en pinda’s, is niet geschikt voor degoes. Als richtlijn kunt u aanhouden dat één tot twee theelepels droogvoer per degoe per dag voldoende is, mits er altijd hooi aanwezig is. Door onbeperkt hooi te verstrekken, krijgen uw degoes voldoende vezels binnen en bovendien slijten hun tanden hierdoor. Degoes eten graag fruit en groenten, maar het is beter om dit niet te geven, anders kunnen ze darmproblemen krijgen. Ook met andere "snoeperijtjes" moet u voorzichtig zijn, want degoes worden makkelijk dik (ze zijn immers het schaarse dieet in de bergen gewend) en ze zijn gevoelig voor het ontwikkelen van suikerziekte. Wilt u uw dieren toch wat extra’s geven, geef dan bijvoorbeeld een stukje cracker of een stukje gedroogde boterham. Geef in ieder geval geen suikerhoudende producten. Water moet altijd voor uw degoes beschikbaar zijn. Zorg er wel voor dat u het in een glazen flesje aanbiedt, want plastic flesjes kunnen ze kapot knagen. Voortplanting: U kunt mannetjes van vrouwtjes onderscheiden, doordat de afstand tussen de anus en de geslachtsopening bij mannetjes veel groter is dan bij vrouwtjes. Bovendien hebben geslachtsrijpe mannetjes een duidelijk zichtbaar balzakje (scrotum). Bij vrouwtjes zijn drie uitwendige openingen (plasbuis, vagina en anus) zichtbaar. Hoewel de vrouwtjes al op een leeftijd van negen weken tot drie maanden geslachtsrijp zijn, is het beter om te wachten met dekken totdat ze vijf of zes maanden oud zijn. Als u mannetjes en vrouwtjes samen gehuisvest hebt, bepalen ze zelf wanneer ze paren. Zijn ze apart gehuisvest, zet dan het vrouwtje in de kooi van het mannetje en zorg voor voldoende schuilmogelijkheden. Gemiddeld duurt de zwangerschap 90 dagen, waarna een nest van drie tot tien jongen wordt geworpen. Het mannetje kan al die tijd bij het vrouwtje in de kooi blijven. Vanaf de geboorte van de jongen is het vrouwtje meteen weer vruchtbaar, het kan dus verstandig zijn om het mannetje vroeg in de zwangerschap te laten castreren. Op die manier kan de vader helpen met het opvoeden van de jongen. Degoes zijn helemaal "af" als ze geboren worden. De eerste paar weken drinken ze moedermelk, maar na enkele weken wagen ze zich ook voorzichtig aan het voer van hun ouders. Kijk er niet gek van op als de jongen de keuteltjes van hun ouders opeten, daar zitten bacteriën in die ze nodig hebben om zelf vitamine B12 te kunnen maken. Als u de jongen van de moeder wilt scheiden, kunt u het beste wachten tot de degoes zeven à acht weken oud zijn. Dan zijn ze in staat om voor zichzelf te zorgen. Als u wilt gaan fokken met degoes, zorg dan dat u eerst goede adressen hebt waar u de jongen naar toe kunt brengen. Ziekten en aandoeningen: Als u uw dieren goed verzorgt, hebben degoes in het algemeen weinig gezondheidsproblemen. Desalniettemin kunnen ook degoes ziek worden. Als uw degoe niet eet of geen of afwijkende ontlasting heeft, moet u onmiddellijk contact opnemen met uw dierenarts. Degoes ontwikkelen gemakkelijk suikerziekte en kunnen daardoor ook andere gezondheidsproblemen, zoals staar of blindheid, krijgen. Als uw degoes meer beginnen te drinken of meer plassen dan normaal, kan dit een aanwijzing zijn dat ze suikerziekte hebben. U kunt suikerziekte voorkomen door uw degoes een karig, vezelrijk dieet te geven. Bij een verkeerde voeding kunnen uw degoes ook last krijgen van diarree. Geef in dat geval de eerste twee dagen alleen veel hooi en water, eventueel met een elektrolytenoplossing om uitdroging tegen te gaan, en verschoon bovendien twee keer per dag de bodembedekking en eventueel nestmateriaal. Raadpleeg ook uw dierenarts, zeker bij ernstige diarree of als de diarree niet binnen een dag minder wordt. Overigens kunnen ook een onverzorgde huisvesting, vervuild water, tocht en vocht er voor zorgen dat uw dieren last krijgen van diarree. Als degoes te weinig knagen, kunnen ze gebitsproblemen ontwikkelen omdat hun tanden onvoldoende slijten, ze krijgen "olifantstanden". Dit kan ook ontstaan door een erfelijke afwijking waardoor de tanden en/of kiezen niet recht op elkaar staan. Degoes kunnen dan niet meer goed eten en worden mager. Neem contact op met de dierenarts als u denkt dat de tanden of kiezen van uw degoe te lang zijn. Zorg er bovendien voor dat uw dieren onbeperkt over knaagmateriaal, zoals takken en hooi, kunnen beschikken. Voorkomen is immers beter dan genezen. Worden de oranje tanden van uw degoes wit, dan duidt dit ook op gebitsproblemen. Oormijt is een andere veel voorkomende aandoening en kunt u herkennen aan jeuk en haarverlies rond de oren. Ga hiermee naar uw dierenarts. Door veel op gaas en dunne spijlen te lopen en er in te klimmen, kunnen degoes last krijgen van pijnlijke, gezwollen of ontstoken voeten. U kunt dit voorkomen door gaasoppervlakten en dunne spijlen zo veel mogelijk te voorkomen en een goede ondergrond aan te bieden. Oudere degoes kunnen staar ontwikkelen. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Aanschaf en kosten: Degoes kunt u het beste kopen bij fokkers. Zij hebben de dieren vaak al vastgehouden, waardoor u ze gemakkelijker tam kunt maken. Soms zijn degoes ook bij de dierenspeciaalzaak te koop. Koopt u bij particulieren, let dan op dat het niet om een ongepland nestje uit een familiegroepje gaat, omdat u dan te maken kunt hebben met inteelt. Ook in de knaagdierenopvang zijn soms degoes te koop. Ongeacht waar u de degoes koopt, is er aantal dingen waar u op moet letten. Zitten de dieren in een schoon verblijf? Hebben de dieren schoon water? Zitten er niet te veel dieren in een hok? Worden er dieren aangeboden die ziek of gewond lijken? Een gezonde degoe kijkt helder uit zijn ogen, heeft een gladde, schone en zachte vacht en is levenslustig. Zijn achterste is droog en schoon. U koopt degoes vanaf ongeveer tien tot enkele tientallen euro's per stuk. De prijs van een hok met inrichting varieert, maar koopt u in het algemeen niet voor minder dan 100 tot 150 euro. Degoevoer kost vanaf zo'n zes euro per kilogram. Cavia- en chinchillavoer is iets goedkoper maar sluit minder goed aan bij de voedingsbehoefte van uw degoes. Overige terugkerende kosten zijn die voor bodembedekking, hooi en chinchillazand. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als u een of meerdere dieren wilt laten castreren of als uw dier onverhoopt ziek wordt. (Bron: www.licg.nl)Chinchillahttp://www.animalqueen.nl/c-1984159/chinchilla/ Chinchilla’s zijn knaagdieren die er met hun mooie dikke vacht erg aaibaar uitzien. Toch houden ze niet zo van knuffelen, veel liever spelen ze met elkaar. Houd ze altijd met meerdere tegelijk. Het is dan erg leuk om te zien hoe de dieren met elkaar omgaan. Chinchilla’s zijn vooral in de schemering en avond actief, wat goed past bij mensen die overdag naar hun werk zijn. Het zijn interessante maar geen gemakkelijke dieren om te houden, steek er dus tijd in om hen goed te leren verzorgen. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de chinchilla het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De chinchilla is een cavia-achtig knaagdier uit het Andes gebergte in Zuid-Amerika. Chinchilla’s zijn jarenlang bejaagd om hun pels. Ze hebben een dikke, zilvergrijze of blauwgrijze vacht, waarvan uit elk haarzakje meer dan 50 haren groeien. De haren staan daardoor altijd overeind. De buik is licht gekleurd. Ze hebben grote oren, lange snorharen en een dik behaarde staart. Volwassen chinchilla’s zijn ongeveer 25 tot 35 centimeter lang, de staart is tussen de dertien en achttien centimeter lang. Het zijn schemer- en nachtdieren die in groepen leven. Chinchilla's kunnen bij goede verzorging in gevangenschap gemiddeld tien jaar oud worden, maar in sommige gevallen halen ze leeftijden van tegen de twintig jaar. Verschillende varianten: Er zijn verschillende kleurslagen gekweekt van de tamme chinchilla, zoals zwart, bruin, beige, blauw of wit, met verschillende tekeningen zoals bont, velvet of mozaïek. In de natuur komt naast de Chinchilla lanigera, die ook wel Chinchilla velligera wordt genoemd, ook nog een chinchilla-soort met korte staart voor, Chinchilla brevicaudata. Van nature: Doordat er jarenlang miljoenen chinchilla’s zijn gevangen voor hun bont, zijn er in het wild bijna geen chinchilla’s meer over. De wilde chinchilla is nu een beschermde diersoort. Ze leven in rotsspleten of zoeken beschutting in de bromelia-planten op de berghellingen. Wilde chinchilla’s zijn actief in schemer en nacht, overdag slapen ze. In de natuur eten chinchilla’s plantaardig voedsel met heel veel vezels, zoals droge grassen, struiken en cactussen. Ze leven in groepsverband en communiceren onderling door middel van piep- en knorgeluiden. Bij gevaar waarschuwen ze door een fluitend geluid te maken. Vrouwtjeschinchilla’s zijn dominant over de mannetjes. Huisvesting: Chinchilla’s zijn echte groepsdieren die wegkwijnen als ze alleen zitten. Neem dus altijd minimaal twee chinchilla’s. Heeft u een mannetje (een bokje) en een vrouwtje, dan kunt u het mannetje laten castreren om te voorkomen dat ze zich voortplanten. U kunt ook kiezen voor een groep van alleen mannetjes of alleen vrouwtjes of een man met meerdere vrouwtjes. Het beste is om dieren te nemen die samen zijn opgegroeid. Wilt u twee volwassen chinchilla’s bij elkaar zetten, dan zult u hen voorzichtig aan elkaar moeten laten wennen om te voorkomen dat er gevochten wordt. Vooral met twee vrouwtjes kan dit lastig zijn. Gebruik bijvoorbeeld twee kooien naast elkaar zodat ze aan elkaars geur kunnen wennen of zet een kleine kooi met de nieuwe chinchilla in de grote kooi. Blijf er altijd bij als u twee nog niet aan elkaar gewende chinchilla’s bij elkaar zet. Voor twee chinchilla’s heeft u een ruime kooi nodig van minimaal 80 x 50 x 100 centimeter. Groter is beter want chinchilla's hebben beweging nodig en ruimte om te rennen en springen. Chinchilla’s houden van klauteren maar maak de kooi niet te hoog en breng verdiepingen aan zodat ze niet ver kunnen vallen. Chinchilla’s hebben geen nagels waarmee ze zich vast kunnen houden. Zorg daarom altijd voor een stabiele ondergrond. Kies een kooi waarbij u gemakkelijk in alle hoeken kunt komen om schoon te maken. Chinchilla’s zijn echte knaagdieren, een kooi van metaal is daarom het handigst. Tenminste één dichte kant zorgt ervoor dat de dieren zich beschut voelen. De kooi moet tochtvrij zijn en op een rustige plek staan, zodat ze overdag kunnen slapen. Chinchilla’s hebben liefst temperaturen tussen 17 en 25 graden Celsius en kunnen erg slecht tegen hitte. Zet de kooi dus niet op een warme plek of in de volle zon. Zorg voor zitplanken en een goed schoon te maken slaaphuisje. Een zandbak met een paar centimeter chinchillazand is ook nodig. Dit is een zeer fijn zand dat lijkt op vulkanische as. De dieren gebruiken het om hun vacht schoon te houden. De bak moet zwaar zijn, bijvoorbeeld van steen, en groot genoeg om in te rollen. Takken kunnen dienen als klimmateriaal maar ook om op te knagen, kies bijvoorbeeld wilgen-, beuken- of fruitboomtakken. Op de bodem van de kooi kunt u bijvoorbeeld bodemmateriaal uit maïs of beukensnippers gebruiken. Kies in elk geval materiaal dat biologisch afbreekbaar is, niet stoffig is en geen klompjes vormt als het nat wordt. Dat laatste geeft gevaar voor verstopping als de dieren het inslikken. Natuurlijk moeten er een voerbakje en een drinkfles aanwezig zijn. Hang de drinkfles buiten de kooi zodat de dieren er niet aan kunnen knagen of gebruik een fles van glas. Chinchilla’s knagen overal aan, zorg er dus voor dat er geen plastic of andere niet verteerbare materialen in de kooi aanwezig zijn. Verzorgen en hanteren: Een chinchilla die er aan gewend is om opgepakt te worden is vrij gemakkelijk te hanteren. U kunt hem rond de schouders pakken en ondersteunen met de andere hand of hem op uw hand scheppen terwijl u met de andere hand de staartwortel zo dicht mogelijk bij de rug vastpakt. Pak de chinchilla nooit bij de punt van de staart! Beweeg rustig en benader de chinchilla van opzij of van voren. In het wild worden ze bejaagd door roofvogels, als u een chinchilla ineens van bovenaf pakt kunnen zijn haren loslaten als afweermechanisme. Als u een grote pluk haren beetpakt, zal een kale plek ontstaan. Chinchilla’s zullen niet snel bijten, maar als zij zich bedreigd voelen doen ze dit wel. Ze kunnen ook urine sproeien als ze zich bedreigd voelen, waarbij ze op hun achterpoten gaan staan. Observeer de chinchilla's dagelijks en kijk of de uitwerpselen mooi stevig (maar niet hard), langwerpig en droog zijn. Te zachte, natte of afwijkende keutels wijzen op problemen. Zorg ervoor dat het chinchillazand netjes schoon blijft, bijvoorbeeld door het dagelijks te zeven. U kunt het zand ook op geregelde tijden (’s avonds) aanbieden en weer weghalen nadat de chinchilla zich gebaad heeft. Vervang het zand en de bodembedekking van de kooi tenminste eens per week. Geef elke dag vers drinkwater, reinig ook regelmatig het flesje en de voerbak. Maak elke maand de hele kooi goed schoon met een schoonmaakmiddel voor dierenhokken, te krijgen in de dierenspeciaalzaak. Voeding: De spijsvertering van de chinchilla is erg gevoelig. Het is belangrijk dat ze het juiste voer krijgen met veel vezels en weinig vocht. Speciale chinchilla-pellets hebben de voorkeur, omdat hier alle voedingsstoffen inzitten en de dieren niet de lekkerste dingen uit het voer kunnen halen, zoals bij gemengde voeders. Geef niet teveel, 20 tot 30 gram per dag is genoeg voor een chinchilla. Naast pellets is het erg belangrijk om dagelijks veel vers hooi en eventueel stro te geven. Het hooi mag niet teveel klaver bevatten of te jong zijn, hier zit teveel eiwit in. Zorg ervoor dat het voer voor uw chinchilla vers is en bewaar het op een droge plek. Voer of snoepjes met suiker, vet of teveel eiwit kunnen de dieren erg ziek maken. Geef ze liever geen pinda's, noten of zonnebloempitten. Geef ook geen voer dat voor andere knaagdiersoorten bestemd is. De chinchilla's mogen als snoepje een enkel klein stukje gedroogd fruit krijgen zoals gedroogde appel of een rozijntje. Een paardenbloemblaadje of rozenbottel mag ook. Geef nooit vochtig fruit of groente. Verandert u van voer, doe dit dan heel geleidelijk. De chinchilla eet een deel van zijn eigen keutels op, deze bevatten vitamine B12. Een knaagsteen mag u niet geven, dit veroorzaakt blaasstenen, omdat de chinchilla gewend is aan kalkarme voeding. Takken van fruitbomen of wilgen zijn wel erg goed voor de tanden. Natuurlijk moet altijd vers drinkwater aanwezig zijn. Voortplanting: Het verschil tussen een mannetje en een vrouwtje is te zien aan de afstand tussen de geslachtsopening en de anus. Bij vrouwtjes liggen deze vlak tegen elkaar aan, bij mannetjes zit er een afstand tussen. Daarnaast heeft de mannelijke chinchilla een penisbotje. U kunt dit zien en voelen als u de chinchilla aan de staartbasis een stukje optilt, waarbij de voorpoten op de grond blijven steunen. Als het vrouwtje een half jaar oud is, is ze al vruchtbaar, maar het is niet verstandig om haar dan al een nestje te laten krijgen. Mannetjes kunnen al geslachtsrijp zijn vanaf drie maanden. De vrouwtjes hebben een cyclus van ongeveer 30 dagen. Ze zijn dan steeds een paar dagen bereid om te paren. De draagtijd van de chinchilla is ongeveer 111 dagen. Gemiddeld krijgen ze een tot drie jongen per worp. Nadat de jongen geboren zijn, is de moeder direct weer vruchtbaar. Haal dus de vader minstens een week weg of laat hem tijdens de zwangerschap castreren. Dit laatste is aan te bevelen omdat de vader helpt bij de opvoeding. De jongen zijn nestvlieders, ze hebben beharing, kunnen al lopen en hun ogen zijn open. Ze worden ongeveer acht weken door de moeder gezoogd. Al vanaf een week beginnen ze ook wat hooi en pellets te eten. Haal de mannelijke jongen weg bij de moeder voor ze geslachtsrijp zijn of laat hen castreren zodat het gezin compleet kan blijven. Als u wilt fokken met chinchilla's, houd er dan rekening mee dat u geen witte dieren en ook geen velvet dieren met elkaar mag kruisen, dit kan gevaarlijk zijn voor het vrouwtje en dode of misvormde jongen voortbrengen. Ziekten en aandoeningen: Een gezonde chinchilla is in de avonduren actief, heeft een schone vacht, heldere ogen, een droge neus en produceert stevige, niet vochtige keutels. Chinchilla’s zijn niet vaak ziek, maar als ze wel ziek worden moet u er snel bij zijn. Als prooidier zal een chinchilla niet snel laten merken dat hij ziek is. Neem contact op met de dierenarts zodra u het idee heeft dat er iets mis is. Chinchilla’s die zich ziek voelen zijn sloom, gaan apart zitten of tandenknarsen. Veel aandoeningen worden veroorzaakt door verkeerde voeding. Bij chinchilla’s komen regelmatig gebitsproblemen voor waarbij de tanden en kiezen te lang doorgroeien en niet goed op elkaar aansluiten. Er kunnen haken op de kiezen ontstaan die in wangen en tong snijden. U merkt dit aan slecht eten, kwijlen en een natte vacht rond de mond, een natte neus en vermagering. Voor een goede diagnose is het nodig om het gebit onder verdoving te inspecteren. Om problemen zoveel mogelijk te voorkomen is het belangrijk dat de chinchilla’s goede voeding met veel vezels krijgen die zoveel mogelijk overeenkomt met hun natuurlijke voeding. Een opgezwollen maag kan worden veroorzaakt door gasvorming als gevolg van teveel snoep, te eiwitrijk eten, plotselinge veranderingen in voer of door een infectie. De dieren eten niet meer, liggen op hun zij en ademen moeilijk. Ga hiermee snel naar een dierenarts. Diarree kan veroorzaakt worden door verkeerde voeding, een infectie of stress. Neem contact op met uw dierenarts om advies. Hij kan u speciaal voer geven met veel vezels. Hooi mag de chinchilla altijd blijven eten. Geef hem daarbij voldoende vers water, eventueel met elektrolyten-oplossing om uitdroging te voorkomen. Is de diarree ernstig, gedraagt het dier zich ziek of wordt het niet binnen een dag beter, ga dan naar een dierenarts. Te weinig eten, met eventueel het stilliggen van het maag-darmkanaal tot gevolg, kunt u zien doordat de keutels klein en hard worden. Het helpt dan om veel hooi te geven om de spijsvertering goed op gang te brengen, maar ga bijtijds naar een dierenarts, soms is een uitgebreidere behandeling nodig. Chinchilla’s knagen soms aan elkaars vacht, dit kan haarballen veroorzaken die problemen geven met verstopping of gasvorming. Bij diarree of verstopping kan de anus naar buiten uitstulpen, dit moet door een dierenarts worden behandeld. Chinchilla’s zijn gevoelig voor stress zoals lawaai of veranderingen in hun omgeving. Dit kan allerlei klachten veroorzaken zoals spijsverteringsproblemen of haarverlies. Overigens verhaart een chinchilla elke drie maanden. Soms komen bij de chinchilla aanvallen voor waarbij het dier valt, krampen en stuipen krijgt en even buiten bewustzijn is. Dit kan o.a. komen door een tekort aan calcium, schommeling in de suikerspiegel of door een epileptische aanval. Hitte kan een "zonnesteek" veroorzaken met snel ademen, fel rode slijmvliezen, dik speeksel en soms diarree. Het dier moet dan worden afgekoeld door hem in koel (niet ijskoud!) water te zetten. Het is wel belangrijk om eerst de lichaamstemperatuur van de chinchilla op te nemen om zeker te zijn dat hij/zij een verhoogde temperatuur heeft. De normale temperatuur ligt ongeveer tussen 37 tot 38 graden maar kan soms ook tot zo’n 39 graden oplopen, hierboven moet men gaan koelen en contact opnemen met de dierenarts. Chinchilla’s kunnen last hebben van schimmels die kale plekken in de vacht veroorzaken. Bij de dierenarts kunt u hiertegen medicijnen krijgen. Pas op met schimmels, want deze kunnen worden overgedragen op mensen! De chinchilla kan het menselijk herpesvirus type 1 bij zich dragen (bij de mens verantwoordelijk voor onder andere de koortslip) en er ook zelf ziek van worden, wat zich in eerste instantie vaak laat zien als oogontsteking. Oogontsteking kan ook ontstaan door verkeerde bodembedekkers of zand. Als een van uw chinchilla’s ziek is en naar de dierenarts moet of enige tijd apart moet zitten, heeft u kans dat zijn partner of groep hem niet zomaar weer accepteert, omdat hij anders ruikt. Het kan verstandig zijn om daarom bij dierenartsbezoek alle chinchilla’s mee te nemen of de dieren weer voorzichtig aan elkaar te laten wennen. Niet alle dierenartsen hebben evenveel verstand van chinchilla’s. Het is daarom verstandig om al een dierenarts te zoeken voordat uw chinchilla ziek wordt. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is enige ervaring nodig, de chinchilla is geen dier voor de beginnende huisdiereigenaar. Zorg er voor dat u zich van tevoren goed informeert en ga bijvoorbeeld eens kijken bij iemand die chinchilla’s heeft. Aanschaf en kosten: Chinchilla’s kunt u kopen bij fokkers of particulieren en heel soms bij een goede dierenspeciaalzaak, maar ook bij een chinchillaopvang. Let erop dat de dieren er gezond uitzien en een goede ontlasting hebben en dat de verblijven schoon zijn. De gemiddelde aanschafprijs van een chinchilla ligt tussen de 20 en 100 euro. Zeldzame kleuren zijn duurder. De huisvesting voor chinchilla’s is niet goedkoop, omdat u een groot formaat kooi nodig heeft. Daarnaast moet u rekening houden met terugkomende kosten voor speciaal chinchillavoer, hooi en chinchillazand. Houd er rekening mee dat u soms met uw chinchilla naar de dierenarts zult moeten gaan. Aandachtspunten: Chinchilla’s zijn geen geschikte huisdieren voor kinderen, ze slapen overdag en zijn niet zo eenvoudig te verzorgen. (Bron: www.licg.nl)Caviahttp://www.animalqueen.nl/c-1984156/cavia/ Cavia’s zijn gezellige knaagdieren die goed tam kunnen worden en zelden bijten. Hun verzorging is niet moeilijk, wel is het belangrijk om te zorgen voor de juiste voeding en voldoende knaagmateriaal. Cavia’s hebben gezelschap nodig van andere cavia’s, houd ze daarom niet in hun eentje. Geef uw cavia’s de ruimte, beweging is goed voor hun gezondheid. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de cavia het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De cavia is een knaagdier dat veel als huisdier gehouden wordt. Cavia’s hebben een langwerpig, wat plomp lichaam met korte pootjes en kleine oortjes en ze hebben geen staart. Ze planten zich snel voort. Een volwassen cavia kan dertig centimeter lang worden en weegt rond 1 kilo. Een zeugje (vrouwtje) weegt vaak wat minder dan een beertje (mannetje). Cavia’s zijn echte planteneters en hebben een knaagdierengebit met doorgroeiende tanden en kiezen. Er moet extra aandacht besteed worden aan de vitamine C voorziening in het voer. De gemiddelde levensverwachting van een cavia ligt tussen vier en acht jaar. Bij ver doorgefokte rassen ligt dit gemiddelde meestal iets lager. Verschillende varianten: Er zijn verschillende rassen cavia’s, die van elkaar verschillen in vachttype en kleur. Een aantal vachttypen zijn gladharig, teddy (met rechtopstaande, zachte haartjes), rex (met stugge, rechtopstaande en iets gekrulde haartjes), borstelharig(met iets langer haar en overal op het lichaam kruinen of "rozetten"), gekruind (gladharig met een kruin op de kop) en langharig (o.a. "Peruvian", "Sheltie" en "Coronet", met hele lange haren). Er bestaan zelfs cavia’s zonder vacht: de skinny, met alleen wat haar op de kop, en de baldwin, helemaal kaal. Van nature: De wilde cavia komt voor op open vlaktes in Zuid-Amerika. De dieren leven daar in groepen met een strenge rangorde. Cavia’s zijn een groot deel van de dag bezig met het zoeken naar voedsel en zijn daarbij vooral actief in de ochtend- en avondschemering. Ze slapen in holen die ze vinden of zelf graven. Al 9.000 jaar geleden werd de wilde cavia door de Inca’s gehouden voor het vlees. Later is de cavia gedomesticeerd en verder ontwikkeld tot het dier dat we nu als huisdier kennen. Huisvesting: Cavia’s zijn groepsdieren, dus kunnen het beste samen gehuisvest worden. Er zijn verschillende combinaties mogelijk. Een paartje kan, maar dan moet het mannetje uiteraard gecastreerd zijn en daarna moet men nog zes tot acht weken wachten voor men de dieren bij elkaar kan zetten. Twee of meer zeugjes bij elkaar kan ook, liefst vanaf jonge leeftijd bij elkaar. Een combinatie van twee of meer zeugjes en eventueel een gecastreerd beertje werkt over het algemeen goed. Twee beertjes kunnen vaak ook wel samenleven als ze van jongs af aan bij elkaar zitten en er geen vrouwtjesdieren in de buurt zijn. Door de rangorde binnen een groep cavia’s kunnen niet alle cavia’s zonder problemen bij elkaar in een hok leven en twee cavia’s die elkaar niet kennen zullen eerst de rangorde moeten bepalen. Niet alle dieren combineren goed met elkaar, dus laat ze langzaam wennen en let op of het wel goed blijft gaan. Een geschikt hok voor twee cavia’s heeft een oppervlakte van ongeveer 120 bij 50 centimeter. Cavia’s kunnen niet goed klimmen of hoog springen, dus het hok hoeft niet hoger te zijn dan 50 centimeter. Wel moeten de dieren ook kunnen rennen, daarvoor kunt u het beste een ren aan het hok koppelen of de dieren regelmatig elders in een ren laten lopen. Als bodembedekking kunt u bijvoorbeeld hennepvezel gebruiken. Pas wel op dat de cavia hier niet steeds van eet, dat kan verstopping geven. Zaagsel (houtvezel) wordt ook veel gebruikt, maar pas op dat dit niet stoffig is, kies het liefst voor ontstoft zaagsel. Er zijn aanwijzingen dat zaagsel van naaldhout op termijn ongezond zou kunnen zijn. Er bestaat ook ontharst zaagsel. Er moeten een drinkflesje en voerbakje in het hok aanwezig zijn en het liefst een schuilplaats waar uw cavia’s zich kunnen verstoppen. Bij de dierenspeciaalzaak zijn ook speeltjes te koop, zoals een hooibal. De optimale omgevingstemperatuur ligt tussen de 18 en 21 graden Celsius. Zorg ervoor dat de temperatuur niet boven 26 graden komt, cavia’s raken snel oververhit. Sommige mensen kiezen ervoor om hun cavia’s buiten te huisvesten. Wanneer u uw cavia’s buiten wilt houden, is het belangrijk dat ze een wind- en waterdicht hok hebben, met een dikke laag bodembedekking en hooi. Laat de cavia’s in het voorjaar naar buiten gaan, zodat ze langzaam kunnen wennen aan de koudere buitentemperatuur. Cavia’s kunnen zich beter warm houden als er meerdere dieren bij elkaar zitten. Als het een paar dagen vriest, is het verstandig om het hok bijvoorbeeld in de schuur te zetten. Let bij warm zomerweer op dat de cavia’s schaduw hebben en dat het niet te warm wordt in het hok. Verzorgen en hanteren: De bodembedekking moet minstens eens per week verschoond worden. Ververs dagelijks het water en haal oude restjes groenvoer weg. Maak drinkflesjes en voerbakjes minstens eens per week goed schoon. Vergeet daarbij de nippel van de fles niet. Cavia’s kunnen bijten, maar doen dit bijna nooit. Als een cavia bijt, kan dit zijn omdat hij ziek is of ergens pijn heeft, maar ook dan zal hij niet snel bijten. De reactie van een cavia op gevaar is om te "bevriezen" of, als hij de kans krijgt, ineens weg te schieten. Het is wel mogelijk dat uw cavia uw vingers voor iets lekkers aanziet als hij gewend is dat u hem voedsel door de tralies aangeeft. Steekt u vervolgens uw vingers zonder voedsel in het hok, dan kan het dier zich vergissen. Als een cavia valt, kan dit zeer ernstige verwondingen tot gevolg hebben. Wees dus voorzichtig bij het vasthouden van uw cavia. Til een cavia altijd met twee handen op, waarbij u ook het achterlijf ondersteunt. Een cavia kan het als bedreigend ervaren als u hem onverwachts van boven oppakt en zal dan proberen te vluchten. Leer kinderen daarom het dier voorzichtig te benaderen en houd altijd een oogje in het zeil als ze een cavia willen oppakken. De nagels van een cavia moeten regelmatig worden geknipt. U kunt dit bij de dierenarts of eventueel bij de fokker of een kinderboerderij laten doen, maar na uitleg is het ook goed zelf te doen. Als de cavia niet de beschikking heeft over vezelrijk voedsel (bijvoorbeeld hooi), kunnen er problemen met het gebit optreden. Het is alleen mogelijk om zelf de tanden te zien, die dan te lang worden. Controleer dit regelmatig. Langharige cavia’s moeten dagelijks voorzichtig helemaal doorgekamd worden. Dit is flink bewerkelijk. Het is handiger en ook prettiger voor de cavia om de lange haren gedeeltelijk te knippen als u er niet mee wilt showen, maar ook dan moet de cavia regelmatig gekamd worden om klitten en vervilten te voorkomen. Kortharige cavia’s kunt u eens per week even doorborstelen om vuil en losse haren uit de vacht te halen. Voeding: U kunt uw cavia een dieet geven van hooi, droogvoer en groenten en beperkt fruit. Hooi en droogvoer is verkrijgbaar bij de dierenspeciaalzaak. Droogvoer kan bestaan uit korrels (pellets) of gemengd voer. Bij gemengd voer loopt u het risico dat de cavia’s selectief gaan eten en daardoor voedingsstoffen missen. Kies daarom liever voor korrels die alle voedingsstoffen bevatten. Cavia’s kunnen zelf geen vitamine C aanmaken, dus het is erg belangrijk dat ze voldoende binnenkrijgen via de voeding. Droogvoer dat speciaal gemaakt is voor cavia’s bevat genoeg vitamine C, in tegenstelling tot algemeen knaagdierenvoer. Let wel op dat het vitamine C gehalte na de uiterste houdbaarheidsdatum niet meer voldoende is. Voor de zekerheid kunt u uw cavia dagelijks een kwart tabletje vitamine C (van 50 mg) geven. De cavia’s gaan dit na een aanvankelijke aarzeling vaak als een traktatie zien. Twintig gram droogvoer per dag is genoeg. Het is belangrijk dat uw cavia de hele dag toegang heeft tot voedsel, vooral hooi moet altijd beschikbaar zijn! Een wilde cavia is namelijk ook een groot deel van de dag bezig met eten. Tussendoor kunt u bijvoorbeeld wortelloof, andijvie, radijsblad, paprika en witlof bijvoeren en als traktatie kunt u af en toe een klein stukje wortel of fruit zoals aardbei, peer of banaan geven. Verder kunt u de cavia nog wat gras geven. Pas wel op met bermgras, dat kan vervuild zijn door uitlaatgassen. Wees bovendien voorzichtig met het voeren van nieuwe soorten voedsel, de darmen van de cavia moeten hier langzaam aan wennen, dus begin met hele kleine stukjes. Cavia’s ontwikkelen vroeg in hun leven een voorkeur voor bepaalde soorten voedsel en weigeren later soms voedsel dat ze niet kennen. Het is daarom handig hen op jonge leeftijd aan meerdere soorten voer te wennen. Voortplanting: Het onderscheid tussen een beertje en een zeugje is niet altijd even makkelijk om te zien. Wanneer een cavia op zijn rug ligt, is bij de meeste beertjes net boven de anus een penis te zien en zijn de balletjes (en het penisbotje) te voelen. Bij jonge dieren kan het wat lastiger te zien zijn. Een zeugje dat samen met een volwassen beertje gehouden wordt, kan al na vier weken vruchtbaar zijn. De draagtijd van de cavia ligt tussen 65 en 72 dagen. Als de jongen geboren worden, wegen ze ongeveer 60 tot 110 gram en zijn ze volledig ontwikkeld. Een cavia krijgt gemiddeld twee tot vier jongen per worp. Omdat een zeugje direct na het werpen weer vruchtbaar is en gezien het feit dat jonge cavia’s zich al na enkele weken voort kunnen planten, is het verstandig de jongen bij de moeder weg te halen als zij ongeveer 300 gram wegen en ook de jonge zeugjes en beertjes van elkaar te scheiden. Bij kleine nestjes moet u de mannelijke jongen na vier weken bij de moeder weghalen. Een beertje kan, als het de bedoeling is dat hij bij één of meer vrouwtjes komt te zitten, gecastreerd worden vanaf een leeftijd van twee maanden. Als het beertje nog niet bij vrouwtjes zit, kan de castratie worden uitgesteld tot na een leeftijd van drie maanden zodat het dier beter uitgroeit. Beertjes die gecastreerd worden voor ze geslachtsrijp zijn, blijven vaak wat kleiner. Een castratie van een zeug is een zwaardere operatie en wordt door de meeste dierenartsen onder normale omstandigheden niet gedaan. Een dierenarts met ervaring kan de eierstokken wel verwijderen, waarmee de mogelijkheid tot het ontwikkelen van afwijkingen aan de eierstokken voorkomen wordt. Als u een nestje wilt, is het het beste om een zeugje voor het eerst te laten dekken als ze niet ouder is dan zo’n 6 maanden en het eerste nestje op een leeftijd van uiterlijk acht tot negen maanden te laten krijgen. Als u langer wacht groeien de twee bekkenhelften vast en kan het zeugje mogelijk niet meer op een natuurlijke manier jongen krijgen. Al vanaf acht tot tien maanden kunnen de bekkenhelften van het vrouwtje minder makkelijk scheiden om de jongen door te laten en wordt het geboortekanaal bovendien verkleind doordat er meer vet aanwezig is. Vooral als het nest klein is en de jongen daardoor relatief groot zijn kan dit problemen opleveren bij de geboorte. Te vroeg laten dekken is uiteraard ook niet goed, het zeugje moet wel grotendeels uitgegroeid zijn. Een leeftijd van vier en een half tot zes maanden lijkt daarom optimaal te zijn voor een eerste dekking. Fok echter nooit zomaar met uw cavia’s, want lang niet elke combinatie van ouderdieren is geschikt. Begin er zeker niet aan voordat u goede adressen voor de jongen heeft gevonden! Ziekten en aandoeningen: Een gezonde cavia eet goed en is levendig. Lusteloosheid, verminderde eetlust, diarree, verstopping, overmatig krabben en moeilijk bewegen zijn allemaal symptomen die erop kunnen wijzen dat een cavia ziek is. Bekende aandoeningen zijn schimmelinfecties en parasieten die de huid aantasten. Een tekort aan vitamine C kan optreden bij verkeerde voeding of voeding die te lang wordt bewaard. Verschijnselen van vitamine C gebrek zijn een ruwe vacht, slecht of niet eten, diarree, tandenknarsen en andere tekenen van pijn, langzaam herstel van wondjes, kreupelheid en gevoeligheid voor infecties. Een veel voorkomende aandoening is het doorgroeien van de tanden, wat kan komen doordat de tanden niet netjes recht tegenover elkaar staan. Hierdoor kan de cavia niet goed meer eten. Controleer de tanden regelmatig of laat de dierenarts dit doen. Als de tanden te ver doorgroeien, moeten deze worden ingekort. Dit kan het beste gebeuren door ze te slijpen, want door veelvuldig knippen kunnen de tanden splijten en kunnen ontstekingen ontstaan. Ook kiezen kunnen doorgroeien of er kunnen haakjes ontstaan als het gebit niet goed op elkaar afslijt. Dit kunt u zelf niet zien, laat de dierenarts daarom de kiezen van uw cavia controleren als u merkt dat het dier minder goed eet, als hij kwijlt of een natte vacht heeft bij zijn mond. Kiezen kunnen geslepen of gevijld worden. Een verkeerde stand van het gebit is vaak deels erfelijk. De darmen van een cavia zijn gevoelig. Het is belangrijk dat ze altijd goed blijven werken en daarvoor zijn voldoende vezels nodig zoals uit hooi. Als een cavia iets verkeerds gegeten heeft, ergens pijn heeft, gebitsproblemen heeft of last heeft van stress, kan het zijn dat hij minder gaat eten, waardoor zijn darmen minder goed gaan werken en zelfs stil komen te liggen. Dat is gevaarlijk! Als uw cavia minder of helemaal niet wil eten, moet u contact opnemen met uw dierenarts en niet te lang afwachten. Als de cavia niet eet, is dwangvoeren vaak nodig. Voetproblemen kunnen voorkomen bij cavia’s die veel op harde ondergrond lopen of bodembedekking hebben die te hard of scherp voor hen is. Er ontstaan dan bobbels op de voetzolen en ontstekingen. Dit heet pododermatitis. Vooral cavia’s die te dik zijn en cavia’s die te weinig bewegen hebben hier snel last van. De ontstekingen kunnen helemaal doortrekken naar de botten van de cavia. Pododermatitis is pijnlijk voor het dier en moeilijk te behandelen. Voorkom het daarom door de juiste ondergrond en bodembedekking te kiezen, te zorgen dat deze schoon blijft en niet vochtig is, en te voorkomen dat uw cavia te dik wordt. Bij zeugjes komt geregeld beiderzijdse kaalheid voor op oudere leeftijd. Deze kaalheid gaat niet gepaard met jeuk. Dit komt door teveel productie van oestrogenen (vrouwelijke hormonen) door aanwezigheid van cysten (met vocht gevulde holten) op de eierstokken. Verwijderen van de eierstokken is dan de enige zekere oplossing. Het op jonge leeftijd preventief castreren van vrouwelijke cavia’s voorkomt dat de cavia op latere leeftijd cysten op de eierstokken ontwikkelt. De castratie zelf is echter ook niet zonder risico, omdat het een echte operatie is. Kies als u belist voor castratie in elk geval een dierenarts die ervaring heeft met het castreren van vrouwelijke cavia’s. Bij satijncavia’s, die een speciale, glanzende vacht hebben, komt satijnziekte voor. Dit is een stofwisselingsziekte die de botten aantast. Vroeger dacht men dat dit een vorm van osteodystrofie was, maar dat blijkt niet te kloppen. De ziekte kan zich op elke leeftijd openbaren en begint vaak met moeilijk bewegen, doordat de gewrichten door botwoekeringen gehinderd worden. De dieren proberen vaak hun pootjes te ontzien, bijvoorbeeld door te gaan liggen of door ze omhoog te trekken. Ook worden de botten broos, waardoor ze sneller dan normaal kunnen breken. Satijnziekte is waarschijnlijk een erfelijke afwijking en er is geen behandeling tegen. Om de exacte oorzaken van satijnziekte te achterhalen en wellicht de ziekte bij het fokken te kunnen voorkomen is meer onderzoek nodig. Raadpleeg bij twijfel over de gezondheid van uw cavia’s uw dierenarts en wacht daarmee niet te lang. Benodigde ervaring: Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Voor beginnende caviahouders zijn langharige cavia’s minder geschikt, vanwege de intensieve vachtverzorging. Verdiep u vooraf goed in de behoeften van de cavia’s. Aanschaf en kosten: Cavia’s kunt u aanschaffen bij een dierenspeciaalzaak, een fokker of bij een asiel of knaagdierenopvang. Let op of de cavia levendig is, een schone vacht heeft, schone oren, ogen en neus heeft en of de tanden niet doorgegroeid zijn. Een gezonde jonge cavia zal eerder voor u vluchten dan naar u toe komen. Denk hieraan als u een cavia uitzoekt. Zoekt u gezelschap voor uw oudere cavia, dan kan men u bij de knaagdierenopvang vaak helpen om een cavia te vinden die goed met uw eigen cavia combineert. De prijs van een cavia kan variëren, mede afhankelijk van het ras, en loopt uiteen van een tot enkele tientjes. Een caviakooi, compleet ingericht met huisje, drinkflesje en voerbak is te koop vanaf ongeveer 65 euro. Een ren kost enkele tientjes. Houd rekening met bijkomende kosten, zoals eventuele castratiekosten van een beertje. Terugkomende kosten zijn die voor hooi, bodembedekking en droogvoer, dit kost u vanaf honderd euro per jaar. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als uw dier onverhoopt ziek wordt. Aandachtspunten: Hoewel men soms een konijn en een cavia bij elkaar zet, is dat in de meeste gevallen niet aan te raden. Ze begrijpen elkaar niet, het konijn kan de cavia verwonden, ze hebben beide ander voer nodig en soms eet de cavia aan de vacht van het konijn. Konijnen kunnen bovendien een bacterie (Bordetella) bij zich dragen die dodelijk kan zijn voor de cavia. Geef uw cavia daarom liever een soortgenoot als gezelschap! Er is een aantal vachttypen met lange, soms krullende of pluizige haren en er worden nog regelmatig nieuwe vachtvarianten bijgefokt. Overweegt men een cavia te kopen met zo’n speciale vacht, dan zou men moeten bedenken of een dergelijke afwijkende vacht wel in het belang van de cavia is. Een lange of krullende vacht vergt veel vachtverzorging, wordt snel vies en gaat klitten, maakt het voor de cavia moeilijker een juiste lichaamstemperatuur te handhaven en het beperkt de cavia in zijn bewegingsvrijheid en zicht. (Bron: www.licg.nl)Knaagdierenhttp://www.animalqueen.nl/c-1984154/knaagdieren/Hieronder vindt u een aantal pagina's over verschillende soorten knaagdieren. Heeft u een huisdier, dat u niet terugvindt in onze lijst, neem dan gerust contact met ons op en wij zullen onze uiterste best voor u doen om u van alle gewenste informatie te voorzien. Knaagdieren behoren tot de zoogdieren. Zoogdieren vormen een klasse van warmbloedige dieren waarbij de jongen moedermelk krijgen. Sommige soorten zoogdieren, zoals vleermuizen, kunnen vliegen. Andere soorten zoogdieren zwemmen vooral, bijvoorbeeld de zeehond en de walvis. Ook de sociale structuren verschillen van soort tot soort. Sommige soorten, zoals bepaalde hamstersoorten, katachtigen en sommige soorten wallaby’s, leven van nature alleen (solitair). Andere dieren, zoals het paard, het schaap, de rat, de gerbil en het konijn, zijn groepsdieren. Weer andere dieren, zoals bevers, wonen in paarverband. Er zijn ruim 5.500 soorten zoogdieren, die sterk van elkaar verschillen.Thermostatenhttp://www.animalqueen.nl/c-1981013/thermostaten/Thermometers en hygrometers (luchtvochtigheidsmeter) zijn noodzakelijk, om de juiste temperatuur en luchtvochtigheid in het verblijf van uw reptiel en/of amfibie te controleren. Naast de "eenvoudige" meters, zijn er ook complete thermostaten, die (na ingesteld te zijn) zelf de temperatuur en luchtvochtigheid in de gaten houden en regelen.Hermitkreeftenhttp://www.animalqueen.nl/c-1974093/hermitkreeften/Het houden van heremietkreeften is populair aan het worden. Heremietkreeften zijn leuke dieren, die een geheel eigen verzorging en onderhoud nodig hebben. Vandaar deze aparte rubriek.Cactussenhttp://www.animalqueen.nl/c-1973199/cactussen/Zeer geschikt voor woestijn- en steppeterrariums. Echte cactussen zijn niet altijd wenselijk bij sommige reptielen, vooral vanwege de scherpe stekels, en kunstcactussen zijn dan een mooi en decoratief alternatief. De meeste kunstcactussen zijn niet van echt te onderscheiden.Betta Condohttp://www.animalqueen.nl/c-1970832/betta-condo/Een aantal stijlvolle en decoratieve aquaria voor een leuke prijs, geschikt voor vele soorten aquariumdieren. Ideaal voor op kantoor, de kinderkamer, de studentenflat, enz. Kies uw vorm en kleur!Meer over erfelijkheidhttp://www.animalqueen.nl/c-1943665/meer-over-erfelijkheid/Heel wat ziekten en aandoeningen bij dieren zijn (helemaal of gedeeltelijk) erfelijk. Om te begrijpen hoe deze ziekten worden doorgegeven is het belangrijk om iets te weten over erfelijkheid. In dit document wordt uitgelegd hoe eigenschappen zijn vastgelegd in genen, hoe deze van ouders op kinderen worden doorgegeven en hoe er fouten kunnen ontstaan die aandoeningen kunnen veroorzaken. Chromosomen: Het lichaam van elk dier, dus ook dat van ons, bestaat uit cellen. Elke cel heeft een kern. In die kern liggen de chromosomen waarop ons erfelijk materiaal ligt. Ze zien eruit als draadjes of staafjes. Een chromosoom bestaat uit een streng van DNA. Op die streng liggen de genen. Elk gen is een soort mal waarmee eiwitten worden gemaakt. Die eiwitten zorgen ervoor dat er een heel lichaam kan worden opgebouwd. In deze genen ligt bijvoorbeeld vast welke kleur ogen en welke kleur haar je hebt. Mensen hebben 23 verschillende chromosomen. Van elk chromosoom zijn er 2: ze vormen chromosomenparen (zie afb. 1). In totaal hebben mensen dus 46 chromosomen. Elke diersoort heeft een ander aantal chromosomen. Honden hebben 78 chromosomen, dus 39 verschillende chromosomen, van elk twee exemplaren. Konijnen hebben er 44 (22 paar), groene boomkikkers 24 (12 paar). Afb. 1: twee paar gewone chromosomen (autosomen) met daarop de genen. Van alle chromosomenparen in de celkern is er één paar anders dan de rest. Dat zijn de twee geslachtschromosomen. Dit chromosomenpaar bepaalt of een dier een mannetje of een vrouwtje is. Er zijn twee verschillende geslachtschromosomen: een X chromosoom en een Y chromosoom. Op het X-chromosoom liggen veel genen, maar op het Y chromosoom liggen er maar weinig. Het Y chromosoom is dan ook veel kleiner dan het X chromosoom. Een geslachtschromosomenpaar kan bestaan uit twee X-chromosomen, of uit een X en een Y chromosoom. Twee Y-chromosomen bij elkaar komt normaal gesproken niet voor. Bij zoogdieren, zoals de mens, de hond of de kat, is een dier met twee X-chromosomen een vrouwtje en een dier met een X en een Y chromosoom een mannetje (zie afb. 2). Bij vogels is het precies andersom: daarbij hebben de vrouwtjes een X en een Y chromosoom in hun cellen en de mannetjes twee X-chromosomen. Bij alle andere chromosomen bestaat een chromosomenpaar altijd uit dezelfde chromosomen. Deze chromosomen noemen we ook wel "autosomen" (zie afb. 1). De mens heeft dus 44 (22 paar) autosomen en 2 (1 paar) geslachtschromosomen per cel. De hond heeft 76 (38 paar) autosomen en 2 (1 paar) geslachtschromosomen per cel. Afb. 2: links de geslachtschromosomen van een vrouw, rechts die van een man De genen: De genen liggen achter elkaar op de chromosomen. Elk gen kan een eigenschap van het dier bepalen. Er kan bijvoorbeeld een gen zijn voor vachtkleur, voor de stand van het oor of voor de lengte van de haren. Er bestaan ook eigenschappen waarbij meerdere genen met elkaar samenwerken. Een gen bevat als het ware de code waarmee de bouwstoffen worden gemaakt die een eigenschap bepalen. We zeggen dat een gen "codeert" voor een eigenschap. Omdat de genen op de chromosomen liggen en er van elk chromosoom twee zijn, bestaan er ook van elk gen twee kopieën, een op elk chromosoom van het chromosomenpaar. De twee kopieën van het gen werken samen. Ze coderen weliswaar beide voor dezelfde eigenschap, maar ze kunnen elk voor een andere invulling van die eigenschap coderen. Bijvoorbeeld: voor de eigenschap Haarlengte (H) kan een kopie coderen voor lange haren óf voor korte haren. Een dier met twee kopieën die allebei coderen voor lange haren, heeft een langharige vacht. En een dier met twee kopieën die allebei coderen voor korte haren, heeft een kortharige vacht. Maar wat gebeurt er als een dier 1 kopie heeft voor lange haren en 1 kopie voor korte haren? Doorgaans is het zo dat een van de twee codes meer gewicht heeft dan de andere. We noemen die code dan "dominant" (overheersend) over de andere code. In dit voorbeeld kan bijvoorbeeld de code voor korte haren dominant zijn over de code voor lange haren. De code die minder gewicht heeft, noemen we dan "recessief" (ondergeschikt). De code voor lange haren is hier dus recessief ten opzichte van die voor korte haren. We noteren dat door de dominante code met een hoofdletter te schrijven en de recessieve code met een kleine letter. In dit geval gebruiken we de letter H voor haarlengte. De code voor korte haren schrijven we nu als H en die voor lange haren als h. Als er in een cel nu een kopie voor lang haar en een kopie voor kort haar aanwezig zijn en kort haar is dominant over lang haar, dan heeft het dier kort haar. De code die dominant is, "wint". Er zijn nu voor haarlengte de volgende mogelijkheden (zie afb. 3): H + H = HH: kort haar H + h = Hh: kort haar, want kort is hier dominant over lang h + h = hh: lang haar Afb. 3: twee genkopieën H geven HH: kort haar; een genkopie H en een genkopie h geven Hh: kort haar; twee genkopieën h geven hh: lang haar Het is ook mogelijk dat twee verschillende codes voor een eigenschap even sterk zijn en dan winnen ze allebei niet, maar ontstaat er een mengvorm. Dat is bijvoorbeeld zo bij de bloedgroepen van de mens. De code voor bloedgroep A is even sterk als de code voor bloedgroep B en iemand met 1 kopie voor A en 1 kopie voor B heeft dus bloedgroep AB. Als een dier voor een gen twee gelijke kopieën heeft, dan noemen we dat homozygoot. Als er twee verschillende kopieën zijn, dan heet dat heterozygoot. Voortplanting en het doorgeven van genen: Zoogdieren maken voor de voortplanting geslachtscellen aan: de eicel bij de vrouwelijke dieren en de zaadcel bij de mannelijke dieren. Dit zijn speciale cellen die van elk chromosoom maar 1 exemplaar hebben in plaats van 2. Ze ontstaan (kort samengevat) doordat de "gewone" cellen zich delen (zie afb. 4). Afb. 4: Er ontstaan 2 geslachtscellen met van elk chromosoom 1 exemplaar, in plaats van 2. Als tijdens de paring de eicel en de zaadcel samensmelten, vormen ze zo de eerste cel van het nieuwe dier. Die heeft daardoor weer van elk chromosoom twee stuks: een van de vader en een van de moeder. Op die manier worden er dus ook nieuwe combinaties van gen-kopieën gemaakt. Voor elk gen heeft het dier nu een kopie van de vader en een kopie van de moeder. Zo worden erfelijke eigenschappen van vader en moeder doorgegeven aan hun kinderen. Voorbeelden: Aansluitend op het voorbeeld over haarlengte zullen we een paar mogelijkheden gaan bekijken. Onthoud dat H de code voor kort haar is, h de code voor lang haar is, en dat H dominant is over h (dus dat kort haar het wint van lang haar). Stel dat moeder kort haar had en de code HH in haar cellen had. Stel dat vader lang haar had en dus de code hh had. De kinderen krijgen van moeder dus altijd een chromosoom met H en van vader altijd een chromosoom met h. Zij hebben dus allemaal de combinatie H+h = Hh en hebben allemaal kort haar (want H was dominant over h). Maar, stel dat moeder kort haar had doordat ze de code Hh in haar cellen had. Op het ene chromosoom van een paar had ze dus een H maar op het andere chromosoom een h. In elke eicel die moeder maakt komt slechts 1 van beide chromosomen terecht. Soms zal dat een chromosoom zijn met de H kopie van dit gen, maar soms een chromosoom met de h kopie. Stel dat deze moeder een nest met 4 jongen krijgt. Dat betekent dat er 4 eicellen zijn gemaakt, die bevrucht zijn met 4 zaadcellen van de vader. Nu zijn er meer mogelijkheden. Gemiddeld zullen 2 eicellen een H hebben en 2 eicellen een h. Bij vader heeft elke zaadcel een h, want zijn code was hh. Dat betekent dat we de volgende jongen krijgen: Van moeder Van vader Vacht van het jong H h Hh = kort haar H h Hh = kort haar h h hh = lang haar h h hh = lang haar Een ander voorbeeld (zie afb. 5): stel dat vader en moeder allebei korte haren hadden en dat ze allebei de code Hh in hun cellen hadden. Nu kan een eicel een H of een h hebben en een zaadcel heeft ook een H of een h. Nu krijgen we bij vier jongen: Van moeder Van vader Vacht van het jong H H HH = kort haar H h Hh = kort haar h H hH = kort haar h h hh = lang haar Uit twee dieren die beide korte haren hebben, worden nu zowel jongen met lange als met korte haren geboren! Gemiddeld zullen 3 van de vier jongen korte haren hebben en een van de vier jongen lange haren. Afb. 5: De blauwe geslachtscellen (links) komen van vader, de rode (rechts) van moeder. Er zijn 4 verschillende combinaties mogelijk: 1) h + H (kort)   2) H + H (kort)   3) h + h (lang)   4) h + H (kort). Geslachtsgebonden erfelijkheid: Mannelijke zoogdieren hebben, zoals hierboven besproken, in de normale cellen 1 X- en 1 Y-chromosoom als paar. Daarvan zit er dus maar 1 in elke zaadcel: óf een X-chromosoom óf een Y-chromosoom. In alle eicellen zit een X-chromosoom, want de normale cellen van vrouwelijke dieren hebben immers twee X-chromosomen. De nakomelingen die van hun vader een X-chromosoom krijgen (en van moeder een X-chromosoom) worden dus vrouwtjes: XX. De nakomelingen die van hun vader een Y-chromosoom krijgen (en van moeder een X-chromosoom) worden mannetjes: XY. De zaadcel van de vader bepaalt dus bij zoogdieren of het jong een mannetje of een vrouwtje wordt! Op het X-chromosoom liggen allerlei genen. Op het Y-chromosoom ligt bijna niks. Dat betekent dat er van deze genen (die we geslachtsgebonden genen noemen) bij vrouwelijke zoogdieren twee kopieën per cel zijn, maar bij mannelijke zoogdieren maar één kopie per cel. Daardoor kun je eigenschappen krijgen die verschillen bij mannelijke en vrouwelijke jongen (geslachtsgebonden eigenschappen). Een voorbeeld: Stel je voor dat de genen voor haarlengte op het X-chromosoom zouden liggen. We schrijven dan voor de dominante code voor kort haar XH en voor de recessieve code voor lang haar Xh. Als je nu een moeder met lang haar (Xh Xh) kruist met een vader met kort haar (XH Y), krijg je: Van moeder Van vader Vacht van het jong Xh XH Xh XH = dochter met kort haar Xh Y Xh Y = zoon met lang haar Nu krijgen alle dochters kort haar, omdat ze altijd van hun vader een H kopie krijgen op het X-chromosoom en die wint het van de h op het X-chromosoom van hun moeder. Maar bij de zonen is er geen kopie van de vader die het op kan nemen tegen de h op het X-chromosoom van de moeder, want zij krijgen van hun vader een Y-chromosoom. Alle zonen krijgen daarom lang haar. Erfelijke aandoeningen: Soms gaat er iets mis in de genen en ontstaat er een verandering. Deze veranderingen noemen we "mutaties". Mutaties kunnen spontaan ontstaan, bijvoorbeeld door een foutje bij de celdeling, maar ze kunnen ook veroorzaakt worden door invloed van buitenaf, zoals bijvoorbeeld straling. Zo'n mutatie kan er voor zorgen dat er fouten in het bouwplan ontstaan, zoals een niet goed aangesloten bloedvat of een tekort aan bepaalde hormoonklieren. Een mutatie kan ook veroorzaken dat een dier er anders uit gaat zien dan zijn ouders. Zo kan een mutatie in de genen die de vachtkleur bepalen, ervoor zorgen dat twee bruine dieren bijvoorbeeld een wit jong krijgen, of kunnen er door een mutatie ineens jongen worden geboren met kortere poten of langere staarten dan de ouders. Net als de normale, originele genen worden ook de mutaties van ouders op kind en dus van generatie op generatie doorgegeven via het DNA in de chromosomen. Sommige mutaties kunnen helemaal geen kwaad en soms kunnen ze juist gunstig zijn. Door mutaties kunnen er ook nieuwe soorten ontstaan. Maar andere mutaties kunnen vervelende aandoeningen veroorzaken. Het kan zijn dat het effect van de mutatie pas te zien is als een dier volwassen is. Een voorbeeld daarvan zijn sommige oogaandoeningen. Maar er zijn ook mutaties die direct of op jonge leeftijd dodelijk zijn. Die veroorzaken bijvoorbeeld dat een moederdier een miskraam krijgt, dat een jong dood geboren wordt of direct bij de geboorte sterft. Dieren van een bepaald ras hebben soms een verhoogde aanleg voor bepaalde aandoeningen, doordat er in het ras bepaalde mutaties voorkomen. Zo’n mutatie is ergens een keer ontstaan en is daarna doorgegeven aan de nakomelingen. Als een dier met deze mutatie veel voor de fok wordt gebruikt, bijvoorbeeld omdat het een dier is dat goed aan de rasstandaard voldoet, wordt de mutatie ook aan veel jongen doorgegeven. Die jongen geven hem op hun beurt ook weer door aan hun jongen en zo wordt de mutatie binnen het ras verspreid. Doordat er bij het fokken van een ras vaak veel met dezelfde dieren of dezelfde "foklijnen" wordt gefokt, kan die verspreiding snel gaan en bestaat de mutatie al gauw bij een heel groot deel van de dieren van dat ras. Op deze manier worden erfelijke aandoeningen onbedoeld binnen een ras verspreid. Vaak weet men in eerste instantie helemaal niet dat er een mutatie is ontstaan. Dat kan doordat veel mutaties recessief zijn. Ze zijn dus ondergeschikt aan de originele code en zo lang er nog maar een kopie tegenover staat met de dominante, overheersende code, merk je niets van de mutatie. Een paar voorbeelden: Stel, op elk chromosoom zit een gen dat codeert voor bloedstolling: B. Een goede bloedstolling is nodig om snel wondjes te kunnen dichten. Het originele gen is altijd B en dat codeert voor een prima bloedstolling. Normaal gesproken heeft elk dier op elk chromosoom B en natuurlijk weer 2 kopieën per cel, in elke cel dus BB. Maar per ongeluk ontstaat er een mutatie in het gen, waardoor er ook een kopie ontstaat die codeert voor een slechte bloedstolling: b. B is dominant over b. Het eerste dier waarbij de mutatie ontstaat, heeft nu cellen met 1 goede en 1 slechte kopie: Bb. Omdat B (goede stolling) het wint van b (slechte stolling), merk je daar niks van. Maar wat als we met dit dier gaan fokken? Stel dat moeder gezond is en BB heeft, en vader de mutatie draagt en Bb heeft. Nu krijgen we: Van moeder Van vader Jong B B BB = goede stolling B b Bb = goede stolling Tot zover is er niets aan de hand: alle kinderen hebben een goede stolling. Maar als we nu een van de vrouwelijke jongen die Bb heeft, weer laten dekken door haar vader, wat vooral vroeger in de fokkerij veel gedaan werd als deze dieren goede eigenschappen hadden om het ras voort te zetten? Van moeder (een jong met Bb) Van vader (Bb) Jong B B BB = goede stolling B b Bb = goede stolling b B Bb = goede stolling b b bb = slechte stolling! Nu ontstaan er ineens jongen met een slechte bloedstolling, die misschien wel dood bloeden zodra ze een wond oplopen of als de vrouwtjes, bijvoorbeeld bij honden, "loops" worden. (Datzelfde gebeurt overigens als we een broer en zus met elkaar kruisen die beide Bb hebben.) Nu pas zien we dat er een probleem is en kunnen we gaan zoeken of er misschien iets in de genen fout zit. Maar in de tussentijd is er al gefokt en lopen er allemaal dieren rond met Bb, die dus de mutatie bij zich dragen maar er zelf niet ziek van worden. Zonder het te weten hebben we de mutatie door het ras verspreid. Deze dieren met Bb, die de mutatie hebben maar niet ziek worden, noemen we "dragers" van een aandoening. Degenen die ook daadwerkelijk ziek worden, in dit geval alle dieren met bb, noemen we "lijders" aan een aandoening. Mutaties "wegfokken"? Om deze mutatie weer uit het ras te krijgen, zou je alleen nog maar moeten fokken met dieren die BB hebben. Maar dat betekent dat er een test zou moeten zijn waarmee je het DNA, het erfelijk materiaal, kunt onderzoeken, nog voordat je met de dieren fokt. En als de mutatie al flink door het ras verspreid is, dan zijn er bijna geen dieren meer over die BB hebben. Dan zijn er te weinig dieren om mee verder te fokken. Het is daarom dus niet zo eenvoudig om een mutatie, en daarmee een erfelijke ziekte, weer uit een ras te fokken. Door bijtijds ingrijpen, het ontwikkelen van DNA-tests en het laten testen van fokdieren probeert men erfelijke aandoeningen zoveel mogelijk terug te dringen of de verspreiding te voorkomen. Dominante mutaties: Er zijn ook mutaties die niet recessief, maar dominant zijn. Deze mutaties geven vaak geen ernstige ziekten die op jonge leeftijd al optreden. Stel je voor dat de slechte bloedstolling dominant was geweest. Dat zou betekenen dat alle nakomelingen, die Bb hadden, allemaal een slechte bloedstolling gehad zouden hebben. Daar valt niet zo makkelijk mee te fokken, want de dieren bloeden dood zodra ze ergens door gaan bloeden, bijvoorbeeld bij een wond, loopsheid en dergelijke. Juist de ernst van de aandoening zorgt er nu voor dat de mutatie niet snel wordt doorgegeven doordat de dieren sterven voor ze zich kunnen voortplanten. Het is natuurlijk wel mogelijk dat een dominante mutatie ontstaat die pas een ernstige ziekte veroorzaakt op latere leeftijd. Als de dieren zich, voordat ze daadwerkelijk ziek worden, al hebben kunnen voortplanten, hebben ze de mutatie al kunnen doorgeven en zal deze zich dus ook verspreiden. Letale factor: Daarnaast kan het ook nog dat een dominante mutatie alleen gevaarlijk is als beide kopieën de afwijking hebben. Dit heet een "letale" (dodelijke) factor. Dat is bijvoorbeeld zo bij de Peruaanse naakthond. Het naakt zijn is ontstaan door een mutatie. De afwijkende kopie van het gen dat hierbij een rol speelt, heeft code N, voor naaktheid, en is dominant. De originele kopie heet n, voor behaardheid, en is recessief. Naakte honden hebben Nn (N voor naakt wint het van n voor behaard). Behaarde naakthonden ("powderpuffs" genoemd) hebben nn. Honden die NN hebben, worden nooit geboren. Al snel na de bevruchting wordt het embryo weer door de baarmoeder opgenomen omdat deze combinatie niet levensvatbaar is. Geslachtsgebonden aandoeningen: Sommige aandoeningen komen vooral voor bij mannelijke zoogdieren. Dat gebeurt als de mutatie op het X-chromosoom zit. De mutatie is weer vaak recessief, dus zo lang er maar een tweede X-chromosoom is dat de originele genkopie draagt, wordt het dier niet ziek. Dit zijn dus altijd de vrouwtjesdieren (XX). Maar de mannelijke dieren hebben maar 1 X-chromosoom. Als dat er een is met een mutatie-kopie, is het dier ziek. Een voorbeeld van zo’n geslachtsgebonden aandoening bij de mens, die veel meer bij mannen voorkomt dan bij vrouwen, is rood-groen kleurenblindheid. Het gen daarvoor zit op het X-chromosoom. Laten we het R noemen, waarbij de code R staat voor het goed kunnen onderscheiden van rood en groen, en de code van de mutatie r, voor het niet kunnen onderscheiden van rood en groen. R is dominant over r. Een man die niet kleurenblind is, heeft nu XR Y. Een vrouw die niet kleurenblind is, heeft XR XR of XR Xr. Als de moeder XR XR heeft dan komt de mutatie bij deze combinatie niet voor en kunnen alle kinderen de kleuren onderscheiden. Maar als de moeder "drager" is van de mutatie, en dus XR Xr heeft, krijgen we: Van moeder (XR Xr) Van vader (XR Y) Kind XR XR XR XR = gezonde dochter XR Y XR Y = gezonde zoon Xr XR Xr XR = gezonde dochter (drager) Xr Y Xr Y = kleurenblinde zoon Alleen als een kleurenblinde man een kind krijgt met een vrouw die drager is van de rood-groen kleurenblindheid mutatie, kunnen ze een dochter krijgen die ook kleurenblind is: Van moeder (XR Xr) Van vader (Xr Y) Kind XR Xr XR Xr = gezonde dochter (drager) XR Y XR Y = gezonde zoon Xr Xr Xr Xr = kleurenblinde dochter Xr Y Xr Y = kleurenblinde zoon Gemiddeld is de helft van alle zonen en dochters uit deze combinatie kleurenblind. Als zo’n recessieve, geslachtsgebonden ziekte ervoor zorgt dat het dier op jonge leeftijd, dus voor het zich kan voortplanten, dood gaat, dan komt de ziekte alleen bij mannetjes voor. Want mannelijke dieren worden dan alleen volwassen als ze een X met een originele, dus gezonde, kopie hebben. Alle dochters hebben daardoor dus altijd 1 gezonde kopie, namelijk die van hun vader. Ook al krijgen ze van hun moeder een mutatie-kopie, ze zullen niet ziek worden doordat de dominante originele kopie het wint van de mutatie-kopie. Maar ze kunnen de ziekte wel doorgeven aan hun zonen (ze zijn "dragers" van de ziekte)! Aangeboren afwijkingen en erfelijkheid: Het is belangrijk onderscheid te maken tussen aangeboren afwijkingen en erfelijke aandoeningen. Een aangeboren afwijking, of "congenitale afwijking", is het gevolg van een verkeerde ontwikkeling van de foetus en is al aanwezig bij de geboorte. Aangeboren afwijkingen kunnen erfelijk zijn, maar dat hoeft niet. Vele factoren kunnen invloed hebben op het ontstaan van aangeboren afwijkingen bij jonge dieren. Te denken valt aan omgevingsfactoren van het moederdier (bijvoorbeeld slechte voeding, bepaalde medicijnen of veel stress), infectieziekten en zuurstofgebrek tijdens de geboorte. Een erfelijke aandoening komt door afwijkingen die vastliggen in genen in het DNA. De afwijkende genen worden geërfd van één of beide ouders, die het op hun beurt ook weer geërfd hebben. De aanleg voor een erfelijke ziekte hoeft niet direct duidelijk te zijn bij de geboorte van een dier, sommige ziekten leiden pas op latere leeftijd tot problemen. Ook kan een dier, zoals eerder besproken, "drager" zijn van een ziekte en het verantwoordelijke gen doorgeven aan nakomelingen, zonder daar zelf last van te hebben. Erfelijke afwijkingen als rasstandaard: Er zijn mutaties die wij als mensen mooi of aantrekkelijk vinden en waarmee we met opzet verder gaan fokken. Soms zijn dit mutaties die voor het dier zelf eigenlijk niet gezond zijn. Een aantal bekende erfelijke aandoeningen bij honden is bijvoorbeeld ontstaan door dit soort mutaties. Maar ook bij andere diersoorten komen erfelijke aandoeningen voor die de mens er zelf in heeft gefokt. We nemen hier honden als voorbeeld. Vaak begint zo’n erfelijke aandoening met een kleine afwijking van het origineel. Een hond heeft door een mutatie bijvoorbeeld iets kortere poten dan zijn voorouders. Dat hoeft helemaal niet erg te zijn. Maar als mensen die dit leuk vinden daarmee gaan fokken en steeds die dieren kiezen met de kortste poten om als ouderdieren te gebruiken, worden de poten van de nakomelingen steeds korter en korter, net zo lang tot het wel nadelig wordt voor het dier. Dat kan bijvoorbeeld komen doordat de krachten nu verkeerd over zijn skelet verdeeld worden en hij last van zijn rug krijgt. Datzelfde geldt voor honden met een platte neus. Een neus die iets korter is dan de originele hondenneus is niet zo’n probleem. Maar als er bij het fokken steeds wordt gekozen voor de dieren met de kortste neus, en de neus daardoor steeds platter wordt, dan ontstaan ademhalingsproblemen en andere gezondheidsklachten. Hoe een hond van een bepaald ras er uit moet zien, is vastgelegd in de rasstandaard. Daarin worden bijvoorbeeld de bouw, vachtstructuur, vachtkleur en het karakter beschreven. De rasstandaard wordt opgesteld door de rasvereniging van het land van oorsprong van het ras. Bij het kiezen van fokdieren probeert men dieren te fokken die op alle punten voldoen aan de rasstandaard. Doordat men steeds de dieren met de meest extreme vorm van de afwijking heeft gekozen – dus de kortste poten of de kortste neus - om mee verder te fokken, zijn er in veel rassen problemen ontstaan. Er zijn nogal wat mutaties die in de rasstandaard zijn vastgelegd als "gewenste kenmerken", maar die voor de dieren eigenlijk ongezond zijn of vervelende bij-effecten hebben. Voorbeelden daarvan zijn: Chondrodysplasie (het vervormd zijn van de botten. De rasstandaard zegt bijvoorbeeld: "laag, kortbenig, langgestrekt maar compact gebouwd". Dit geeft hernia en gewrichtsproblemen. Brachycefalie (een platte kop met korte neus. De rasstandaard zegt bijvoorbeeld: "de voorsnuit moet kort, breed en opwaarts gericht zijn". De neustop "ligt terug, vrijwel tussen de ogen". Dit geeft o.a. luchtwegproblemen. Huidplooien: dit veroorzaakt schimmelinfecties en huidontstekingen. Zoals gezegd komen dergelijke, met opzet ingefokte erfelijke afwijkingen ook bij andere diersoorten voor, misschien wel meer dan u denkt. Zo zijn er ook katten met platte neuzen en daardoor ademhalingsproblemen, hebben konijnen met een relatief ronde kop regelmatig gebitsproblemen, worden er haarloze varianten gefokt van dieren die op bepaalde punten zwakker zijn dan hun normaal behaarde soortgenoten en bestaan er vogels die door hun afwijkende bouw niet meer goed kunnen vliegen. Omdat eigenschappen soms ergens in de genen een verband met elkaar blijken te hebben, kunnen ook effecten ontstaan die niet voor de hand liggen. Zo kan men bij het fokken op een bepaalde vachtstructuur merken dat de darmwerking van het dier beïnvloed wordt, of kan een bepaalde oog- of vachtkleur een verband houden met erfelijke doofheid. Het voorkomen en terugdringen van erfelijke afwijkingen: Om erfelijke afwijkingen te bestrijden worden DNA-tests ontwikkeld waarmee mutaties kunnen worden opgespoord voordat er met dieren gefokt wordt. Daarnaast is het belangrijk om te zorgen voor zo min mogelijk inteelt, oftewel zo min mogelijk te kruisen met naaste familieleden (bijvoorbeeld broertjes met zusjes, dochters met vaders en zonen met moeders). Bij rassen waarvan maar weinig dieren bestaan, is dat laatste heel lastig. Doordat er bij het fokken geselecteerd wordt op een gewenst uiterlijk en daarbij veel dezelfde fokdieren worden gebruikt, zijn bijna alle dieren van deze rassen vrij sterk aan elkaar verwant. Het beste zou zijn om regelmatig "vers bloed", dus dieren die niet verwant zijn, te gebruiken, ook al betekent dat een wat grotere afwijking van de gewenste rasstandaard. Om erfelijke aandoeningen die te maken hebben met het overdrijven van raskenmerken te bestrijden, moeten ouderdieren worden gebruikt die minder extreme kenmerken bezitten. Bij sommige rassen zijn de problemen met erfelijke afwijkingen zo groot en zijn er zo weinig gezonde dieren over, dat men zich zou kunnen afvragen of men het ras wel in stand zou moeten houden. De wens van mensen om een dier met een bepaald uiterlijk of een specifieke eigenschap te bezitten, gaat dan ten koste van het welzijn van het dier. Bij het aanschaffen van een bepaald dier is het dan ook verstandig om ook stil te staan bij eventuele erfelijke aandoeningen die voor kunnen komen bij de diersoort of het ras. Ga na of de ouderdieren, indien mogelijk, getest zijn, gezond zijn en of zij uit een gezonde foklijn komen. Probeer ook in te schatten wat het risico is van bepaalde raskenmerken voor de gezondheid en het welzijn van uw nieuwe huisdier. Wilt u dat risico nemen? Het kan zijn dat bepaalde kenmerken tot gevolg hebben dat u bepaalde dingen niet met uw dier zult kunnen doen of dat u daar extra zorg aan zult hebben. Maak daarom een bewuste keuze. U heeft als consument immers invloed op de manier waarop dieren gefokt worden. Want zo lang de vraag naar extreme kenmerken blijft bestaan, zullen sommige fokkers deze blijven fokken. (Bron: www.licg.nl)Erfelijke aandoeningen bij reptielen en amfibieĆ«nhttp://www.animalqueen.nl/c-1943647/erfelijke-aandoeningen-bij-reptielen-en-amfibieen/Wat zijn erfelijke afwijkingen en hoe ontstaan ze? Het "bouwplan" van een dier ligt opgeslagen in het DNA. Erfelijke afwijkingen zijn “foutjes” in dat DNA die door de ouders van een dier doorgegeven kunnen worden aan het nageslacht. Door zo'n foutje kan een dier bijvoorbeeld een aandoening hebben, zoals een nier die niet goed werkt of slechte ogen. Ook kan het uiterlijk of karakter van het dier anders zijn. Als één of beide ouders een afwijking hebben en er vervolgens mee gefokt wordt, dan kunnen de jonge dieren deze zelfde afwijking krijgen. Maar ook als beide ouders gezond lijken te zijn, kunnen ze wel “dragers” zijn van zo’n afwijking. Dit betekent dat ze zelf nergens last van hebben, maar dat hun nakomelingen toch alsnog de erfelijke afwijking kunnen krijgen. Voor een aantal van dit soort afwijkingen is het gelukkig mogelijk om hierop te testen met behulp van een DNA-test. Lees voor meer uitleg ook het praktisch document 'Meer over Erfelijkheid'. Ook bij amfibieën en reptielen kunnen erfelijke aandoeningen voorkomen. Bij deze diergroepen is hier echter nog weinig over bekend. Het kweken op speciale kleuren en patronen die afwijken van de natuurlijke vorm, morphs genoemd, lijkt een rol te spelen bij het ontstaan van erfelijke afwijkingen. Lijnen met een bepaalde mutatie ontstaan vaak uit slechts enkele dieren waardoor inteelt ontstaat. Daarnaast kunnen mutaties die een bepaalde kleur of specifiek patroon met zich meebrengen, bij-effecten hebben die ook worden vastgelegd in het erfelijk materiaal. Hier krijgt u een indruk van wat voor erfelijke afwijkingen er bij reptielen en amfibieën kunnen voorkomen. Meer informatie en uitleg over erfelijke aandoeningen en gebruikte termen vindt u in het praktisch document "Meer over erfelijkheid". Wobbler syndroom: Dit komt voor bij de spider morph (kleur- of patroonvariant) van de koningspython en morphs die hiervan afstammen. De dieren wiebelen met kop en nek, lijken geen goede controle te hebben over de positionering van hun kop en houden soms de kop ondersteboven. De "wobble" is vooral te zien als het dier opgewonden is, zoals bij het voeren. De mate waarin dit optreedt verschilt per individu. Soms is in jonge dieren geen "wobble" te zien maar ontwikkelt deze zich later alsnog. Maar het komt ook voor dat de "wobble" afneemt met de leeftijd. Onduidelijkheid door gebrek aan onderzoek: Ook bij andere veel gekweekte reptielen kunnen problemen voorkomen, vaak vooral binnen een bepaalde morph. Er zijn onder andere aanwijzingen voor weerstandsvermindering bij luipaardgekko’s en baardagamen. Er is echter nog geen onderzoek naar dergelijke problemen gedaan bij reptielen en amfibieën, waardoor nog niet duidelijk is in hoeverre dit erfelijk is. Als u overweegt om een reptiel aan te schaffen, is het dan ook raadzaam om u te laten voorlichten bij een reptielenvereniging, mensen die ervaring hebben met de soort die u gaat kiezen of bijvoorbeeld Stichting Herpetofauna. Daar kan men u meer vertellen over problemen die bij een bepaalde soort een rol zouden kunnen spelen, zodat u weet waar u op moet letten. (Bron: www.licg.nl)Het terrariumhttp://www.animalqueen.nl/c-1942130/het-terrarium/Het opzetten en onderhouden van een terrarium is erg leuk, maar soms niet eenvoudig. U moet bijvoorbeeld weten welke spullen u nodig heeft, hoe u het klimaat stabiel houdt en welk terrarium geschikt is voor uw huisdier. In dit document worden de basisprincipes voor terrariumtechniek uitgelegd. Houd daarbij in gedachten dat het onmogelijk is om in een algemeen verhaal voor elke soort het juiste terrarium te beschrijven. Verdiep u dan ook, voordat u een terrarium gaat aanleggen, in het dier dat u daarin wilt huisvesten. Ga na in wat voor omstandigheden het dier leeft in de natuur en wat dus zijn huisvestingswensen zijn en laat u goed voorlichten. Verschillende typen terraria: Er zijn in grote lijnen vier hoofdtypen terraria te onderscheiden, ingedeeld naar het soort klimaat of het type omgeving dat ze nabootsen: gematigd, woestijn, tropisch en moeras (paludaria). Gematigde terraria bootsen een gematigde klimaatzone na, bijvoorbeeld het Zuid-Europese klimaat. Deze terraria zijn meestal erg ruim van opzet en hebben als belangrijkste kenmerk het veelvuldig gebruik van hout, stenen en kleinere planten. Temperaturen liggen in het warme jaargetijde overdag rond de 25 tot 32 graden Celsius en in de nacht rond de 12 tot 20 graden Celsius. De luchtvochtigheid ligt gemiddeld tussen de 50 en 75%. In de winter zijn de temperaturen lager. Een woestijnterrarium kenmerkt zich door een droog klimaat en veel licht. Zoals bij alle terraria moet ook hier afwisseling zijn tussen warme en koelere plekken. De dieren zullen de warme plekken gebruiken om op temperatuur te komen en moeten zich daarna kunnen verplaatsen naar een koele, schaduwrijke plaats. ’s Nachts mag het relatief veel koeler zijn dan overdag. Een steppeterrarium is in wezen een woestijnterrarium. In principe kunnen daarom de aanwijzingen voor een woestijnterrarium worden gevolgd. Let wel dat een steppeterrarium ten opzichte van een woestijnterrarium doorgaans wat meer aangekleed wordt met droge takken, stenen, planten, enzovoorts, maar dit is natuurlijk afhankelijk van de soort die in het terrarium gehouden wordt. Een tropisch terrarium (ook wel regenwoudterrarium genoemd) kenmerkt zich door een weelderige plantengroei, een relatief klein watergedeelte, een min of meer constante temperatuur van circa 25 tot 30 graden Celsius (maar dit kan uiteraard per diersoort verschillen), nauwelijks afkoeling gedurende de nacht en een relatief hoge luchtvochtigheid. Een tropisch paludarium bevat een wat groter (ongeveer een derde van het bodemoppervlak) ondiep watergedeelte, maar de omstandigheden zijn vergelijkbaar met die in een tropisch terrarium. Een oeverterrarium (riparium) heeft een groot en diep (dieper dan vijftien tot twintig centimeter) watergedeelte. Hierin kunnen eventueel terrariumdieren en vissen samen worden gehouden, hoewel dat vanuit het oogpunt van ziekteoverdracht niet altijd aan te raden is. Een riparium is eigenlijk een combinatie van een regenwoudterrarium en aquarium en lijkt wat dat betreft dus op een paludarium: daarom kunnen wat betreft het terrarium(=oever)gedeelte de aanwijzingen voor het paludarium worden gevolgd. Om te bepalen in welk soort terrarium een terrariumdier thuishoort moet er gekeken worden naar de natuurlijke leefomgeving van het dier. De omstandigheden waaraan het dier wordt blootgesteld in zijn natuurlijke leefomgeving (onder andere temperatuur, luchtvochtigheid, lichtintensiteit, daglengte), moeten in het terrarium zo goed mogelijk nagebootst worden. Hieronder volgen de basisprincipes om dat te bereiken. Materiaal: Glas is het beste materiaal voor een terrarium. Terraria worden ook vaak van kunststof of vochtbestendig houten materiaal gemaakt, maar deze zijn meestal net zo duur als glazen terraria. Bovendien hebben kunststof terraria een paar nadelen ten opzichte van een glazen terrarium: kunststof wordt vaak snel ondoorzichtig en is gevoelig voor krassen. Niet-glazen terraria isoleren doorgaans echter beter. Voor zeer grote verblijven en drogere terraria kan bijvoorbeeld betonplex worden gebruikt. Dit is sterker dan hout en is van zichzelf waterdicht. Wel moeten alle naden goed worden gekit. Grootte en vorm: De grootte van het terrarium is afhankelijk van de grootte en activiteit van het dier, het aantal dieren dat erin wordt gehouden en hun onderlinge verdraagzaamheid. Hoe groter en/of actiever het dier, hoe groter het aantal dieren of hoe minder verdraagzaam, hoe groter het terrarium moet zijn. In het algemeen geldt: hoe groter, hoe beter. In een kleine bak is het klimaat aan sterkere schommelingen onderhevig dan in een grote en het klimaat moet daarom voortdurend worden bijgestuurd. In grote bakken vinden veranderingen van de klimaatfactoren aanzienlijk langzamer plaats en is het bovendien mogelijk verschillende zones te creëren met elk een net iets anders (micro)klimaat. Op die manier kan het dier steeds zelf kiezen aan welke omstandigheden hij op dat moment de voorkeur geeft. Grotere terraria vervuilen minder snel. De vorm van het terrarium is afhankelijk van de leefgewoonten van de bewoner ervan. Boombewoners en dieren die graag klimmen stellen prijs op een terrarium met enige hoogte, zodat er ruimte is voor wat hogere planten en klimtakken. Bodembewoners geven juist de voorkeur aan een groot bodemoppervlak. Plaats: Een goede plaats voor een terrarium is een rustige plaats waarbij u een goed zicht op de dieren hebt en waarbij regelmatige onderhouds- en schoonmaakbeurten in een gemakkelijke houding kunnen worden uitgevoerd. Dieren die van nature gevoelig zijn voor stress kunnen het beste in een rustige, aparte ruimte worden geplaatst. Om oververhitting te voorkomen is het verder belangrijk dat het terrarium niet pal in de zon staat (bijvoorbeeld voor een raam) en niet in een ruimte staat waar de temperatuur ’s zomers hoog oploopt en het ’s nachts nauwelijks afkoelt (bijvoorbeeld een slecht geïsoleerde zolderkamer). ’s Winters is een onverwarmde ruimte (kelder, bijkeuken) geen goede plek voor een terrarium, er gaat te veel warmte verloren. Verwarming: Verwarming van het terrarium kan plaatsvinden van opzij met behulp van warmtematjes of verwarmingskabels en van bovenaf met behulp van de verlichting, indien nodig aangevuld met keramische warmtestralers en/of warmtelampen. Verwarming van bovenaf is het meest natuurlijk (vergelijk met natuurlijke verwarming door de zon) en verdient daarom de voorkeur. Als gekozen wordt voor verwarming van opzij moet altijd ook worden gezorgd voor een warmtebron van bovenaf waaronder het dier kan zonnebaden. Verwarming van onderaf moet worden afgeraden omdat deze onnatuurlijk is en tot gezondheidsklachten kan leiden. Bovendien graven dieren die verkoeling zoeken zich vaak in. Warmtematjes: Warmtematjes kunnen tegen de zijkant van een (glazen) terrarium worden geplaatst. Zorg ervoor dat het warmtematje maximaal de helft van de zijkant bedekt, de dieren moeten de kans krijgen naar een plek te gaan waar het koeler is. Het kan raadzaam zijn een thermostaatvoeler te monteren die het matje uitschakelt als het lokaal te warm wordt. Zorg er voor dat er aan de binnenkant geen decoratie op de plek van de warmtemat zit. Neem bij warmtematjes altijd de instructies van de fabrikant in acht, onder andere wat betreft de benodigde luchtcirculatie rond de mat. Zorg ervoor dat het terrarium vrij komt te staan van de muur. Als het zijn warmte namelijk niet goed kwijt kan, loopt u kans dat het glas knapt. Warmtematjes zijn geschikt voor alle typen terraria en kunnen het terrarium dag en nacht verwarmen. Warmtekabels: Als alternatief voor een warmtemat kunnen warmtekabels langs de zijkant van het terrarium worden aangebracht. Deze mogen dan maximaal de helft van het oppervlak beslaan. Kies in verband met de veiligheid nooit voor warmtekabels die werken op 230 Volt (vochtige omgeving!), maar voor kabels die werken op 24 Volt en sluit ze aan op een thermostaat. Warmtekabels kunnen het beste worden aangebracht tussen de zijkant en een glazen plaat, dus binnenin een soort dubbele wand. Nachttemperatuur: In een regenwoud- of moerasterrarium bereikt u de gewenste nachtelijke temperatuurdaling automatisch door het uitschakelen van de verlichting. Ook bij woestijnterraria moet voor het dag-nachtritme van de dieren ’s nachts de verlichting uitgeschakeld worden en dus is naast het warmtematje meestal bijverwarming tijdens de nacht (en vaak ook overdag) noodzakelijk. Bij het houden van dagactieve dieren is aanvullende verlichting altijd noodzakelijk. Bijverwarming: Voor bijverwarming tijdens de nacht en indien nodig overdag zijn keramische warmtestralers en infraroodlampen (warmtelampen) geschikt. ’s Nachts mogen er geen witte of gele lampen branden, omdat het voor terrariumdieren dan voortdurend dag is, wat resulteert in stress. Bij het gebruik van rode of blauwe gloeilampen is het mogelijk nachtactieve dieren te observeren. Keramische warmtestralers produceren geen licht en hebben een hoge warmteopbrengst. Deze warmtestralers zijn 37,5 cm in doorsnede en bij 60W stralen ze 20 cm naar beneden, bij 100W 25 cm, bij 150W 30 cm en bij 250W 35 cm. In een klein terrarium kunnen ze, om oververhitting te voorkomen, het beste worden uitgerust met een thermostaat of dimmer. Voor veilig gebruik van keramische warmtestralers is een porseleinen fitting nodig, gewone fittingen zullen smelten. Om te voorkomen dat de dieren direct contact met een keramische warmtestraler kunnen maken, wat brandwonden kan veroorzaken, moet de straler afgeschermd worden met stevig gaaswerk. Zorg dat de mazen fijn genoeg zijn, zodat het dier er niet doorheen kan kruipen. Voor bijverwarming overdag zijn gloeilampen (gewoon of halogeen) en spots (gloeilampen met een zilverkleurige achtergrond) geschikt. Voor de meeste terrariumdieren moet er tenminste één plek in het terrarium aanwezig zijn met een hogere temperatuur (meestal zo’n 30 tot 40 graden Celsius) waar ze een zonnebad kunnen nemen. Voor dat doel zijn spots zeer geschikt. Plaats de spot niet in het midden maar aan een zijkant van het terrarium, zodat er een temperatuurgradiënt ontstaat (onder de spot het warmst, in de hoek van het terrarium die het verst van de spot afligt duidelijk koeler). Als u ook een warmtematje gebruikt, plaats de spot dan aan de zijde waar de mat is geplaatst. Als u geen warmtematje gebruikt kunt u een platte steen onder de spot leggen. Deze wordt verwarmd door de spot en zal ook nog enige tijd na het uitschakelen van de spot (met de overige verlichting) warm blijven. Gebruik geen "warmtestenen" met een snoer, deze kunnen gemakkelijk verbrandingen bij de dieren veroorzaken. Voorkom altijd dat het dier direct contact met de spot kan maken door die af te schermen met stevig gaas. Zorg ook nu weer dat de mazen zo fijn zijn dat het dier er niet alsnog doorheen kan kruipen. Spots van 40 Watt zijn uitsluitend geschikt voor terraria met een hoogte van tenminste 40 centimeter, spots van 60 Watt uitsluitend voor terraria hoger dan 50 centimeter. Meet altijd of de temperatuur onder de spot niet te hoog oploopt! Eventueel kunt u met een dimmer de warmte die de lamp afgeeft aanpassen. Zorg dat het vermogen van de gekozen verwarmingsmiddelen overeenkomt met de grootte van de bak. In verband met het risico op oververhitting horen apparaten met een hoog vermogen niet thuis in een klein terrarium. Om warmteverliezen te beperken en dus energie te besparen kan het handig zijn de zijwanden van het terrarium aan de buitenkant van isolatiemateriaal te voorzien. Plaats echter nooit isolatiemateriaal over elektrische apparatuur in verband met oververhittings- en brandgevaar! Meten is weten: Om te bepalen of de verwarming van uw terrarium adequaat is, moet er gemeten worden. Meet de temperatuur in ieder geval in de warmste en koudste hoek. Gebruik goede (digitale) thermometers. Erg handig zijn de digitale thermometers met een min/max functie, deze kunnen naast de actuele temperatuur ook de hoogste en laagste temperatuur weergeven die in een bepaalde periode gemeten is. UV-verlichting: Er is veel onderzoek gedaan naar het nut of de noodzaak van UV licht voor terrariumdieren. Er bestaan drie soorten UV straling: UV-A, UV-B en UV-C. UV-C komt niet door de ozonlaag heen en is zeer gevaarlijk voor alle levende wezens. Heel anders is het met UV-B en UV-A. UV-A: UV-A speelt een bijzondere rol bij reptielen; ze kunnen namelijk in tegenstelling tot mensen UV-A zien, waardoor ze kleuren anders waarnemen. Veel reptielen zijn afhankelijk van UV-A om soortgenoten, planten en insecten te herkennen aan hun unieke UV-A weerkaatsingspatroon. Bovendien vertonen reptielen die blootgesteld worden aan UV-A meer sociaal gedrag en activiteit en zijn ze meer geneigd te zonnebaden, te eten en zich voort te planten. UV-B: Veel dieren, waaronder veel reptielensoorten, zijn afhankelijk van UV-B voor de aanmaak van vitamine D in de huid. Vitamine D is onder andere nodig voor de opname van calcium (kalk) uit het voedsel en de verwerking ervan in het lichaam. Calcium op zijn beurt is niet alleen nodig voor gezonde botten, maar ook voor het transport van signalen door zenuwen en voor samentrekkingen van spieren. Een gebrek aan UV-B en daarmee vitamine D kan leiden tot ernstige verzwakking en vervorming van de botten (Metabolic Bone Disease), waardoor het dier zich uiteindelijk nauwelijks meer kan voortbewegen en vaak zelfs dood gaat. Zeer veel verschillende symptomen kunnen samenhangen met een tekort aan vitamine D en vitamine D kan door vele soorten niet via voeding of water worden opgenomen. Blootstelling aan UV-B licht is daardoor essentieel. Hoewel al het onzichtbare licht met een golflengte tussen 290 en 320 nanometer (nm) UV-B wordt genoemd, stimuleert UV-B met een golflengte van maximaal ongeveer 305 nm (UV-B-1) in de hoogste intensiteit de vorming van vitamine D (II, III, 41). Terrariumdieren hebben dus vooral baat bij UV-B-1 straling. De vitamine D3 aanmaak is overigens alleen mogelijk bij de juiste temperaturen: een te lage temperatuur in combinatie met UV geeft nauwelijks aanmaak van vitamine D3. UV lampen kunnen hun UV waarde snel verliezen, daarom moeten deze lampen regelmatig vervangen worden, tot wel eens per drie maanden. Lampen met de langste levensduur zijn in de regel metaalhalide lampen of kwikdamplampen. Voor het nut en/of de noodzaak van een UV-B-lamp moeten we onderscheid maken tussen nacht- en dagactieve dieren. Nut van UV-B bij nachtactieve dieren: Er bestaat een wijdverspreide misvatting dat nachtactieve dieren geen UV-B nodig zouden hebben. Op het moment dat ze volop UV-B straling uit zonlicht zouden kunnen absorberen zitten ze weliswaar van nature verscholen, maar zij zijn ook korte perioden van de dag actief en nemen dan in de natuur wel UV-B op. Een voorbeeld van een soort die regelmatig UV opneemt op deze wijze is de wimpergekko (Rhacodactylus ciliatus). Bij deze dieren is het daarom verstandig om ook UV-B in het terrarium aan te bieden. Bij avond-/nachtdieren die van nature niet of nauwelijks blootgesteld worden aan UV-B, is het belangrijk dat zij met de voeding voldoende vitamine D en calcium op kunnen nemen. Geef dus voeding van een goede kwaliteit. Het is echter niet duidelijk of zij deze vitamine D kunnen opnemen uit de voeding. Als u twijfelt of er voldoende vitamine D in de voeding aanwezig is, kunt u nachtactieve reptielen overdag voorzien van een UV bron met een lage UV opbrengst en een lage lichtopbrengst. Wees erg voorzichtig met het toevoegen van extra vitamine D aan de voeding. Dit leidt namelijk mogelijk tot overdosering, met even ernstige gevolgen als onderdosering: nierschade, verkalking van zachte weefsels waaronder de grote bloedvaten en een vroegtijdige dood. Bij gebruik van een UV-B lamp bestaat nooit risico op een te hoog vitamine D gehalte: zodra er namelijk voldoende vitamine D is, stopt de productie ervan, ook al blijft het dier aan UV-B blootgesteld. Van amfibieën is bekend dat zij erg gevoelig zijn voor de schadelijke effecten van UV licht, vooral in het larvale stadium. Daarom is bij amfibieën gebruik van een vitamine- en mineralenpoeder (in de goede dosering!) in plaats van een continu brandende UV lamp juist wel aan te bevelen, maar ook bij deze diergroep is een kortdurend aanbieden van UV-B zeer verstandig. Nut van UV-B bij dagactieve dieren: Bij de dagactieve dieren dienen we onderscheid te maken tussen dieren die hele, gewervelde (vaak levende, goed gevoede!) prooien eten en dieren die dat niet doen (planten- en insecteneters). Bij dagactieve dieren die hele prooien eten, zoals vele slangensoorten, is niet per se UV-B licht nodig, ze krijgen met de voeding voldoende vitamine D binnen. Om de reptielen in deze categorie van UV-A te voorzien is een UV lamp met een geringe UV opbrengst voldoende. Een UV-B lamp zorgt echter wel voor hogere concentraties vitamine D in het bloed, met positieve effecten van dien, dus het is zeker aan te raden om ook deze dieren van UV-B te voorzien. Bij dagactieve dieren die geen hele prooien, maar juist alleen delen van prooien en/of planten eten, zoals alle soorten hagedissen (bijvoorbeeld leguanen) en alle land- en waterschildpadden, is UV-B licht wel noodzakelijk. De voor hen geschikte voeding bevat van nature te weinig vitamine D en waarschijnlijk is de opname van vitamine D uit de voeding bij deze dieren minder efficiënt tot zelfs afwezig. Vul, vanwege het risico op overdosering, de voeding slechts zeer voorzichtig aan met extra vitamine D. Soorten UV lampen: UV lampen, speciaal voor gebruik in terraria in de vorm van TL-buizen en spaarlampen (de zogenaamde fluorescentielampen), worden al jarenlang gebruikt en hebben inmiddels hun veiligheid en effectiviteit bewezen. Deze lampen geven weinig warmte en weinig zichtbaar licht en mogen net zo lang branden als de (dag)verlichting. Wel dienen deze lampen zeer dicht bij de dieren te hangen omdat de hoeveelheid UV-B straling die de dieren bereikt anders te laag is. Betrekkelijk nieuw zijn de kwikdamp (HQL) lampen. Het voordeel van de UV kwikdamplamp ten opzichte van de fluorescentielampen is, dat de UV kwikdamplamp een warmtebron en UV bron in één is. Ook straalt de kwikdamplamp veel meer zichtbaar licht uit dan de fluorescentielamp. De warmteontwikkeling is echter wel erg groot, zodat de meeste van dit soort lampen onbruikbaar zijn in kleine terraria, ook omdat een kwikdamplamp niet aangesloten kan worden op een dimmer of thermostaat. Meet bij gebruik van een kwikdamplamp hoe dan ook de temperatuur onder de lamp, maak de afstand tot de lamp niet kleiner dan de minimale afstand die de fabrikant aangeeft (bij de meeste merken minimaal 30 tot 45 centimeter) en voorkom direct contact door middel van een rooster of gaas rondom de lamp. UV opbrengst van de lampen: Kwikdamplampen hebben per definitie een zeer hoge totale UV opbrengst, maar niet per definitie een hoge UV-B opbrengst. Lees de gegevens die verstrekt worden door de fabrikant. Bij fluorescentielampen wordt de opbrengst vaak uitgedrukt in een getal, dat aangeeft welk percentage van het uitgezonden (zichtbare en onzichtbare) licht bestaat uit UV-B: 2.0 (2%), 5.0 (5%), 8.0 (8%) en 10.0 (10%) zijn de meest voorkomende aanduidingen. Hoeveel UV-B licht wordt afgegeven is bij deze lampen dus afhankelijk van de totale lichtopbrengst, waardoor een lamp met 10% UV-B opbrengst niet per definitie meer UV-B afgeeft dan een lamp met 2%. Wanneer de UV-B opbrengst van twee lampen gelijk is, wil dat ook nog niet zeggen dat ze even effectief zijn. De effectiviteit is afhankelijk van de verhouding tussen UV-B-1 en UV-B-2. Hoe groter het aandeel UV-B-1 hoe effectiever de lamp, aangezien UV-B-1 leidt tot de vorming van vitamine D en UV-B-2 juist tot afbraak leidt. Kies altijd voor een lamp met een UV-B opbrengst die past bij de behoefte van het dier. Dat betekent voor zonaanbidders uit woestijngebieden een hoge UV-B opbrengst en voor dieren uit regenwouden, die grotendeels verscholen zitten tussen de bladeren en slechts af en toe een zonnebad nemen, een lagere UV-B opbrengst. Om een zo groot mogelijk deel van de uitgezonden UV straling te benutten kunnen UV fluorescentielampen worden uitgerust met een reflector. Bij UV buizen zorgt een reflector ervoor dat bijna 2 keer zoveel UV-B de dieren kan bereiken, doordat er minder in andere richtingen verloren gaat. Wees erg voorzichtig met het gebruik van reflectoren bij UV compactlampen: ze kunnen de UV-B intensiteit op het oppervlak recht onder de lamp tot wel verzesvoudigen. Gebruik geen reflectoren bij kwikdamplampen, tenzij u het effect ervan met behulp van een UV-B meetapparaat kunt bepalen en zo bij te hoge waarden maatregelen kunt nemen (lamp hoger hangen of voorzien van fijnmazig gaas). De hoeveelheid UV licht die UV lampen uitstralen neemt met het ouder worden van de lamp sterk af. Daarom moeten ze één keer per jaar, maar bij voorkeur iedere drie tot zes maanden worden vervangen. Omdat veel lampen ook nog bij een gebruiksduur tussen een half jaar en een jaar voldoende UV-B uitstralen, kan (om de kosten te beperken) in een terrarium waar twee UV lampen worden gebruikt het ene halfjaar de ene en na nog eens een half jaar de andere worden vervangen (noteer welke vervangen is of merk de voet van de lamp!). Op die manier is in het terrarium altijd één lamp met een leeftijd van maximaal een half jaar (optimale UV opbrengst) en één met een leeftijd tussen een half jaar en een jaar (matige UV opbrengst) aanwezig. U kunt uw lampen natuurlijk ook laten meten. Installatie van UV lampen: Een UV spaarlamp moet zo dicht mogelijk opgehangen worden bij de warmtebron waaronder de dieren een zonnebad nemen, omdat de dieren anders te weinig UV zullen opvangen en de vorming van vitamine D sneller verloopt in een warme huid. Hetzelfde geldt voor UV buizen die korter zijn dan de lengte van het terrarium. Hang ze dus niet in het midden van het terrarium maar aan de kant van de warmtebron. Kies overigens altijd voor de langst mogelijke buis, zodat een zo groot mogelijk oppervlak beschenen wordt met UV-B. Zorg ook dat de lichtintensiteit in het terrarium onder de warmte- en UV bron het hoogst is. Terrariumdieren selecteren namelijk een plek om te zonnebaden in eerste instantie op basis van de lichtintensiteit, niet op basis van de warmte. Bij een grotere afstand tot de UV lamp neemt de hoeveelheid UV straling sterk af: bij verdubbeling van de afstand wordt de hoeveelheid ongeveer gehalveerd. Daarom moet bij de meeste UV fluorescentielampen op een afstand van maximaal 25 tot 30 centimeter tot de lamp de zonnebadplaats zijn gesitueerd. Maak voor de veiligheid van het dier de afstand echter nooit kleiner dan de minimum afstand die de fabrikant aangeeft. Bij terraria die hoger zijn dan 30 centimeter en waar de UV lamp in de kap is bevestigd kan een zonnebadplek op (de juiste) hoogte worden gemaakt, bijvoorbeeld een plateau in de achterwand, een schuin oplopende tak, een flinke steen enzovoorts. Een andere mogelijkheid is de lamp op de juiste hoogte binnenin het terrarium te hangen. De lamp moet dan worden voorzien van een kap en het geheel moet absoluut waterdicht zijn. Als de stekkerdoos lager is geplaatst dan de lamp, zorg dan voor een lus in het snoer. Water dat langs het snoer loopt zal van de onderzijde van de lus afdruppelen en nooit de stekkerdoos bereiken. De kap rond de lamp kan aan de onderzijde gesloten worden met gaaswerk om te voorkomen dat de dieren direct contact met de lamp kunnen maken en daarbij brandwonden oplopen. Zorg dat de mazen zo fijn zijn dat de dieren er net niet doorheen kunnen. Gaaswerk houdt namelijk een deel van de UV straling tegen en hoe fijner de mazen hoe groter dat deel is. Zo houdt horrengaas tot wel 50% van de UV-B straling tegen en kippengaas minder dan 10%. UV bronnen die geïnstalleerd zijn in de kap van het terrarium mogen niet afgeschermd worden door een glazen of plastic plaat. UV licht dringt namelijk niet door glas en de meeste plasticsoorten heen. Scherm de lamp (en de rest van de apparatuur in de kap) daarom indien nodig af met (zo grofmazig als veilig) gaaswerk of liever speciaal UV doorlatend en hittebestendig plexiglas/acrylaat (onder andere gemaakt voor kassen). Scherm UV fluorescentielampen indien mogelijk helemaal niet af. Als een dier nooit zo dichtbij de lamp kan komen dat het brandwonden op zou kunnen lopen (bijvoorbeeld schildpadden) is afscherming uiteraard niet nodig. Bescherming tegen schadelijke effecten: UV licht kan niet door glas dringen. Normaal gesproken lopen mensen dus geen risico’s als zij een terrarium met UV licht in hun omgeving hebben. Bescherm uzelf en uw gezinsleden tegen de schadelijke effecten van UV straling door ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk licht van de lamp ongefilterd buiten het terrarium, in uw woonruimte, terecht komt. Schakel de UV lamp indien mogelijk tijdens onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden in het terrarium uit of draag een goede zonnebril en een T-shirt of trui met lange mouwen. Tijdens dergelijke werkzaamheden komt u namelijk gedurende langere tijd zo dichtbij de UV bron, dat u de internationaal vastgestelde veilige limiet (voor blootstelling van ogen en huid aan UV straling gedurende één dag) kunt overschrijden. Er is geen reden om aan te nemen dat de schadelijke effecten van UV straling voor terrariumdieren anders zijn dan die voor mensen. Terrariumdieren moeten zich dus ook kunnen onttrekken aan UV licht met een hoge intensiteit. Zorg daarom dat de intensiteit in het terrarium niet overal gelijk is, maar dat er sprake is van een gradiënt, net zoals voor de temperatuur in het terrarium geldt. Onder de lamp de hoogste intensiteit en het verst van de lamp een lage. Zo kan het dier zelf naar behoefte de ontvangst van UV straling reguleren. Natuurlijk UV-B: Sommige terrariumdieren zoals leguanen, kameleons en schildpadden kunt u ’s zomers blootstellen aan de meest natuurlijke en beste UV bron, de zon, door ze mee naar buiten te nemen. Houd toezicht en zorg ervoor dat het dier zich altijd in de schaduw terug kan trekken. Zet de dieren nooit buiten in een glazen terrarium, want achter het glas kan de temperatuur snel en heel hoog oplopen. Bovendien dringt UV-B niet door het glas heen. Leguanen en kameleons kunnen prima in bijvoorbeeld een papegaaienkooi, voorzien van enkele klimtakken, enkele uren buiten verblijven. Let echter wel op tocht, want hier zijn de meeste reptielen gevoelig voor. Voor schildpadden is een (eventueel omheind) gazon zeer geschikt. Waterschildpadden doet u daarnaast een groot plezier met een (schone) vijver, mits deze is voorzien van geleidelijk aflopende kanten. Een vijver met vissen is geen goed idee, aangezien er een grote kans bestaat dat de schildpadden zich aan de vis tegoed zullen doen. Ook zijn er visziekten die op schildpadden overgedragen kunnen worden. Zichtbaar licht: UV lampen geven altijd weinig zichtbaar licht en bovendien alleen in het blauwe gebied. Daarom moeten terraria altijd op een andere manier (bij)verlicht worden. Lampen die gebruikt kunnen worden voor verlichting van het terrarium zijn fluorescentielampen (TL-buizen, PL-lampen en spaarlampen), metaalhalide lampen en gloeilampen (normaal of halogeen). Fluorescentielampen: Fluorescentielampen worden het meest gebruikt. Deze zijn verkrijgbaar in de vorm van TL-buizen en de veel compactere spaar- en PL-lampen. Fluorescentielampen hebben een redelijke tot goede lichtopbrengst en een lage warmteafgifte. Hierdoor hebben deze lampen dus nauwelijks invloed op de temperatuur in het terrarium. Twee eigenschappen waarop bij de keuze van fluorescentielampen gelet moet worden zijn de CRI- en de CTT-waarde. De CRI (Color Rendering Index) of kleurweergaveindex geeft aan in hoeverre de kleuren van een voorwerp, dat beschenen wordt door de betreffende lamp, overeenkomen met de kleuren van dat voorwerp in natuurlijk daglicht. De CRI wordt uitgedrukt in een percentage: hoe hoger het percentage, hoe natuurgetrouwer de kleurenweergave van de lamp. De CTT-waarde of kleurtemperatuur van een lamp wordt uitgedrukt in Kelvin (K) en geeft aan hoe de omgeving aanvoelt bij verlichting met die lamp, bijvoorbeeld warm en geborgen of formeel. Voor terraria zijn lampen met een kleurtemperatuur tussen 5500 en 6500 K het meest geschikt, want de gemiddelde kleurtemperatuur van daglicht is 6000 K. Voor een zo natuurlijk mogelijke verlichting in het terrarium kunt u dus het beste kiezen voor een fluorescentielamp met een zo hoog mogelijke CRI (in ieder geval hoger dan 80%) en een CTT tussen 5500 en 6500 K. Bij TL-buizen kunt u de CRI en CTT aflezen aan de internationale driecijferige kleurcode op de verpakking en/of de lamp zelf. Het eerste cijfer geeft de CRI aan, de tweede en derde (vermenigvuldigd met 100) de CTT. Zo staat kleurcode 960 voor een CRI tussen 90 en 100% en een kleurtemperatuur van 6000 K en de kleurcode 860 voor dezelfde kleurtemperatuur maar een CRI tussen 80 en 89%. Een andere code, T5 of T8, staat voor de diameter van de TL-buis. T5-buizen hebben een kleinere diameter dan T8-buizen, waardoor ze zuiniger zijn en 3 maal langer meegaan. Bij TL-buizen is het Wattage onlosmakelijk verbonden met de lengte van de lamp: hoe hoger het wattage, hoe langer de lamp. De TL-lampen zijn daardoor regelmatig te lang voor het terrarium. Spaarlampen en/of PL-lampen zijn dan een alternatief, dit zijn in feite opgevouwen TL-buizen met daardoor veel compactere afmetingen. Fluorescentielampen met een CRI van tenminste 90% worden daglichtlampen genoemd. Een speciaal type daglichtlampen zijn de volspectrum daglichtlampen, deze bevatten alle voor de mens zichtbare lichtkleuren en hebben een CRI van tenminste 95% en een kleurtemperatuur van tenminste 5500 K (kleurcode 955 of 960). Daglichtlampen en volspectrumlampen geven zichtbaar licht dat natuurlijk daglicht benadert en soms ook UV-A, maar meestal geen (of veel te weinig om een UV lamp te kunnen vervangen) UV-B licht. Voor dieren die UV-B nodig hebben is dus ook bij gebruik van een daglicht- of volspectrumlamp altijd een speciale UV lamp nodig. Fluorescentielampen voor gebruik in terraria moeten voorzien worden van een elektronisch (géén elektromagnetisch!) voorschakelapparaat. In tegenstelling tot een elektromagnetische, zorgt een elektronisch voorschakelapparaat er voor dat de lamp zonder voor mens en dier waarneembaar knipperen aangaat, brandt en uiteindelijk aan het einde van de levensduur in één keer uitgaat (dus zonder eerst te gaan knipperen). Bovendien gaan fluorescentielampen met elektronische voorschakeling 50% langer mee dan die met een elektromagnetische en verbruiken ze 25% minder energie. Bij spaarlampen is een dergelijk elektronisch voorschakelapparaat al ingebouwd in de voet van de lamp. Metaalhalide lampen: Een alternatief voor fluorescentielampen zijn metaalhalide lampen. Deze lampen kunnen alleen worden gebruikt met speciale elektronische voorschakelapparaten voor metaalhalide lampen. Metaalhalide lampen zijn energiezuinig, hebben een goede lichtopbrengst en een lange levensduur. Het zijn op dit moment zelfs de meest efficiënte bronnen van wit licht. Bovendien benadert het spectrum dat van daglicht (CRI 85% of hoger), maar bij de eerste generatie lampen, voorzien van een kwartsbrander, verslechtert het spectrum met het ouder worden van de lamp. Bij de nieuwere types is dit beperkt door het gebruik van een keramische brander. Metaalhalide lampen zijn met name geschikt voor de wat grotere terraria. Een nadeel van metaalhalide lampen is de wat beperkte kleurtemperatuur: 3000 of 4200 K. Gloeilampen: Gloeilampen (normaal of halogeen) geven weinig licht en heel veel warmte: 90 tot 95% van de verbruikte energie wordt omgezet in warmte. Gewone gloeilampen hebben een lage CRI beneden 3300 K, halogeenlampen een iets hogere. Gloeilampen zijn daarom vooral geschikt om een warme plek te creëren waar de dieren kunnen zonnebaden en als verlichting voor overdag in een terrarium met dieren die geen behoefte of vaak zelfs een hekel hebben aan veel licht (dus nachtactieve dieren) zonder levende planten. Daarnaast kunnen ze vooral in woestijnterraria overdag gebruikt worden als bijverwarming en bijverlichting. Fluorescentielampen en/of metaalhalide lampen zijn dan uiteraard alsnog nodig om de hoge lichtintensiteit te benaderen die van nature in woestijnen heerst. Verlichting in terraria met echte planten: Als in het terrarium echte planten worden gebruikt heeft dat consequenties voor de verlichting. Planten hebben namelijk, om op een natuurlijke wijze te kunnen groeien, veel licht uit het rode gebied en een beetje licht uit het blauwe gebied nodig. Gloeilampen geven voornamelijk rood licht, het blauwe zou aangevuld kunnen worden met natuurlijk daglicht dat door het terrariumglas binnenvalt, maar toch groeien planten slecht bij verlichting met een of enkele gloeilampen. Dit komt doordat het fotosynthese rendement (de hoeveelheid licht die per Watt beschikbaar komt voor de plantengroei) van gloeilampen zeer klein is. Een halogeenlamp van hetzelfde Wattage heeft iets meer fotosynthese rendement (1,5 x het rendement van de gloeilamp) en TL-buizen van hetzelfde wattage in de kleuren 830, 865, 930 of 965 hebben een ongeveer 5 keer zo hoog rendement. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat TL-buizen voor terraria hoger dan 40 á 50 centimeter te zwak licht (te weinig lux = aantal lumen lichtopbrengst dat valt op 1 vierkante meter) geven voor groei van de planten en mossen onderin het terrarium. De oplossing daarvoor is de PL-lamp. Deze lamp kunt u zien als een dubbelgevouwen TL-lamp, waardoor de lichtopbrengst gebundeld is op een kleiner oppervlak (hogere lux). Verder zijn de eigenschappen van deze lamp vergelijkbaar met de TL-lamp. De PL-lamp is bruikbaar voor beplante terraria tot een hoogte van ongeveer 200 centimeter. Hoe hoger het terrarium hoe hoger het wattage van de PL-lamp moet zijn: ze zijn verkrijgbaar tot en met 80 Watt. Een rekenregel voor het aantal PL-lampen van 36 Watt, dat nodig is voor een langwerpig terrarium, is: (langste zijde van het bodemoppervlak in centimeters : 50) + (kortste zijde van het bodemoppervlak : 20). Voor een terrarium met een bodemoppervlak van 100x40 centimeter zijn dus (100:50)+(40:20) = 4 lampen van 36 W nodig. Als er erg veel PL-lampen nodig zijn kan worden gekozen voor metaalhalide lampen. Daarvan zijn er voor het bereiken van dezelfde lichtintensiteit namelijk minder nodig. Metaalhalide lampen hebben een spectrum dat neigt naar blauw en groen. Voor goede plantengroei moet daarom gekozen worden voor de kleur WDL, waarbij meer rood licht wordt verkregen. Natrium(NAV)-lampen worden bijvoorbeeld gebruikt voor straatverlichting en zijn zeer energiezuinig. Helaas hebben ze zeer weinig blauw licht in hun spectrum, ze kunnen daarom alleen gebuikt worden in ruimtes met veel daglichtinval (bijvoorbeeld serre) of in combinatie met metaalhalide lampen kleur D (verhouding: 2x zoveel natriumlampen als metaalhalide lampen van hetzelfde vermogen). Kwikdamp(HQL)-lampen hebben een lichtspectrum dat voldoet aan de eisen van de plant, maar ook een zeer laag energetisch rendement van slechts 12 tot 15%. Dit wil zeggen dat slechts 12 tot 15% van de verbruikte energie wordt omgezet in zichtbaar licht en de rest in warmte. Voor plantengroei is dus in ieder geval aanvulling met efficiëntere lichtbronnen noodzakelijk. Bovendien kunnen planten door de hoge warmteontwikkeling verbranden. Voor terraria met levende planten is het gebruik van TL-buizen (terraria tot 40 cm hoog), PL-lampen (terraria tot 200 cm hoog) of metaalhalide lampen dus aan te raden. Met behulp van reflectoren kan de lichtopbrengst van vele lichtbronnen worden verhoogd. Voor TL-buizen zijn ze los verkrijgbaar, voor spaarlampen zijn ze vaak ingebouwd in een fitting, voor metaalhalide lampen is de binnenkant van de straler, waarin de lamp bevestigd moet worden, reflecterend en bij veel andere lampen zijn reflectoren ingebouwd in de lamp zelf. Verlichtingsduur: In een tropisch regenwoudterrarium mag de verlichting het hele jaar door 12 uur per dag branden. De lichtintensiteit mag wel worden verminderd. Vooral in perioden van regentijd is de natuurlijke lichtintensiteit lager en dit kan een zeer belangrijke rol spelen bij de voortplanting. In de meeste andere terraria moeten de seizoenen worden nagebootst, dus bijvoorbeeld 8 uur licht in de winter en 12 tot 14 uur in de zomer. Het is handig de verlichting aan te sluiten op een tijdklok, zodat de verlichting ’s ochtends automatisch aan en ’s avonds weer uit gaat. Op internet zijn daglengtes te vinden in bepaalde maanden op verschillende breedtegraden. Door deze in te stellen kunt u de natuurlijke daglengte in de oorspronkelijke leefomgeving van uw reptiel instellen. Milieu: Fluorescentie-, metaalhalogeen- en kwikdamplampen bevatten kwik, een erg giftige stof. Afgedankte lampen horen dus thuis bij het Klein Chemisch Afval. Gooi deze lampen niet stuk! Water, luchtvochtigheid en ventilatie: Reptielen en amfibieën verliezen via de ademhaling en huid voortdurend vocht. Door de verwarming en verlichting wordt het in een terrarium bovendien snel heel droog, waardoor risico bestaat op uitdroging van de dieren. Dit geldt in het bijzonder voor amfibieën, die voornamelijk via hun zeer dunne huid vocht opnemen en nauwelijks drinken. De meeste amfibieën, met name boomkikkers, hebben een vochtblaas waar vocht in wordt opgeslagen. Deze blaas moeten zij elke dag kunnen legen en vullen. Het reinigen van de waterbak is bij deze dieren erg belangrijk, anders bestaat de kans dat zij verontreinigd water binnenkrijgen. Ook planten zonder wortelstelsel (epifyten) zijn voor hun vochtvoorziening afhankelijk van vocht in de lucht. In ieder terrarium moet, om uitdroging van dieren en planten te voorkomen, tenminste één keer per dag gesproeid worden. Het is het handigst om dit ’s avonds vlak voor het uitschakelen van de verlichting te doen aangezien bij volle verlichting het water snel verdampt. Veel dieren zullen van de druppels water op de planten en andere voorwerpen drinken. In een paludarium moet de vochtigheid overdag ongeveer tussen 70 en 80% liggen, gedurende de avond en nacht oplopend naar 100%. In een regenwoudterrarium moet de luchtvochtigheid altijd tussen 80 en 100% liggen en in een woestijnterrarium moet het juist erg droog zijn. Hang een goede hygrometer in het terrarium, zodat u te allen tijde de luchtvochtigheid kunt aflezen. U kunt het terrarium sproeien met behulp van een plantenspuit of met behulp van een ingebouwde sproei-installatie (op een tijdklok). Sproei altijd met een fijne nevel en gebruik uitsluitend lauw water. Houd bij het sproeien, vooral bij slangen, altijd een deel van de bodembedekking droog. Bij een te natte bodem kunnen namelijk gemakkelijk huidproblemen ontstaan. Zorg in elk terrarium in ieder geval ook voor een drinkbak of bij diersoorten die graag een bad nemen voor een waterbad. De dieren kunnen eruit drinken of erin baden, maar een waterbak helpt ook aanzienlijk bij het in stand houden van de gewenste luchtvochtigheid. Vul een waterbad niet tot de rand, de bak zal overstromen als het dier een bad neemt, waardoor de bodembedekking doorweekt raakt. Kies voor waterbakken die zo stevig of zwaar zijn dat ze niet kunnen omvallen en plaats ze niet in looppaden (anders wordt het water erg snel vuil). In een paludarium bestaat per definitie een groot deel van het bodemoppervlak uit water. Dit watergedeelte kan eventueel worden voorzien van een waterval. Een waterval is overigens ook prima toepasbaar in een regenwoudterrarium. Het maakt het terrarium niet alleen (nog) plezieriger om naar te kijken, het helpt ook zeer goed bij het vochtig houden van de lucht en veel dieren (bijvoorbeeld kameleons) drinken graag van stromend water. Let er bij de keuze en installatie van waterbakken en/of watervallen wel op dat de dieren gemakkelijk in en uit het water kunnen klimmen en dat het water niet te diep is bij niet zulke goede zwemmers. Schildpadden moeten zich gemakkelijk in het water kunnen omdraaien als zij op hun rug terecht komen. Waterbakken moeten dagelijks worden afgewassen en voorzien van vers water: veel terrariumdieren doen namelijk bij voorkeur hun behoefte in het water. Gebruik voor het schoonmaken een afwasmiddel, spoel zeer goed na en droog de bak altijd eerst goed af voordat u deze opnieuw vult. Bij grote waterbakken is het handig de bak van een aquariumfilter te voorzien. Bij bakken met minder dan 50 liter water volstaat soms een binnenfilter, bij grotere bakken of water dat sterk vervuild wordt met uitwerpselen (bijvoorbeeld door waterschildpadden) is een (biologisch) buitenfilter aan te raden. Bij gebruik van een filter moet iedere twee weken ongeveer 30% van het water worden ververst. Als water in waterbakken niet voldoende verwarmd wordt door de verlichting en verwarming, moet het water verwarmd worden met behulp van aquariumverwarming. Staafverwarming met dik glas en voldoende vermogen is zeer geschikt. Onthoud wel dat warmer water een groter risico geeft op de ontwikkeling van ziektekiemen zoals bacteriën, dus zuivering van deze bassins is met een grotere regelmaat noodzakelijk. In kraanwater kunnen stoffen aanwezig zijn die in extreme gevallen schadelijk kunnen zijn voor met name amfibieën: onder andere chloor en zware metalen als ijzer en koper. De concentraties van deze stoffen in Nederlands kraanwater zijn zeer klein, maar oude waterleidingen kunnen het kopergehalte doen toenemen. Daarnaast is het kraanwater in Nederland vaak te hard (te veel kalk), meer dan 7 graden Duitse Hardheid (DH). Hoewel het voor veruit de meeste terrariumdieren niet nodig is, kunt u overwegen de waterkwaliteit te verbeteren met een waterbereidingsmiddel of met een osmoseapparaat. Een waterbereidingsmiddel bindt de schadelijke stoffen en maakt ze daarmee onschadelijk voor de dieren. Een osmoseapparaat haalt 95 tot 99% van de opgeloste stoffen uit het water. Vaak is bij gespecialiseerde winkels ook kant-en-klaar osmosewater per liter te koop. Het meest toegepaste ventilatiesysteem bestaat uit een ventilatierooster aan de onderzijde van het voorpaneel en een aan de achterzijde van de bovenkant. Frisse lucht die via het rooster aan de voorzijde binnenkomt warmt door de verwarming en verlichting op, stijgt daardoor op, neemt vocht op en verlaat uiteindelijk na enige tijd via de bovenzijde het terrarium, om plaats te maken voor nieuwe frisse lucht (deze wordt als het ware aangezogen). Tocht ontstaat eerder als de ventilatieopeningen recht tegenover elkaar liggen, als de temperatuurverschillen tussen buiten en binnen te groot zijn of als de luchtsnelheid te groot is, bijvoorbeeld doordat het terrarium zelf op de tocht staat (op de grond of in de buurt van open deuren en ramen). Aquaria moeten eerst worden omgebouwd om te kunnen functioneren als terrarium. Doordat ze alleen van boven open zijn hebben ze niet zo’n mooie luchtstroming als in een terrarium met twee ventilatieopeningen. Als een aquarium gebruikt wordt als regenwoud- of moerasterrarium zal de lucht snel verzadigd raken met vocht. De ruiten zullen beslaan, planten kunnen gaan rotten en schimmelgroei is bijna niet te vermijden. Door de ventilatieopeningen te vergroten of te verkleinen kan een balans gevonden worden: voldoende ventilatie zodat de lucht niet oververzadigd raakt met vocht in combinatie met een zo klein mogelijk warmteverlies. Als de natuurlijke ventilatie onvoldoende of te langzaam werkt, kunnen (computer)ventilatoren worden gebruikt om de lucht af te zuigen. Bodembedekking: Voor een woestijnterrarium is zand een veel gebruikte bodembedekking. Voor dieren die holen graven is het aan te bevelen een zandsoort te gebruiken die te modelleren is, zodat gemaakte holen niet direct instorten. Speelzand is vaak niet de beste optie, evenals leemzand (geel-oranje van kleur). Deze zandsoorten zijn vaak erg scherp en kunnen beschadigingen geven aan de zachte delen van het lichaam. Ook kunnen alle zandsoorten leiden tot verstoppingen bij inname. Woestijnzand heeft meestal een mineraaloorsprong en is anders van samenstelling. Het is duurder in aanschaf. Vervang een zandbodem tenminste twee keer per jaar. Bied indien mogelijk voedsel aan in een voerbak om de opname van zand te beperken. Zonminnende landschildpadden kunnen gehuisvest worden in een woestijnterrarium, maar dan kan de bodembedekking bestaan uit schorssnippers. Zorg dat het plaatselijk vochtig is, ook in een woestijnterrarium. Een te droog substraat zal bij landschildpadden tot bultvorming van het rugschild leiden. Als bodembedekking voor het regenwoudterrarium en paludarium zijn (kurk)schorssnippers, houtsnippers van de beuk (géén ceder in verband met giftige dampen), kokosspaanders, kokosvezel en turfmolm of turfstrooisel geschikt. Kies, als u houtsnippers gebruikt, voor gebrande snippers omdat deze schoner zijn: eventueel aanwezige ziektekiemen zijn door het branden gedood. Let ook hier weer op het feit, dat grotere bodemdeeltjes makkelijker voor verstopping zorgen. Gezien de zuurgraad is turf minder geschikt voor bodembewonende slangensoorten. Zij kunnen door deze zuurgraad last krijgen van beschadigingen op de buikplaten, hetgeen kan lijden tot schubrot. Aarde is ook bruikbaar, mits die liefst meststofvrij is en zeer regelmatig wordt vervangen. Aarde is namelijk aan rotting onderhevig. Eventueel kunnen aan de aarde regenwormen worden toegevoegd. Deze ruimen afval op en dienen voor sommige dieren bovendien als voedsel. Bovenop de bodembedekking kunt u in regenwoudterraria en paludaria een laagje mos leggen. Mos houdt vocht goed vast en is vooral goed bruikbaar in terraria met amfibieën. Mos vergaat wel en moet dus regelmatig worden vervangen. Om te voorkomen dat de bodembedekking erg nat wordt, is het aan te bevelen eronder een 5 tot 7,5 centimeter diepe drainagelaag aan te brengen bestaande uit zware kiezels of hydrokorrels. Zorg er bij hydrokorrels of steentjes wel voor dat de dieren deze niet kunnen opeten, want de opname van een hydrokorrel kan lijden tot zeer ernstige problemen. Een eenvoudige bodem van kranten- of keukenpapier is, mits vaak genoeg vervangen, hygiënisch en wordt vooral gebruikt voor zieke dieren of dieren in quarantaine. Zaagsel is alleen bruikbaar als de kans dat het dier er (per ongeluk) een hap van neemt klein is. Om deze reden is het bijvoorbeeld minder geschikt voor schildpadden en hagedissen. Planten: Voor woestijnterraria zijn Sansevieria soorten en vetplanten zoals Agave en Aloë soorten zeer geschikt. Cactussoorten zonder al te grote stekels zijn eventueel ook bruikbaar. Voor de beplanting van een regenwoudterrarium of paludarium kunnen vele verschillende soorten (kamer)planten worden gebruikt: klimop, Ficus pumila, orchideeën, Kaaps viooltje (Saintpaulia soorten), Philodendron, Syngonium podophyllum, Tillandsia, Scindapsus (S. aureus en S. pictus), Maranta soorten, Bromelia’s (Guzmania, Neoregilia en Vriesea soorten), Dieffenbachia, Monstera, Java mos en tropische varens (bijvoorbeeld vleugelvaren, vliesvaren) zijn zeer geschikt. Bij dieren met voeten met hechtschijven en/of haakcellen, zoals bijvoorbeeld boomkikkers en gekko’s, kunt u het beste kiezen voor planten met grote, gladde bladeren. Was nieuwe planten grondig met water voordat u ze in het terrarium zet, omdat er vaak bestrijdingsmiddelen, glansmiddelen en meststoffen van de kwekerij op de plant zitten die schadelijk kunnen zijn voor uw terrariumdieren. Niet alle giftige stoffen zijn gemakkelijk met water te verwijderen. Voor alle terraria geldt dat ook gekozen kan worden voor kunstplanten. Dat kan handig zijn als levende planten door de grootte, het eetgedrag of de activiteit van de terrariumbewoner weinig kans op overleven hebben. Bovendien zijn kunstplanten gemakkelijk schoon te maken en zijn ze vaak nauwelijks van echte planten te onderscheiden. Laat planten bij voorkeur in de pot staan. Op die manier zijn ze gemakkelijk te verwijderen voor de schoonmaak. Overige inrichting: Een woestijnterrarium kan verder ingericht worden met rotsen van steen (niet scherp, stevig liggend) of kunststof met of zonder hol en droge stukken hout en takken. Aangezien het in een woestijnterrarium erg droog is en hout dus niet snel gaat rotten kunt u zelf takken verzamelen. Gebruik alleen takken van loofbomen, want hout van naaldbomen bevat hars. Maak het hout wel goed schoon met een borstel en heet water in verband met de aanwezigheid van parasieten en schimmels. Let er op bij het sprokkelen dat niet overal hout mag worden verwijderd, dit kan zelfs beboet worden. Voor een regenwoudterrarium of paludarium zijn stukken kurkschors en vochtbestendige takken geschikt, zoals tropisch wortelhout, kienhout, stobben (eikenstronken), kunststof takken en lianen. In een terrarium kunt u het beste ook de achterwand en eventueel ook de zijpanelen in het landschap betrekken. Er zijn kant-en-klare achterwanden te koop bij terrariumspeciaalzaken, maar u kunt er ook zelf één creëren door een plaat piepschuim naar eigen inzicht te bewerken. U kunt bijvoorbeeld plateaus maken waarop de dieren kunnen liggen. Deze kunt u vervolgens van een laag tegellijm voorzien. Dit is bovendien natuurlijk te kleuren door er zand door te mengen. U kunt ook platte (lei)stenen tegen de wand plakken of (in een regenwoud- of moerasterrarium) de wanden voorzien van begroeiingsmatten, kurkplaten, varenwortel of plantenelementen van kokosvezel. Let er wel op dat het geheel goed schoongehouden moet kunnen worden. Let er ook op dat voederdieren zich achter of in kieren van de achterwand kunnen verschuilen, met name krekels kunnen zich er doorheen vreten. Controleer hier regelmatig op en verwijder de verscholen dieren. Ook is een terrarium met achterwand doorgaans niet te ontsmetten. Mocht er bij uw dieren een parasitaire infectie of een schimmelinfectie worden geconstateerd, dan zult u de hele wand moeten verwijderen. Als u geen achterwand gebruikt, blindeer dan de achterste ruit en eventueel de zijruiten met zwart folie of een poster. In ieder terrarium moeten voldoende schuilplaatsen aanwezig zijn. In regenwoudterraria en paludaria zijn halve kokosnoten zeer goed bruikbaar als schuilplaatsen. Voor slangen zijn omgekeerde bloempotten goed bruikbaar. In terrariumspeciaalzaken zijn ook kant-en-klare schuilplaatsen verkrijgbaar. Reiniging en desinfectie: Uitwerpselen en voedselresten moeten dagelijks uit het terrarium worden verwijderd. Doe dit als u handmatig sproeit vóór het sproeien en ververs na het sproeien het water in de waterbakjes. Op deze manier hoeft het terrarium niet te vaak open, zodat er minder warmte verloren gaat en de dieren zo min mogelijk gestoord worden. Water in waterbakken zonder filter moet iedere dag geheel worden vervangen, water dat continu gefilterd wordt door een aquariumfilter eens per week. Een normale huishoudelijke schoonmaak dient tenminste één keer per maand plaats te vinden. De bodembedekking dient zo vaak als nodig is te worden vervangen. Als het gaat stinken bent u te laat. Desinfecteer wanneer er gezondheidsproblemen spelen en anders in ieder geval twee keer per jaar. Het hele terrarium moet daarvoor leeggehaald worden. Voorafgaand aan desinfectie moet ieder voorwerp eerst huishoudelijk schoongemaakt worden met warm water, een borstel en een gewoon schoonmaak- of afwasmiddel. Gebruik geen middelen die bijtend zijn, een dennengeur hebben of fenolen bevatten. De bedoeling van deze eerste stap is, dat al het zichtbare vuil, zoals aangekoekte voedselresten en ontlasting, wordt verwijderd. Vervolgens moeten het vuil en alle resten van het schoonmaak-/afwasmiddel grondig worden afgespoeld. Restanten van dergelijke middelen of vuil kunnen namelijk de werking van desinfectiemiddelen verminderen. Desinfectiemiddelen moeten vrijwel altijd verdund worden. Volg de aanwijzingen van de fabrikant voor het maken van de goede verdunning. Vervolgens kan het desinfectiemiddel aangebracht worden, grote voorwerpen zoals het terrarium zelf kunt u besproeien met behulp van een plantenspuit. Zorg dat u in alle hoeken en gaten komt. Kleinere voorwerpen kunnen beter in een emmer gevuld met de verdunning worden gelegd. Laat het middel bij voorkeur 15 tot 20 minuten inwerken (dus kleine voorwerpen in de emmer laten liggen en de grote nat laten staan) en spoel alle voorwerpen daarna grondig af. Grondig afspoelen van schoonmaak-, afwas- en desinfectiemiddelen is zeer belangrijk, want achtergebleven resten worden soms opgenomen via de huid van het dier, waardoor het vergiftigd kan raken! Ook kan de huid beschadigd raken en achtergebleven geuren kunnen de luchtwegen van het dier irriteren. Na het afspoelen moet alles goed droog worden gemaakt en kan het terrarium opnieuw ingericht worden. Als desinfectiemiddel voor terraria en de inrichting is chloorhexidine zeer geschikt. Chloorhexidine kan bacteriën en virussen doden en er ontstaan tijdens het gebruik en het achterblijven van resten in het terrarium geen giftige gassen. Quaternaire ammoniumverbindingen zijn ook zeer goed bruikbaar, maar iets minder vriendelijk voor de huid van de gebruiker. Een oplossing van huishoudbleek wordt veel gebruikt, maar de giftige gassen die bij het gebruik ervan ontstaan zijn gevaarlijk, zeker in een kleine afgesloten ruimte als een terrarium. Bij contact met ammoniak (uit niet goed afgespoelde restanten schoonmaak-/afwasmiddel) ontstaat er bovendien nog een zeer giftige stof. Vooral amfibieën zijn zeer gevoelig voor chloor en daarom moet de amfibieënhouder een meer verdunde oplossing gebruiken dan een reptielenhouder. Na gebruik van een oplossing van huishoudbleek kan het beste nagespoeld worden met water waaraan een waterbereidingsmiddel voor aquaria is toegevoegd om het achtergebleven chloor onschadelijk te maken. Werk altijd in een vaste volgorde, van schoon naar (mogelijk) besmet (dus bijvoorbeeld quarantainedieren als laatste) en zorg dat ieder terrarium een eigen set schoonmaakspullen heeft om verspreiding van ziektekiemen te voorkomen. (Bron: www.licg.nl)Terrariumtechniekhttp://www.animalqueen.nl/c-1942129/terrariumtechniek/Ieder terrariumdier heeft zijn eigen behoeften. Dat begint al bij de huisvesting. Bij het goed opzetten en inrichten van een terrarium komt soms heel wat kijken. Daarom vindt u hier uitgebreide informatie over het terrarium. Ook kunt u lezen welke (erfelijke) aandoeningen er bij reptielen en amfibieën kunnen voorkomen.CITEShttp://www.animalqueen.nl/c-1942128/cites/CITES (Convention on the International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora) is een internationale overeenkomst tussen landen, waarin afspraken gemaakt zijn over de internationale handel in bedreigde dier- en plantensoorten. Ongeveer 30.000 soorten zijn bij CITES aangewezen als beschermde dier- of plantensoort. Deze soorten zijn niet allemaal even streng beschermd. Drie bijlagen Internationaal is een onderverdeling gemaakt in het beschermingsniveau met drie appendices (bijlagen): Appendix I, II en III. De bijlage waarin een soort is opgenomen, bepaalt of internationale handel is toegestaan en zo ja, onder welke voorwaarden. Appendix I: In Bijlage I staan soorten die met uitsterven worden bedreigd en die door de internationale handel schade lijden of kunnen lijden. Dit houdt in dat alle commerciële handel in deze soorten in principe verboden is en in sommige gevallen slechts bij hoge uitzondering wordt toegestaan. Ook handel in eerste generatie nakweek (in gevangenschap geboren dieren; de zogenaamde F1 generatie) is niet toegestaan. Appendix II: De meeste soorten staan in Bijlage II. Het gaat hier om soorten die, onder meer door internationale handel, met uitsterven bedreigd zouden kunnen worden zonder de maatregelen voortkomend uit opname in deze Bijlage. Sommige soorten staan in Bijlage II omdat zij lijken op soorten die al eerder zijn opgenomen. Het opnemen van deze zogenaamde “look-alikes” (vergelijkbare soorten) maakt het voor de controleurs eenvoudiger om de internationale handel te controleren. Internationale handel in in Bijlage II opgenomen diersoorten is toegestaan, maar alleen wanneer iedere zending is voorzien van de vereiste export vergunningen. Deze worden slechts onder bepaalde omstandigheden afgegeven. Appendix III: Bijlage III bevat soorten waarbij een land, waar zo’n soort voorkomt, andere landen vraagt bescherming in het betreffende land te ondersteunen door invoercontroles. Internationale handel van soorten die op één van de drie appendices vermeld staan, is pas mogelijk wanneer er toestemming is verleend in de vorm van een CITES invoervergunning, uitvoervergunning of een wederuitvoer certificaat. CITES in Europa De CITES overeenkomst wordt in Europa geregeld met behulp van twee Europese verordeningen: de Basisverordening (EG338/97) en de Uitvoeringsverordening (EG865/2006). CITES regelt alleen de internationale handel, maar de EU-verordeningen regelen zowel de internationale handel als ook de handel binnen en tussen de EU-lidstaten (wat beschouwd wordt als interne handel). Daarnaast geeft de Basisverordening EU-lidstaten het recht om de invoer met betrekking tot bepaalde soorten en landen tijdelijk op te schorten, zelfs als de handel volgens CITES is toegestaan. In Europa zijn de bedreigde dier- en plantensoorten in verschillende bijlagen bij de Basisverordening ingedeeld: Bijlagen A, B, C en D. Bijlagen A, B en C corresponderen grotendeels met Bijlagen I, II en III van CITES, maar bevatten ook enkele soorten die niet door CITES zijn opgenomen, maar door EU-wetgeving worden beschermd. Bijlage D bevat soorten waarvoor een zodanige zorg bestaat, dat de invoer daarvan in de gaten gehouden wordt. Dit wordt vaak de "monitoring list" (controlelijst) genoemd. De status van soorten kan worden terug gevonden op de website van UNEP-WVMC. Bijlagen-tabel Bijlage A Alle CITES-Bijlage I soorten, behalve die waar een EU-lidstaat een voorbehoud tegen heeft aangetekend;Sommige soorten in CITES Bijlagen II en III, waarvoor de EU strengere binnenlandse maatregelen heeft aangenomen;Sommige non-CITES soorten. Bijlage B Alle andere CITES-Bijlage II soorten, behalve die waar een EU-lidstaat een voorbehoud tegen heeft aangetekend;Sommige CITES-Bijlage III soorten;Sommige non-CITES soorten. Bijlage C Alle andere CITES-Bijlage III soorten, behalve die waar een EU-lidstaat een voorbehoud tegen heeft aangetekend. Bijlage D Sommige CITES-Bijlage III soorten;Sommige non-CITES soorten. Zoals u kunt zien, zorgen de verordeningen van de Europese Unie voor de uitvoering van de CITES regelgeving, maar gaan ze in bepaalde opzichten nog verder. De EU-verordeningen zorgen dus voor strengere voorwaarden voor de invoer dan die opgelegd door CITES. In- en (weder)uitvoer Met een in- of (weder)uitvoervergunning kunt u een dier binnen of buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen. Binnen de Europese Gemeenschap heeft u geen in- of (weder)uitvoervergunningen nodig. Maar soms heeft u wél een EG-certificaat nodig. Van invoer is sprake als u dieren van buiten de Europese Gemeenschap op het grondgebied van de Gemeenschap binnenbrengt. Hierbij is het niet relevant of de douaneprocedure al is doorlopen. U heeft een invoervergunning nodig voor een dier van een soort die is opgenomen in Bijlage A of B van de Europese Verordening. Dieren van een soort die zijn opgenomen in Bijlage A mogen alleen voor niet-commerciële doeleinden ingevoerd worden. Uitzondering hierop zijn dieren die aantoonbaar van een tweede of latere generatie nakweek zijn en afkomstig zijn van een door CITES erkende kwekerij. Niet-commerciële doeleinden zijn: wetenschappelijk onderzoek, biomedisch onderzoek, fok in een erkend fokprogramma gericht op het behoud van de soort, educatie. Er zijn uitzonderingen, vraag dit na bij het CITES Bureau. Een aantal dieren mag u helemaal niet invoeren. Deze soorten staan op in zogenaamde Schorsingsverordening. Van uitvoer is sprake als u dieren vanuit de Europese Gemeenschap buiten het grondgebied van de Gemeenschap brengt. U moet vóór de aanvang van de douaneprocedures over een vergunning beschikken. Van wederuitvoer is sprake als u dieren eerst in de Europese Gemeenschap invoert en dan weer uit de Gemeenschap uitvoert. U heeft een (weder)uitvoervergunning nodig voor een dier van een soort die is opgenomen in Bijlage A, B of C. Dieren van een soort die zijn opgenomen in Bijlage A mogen alleen voor niet-commerciële doeleinden (weder)uitgevoerd worden. Uitzondering hierop zijn dieren die aantoonbaar van een tweede of latere generatie nakweek zijn. Er zijn uitzonderingen, vraag dit na bij het CITES Bureau. Certificaat van Persoonlijk Eigendom Voor huisdieren bestaat er een bijzondere vergunning voor invoer en (weder-)uitvoer. Dit is het Certificaat van Persoonlijk Eigendom. Wanneer u regelmatig tussen twee landen heen en weer reist met uw CITES huisdier, dan is het handig als u een Certificaat van Persoonlijk Eigendom heeft van deze twee landen. Zo’n certificaat is geldig voor één huisdier en kan alleen worden afgegeven als het dier in gezelschap van zijn eigenaar reist. Een certificaat kan worden verleend voor in gevangenschap gefokte en geboren huisdieren en voor huisdieren die zijn verkregen vóórdat de CITES regelgeving daarop van toepassing was. De dieren moeten zijn voorzien van een naadloos gesloten pootring (vogels) of een microchiptransponder. Om een certificaat van persoonlijk eigendom aan te vragen, moet u een aanvraagformulier indienen bij het CITES Bureau. In de toelichting bij dat formulier kunt u lezen wat zo’n certificaat kost, welke gegevens u moet invullen en welke bijlagen u bij de aanvraag moet voegen. In het kort gaat het om de volgende gegevens: bewijs van legale herkomst waaruit ook moet blijken dat het dier in gevangenschap is gefokt of geboren of al voor 1984 in uw bezit was; nummer van het merkteken; kopie van uw paspoort. Hoe zit het in Nederland? In Nederland is de Flora- en faunawet van kracht om de CITES overeenkomst en de EU-verordeningen te regelen. Elk land dat de CITES overeenkomst heeft ondertekend kent een CITES beheersinstantie die bevoegd is vergunningen te verlenen. In Nederland is dat het CITES Bureau. Voor de verstrekking van vergunningen en andere documenten door het CITES Bureau worden kosten in rekening gebracht. Artikel 13 van de Flora- en faunawet verbiedt het onder zich hebben (bezitten) van onder andere soorten die volgens de EG Basisverordening worden beschermd. Het bezit van alle beschermde dier- en plantensoorten is in beginsel bij wet verboden. Uitzonderingen zijn mogelijk wanneer er een vrijstelling geldt of een ontheffing is verleend. Oude vergunningen en ontheffingen blijven ook onder de Flora- en faunawet van kracht voor de tijd waarvoor zij zijn verleend. De Flora- en faunawet maakt een onderscheid tussen inheemse en uitheemse diersoorten. Het bezit van inheemse diersoorten, met uitzondering van inheemse vogels, is niet vrijgesteld. Voor het bezit van dergelijke dieren heeft u een ontheffing nodig. De inheemse vogels van soorten zoals bedoeld in de EU Bijlagen A, B, C of D, die per 1 april 2002 in Nederland in gevangenschap zijn geboren en gefokt en daarbij tevens zijn voorzien van een door de Minister van LNV afgegeven naadloos gesloten pootring, zijn vrijgesteld van het bezitsverbod. Naast het voorzien van een naadloos gesloten pootring geldt voorts als voorwaarde voor de hiervoor bedoelde vrijstelling dat voldaan is aan de Administratieregeling (zie verderop). De vrijstelling van het verbod op het bezit van inheemse vogels van soorten zoals bedoeld in de Bijlage A, B, C of D geldt eveneens voor in andere EU-staten in gevangenschap geboren en gefokte vogels. Deze vogels moeten voorzien zijn van een merkteken, dat overeenkomstig de in die andere staat geldende regelgeving is afgegeven en aangebracht. Het bezit van levende dieren van uitheemse soorten, genoemd in Bijlage A, met uitzondering van vogels, is vrijgesteld indien de dieren aantoonbaar in gevangenschap zijn geboren en gefokt. Daarnaast moeten deze dieren, wil men aanmerking komen voor de vrijstelling, zijn voorzien van een microchiptransponder die voldoet aan de ISO-normen 11784 en 11785. Mocht het dier vanwege fysieke beperkingen (nog) niet kunnen worden voorzien van een chip of een ander merkteken, dan dient dit door de houder van het dier te worden aangetoond. Naast de voorwaarde van het merken van de exemplaren van diersoorten die voorkomen op Bijlage A dient er te worden voldaan aan de Administratieregeling (zie verderop). Het bezit van levende vogels van uitheemse soorten, genoemd in Bijlage A, is vrijgesteld indien de vogels aantoonbaar in gevangenschap zijn geboren en gefokt en zijn voorzien van een naadloos gesloten pootring met een uniek nummer. De vogels die per 1 april 2002 in Nederland in gevangenschap zijn geboren en gefokt vallen pas onder deze vrijstelling indien de vogels zijn voorzien van een door de Minister van LNV afgegeven naadloos gesloten pootring. De vrijstelling geldt eveneens voor in andere EU-staten in gevangenschap geboren en gefokte vogels. Deze vogels moeten voorzien zijn van een merkteken, dat aantoonbaar overeenkomstig de in die andere staat geldende regelgeving is afgegeven en aangebracht. Voorts dient te worden voldaan aan de administratieregeling (zie verderop). Uitzonderingen Met betrekking tot inheemse en uitheemse vogelsoorten geldt de vrijstelling niet voor levende haviken, roofvogels of uilen. Voor aantoonbaar in gevangenschap geboren en gefokte vogels van soorten genoemd in Bijlage A die bovendien worden genoemd in de Uitvoeringsverordening bijlage X, geldt niet de aanvullende voorwaarde dat deze vogels moeten zijn voorzien van een naadloos gesloten pootring of geregistreerd zijn overeenkomstig de Administratieregeling. Het bezit van levende dieren (ook vogels) van uitheemse soorten genoemd in Bijlage B, C of D, is vrijgesteld indien de dieren aantoonbaar in gevangenschap zijn geboren en gefokt. Van de exemplaren die hun herkomst buiten Nederland hebben of voor 1 april 2002 zijn verkregen dient daarnaast te worden aangetoond dat ze volgens de regels van de Flora- en faunawet legaal in Nederland zijn gebracht, of in overeenstemming met de Wet Bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten zijn verworven. Bovendien moet voor de soorten van Bijlage B te zijn voldaan aan de Administratieregeling . Voor vogels in Bijlage B, met uitzondering van roofvogels en uilen, die zijn voorzien van een naadloos gesloten pootring hoeft men geen registratie te voeren. Verder hoeft men ook geen registratie te voeren van soorten die voorkomen op Bijlage 1 bij de Administratieregeling. De vrijstelling van het bezitsverbod voor uitheemse diersoorten geldt uitdrukkelijk niet voor levende specimens van onder andere soorten behorende tot de primaten, bepaalde katachtigen, wasberen of de fretkat. Administratieregeling Een voorwaarde voor de vrijstelling van het bezitsverbod op levende, in gevangenschap geboren en gefokte dieren is dat een registratie dient te worden bijgehouden. Voor de volgende diersoorten moet een registratie bijgehouden worden: Voor levende en in gevangenschap geboren en gefokte vogels, behorende tot beschermde inheemse en uitheemse diersoorten, zoals genoemd in bijlage A bij de EU Basisverordening. Uitzondering hierop zijn in gevangenschap geboren en gefokte dieren van de in de Uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de kruisingen daarvan. Voor levende en in gevangenschap geboren en gefokte gewervelde dieren, niet zijnde vogels, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening. Voor levende en in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de Basisverordening, met uitzondering van:1. gefokte vogels, die van een naadloos gesloten pootring zijn voorzien, en2. de soorten als genoemd in bijlage 1 van de regeling administratie; Voor levende en in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de basisverordening; Voor levende en in gevangenschap geboren en gefokte dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, als aangewezen in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet. Een registratie bevat, voor zover van toepassing, de volgende gegevens: wetenschappelijke soortnaam en aantal; datum en plaats van verkrijging; naam, adres en land van de leverancier; land van herkomst van de specimens, indien dit afwijkt van onderdeel c; nummer bijbehorend CITES-document; datum en plaats van vervreemding; naam, adres en land van de afnemer; nummer bijbehorend CITES-document; datum geboorte van en het aantal nakomelingen; gegevens soort en code merktekens; datum aanbrenging merktekens; per specimen datum en plaats van sterfte. Bij de registratie worden, voor zover van toepassing, alle aantekeningen en bescheiden bewaard, die betrekking hebben op het onder zich hebben, het ontvangen, verkopen of afleveren van de dieren. Hierbij moet u denken aan (aankoop)nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen. De registratie bevat zowel per pagina als per regel per pagina een doorlopende nummering. De gegevens worden op papier ingevuld met onuitwisbaar schrift. De registratie wordt volledig en naar waarheid ingevuld. De originele registratie en de aantekeningen worden gedurende ten minste drie jaren na de datum van de laatste in het register aangebrachte wijziging of aanvulling bewaard. De volledige Administratieregeling vindt u hier: regeling administratie. Gesloten pootringen Een in Nederland afgegeven gesloten pootring is tenminste voorzien van de letters NL, de aanduiding van de binnendiameter tot in tienden van een millimeter, de laatste twee cijfers van het jaartal waarin de ring mag worden aangebracht en, per ringmaat, een uniek nummer. Gesloten pootringen kunnen worden aangevraagd bij verschillende erkende organisaties. Informatie over hoe u deze kunt aanvragen is hier verkrijgbaar. Naleving CITES-wetgeving Bij de uitvoering en handhaving van de CITES-wetgeving zijn verschillende diensten betrokken: Algemene Inspectie Dienst De Algemene Inspectiedienst (AID) houdt toezicht op de naleving van de regels die onder de verantwoordelijkheid vallen van de minister van LNV. Ook is de AID belast met de opsporing van overtredingen van deze regelgeving. Daarnaast adviseert de AID regelgevers, beleidsmakers en beleidsuitvoerende instanties over de controleerbaarheid en de handhaving van beleid en regelgeving. CITES Bureau (onderdeel van Dienst Regelingen) Elk land dat zich bij het CITES-verdrag heeft aangesloten, is verplicht om een Management Autoriteit (MA) en een Wetenschappelijke Autoriteit (SA) in te stellen. Deze houden zich bezig met het geven van richting en advies, en uitvoering van het verdrag. Het CITES Bureau is verantwoordelijk voor de afgifte van de verschillende CITES documenten. Daarnaast is het CITES Bureau verantwoordelijk voor de Bestuurlijke handhaving van de CITES wetgeving. Politie De politie houdt zich bezig met de handhaving van de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet. De politie werkt met informatie die ook beschikbaar komt vanuit het bestuurlijk toezicht, de in de milieuwethandhaving werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) en de bijzondere opsporingsdiensten voor milieuwethandhaving. Binnen de politieregio’s zijn de handhavingstaken op het gebied van de milieu- en natuurhandhaving ondergebracht in regionale milieuteams (RMT’s). Daarnaast bestaan er zes interregionale milieuteams (IMT’s). De RMT’s verrichten opsporingsonderzoeken naar middelzware milieucriminaliteit, waar nodig, middels een ketengerichte integrale aanpak. De IMT’s doen dit voor zware milieucriminaliteit. Openbaar Ministerie Het Functioneel Parket is verantwoordelijk voor de vervolging van fraude- en milieucriminaliteit.Belastingdienst/Douane Het is de taak van de Douane om te controleren of beschermde inheemse en uitheemse dier- en plantensoorten (en producten hiervan) die binnen of buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht: zijn voorzien van de voorgeschreven ontheffingen; zijn vrijgesteld van het overleggen van een ontheffing (reizigersvrijstelling). Meer informatie Meer informatie over het reguleren van de handel in wilde dier- en plantensoorten in de EU, inclusief vergunningsvoorwaarden, nationale wetgeving, informatie over het merken, fokken van dieren in gevangenschap, het houden van levende exemplaren en andere gezondheidsaspecten, is te vinden op de website www.eu-wildlifetrade.org. Voor het nakijken van de database voor soorten die vermeld worden in de Bijlagen waarvoor invoerrestricties gelden, bezoek de database voor soorten opgenomen onder EU Wildlife Regulations op: http://www.unep-wcmc.org/eu/taxonomy/search.cfm. De website van de Europese Commissie over CITES en de handel in wilde dier- en plantensoorten in de EU: http://ec.europa.eu/environment/cites/home_en.htm. De officiële website van CITES: http://www.cites.org. De website van “the wildlife trade monitoring network” (Traffic): http://www.traffic.org. IUCN rode lijst van bedreigde diersoorten: http://www.redlist.org.Dienst Regelingen / CITES-bureau:U kunt op werkdagen tussen 08.30 en 16.30 uur bellen met Het DR-Loket: 0800 -22 333 22 (voorkeurtoets 5). Vanuit het buitenland: +31 592 332958. Op www.drloket.nl vindt u nog meer informatie over CITES, u kunt hier ook een contactformulier invullen.Voor aanvraagformulieren voor een vergunning of certificaat: klik hier.Visaashttp://www.animalqueen.nl/c-1939359/visaas/Hengelsporthttp://www.animalqueen.nl/c-1939352/hengelsport/Decoratiehttp://www.animalqueen.nl/c-1939329/decoratie/Kunstplanten om het waterschildpaddenverblijf nog aantrekkelijker en aangenamer te maken. Ook erg praktisch voor jonge waterschildpadden om zich te verschuilen en als rustplaats.Witlipboomkikkerhttp://www.animalqueen.nl/c-1938301/witlipboomkikker/ De witlipboomkikker is een actieve, relatief grote boomkikker. Ze hebben een mooie groene kleur met een typerende, strak afstekende witte streep op hun lip. Witlipboomkikkers zijn geschikt voor de ervaren kikkerhouder en kunnen vrij oud worden. Houd er wel rekening mee dat ze aardig wat geluid kunnen produceren! Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de witlipboomkikker het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De witlipboomkikker (Litoria infrafrenata) behoort tot het geslacht Litoria van de familie van de boomkikkers. Dit is één van de grootste boomkikkersoorten ter wereld: ze worden gemiddeld twaalf tot veertien centimeter lang en wilde exemplaren bereiken soms zelfs lengtes van vijftien centimeter! Ze kunnen bij de juiste verzorging meer dan tien jaar oud worden. De witlipboomkikker heeft, zoals de naam al zegt, een duidelijke witte streep op de onderlip. Deze witte streep loopt naar achteren door tot aan de schouder. Ook op het onderste deel van de achterpoten is een witte streep aanwezig. Deze is bij mannetjes in het paarseizoen zalmroze van kleur. Witlipboomkikkers in goede conditie zijn vrijwel altijd groen van kleur met een witte buik en bruinige tenen. Bij bepaalde temperaturen, gemoedstoestanden en achtergrondkleuren kan de kikker ook bruin kleuren. De onder- en zijkanten van de kikker kunnen erg onregelmatig van oppervlak zijn, maar de rest van het lichaam is helemaal glad. De vingers en tenen zijn voorzien van vrij grote hechtschijven, een soort zuignapjes, en tussen de vingers en tenen zijn zwemvliezen aanwezig. De zwemvliezen tussen de tenen zijn volledig ontwikkeld, die tussen de vingers voor ongeveer de helft. Met behulp van de hechtschijven kan de kikker klimmen en zich vasthechten aan steile oppervlakken. Ze kunnen goed uit de voeten in begroeiing, maar op de grond zijn ze een stuk minder snel. De witlipboomkikker heeft zeer grote ogen met een horizontale pupil. Verschillende varianten: De witlipboomkikker is ook wel bekend onder de namen reuzenboomkikker en Indonesische reuzenboomkikker. De soort lijkt erg op de verwante koraalteenboomkikker (Litoria caerulea), maar de witlipboomkikker wordt groter, is minder plomp en heeft een spitsere kop. Ook mist de koraalteenboomkikker de witte streep op de lip. Van nature: Witlipboomkikkers komen voor in Australië, in het uiterst noordoostelijke deel van de provincie Queensland, zuidelijker is het voor hen te koud om te overleven. Daarnaast leeft de soort op een aantal eilanden in Indonesië, Papoea-Nieuw-Guinea en de Admiraliteitseilanden die deel uitmaken van de Bismarck-archipel. De leefomgeving bestaat uit warme, vochtige, begroeide streken, met name regenwouden. De witlipboomkikker wordt echter ook wel eens aangetroffen in bebouwde omgevingen zoals bebouwing in bossen of plantages. Hij leeft op de takken van struiken en palmen. Witlipboomkikkers worden actief tijdens warme, vochtige avonden en nachten. Overdag zoeken ze een koele, donkere en vochtige plek om te slapen. Meerdere keren per dag wordt er een bad genomen om de huid vochtig te houden. Net als de meeste grote boomkikkers hebben witlipboomkikkers een speciale vochtblaas, waarin ze extra vocht kunnen opslaan. Deze vochtblaas wordt meerdere malen per dag ververst als er water beschikbaar is. Bovendien kunnen de meeste boomkikkers deze vochtblaas legen als ze bedreigd worden, het komt dan als een harde waterstraal naar buiten. Bij aanraking door een vijand produceren mannetjes een geluid dat lijkt op het mauwen van een kat. De witlipboomkikker is actiever en schichtiger dan de verwante koraalteenboomkikker. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken. Witlipboomkikkers zijn geen sociale dieren, maar kunnen in groepen van tot zo’n zes dieren worden gehouden. Vanwege de grootte van de kikkers en hun behoefte om te klimmen is een ruim en hoog terrarium nodig: een terrarium met een minimale grootte van 110 x 50 x 50 centimeter (hoogte x breedte x diepte) voldoet voor vier volwassen exemplaren. Een rooster als dak van het terrarium is nodig voor ventilatie. Zorg ervoor dat dit stevig te sluiten is om te voorkomen dat de kikkers ontsnappen. Bepaal van tevoren waar het terrarium moet komen te staan, een volledig ingericht terrarium is namelijk zwaar en dus moeilijk te verplaatsen. Zorg er in ieder geval voor dat het terrarium stabiel en niet op de tocht staat. Ook moet het terrarium veel natuurlijk daglicht krijgen, maar geen volle zon want achter het glas loopt de temperatuur hoog op! In het terrarium moet zoveel mogelijk, zowel qua inrichting als klimaat, een regenwoud worden nagebootst. De bodembedekking moet goed vocht kunnen vasthouden: stukken schors, turfmolm, kokosvezel, barksoorten en humus zijn zeer geschikt. Een gedeelte moet bekleed zijn met levend mos of spaghnum. Het terrarium kan verder ingericht worden met stobben (stronken van bijvoorbeeld eikenboompjes), platen kurkschors, stenen en stevige grootbladige planten. Dit kunnen levende planten zijn zoals ficus, monstera en philodendron, of kunstplanten. Deze moeten zo geplaatst worden dat ze een aantal klim-, schuil- en zitplaatsen vormen. Planten die afkomstig zijn van een kwekerij moeten eerst schoongemaakt worden. Stammetjes om in te klimmen moeten minimaal zo breed zijn als de doorsnede van het lichaam van de kikker. Een grote schaal met een ondiepe laag water mag niet ontbreken. Zorg er voor dat de kikker gemakkelijk uit de schaal kan klimmen, want boomkikkers zijn niet zulke goede zwemmers. Kies voor een terrarium en inrichting die eenvoudig schoon te maken zijn. Witlipboomkikkers zijn namelijk actieve boomkikkers met een grote eetlust en ze zullen dus een grote hoeveelheid afval produceren. Laat planten bij voorkeur in de pot staan zodat ook zij uit het terrarium kunnen worden gehaald. Zorg er wel voor dat ze stabiel staan. De dagtemperatuur in het terrarium moet 25 tot 28 graden Celsius bedragen. ’s Nachts mag de temperatuur niet verder dalen dan tot 22 graden Celsius. Gebruik een daglichtlamp (bijvoorbeeld TL) voor de verlichting van het terrarium en een thermostaatgestuurde warmtemat voor de verwarming. Daarnaast moet een UVB-lamp aanwezig zijn (zie onder “voeding”). De verlichting mag twaalf uur per dag branden. Zodra de hoofdverlichting aan het einde van de dag wordt uitgeschakeld, kan worden overgegaan op maanverlichting (lampje van 15 Watt met lage lichtopbrengst). De kikkers worden dan actief en zullen op jacht gaan naar voedsel. De maanverlichting stelt u bovendien in staat de jagende dieren te observeren. Zorg ervoor dat alle lampen goed afgeschermd zijn, zodat de kikker zich niet aan de lampen kan branden. De luchtvochtigheid in het terrarium kan op peil worden gehouden door iedere avond voldoende lauw water te sproeien. Na het uitschakelen van de verlichting moet de vochtigheid oplopen richting 100%. Deze moet overdag door ventilatie teruggebracht worden naar 60 tot 80%. Meet de luchtvochtigheid in het terrarium met behulp van een hygrometer. In het terrarium, zowel voor het besproeien als in de waterschaal, mag uitsluitend zacht (= kalkarm, minder dan 7oDH) en pH neutraal (pH=7) water worden gebruikt. Dit water mag geen chloor bevatten. Kraanwater kunt u indien nodig ontchloren door het minimaal 24 uur in een emmer te laten staan. Goede ventilatie is erg belangrijk voor een terrarium. In kleinere terraria volstaat in de meeste gevallen de natuurlijke luchtcirculatie die ontstaat als roosters aan voor-onderzijde en aan de bovenzijde zijn geplaatst. In grotere terraria is vaak mechanische ventilatie noodzakelijk. ’s Ochtends als de hoofdverlichting wordt ingeschakeld mag er sprake zijn van condensvorming op de voorruit van het terrarium en op de planten, maar in de loop van de ochtend moet dit opdrogen. Gebeurt dit niet, dan is er meestal onvoldoende ventilatie en moeten er extra natuurlijke of mechanische ventilatiemogelijkheden worden aangebracht. Verzorgen en hanteren: Witlipboomkikkers moeten zo min mogelijk worden gehanteerd. Ze ademen gedeeltelijk via de huid en de olie van mensenhanden en andere daarop aanwezige stoffen kunnen hun huid beschadigen en via de huid opgenomen worden. Bovendien is de soort vrij schichtig en houdt hij er niet van gehanteerd te worden: hanteren leidt snel tot veel stress en het risico op verwondingen is groot. Ze kunnen wel worden gevangen door ze in een bakje te laten springen of lopen zonder ze daarbij met de handen aan te raken. U kunt de kikkers vervoeren in een plastic transportbox met daarin een vochtig stukje mos. Als het vangen in een bakje niet lukt, kunnen ze worden gevangen met twee behandschoende natte handen: pak ze stevig maar voorzichtig vast rond het middel of laat de kikker voorzichtig op de hand zitten, zonder dat hij weg kan springen. Het water in de waterschaal moet dagelijks ververst worden. Verder moet het terrarium dagelijks geïnspecteerd worden op vervuiling: vervuilde voorwerpen moeten verwijderd, schoongemaakt en weer teruggeplaatst worden. Doe dit bij voorkeur tegelijk met de dagelijkse verversing van het badwater om de kikkers zo min mogelijk te storen. Eens per twee tot drie weken moet het hele terrarium en het gehele interieur schoongemaakt worden. Haal ook de planten in pot uit het terrarium, spoel de bladeren af en verwijder afval van de potgrond. De bovenste vijf centimeter van de aarde in de pot kan maandelijks vervangen worden. Als voor het terrarium schoonmaak- of desinfectiemiddelen nodig zijn, spoel dan goed na en droog alles goed af om te voorkomen dat de gevoelige kikkerhuid in aanraking komt met chemicaliën. Gebruik, als deze nodig zijn, alleen milde schoonmaak- en desinfectiemiddelen. Was na het werken in het terrarium altijd uw handen met water en zeep. Voeding: Het natuurlijke voedsel van de witlipboomkikker bestaat voornamelijk uit een variatie aan krekels, vliegen, kevers, spinnen, rupsen, meelwormen, wormen en kleine gewervelden zoals nestmuisjes. Voedseldieren worden bij voorkeur levend aangeboden. Als dode prooien worden gegeven moeten ze met behulp van een voertang worden bewogen, anders herkent de kikker hen niet als voer. Alle voedseldieren moeten altijd bestoven worden met een goed vitamine- en mineralenpreparaat. U kunt voedseldieren kopen bij een terrariumzaak. ’s Zomers kunt u eventueel zelf insecten vangen: deze vormen een zeer gezonde variatie. Als u levende voedseldieren koopt, mogen deze niet te lang in het doosje blijven zitten, want dan gaat de kwaliteit snel achteruit. Goed gevoede voedseldieren zijn het beste voedsel voor uw kikkers. Gedurende maximaal 1 uur voordat voedseldieren aangeboden worden aan de kikkers moeten ze daarom voedzaam voer krijgen. Vliegen kunnen gevoerd worden met rozenbottelsiroop, krekels met hondenbrokjes en goed gewassen groente, en fruitvliegen met fruit. Zorg ook voor drinkwater. Het natuurlijke voedsel van de witlipboomkikker is veel rijker en gevarieerder aan voedingsstoffen dan voedseldieren. Bij boomkikkers in gevangenschap kunnen daardoor tekorten ontstaan, bijvoorbeeld aan vitamine D3. Vitamine D3 wordt met behulp van ultraviolet licht uit direct zonlicht in de huid aangemaakt. Ultraviolet licht dringt echter niet door glas heen. Daarom moet aan dieren in een terrarium vitamine D3 of ultraviolet licht gegeven worden. In de meeste vitamine- en mineralenmengsels voor terrariumdieren zit vitamine D3. Dit dient ook ter aanvulling van andere vitaminen en daarom wordt meestal gekozen voor bepoedering van prooidieren met een dergelijk mengsel. Over de effectiviteit van vitamine D3 in poedervorm is echter onvoldoende bekend. Het is daarom altijd verstandig om de dieren bloot te stellen aan een lamp die UVB-licht uitstraalt. Jonge witlipboomkikkers moeten dagelijks gevoerd worden. Voor hen zijn (fruit)vliegjes, kleine krekels en eventueel mini-meelwormen zeer geschikt. Bij elke voerbeurt moeten deze prooidieren bepoederd worden met een vitamine- en mineralensupplement. Volwassen witlipboomkikkers nemen aanzienlijk grotere insecten aan: volwassen krekels, meelwormen, sprinkhanen, regenwormen, kevers, motten, vliegen en rupsen zijn geschikt. Als u meelwormen geeft, kies dan liefst alleen de witte, pas vervelde exemplaren. Deze zijn namelijk beter verteerbaar dan de oudere met hun harde pantser. Voer deze vanwege de lage voedingswaarde niet te vaak! Daarnaast mogen regelmatig pinkies (pas geboren muizen) worden aangeboden. Volwassen witlipboomkikkers moeten iedere twee tot drie dagen gevoerd worden en altijd moet de maaltijd bepoederd worden met een vitamine- en mineralensupplement. Zorg ervoor dat uw kikkers niet te dik worden. Een richtlijn voor de hoeveelheid voer is 10 tot 20% van hun eigen lichaamsgewicht per voerbeurt. Het beste tijdstip om witlipboomkikkers te voeren is het moment dat de hoofdverlichting wordt uitgeschakeld en overgegaan wordt op maanverlichting. De meeste dieren worden echter ook actief als u overdag voert. Voortplanting: De witlipboomkikker maakt net als andere kikkers een metamorfose door: vanuit een kikkervisje ontwikkelt hij zich tot een kikker. Het geslachtsonderscheid is te maken op basis van de grootte, vrouwtjes worden groter dan mannetjes. Daarnaast kwaken alleen de mannetjes, hebben mannetjes vaak een ruimere en donkerder gekleurde huid rond de keel en hebben ze paringskussentjes aan de binnenzijde van de duimen. Deze paringskussentjes zijn het hele jaar door aanwezig maar duidelijker te onderscheiden in het paringsseizoen. De voortplantingstijd is in de lente en de zomer. Na hevige regen of een storm, die in het terrarium nagebootst moet worden met een sproei-installatie, zoeken de mannetjes elkaar op en gaan in hoge takken aan de rand van stilstaand water zitten kwaken om vrouwtjes te lokken. Ze maken daarbij een geluid dat lijkt op de blaf van een grote hond. Er worden tot meer dan 4000 eitjes in klompjes in ondiep water afgezet. De kikkervisjes zijn donkerbruin van kleur met aan weerszijden een crèmekleurige streep. Ze voeden zich met waterplanten en algen. In uitzonderlijke gevallen zitten er wel eens kannibalistische kikkervisjes tussen, deze moeten dan gescheiden worden van de anderen. De kikkervisjes ontwikkelen zich in ongeveer twee maanden en zodra de metamorfose voltooid is gaan ze op het droge de bomen in. Witlipboomkikkers worden volwassen en geslachtsrijp op een leeftijd van ongeveer zes tot acht maanden. Ziekten en aandoeningen: Schimmelinfecties, bacteriële infecties en parasitaire darminfecties komen voornamelijk voor bij kikkers die onder verkeerde omstandigheden worden gehouden. Daarnaast kunnen dergelijke infecties in uw terrarium worden geïntroduceerd door de aankoop van nieuwe dieren. Het is daarom aan te raden nieuw aangekochte dieren eerst een paar weken in een quarantainebak te houden voordat u ze bij de andere dieren plaatst. Dieren die uit het wild afkomstig zijn, zijn gevoeliger voor ziekten en kunnen deze bij zich dragen. Om die reden, en vanwege de ethische bezwaren die aan wildvangdieren kleven, is het aan te raden om nakweekdieren te kopen. De schimmel Batrachochytrium dendrobatidis doodt wereldwijd op grote schaal kikkers doordat de huid wordt aangetast. Kikkers zijn voor verschillende levensprocessen afhankelijk van de huid en overleven een infectie meestal niet. Testen op deze ziekte door een dierenarts is mogelijk. De meeste andere infecties zijn goed te behandelen met medicijnen. Ga daarom als uw kikkers minder actief worden, vermageren, minder eetlust hebben of huidveranderingen of afwijkende ontlasting hebben naar uw dierenarts en zorg dat u zo vers mogelijke ontlasting van de dieren in een potje bij u heeft. U kunt de ontlasting eventueel enige tijd bewaren in de koelkast. Uw dierenarts kan vervolgens de dieren en de ontlasting onderzoeken en het passende medicijn voorschrijven. Wacht niet te lang met een bezoek aan de dierenarts: hoe eerder ingegrepen wordt, hoe groter de kans op genezing. Door een tekort aan kalk en/of vitamine D3 kan bij terrariumdieren rachitis ontstaan, een aandoening met weke botten die gemakkelijk vervormen en breken. De dieren kunnen dan niet meer goed springen en klimmen en dus geen prooien meer vangen. Als eenmaal verschijnselen van rachitis zijn ontstaan, is genezing moeilijk, maar in veel gevallen mogelijk. Een goed vitamine- en mineralenmengsel om de voedseldieren mee te bepoederen, en blootstelling aan UVB-verlichting, is dus van levensbelang. Misvormingen bij de metamorfose komen nog wel eens voor, er ontstaan bijvoorbeeld kikkervisjes die helemaal geen of sterk onderontwikkelde voorpoten krijgen. Het vermoeden bestaat dat verkeerde omstandigheden in de kweekbak en verkeerde voeding van de kikkervisjes, inteelt of verkeerde voeding van de ouderdieren hierbij een rol spelen. Benodigde ervaring: Vanwege zijn schichtigheid, zijn gevoeligheid en de eisen die de witlipboomkikker stelt aan zijn huisvesting en verzorging is deze boomkikker niet erg geschikt voor beginners. Aanschaf en kosten: Witlipboomkikkers kunt u kopen bij een terrariumspeciaalzaak of bij kwekers. Dieren die uit het wild afkomstig zijn, kunnen ziekten bij zich dragen en zijn bovendien gevoeliger voor ziekten. Om die reden is het af te raden om wildvangdieren te kopen, naast de ethische bezwaren die aan wildvang kleven. Let er bij de koop op dat de kikkers een levendige indruk maken. De huid moet vochtig en glanzend zijn. Ook mag de huid niet onregelmatig gekleurd zijn (vlekkerig). Kijk bovendien naar de omstandigheden waaronder ze door de verkoper worden gehouden: koop geen dieren uit een vervuilde of overbevolkte bak. Zorg er voor dat u minimaal twee weken vóór de aanschaf van kikkers een volledig ingericht terrarium klaar hebt staan. In die twee weken voorafgaand aan de aanschaf van de dieren moet u het terrarium belichten en bevochtigen zoals u zou doen als er al dieren in zouden zitten. Meet met behulp van thermometers en hygrometers of de temperatuur en luchtvochtigheid in het terrarium voldoen aan de eisen van de witlipboomkikker. Het duurt namelijk ongeveer twee weken voor het hout vocht heeft opgenomen en het klimaat in het terrarium is gestabiliseerd. Witlipboomkikkers zijn te koop vanaf enkele tientallen euro’s. Een bakje krekels van tien gram kost enkele euro’s en een pot vitamine- en mineralenpoeder van 100 gram om de prooidieren mee te bepoederen kost vanaf tien euro. Voor de aanschaf van een compleet terrarium, inclusief verlichting en verwarming, moet u rekenen op een bedrag van enkele honderden euro’s. Terrariumplanten zijn te koop vanaf enkele euro’s. Bij de UVB- en andere lampen moet u er rekening mee houden dat ze regelmatig vervangen moeten worden, aangezien ze per dag een groot aantal branduren hebben. Houd naast de kosten voor de aanschaf en verzorging ook rekening met eventuele dierenartskosten. Aandachtspunten: Sluit u aan bij een terrariumvereniging: u kunt er advies inwinnen en ervaringen delen. (Bron: www.licg.nl)Spaanse Ribbensalamanderhttp://www.animalqueen.nl/c-1938299/spaanse-ribbensalamander/ De Spaanse ribbensalamander is een vrij grote salamander die betrekkelijk oud kan worden. Opvallend zijn de oranje en gele plekjes op de flanken bij de ribpunten. Hieruit kan de salamander gif uitscheiden om vijanden af te weren. De Spaanse ribbensalamander is niet moeilijk te verzorgen en daarom ook geschikt voor beginnende salamanderhouders. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de Spaanse ribbensalamander het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Ribbensalamanders zijn vrij eenvoudig te verzorgen salamanders. Ze verblijven grotendeels in het water. De Spaanse ribbensalamander kan ongeveer 30 centimeter lang worden. Hij oogt wat plomp en heeft een afgeplatte zwemstaart en een platte kop met een brede bek. Spaanse ribbensalamanders hebben een bruine tot grijze rug met zwarte vlekken. Op de flanken zitten acht tot tien oranje of gele knobbels, die gif kunnen uitscheiden. Deze liggen op de plaats van de onderliggende ribpunten, die soms door de huid heen steken. Aan de onderkant zijn ze wit, geel of grijs gekleurd, de onderkant van de staart is oranjeachtig. De Spaanse ribbensalamander is gemakkelijk te kweken en wordt wel als nakweek aangeboden. De Spaanse ribbensalamander kan minstens twaalf jaar oud worden. Verschillende varianten: De Spaanse ribbensalamander wordt vaak als nakweek aangeboden onder de naam Pleurodeles poireti. De Pleurodeles poireti wordt wel de Algerijnse ribbensalamander genoemd en is weliswaar familie, maar geen variant van de Spaanse ribbensalamander. Voor zover bekend wordt P. poireti echter nooit geïmporteerd. Wel zijn sporadisch nakweekdieren van P. nebulosus uit Tunesië beschikbaar. Deze soort blijft kleiner en heeft niet de typisch oranje kliertjes op de uiteinde van de ribben. P. nebulosus is afkomstig van het noorden van Tunesië en Algerije, kan op dezelfde manier gehouden worden, maar is aanzienlijk moeilijker tot voortplanting te brengen. Van nature: Spaanse ribbensalamanders leven in stilstaande en langzaam stromende watertjes in Spanje, Portugal en Marokko. Hij leeft vooral in het water, maar komt ook zonder problemen aan land. Daarnaast komen deze salamanders voor in tijdelijke poelen. Als deze in de zomer opdrogen, trekt hij zich terug in spleten in de bodem of bijvoorbeeld onder stenen. Daar houden zij vaak zomerrust. Salamanders halen ook adem via de huid. Hun huid is gevoelig voor uitdroging. De Spaanse ribbensalamander is vooral ’s nachts actief. Net als de meeste amfibieën maakt de Spaanse ribbensalamander een metamorfose door: als larve hebben ze een andere vorm dan als volwassen dier. Tijdens deze metamorfose verandert niet alleen de bouw (anatomie) van het dier, maar ook de manier waarop het lichaam werkt (fysiologie). Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium of aquarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken. Omdat de Spaanse ribbensalamander niet agressief is naar soortgenoten kunt u, als uw aquarium of terrarium voldoende groot is, gemakkelijk meerdere exemplaren bij elkaar huisvesten. Huisvest salamanders nooit met soortgenoten die veel kleiner zijn, want kannibalisme komt veel voor onder salamanders. Ze kunnen beter niet samengehouden worden met andere diersoorten, omdat de mannetjes deze kunnen omklemmen en verdrinken. De aanwezigheid van vissen leidt vooral bij de vissen tot onnodige stress en mogelijk doen de salamanders pogingen de vissen op te eten. Per dier moet u rekenen op minimaal twintig liter. Het bodemoppervlak van het aquarium moet zo groot mogelijk zijn, zodat er voldoende zwemruimte is. Een diepte van 20 tot 30 centimeter volstaat. Salamanders zijn meesters in het ontsnappen. Zorg daarom dat er bij een aquarium en terrarium altijd een brede overhangende rand is van minimaal vijf centimeter of een goed sluitend deksel. Met een deksel voorkomt u bovendien dat er teveel water verdampt. Let er op dat er nog wel voldoende ventilatie in de bak is. Zorg ervoor dat er gelegenheid is het water te verlaten. Leg in het aquarium eilandjes van kurk of laat een paar stenen boven het water uitsteken, zodat de dieren daarop kunnen uitrusten. U kunt ook een landgedeelte aanleggen. In het aquarium kunt u kiezen voor een twee centimeter dikke grind- of zandbodem. Zorg voor schuilplaatsen; u kunt die maken met stenen bloempotscherven, stukken dakpan of gestapelde platte stenen. Pas wel op dat de scherven, dakpannen en stenen niet scherp zijn. In het aquarium kunt u ook planten aanbrengen, een goede beplanting verhoogt de hoeveelheid zuurstof overdag, maar verlaagt deze ’s nachts. Bovendien kunnen salamanders hier hun eitjes tegen afzetten en de planten gebruiken als schuilplaats. Geschikt hiervoor zijn Vallisneria, waterpest, Javamos en dergelijke. Richt u een deel van de bak als landgedeelte in, maak dan een bodem van bijvoorbeeld bosgrond, turfmolm en spagnummos, veenmos. Zo voorkomt u dat de bodem te scherp is voor uw dieren. Zorg ook hier voor schuilplaatsen. U kunt hiervoor stenen, hout en schors gebruiken. Als u er voor zorgt dat de ene kant van het terrarium vochtig is en de andere kant droger, dan kan uw salamander zelf zijn vochtigheid regelen. Het water houdt u schoon met behulp van een filterinstallatie. Filterinstallaties voor vissen zijn hiervoor geschikt. Houd er bij de inrichting rekening mee dat u het aquarium of terrarium gemakkelijk kunt schoonmaken. Richt het aquarium in en laat het vier tot zes weken staan voordat u uw salamanders in het aquarium huisvest. Op deze manier kan er een evenwicht ontstaan voordat het aquarium bewoond gaat worden en kunnen de planten wortelen. U kunt eventueel een bacteriecultuur kopen om het filter sneller te starten en ook kunt u voeding voor deze bacteriën kopen in de aquarium- of dierenspeciaalzaak. Als er geen evenwicht in de watersamenstelling is omdat het filter nog niet goed werkt, kunnen de afvalstoffen die de salamanders produceren niet afgebroken worden. De salamanders worden dan ziek en gaan dood. Test iedere maand de waterkwaliteit, in de dierenspeciaalzaak kunt u hiervoor testkits kopen. De hardheid van het water moet tussen 8 en 18 °DH liggen, de pH(zuurgraad) tussen 6.5 en 8.5. Als grenswaarden voor stikstofproducten kunt u aanhouden voor ammoniak 0.012 mg/l, voor nitriet 0.1 mg/l en voor nitraat 50 mg/l. Het is verstandig de waarden van de verschillende stikstofproducten wekelijks te controleren. Chloor is giftig voor salamanders; in Nederland zit dit zelden in het water, maar als uw leidingwater chloor bevat moet dit verwijderd worden. Dit kan door het water over actieve kool leiden of een waterverbeteraar toe te voegen. Gebruik voor uw installatie kunststof leidingen die speciaal voor aquaria gemaakt worden; zo voorkomt u dat er zware metalen of gifstoffen in het water terechtkomen. Overigens kunt u in dierenspeciaalzaken producten kopen die zware metalen binden, maar voorkomen is uiteraard beter. In de zomer kruipen ribbensalamanders vaak het land op. In de natuur gaan ze dan vaak in een zomerrust, waarbij ze weinig eten en bewegen. Door het water gedeeltelijk te verversen of de temperatuur te laten dalen gaan de dieren vaak weer het water in. Als dat niet lukt kunt u ze het beste overplaatsen in een terrarium. In het terrarium moeten vochtige en droge schuilplaatsen aanwezig zijn. Na de zomer kunnen de salamanders terug worden gezet in het aquarium. Als de salamanders het hele jaar door in een aquarium worden gehouden kunnen de dieren zich blijven voortplanten. Dit kan tot uitputting, en kortere levensduur, van de dieren leiden. Net als veel andere soorten salamanders, houdt ook de Spaanse ribbensalamander van wat koelere temperaturen. Een temperatuur van vijftien tot twintig graden Celsius is prima; in de winter mag deze dalen naar tien tot vijftien graden Celsius. Bij watertemperaturen boven de twintig graden willen de ribbensalamanders eerder het water verlaten. Om het water op de juiste temperatuur te houden kunt u gebruik maken van een aquariumkoeler, die u in de aquariumspeciaalzaak kunt kopen. De Spaanse ribbensalamander kent een dag- en nachtritme. U kunt hiervoor gebruik maken van natuurlijk daglicht, mits de middagzon niet direct op het verblijf van uw salamanders kan schijnen. U kunt het terrarium of aquarium wel op een plaats met ochtendzon plaatsen. Let er dan op dat de temperatuur niet te langdurig oploopt. U kunt ook TL-, PL- of spaarlampen gebruiken. Dit zorgt er tevens voor dat de waterplanten goed groeien. Verzorgen en hanteren: Beperkt contact met de mensenhuid tot een minimum; de mensenhuid is veel warmer dan het dier, waardoor hittestress kan optreden. Bovendien is de huid van de salamander kwetsbaar. Moet u desondanks de salamander toch oppakken, was dan eerst de handen of trek dunne latex handschoenen aan. Zorg er voor dat uw handen vochtig zijn bij het hanteren, zodat u de huid van de salamander niet beschadigt. Was na afloop uw handen opnieuw als u geen handschoenen hebt gebruikt: ribbensalamanders hebben giftige klieren. Vindt u de salamander te glad om in de handpalm te houden, gebruik dan een schepnetje of een vochtige doek. U kunt de salamander vervoeren in een plastic zak of bak met veel lucht en weinig water. Controleer regelmatig de waterkwaliteit met behulp van testkits. Ververs elke week ongeveer een derde van het water met nieuw, koud water. Een paar keer per jaar moet de bodem van het landgedeelte ververst worden. Spoel het filter regelmatig uit in het water dat u uit het aquarium hebt gehaald bij het verversen van het water. Hoe vaak dit nodig is, hangt af van de bezetting van uw aquarium. Voeding: Salamanders zijn roofdieren en eten voornamelijk (levend) dierlijk voer. Het zijn geen kieskeurige eters en eten meestal elk prooidier dat in de bek past. Voer niet te vaak niet-levend voer of voederdieren die snel sterven; prooidieren die niet bewegen worden vaak genegeerd, waardoor er al snel veel afval ontstaat. Als niet-levend voer kunt u gehakt en stukjes runderhart of visfilet, garnalen en gepelde mosselen aanbieden. U kunt het voer in dit geval met een voedertang geven; als u daarmee wiebelt, bootst u een levende prooi na. Kiest u er voor om niet levend voedsel aan te bieden, verwijder de restanten daarvan dan twee uur na het aanbieden. Ook niet opgegeten levende prooidieren kunt u het beste verwijderen. Wilt u uw Spaanse ribbensalamander levende prooidieren aanbieden, kies dan voor bijvoorbeeld (rode) muggenlarven, watervlooien, beekvlokreeftjes, Artemia (pekelkreeftjes), regenwormen, naaktslakken, maden, krekels of Tubifex. Spoel Tubifex wel grondig voordat u ze in het water van de salamanders gooit, levende wormpjes zakken naar de bodem en kunt u zo gemakkelijk scheiden van de dode wormpjes. Kiest u voor rode muggenlarven, let er dan op dat de larven niet als een brij in de verpakking liggen en dat ze, als u ze hebt overgebracht in water, beginnen rond te zwemmen en zich snel ingraven in het substraat. Dode muggenlarven beschimmelen snel en zijn niet geschikt als voer voor de salamanders. Geef steeds kleine hoeveelheden voer. Het is belangrijk om gevarieerd te voeren om ervoor te zorgen dat de dieren gezond blijven. Om er zeker van te zijn dat de salamander voldoende vitaminen en mineralen binnenkrijgt, kunt u de prooidieren die u op het land voert, bepoederen met een multivitamine- en mineralenpreparaat, in het water spoelt dit van de voedseldieren af. Twee keer per week voeren volstaat voor de meeste volwassen salamanders. Let op dat alle salamanders voldoende voer krijgen. In de voortplantingstijd mag u intensiever voeden. Tijdens de winterrust en bij hoge temperaturen daarentegen eten ze weinig. U kunt voor prooidieren en andere benodigdheden uitstekend terecht bij de gespecialiseerde dierenspeciaalzaak. Maar regenwormen kunt u ook prima zelf vangen vlak na een regenbui in uw gazon of ander grasveld door een mestvork in de grond te steken en deze op en neer te bewegen. Hebt u salamanderlarven, dan hoeft u deze de eerste week niet te voeren. De larven leven dan nog van hun dooierzak. Daarna kunt u ze gaan voeren met levende prooidieren. Begin met naupliën van Artemia en pantoffeldiertjes. Na enkele weken kunt u overstappen op Daphnia (watervlooien). Let dan wel op dat daar geen Cyclops sp. (eenoogkreeftje) bij zit, dit kan sterfte door vraat veroorzaken. Als de larven wat groter worden, kunt u bijvoorbeeld Artemia, Tubifex en rode muggenlarven aanbieden. Als vuistregel kunt u gebruiken dat het prooidier niet groter mag zijn dan het oog van de larve. Zorg er voor dat er voortdurend voedsel aanwezig is in het aquarium, houd wel de waterkwaliteit goed in de gaten. Jonge salamanders moeten vooral voldoende regenwormen krijgen. Voortplanting: In vergelijking met de vrouwtjes hebben mannetjes verdikte bovenarmen, een relatief langere staart en een slankere bouw. De mannetjes zijn vaak ook wat kleiner dan de vrouwtjes. Pas als de dieren bijna een jaar zijn, kunt u met zekerheid het geslacht vaststellen. De paring wordt gestimuleerd door een winterrust van enkele weken in koud water van vijf tot tien graden Celsius en een kortere daglengte. Ook water verversen met koud water kan ervoor zorgen dat de dieren gaan paren. In de natuur vindt de paring plaats van januari of februari tot mei; in gevangenschap loopt deze periode meestal van september tot mei. Het vrouwtje wordt tijdens de balts op de rug van het mannetje gedragen. Hierbij omklemt het mannetje met zijn voorpoten de voorpoten van het vrouwtje. Om beter grip op het vrouwtje te krijgen, is het mannetje in de paartijd uitgerust met verhoornde delen op de voorpoten. Dit worden paarborstels genoemd. Na de paring legt het vrouwtje binnen twee dagen zo'n 200 eitjes. De eitjes zijn wit en worden in groepjes tegen waterplanten, stenen, ander decoratiemateriaal en de ruiten afgezet. Na het afzetten kijken de ouders meestal niet meer om naar hun nageslacht. Om te voorkomen dat de ouders hun eieren of larven opeten is het beter ze in een apart aquarium te zetten. Afhankelijk van de temperatuur, die tussen de 17 en 22 graden Celsius moet liggen, komen de larven na één tot drie weken uit het ei. Schrik niet als de larven de eerste vijf dagen op de bodem van het aquarium liggen; dit is normaal. Als het water regelmatig ververst wordt, groeien de dieren snel. Na ongeveer 20 dagen worden de voorpoten zichtbaar en na 35 dagen de achterpoten. Als u ziet dat de uitwendige kieuwen verdwijnen, dan moet de waterstand omlaag gebracht worden en de opfokbak voorzien worden van een landgedeelte. Kannibalisme komt onder de larven veel voor, vooral als de dieren ondervoed zijn. U kunt dit tegengaan door de larven regelmatig op grootte te sorteren. De metamorfose kan tien tot twintig weken op zich laten wachten. De dieren zijn dan ongeveer vijf tot tien centimeter groot. Na een tot twee jaar zijn de Spaanse ribbensalamanders geslachtsrijp. Ziekten en aandoeningen: Ziekten bij salamanders zijn vooral het gevolg van het binnenbrengen van zieke dieren bij gezonde dieren en van stress. Bij stress kunt u denken aan niet-optimale leefomstandigheden, zoals een slechte waterkwaliteit, een te vol aquarium of terrarium, en vangst en transport. Bij salamanders kunnen infecties voorkomen door virussen, bacteriën, schimmels of parasieten. Andere veelvoorkomende aandoeningen bij salamanders zijn huidzweren, bacteriële tuberculose, huidbeslag, darmuitstulping en vergiftiging. Ook kunnen er gezondheidsproblemen ontstaan als de salamander een vitamine- en mineralentekort ontwikkelt. Het is daarom belangrijk om gevarieerd te voeren. Eén van de eerste symptomen die een ziek dier vertoont, is het gebrek aan eetlust. Is er geen duidelijke reden waarom uw salamander niet of minder eet, ga er dan vanuit dat het dier ziek is. Ook verwondingen en veranderingen in de structuur van de huid zijn aanwijzingen dat uw dier ziek is. Heeft uw dier verwondingen, behandel deze dan, tenzij deze het gevolg zijn van een vechtpartij; in dat geval helen de wonden doorgaans vanzelf. Ook als het vervellen afwijkend verloopt, kan dit er op duiden dat uw dier ziek is. Tenslotte kunt u de buikomvang van uw dier in de gaten houden: bij veel ziekten neemt de buikomvang flink toe als gevolg van buikwaterzucht. Een gezonde salamander zal, wanneer deze wordt omgedraaid op zijn rug, altijd snel weer terugdraaien. Niet bij iedere dierenarts of dierenspeciaalzaak is kennis van salamanders aanwezig. Raadpleeg in geval van ziekte een gespecialiseerde dierenarts of laat u doorverwijzen. Probeer niet zo maar allerlei producten uit; meestal werkt dit niet en richt u meer schade aan dan dat u goed doet. Benodigde ervaring: De Spaanse ribbensalamander is een eenvoudig te houden watersalamander. Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring nodig. Zorg er wel voor dat u zich van tevoren goed informeert over het opzetten van een aquarium of terrarium. Aanschaf en kosten: U kunt ribbensalamanders aanschaffen bij kwekers, bijvoorbeeld op terrariumbeurzen. Voordeel is dat u dan precieze informatie over de dieren kunt krijgen. Daarnaast kunt u ribbensalamanders soms ook in de dierenspeciaalzaak aantreffen. Let er bij de koop op dat de dieren een levendige indruk maken; gezonde dieren zullen proberen te ontsnappen als ze gevangen worden. Salamanders mogen nooit kleine wondjes of schimmelplekken vertonen. Koop geen dieren uit een vervuilde of overbevolkte bak, zeker niet als er ook dode dieren aanwezig zijn. De ribben mogen niet duidelijk zichtbaar zijn, dan is het dier te sterk vermagerd. De Spaanse ribbensalamander is in zijn landen van herkomst beschermd. Koop uw dieren daarom uit nakweek en bewaar zorgvuldig de door de koper en verkoper ondertekende overdrachtsbewijzen of aankoopbon en houd een administratie bij van nota’s en aankoopbonnen voor alle salamanders. Laat op de aankoopbon zetten wat de naam van de soort is, de datum van aankoop en het aantal aangeschafte exemplaren. Deze regels zijn het gevolg van een Europese richtlijn die gebieden en soorten beschermt (de Habitatrichtlijn, 1992). Laat nieuw gekochte dieren tenminste vier weken in quarantaine en vermijd in deze periode direct en indirect contact met de dieren die u al had. Desinfecteer schepnetjes en andere hulpmiddelen met behulp van bleekwater en spoel ze vervolgens grondig na met water. U kunt een Spaanse ribbensalamander uit nakweek kopen voor enkele tientallen euro’s. Een aquarium of terrarium kunt u kopen vanaf 100 euro, wat u er precies voor betaalt is afhankelijk van de grootte. Daarnaast moet u rekenen op kosten voor de inrichting van het aquarium of terrarium; een deel van deze kosten keert regelmatig terug. Andere terugkerende kosten zijn de uitgaven aan voer. Afhankelijk van wat u voert, bent u daar al snel enkele euro’s tot enkele tientjes per week aan kwijt. Daarnaast kunt u voor kosten komen te staan als uw dier onverhoopt ziek wordt. Aandachtspunten: Overweeg om lid te worden van een liefhebbersvereniging. Hier kan men u helpen bij het vinden van een gespecialiseerde dierenarts of dierenspeciaalzaak. Bovendien kunt u hier ervaringen uitwisselen met collega-houders. (Bron: www.licg.nl)Pijlgifkikkerhttp://www.animalqueen.nl/c-1938298/pijlgifkikker/ Pijlgifkikkers zijn door hun mooie kleuren ontzettend gewild als terrariumdier. Deze dagactieve kikkers kunnen behoorlijk luidruchtig kwaken, waarbij het kwaakgeluid enorm kan variëren: van zoemen tot fluiten. Enige ervaring met terraria is wel gewenst voor het houden van deze dieren. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de pijlgifkikker het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: Pijlgifkikkers zijn kleine, gekleurde kikkers, die alle kleuren van de regenboog kunnen hebben. Deze felle kleuren hebben als doel om andere dieren te waarschuwen dat de kikkers erg giftig kunnen zijn. De huid kan afhankelijk van het soort glad of gegranuleerd (met bultjes) zijn. Het gif zit verstopt in hun huid en als de dieren gestrest zijn, kan dit gif naar buiten komen. Indianen uit Colombia gebruiken het gif van de pijlgifkikker om hun pijlpunten mee in te smeren. Hier dankt de pijlgifkikker zijn bijzondere naam aan. Door de farmaceutische industrie is er veel onderzoek gedaan of het gif uit de verschillende soorten pijlgifkikkers gebruikt kan worden voor geneesmiddelen ontwikkeling. Pijlgifkikkers in het wild eten allerlei kleine insecten, zoals kleine mieren, termieten, springstaarten en mijten. In sommige van deze dieren zitten giftige stoffen. Deze giftige stoffen worden door de kikkers omgezet in eigen gifstoffen. Wanneer de kikkers geen giftige insecten meer eten, zullen zij hun giftigheid in de loop van de tijd verliezen. Dieren die in gevangschap geboren zijn, hebben hierdoor geen gif meer in hun huid. De kikkers kunnen niet goed horen. Wel kunnen ze erg goed trillingen voelen. Met de ogen kunnen ze alleen bewegende objecten waarnemen. Hun zenuwstelsel is namelijk niet ingericht op het herkennen van lichtpatronen, maar alleen op lichtverschuivingen, dus op beweging. Het “gekwaak” van pijlgifkikkers kan variëren van zoemen tot piepen. Alle pijlgifkikkers hebben een kwaakblaas; de mannetjes kwaken hoorbaar. Veel soorten doen dit zelfs zeer luidruchtig, tot wel 90 decibel (dB)! Ter vergelijking: een drukke verkeersweg is goed voor ongeveer 80 dB. De geluiden en ritmes verschillen per soort. Sommige soorten kunnen urenlang kwaken. Het geluid van veel gifkikkers klinkt bijna als het gezang van een kanarie. De grootte van de pijlgifkikker varieert: de grootte van dieren die behoren tot het geslacht Dendrobates varieert van vier tot zes centimeter. Dieren die behoren tot het geslacht Ranitomeya zijn anderhalf tot drie centimeter groot. De meeste soorten kunnen redelijk sprongen maken om te kunnen vluchten bij gevaar. Klimmen tegen bomen gaat hun ook goed af. Pijlgifkikkers kunnen in uitzonderlijke gevallen tot ongeveer twaalf jaar oud worden, de meeste dieren zullen echter dit niet halen. Verschillende varianten: Er bestaan meer dan 150 soorten pijlgifkikkers, die kunnen verschillen in onder andere grootte, kleur en aftekening. Met name de geslachten Dendrobates, Oophaga en Ranitomeya zijn erg mooi gekleurd. Van nature: De meeste pijlgifkikkers leven in Midden- en Zuid Amerika, van Nicaragua tot Bolivia. Meestal in het oerwoud, maar sommige soorten leven ook in drogere gebieden. De grootste soortenrijkdom is te vinden in de bergregenwouden van de Andes. Hier is het minder warm en kan het ’s nachts ook wel afkoelen. Deze dieren hebben andere eisen dan die van het lage regenwoud. De verschillende soorten pijlgifkikkers leven niet allemaal hetzelfde. Afhankelijk van de soort zal de ene kikker meer op de grond leven en andere meer in bomen of in of rondom grote bromelia’s. Direct in water leven de kikkers niet. De niet zo gekleurde pijlgifkikkers kunnen zich bij gevaar nog wel eens verstoppen in een kleine beek. Deze soorten zijn ook niet of heel weinig giftig. De meeste kikkers leven op de grond met een houtstronk in de buurt om te kunnen schuilen. In de afgevallen bladeren op de grond zoeken zij hun eten. Doordat de pijlgifkikkers vanwege hun giftigheid weinig natuurlijke vijanden hebben, zijn ze (in tegenstelling tot veel andere amfibieën) meestal overdag actief. Ze bewegen dan met name in de vroege ochtenduren (wanneer het nog niet zo warm is) en in de late middag (wanneer het weer afkoelt). Ze zijn dan ook niet zo schuw. Doordat pijlgifkikkers van nature in een redelijk constant klimaat leven, houden zij geen winterslaap. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken. Het type terrarium dat u nodig hebt voor pijlgifkikkers is afhankelijk van de soort. Sommige soorten pijlgifkikkers zijn boombewoners, andere soorten leven op de bodem. Voor de meest gangbare kikkersoorten heeft u een terrarium nodig met een minimale afmeting van 50 x 50 x 50 centimeter (lengte x breedte x hoogte) voor één paartje. Het aantal pijlgifkikkers dat u samen kunt houden is afhankelijk van de soort. Pijlgifkikkers hebben schuilplaatsen en afzetplaatsen voor eieren nodig. Hiervoor kunt u bijvoorbeeld denken aan klimplanten en stronken. Het terrarium kan ingericht worden met een aantal planten en het liefst bladafval, turf, turfblokken of mossoorten op de grond. Voor de mooie aankleding van uw terrarium kunt u kiezen voor tropische planten als bromelia's en orchideeën. Bromelia’s zijn erg geschikt, omdat ze water goed vasthouden. Pijlgifkikkers houden niet van een te natte ondergrond. Ze moeten naar wens een droge bodem kunnen opzoeken. Een bodem bedekt met bijvoorbeeld beukenbladeren is gebruikelijk. U kunt ook mos gebruiken, maar dit moet nat gehouden worden om het mos mooi te houden. Hierdoor blijft het vaak te nat voor de kikkers. Gebruikt bij voorkeur geen te zanderige bodem. De dieren gaan er vies uitzien en ook bestaat de kans dat ze met het naar voedsel happen zanddeeltjes binnen krijgen. Dit kan op den duur schadelijk zijn. Hoewel diverse soorten van nature in de buurt van water leven is geen enkele pijlgifkikkers een permanente waterbewoner. Het is daarom voldoende als het terrarium een klein, niet te diep watergedeelte bevat. In te diep water kunnen de kikkers verdrinken, zij kunnen namelijk bijna niet zwemmen. Een watergedeelte is echter wel noodzakelijk, zodat de kikkers naar wens kunnen zwemmen. Pijlgifkikkers hebben namelijk een dunne huid die snel kan uitdrogen en ze zullen daarom graag regelmatig een bad willen nemen. Let op dat het water niet te koud is, omdat deze dieren gevoelig zijn voor een (te) snelle afkoeling. De temperatuur dient afhankelijk van de kikkersoort tussen de 20 en 25 graden Celcius te zijn op de bodem en tussen de 23 en 28 graden Celcius hoger in het terrarium. Temperaturen boven de 28 graden Celcius verdragen de dieren niet. Een temperatuur langdurig beneden de 20 graden Celcius is ook niet goed voor de dieren. Reflectorlampen kunnen dienen als verwarming, maar ook halogeenlampen worden wel gebruikt. Pas vooral bij de laatste op voor plaatselijke grote verhitting en let op dat de kikker zich nergens kan branden. Bodemverwarming, bijvoorbeeld met behulp van een warmtemat of een dubbele bodem gevuld met verwarmd water kan in de winter helpen de temperatuur van het terrarium op peil te houden. In de zomer moet u echter oppassen voor te hoge bodemtemperaturen: kikkers hebben de neiging afkoeling te zoeken in de bodem, als deze te heet is kunnen de kikkers hier zelfs aan overlijden! Afhankelijk van de kikkersoort en de aanwezige beplanting moet gesproeid worden om een hoge luchtvochtigheid te waarborgen. Eenmaal per dag (’s avonds) sproeien is dan noodzakelijk. Overdag mag de luchtvochtigheid dalen tot 70% om 's avonds weer tot 100% te stijgen. Gebruik bij voorkeur zacht water of liefst gefilterd schoon regenwater, dit is vooral voor orchideeën noodzakelijk. Bovendien laat het geen kalkvlekken achter op bladeren en ruiten. Goede ventilatie is erg belangrijk voor een terrarium. In kleinere terraria volstaat in de meeste gevallen de natuurlijke luchtcirculatie. In grotere is vaak mechanische ventilatie noodzakelijk. ’s Ochtends mag er sprake zijn van condensvorming op de voorruit van het terrarium en op de planten, maar in de ochtend moet dit opdrogen. Gebeurt dit niet, dan is er onvoldoende ventilatie en moeten er extra natuurlijke of mechanische ventilatiemogelijkheden worden aangebracht. Vermijd tocht! Verzorgen en hanteren: Voor kikkers is een gezonde huid erg belangrijk: ze ademen onder andere via de huid. Hanteren van de kikker kan de kikkerhuid beschadigen en daarom moet dit tot een absoluut minimum worden beperkt. Van aanraken raken de dieren bovendien zeer gestrest. Bijna alle dieren in Nederland verkrijgbaar zijn hier gekweekt (nakweek), maar soms worden er nog dieren uit het wild geïmporteerd. Wildvangdieren zijn vaak (erg) giftig en moeten om die reden überhaupt niet aangeraakt worden! Indien het echt nodig is de kikkers met de hand te vangen, dan kunt u het beste gebruik maken van dunne latex handschoenen. De dieren kunnen indien noodzakelijk gevangen worden door ze in een bakje te laten lopen of springen zonder ze daarbij met de handen aan te raken. Kikkers kunnen vervoerd worden in een plastic transportbox met daarin een vochtig stukje mos. De temperatuur van de transportbox dient op het juiste peil gehouden te worden. Bij de verzorging van pijlgifkikkers is het schoonhouden van het terrarium erg belangrijk. Meerdere malen per jaar moet het hele terrarium en het gehele interieur schoongemaakt worden. Haal ook de planten in pot uit het terrarium, spoel de bladeren af en verwijder afval van de potgrond. Als voor het terrarium schoonmaak- of desinfectiemiddelen nodig zijn, spoel dan goed na en droog alles goed af om te voorkomen dat de gevoelige kikkerhuid in aanraking komt met chemicaliën. Gebruik alleen milde schoonmaak- en desinfectiemiddelen. Voeding: Volwassen pijlgifkikkers zijn carnivoor. Ze eten insecten en andere ongewervelde dieren die veel eiwitten bevatten. Volwassen kikkers moeten twee tot drie keer per week gevoerd worden. Geschikte insecten zijn (afhankelijk van de kikkersoort) fruitvliegjes, meelwormen (nogal vet, hiervan niet teveel voeren), krulvliegen, wasmotten, springstaarten, enzovoorts. De hoeveelheid insecten per voerbeurt is afhankelijk van de grootte van de insecten en de grootte van de kikker. Jonge kikkers moeten dagelijks worden gevoerd met kleinere prooien zoals fruitvliegjes. Bij voorkeur worden levende prooien gevoerd. Deze kunnen gewoon in het terrarium worden losgelaten. Het voeren van dode prooien is ook mogelijk, maar die moeten dan wel worden bewogen met een voedertang, omdat de kikker ze anders niet als prooi herkent. Verwijder niet opgegeten levende prooidieren uit het terrarium om te voorkomen dat ze rustende kikkers storen of beschadigen. U kunt ervoor kiezen voedseldieren te kopen bij een terrariumzaak, maar als u meerdere terrariumdieren heeft kan het aantrekkelijk zijn zelf voedseldieren te kweken. Voedseldieren hebben echter ook zelf voeding en verzorging nodig en deze verschilt per soort. Laat u daarom hierover goed informeren, bijvoorbeeld bij een terrariumvereniging, voordat u besluit zelf voedseldieren te gaan kweken. Als u levende voedseldieren koopt, mogen deze niet te lang in het doosje blijven zitten, want dan gaat de kwaliteit snel achteruit. Goed gevoede voedseldieren zijn het beste voedsel voor uw kikkers. Meelwormen kunt u voeden met brood, vliegen met rozenbottelsiroop (verrijkt met een calcium- en vitaminenpreparaat) en fruitvliegjes met fruit. Zorg ook voor drinkwater voor de voedseldieren. ’s Zomers kunt u eventueel zelf insecten vangen. Het natuurlijke voedsel van kikker is rijker en gevarieerder aan voedingsstoffen dan gekweekte voedseldieren. Bij kikkers in gevangenschap kunnen daardoor tekorten ontstaan, bijvoorbeeld aan vitamine D3. Vitamine D3 wordt met behulp van ultraviolet B (UVB)-licht uit direct zonlicht in de huid aangemaakt. UVB-licht dringt echter niet door glas heen. Daarom moet aan dieren in een terrarium vitamine D3 en UVB-licht gegeven worden. In de meeste vitamine- en mineralenmengsels voor terrariumdieren zit vitamine D3. Zo’n mengsel is ook nodig ter aanvulling van andere vitaminen en daarom moeten de prooidieren altijd bepoederd worden met zo’n vitamine- en mineralenmengsel. Laat u over de dosis die uw dieren nodig hebben informeren door iemand met ervaring. Voortplanting: Pijlgifkikkers maken net als andere kikkers een metamorfose door: vanuit een kikkervisje ontwikkelt hij zich tot een kikker. Het verschil tussen een man en een vrouw is soms moeilijk te zien en is afhankelijk van de soort. Over het algemeen zijn volwassen vrouwen groter en ronder van vorm. Mannen hebben soms grotere hechtschijven aan de tenen. Afhankelijk van de soort zijn pijlgifkikkers na één of twee jaar geslachtsrijp. De mannen verdedigen hun territorium en lokken vrouwen door middel van zoemen, trillen, tjirpen of fluiten en worstelpartijen. Bij sommige soorten pijlgifkikkers neemt de man het vrouwtje in een houdgreep (de zogenaamde amplexus). Dit gebeurt echter niet bij alle soorten. Na paring legt het vrouwtje de eieren, waarna het mannetje deze meteen bevrucht. Afhankelijk van de soort verschilt het aantal eieren van 2 à 3 tot wel 25 eieren per keer. Veel soorten pijlgifkikkers kennen een goed ontwikkelde broedzorg. De eieren worden op een beschutte plaats afgezet en bewaakt. Na zeven tot achttien dagen komen de eieren uit. Bij een aantal pijlgifkikkersoorten komt het voor dat de man de kikkervisjes op de rug neemt om ze te verplaatsen naar stilstaand water. De larven (kikkervisjes) hebben kieuwen en leven in dit stadium uitsluitend in het water. De larven kunnen gevoed worden met fijngewreven vlokvoer voor vissen. Na een aantal weken ontwikkelen de kikkervisjes zich verder, waarbij ze hun kieuwen verliezen, poten ontwikkelen en longen krijgen. Na twee of drie maanden is deze metamorfose voltooid en is de larve tot kikker ontwikkeld. Ga niet zomaar kweken: laat u eerst goed informeren door een ervaren kweker. Ziekten en aandoeningen: Problemen die bij gifkikkers voor kunnen komen zijn onder andere uitdroging, hier zijn pijlgifkikkers erg gevoelig voor. Schimmelinfecties, bacteriële infecties en parasitaire darminfecties komen voornamelijk voor bij kikkers die onder verkeerde omstandigheden worden gehouden. Wildvang kikkers lijden vaak aan bacteriële en parasitaire infecties. Infecties kunnen in uw terrarium worden geïntroduceerd door de aankoop van nieuwe dieren. Het is aan te raden nieuw aangekochte dieren eerst gedurende minimaal zes weken in een quarantainebak te houden voordat u ze bij de andere dieren plaatst. Ook is het verstandig geen wildvangdieren te kopen, maar te kiezen voor nakweek. De schimmel Batrachochytrium dendrobatidis doodt wereldwijd op grote schaal kikkers doordat de huid wordt aangetast. Kikkers zijn voor verschillende levensprocessen afhankelijk van de huid en overleven een infectie meestal niet. De meeste andere infecties zijn vaak goed te behandelen met medicijnen. Ga daarom als uw kikkers minder actief worden, vermageren, minder eetlust hebben of huidveranderingen of afwijkende ontlasting hebben naar een dierenarts met verstand van amfibieën en zorg dat u zo vers mogelijke ontlasting van de dieren in een potje bij u heeft. U kunt de ontlasting eventueel enige tijd bewaren in de koelkast. Uw dierenarts kan vervolgens de dieren en de ontlasting onderzoeken en het passende medicijn voorschrijven. Wacht niet te lang met een bezoek aan de dierenarts: hoe eerder ingegrepen wordt, hoe groter de kans op genezing. Door een tekort aan kalk en/of vitamine D3 kan bij terrariumdieren rachitis ontstaan, een aandoening met weke botten die gemakkelijk vervormen en breken. De dieren kunnen dan niet meer goed springen en klimmen en dus geen prooien meer vangen. Ook diverse andere ziekteverschijnselen kunnen gelinkt zijn aan deze oorzaak. Een goed vitamine- en mineralenmengsel om de voedseldieren mee te bepoederen is dus zeer belangrijk. Misvormingen bij de metamorfose komen nog wel eens voor, er ontstaan bijvoorbeeld kikkervisjes die helemaal geen of sterk onderontwikkelde voorpoten krijgen. Het vermoeden bestaat dat verkeerde omstandigheden in de kweekbak en verkeerde voeding van de kikkervisjes, inteelt of verkeerde voeding van de ouderdieren hierbij een rol spelen. Benodigde ervaring: Om deze dieren goed te kunnen houden is enige ervaring gewenst. Probeer eerst een sterkere soort, zoals de Epipedobates anthonyi, te houden. Dit is een relatief makkelijke kikker. Laat u in ieder geval altijd goed voorlichten over de aan te schaffen soort. Bij de Nederlandse gifkikkervereniging (Dendrobatidae Nederland) kunt u veel informatie vinden over gifkikkers. Het opzetten en in stand houden van een terrarium is niet eenvoudig, enige ervaring met aquaria en terraria is gewenst. Aanschaf en kosten: Zorg er voor dat u minimaal twee weken vóór de aanschaf van kikkers een volledig ingericht terrarium klaar hebt staan. Het duurt namelijk ongeveer twee weken voor het hout vocht heeft opgenomen en het klimaat in het terrarium is gestabiliseerd. In die twee weken moet u het terrarium belichten en bevochtigen zoals u zou doen als er al dieren in zouden zitten. Meet met behulp van thermometers en hygrometers of de temperatuur en luchtvochtigheid in het terrarium voldoen aan de eisen van de pijlgifkikker. Pijlgifkikkers kunt u aanschaffen via een gespecialiseerde reptielen- en amfibieënzaak of via ervaren kwekers. Laat u zich door deze mensen goed informeren hoe u met de te kopen kikkers om moet gaan. Bijna alle gifkikkers vallen onder het CITES verdrag en de Flora- en Faunawet. U moet daarom kunnen aantonen hoe u aan de kikkers komt. Vraag daarom altijd om de CITES verklaring. Deze verklaring is tevens een goed naslagwerk waarin u altijd van alle dieren kunt nazoeken waar deze vandaan komen. Bij aanschaf is het verstandig niet te jonge dieren aan te schaffen. Als de kikker al iets ouder is, is het geslacht vaak al te bepalen, kunt u zien of de kikker goed volgroeid is en zal de kikker de reis naar huis en de quarantaineperiode beter doorstaan. Kies voor nakweekdieren, deze zijn minder gevoelig dan wildvangdieren en hebben geen stressvol transport hoeven door te maken, met soms zelfs vermagering en verwondingen tot gevolg. Bovendien zitten wildkweekdieren over het algemeen vol met parasieten en kunnen ze ernstige ziekten met zich meebrengen. Daarnaast staat het voortbestaan van wilde populaties onder druk door het wegvangen van dieren voor de terrariumindustrie. Let er bij de koop op dat de kikkers een levendige indruk maken. De huid moet vochtig en glanzend zijn en geen wonden of andere beschadigingen vertonen. De kikker moet goed op zijn poten staan, goed bewegen en mag zich niet constant met zijn voor- of achterpoten over de rug krabben. Let ook op de omstandigheden waaronder ze door de verkoper worden gehouden: koop geen dieren uit een vervuilde of overbevolkte bak. Pijlgifkikkers zijn te koop vanaf ongeveer vijftien euro tot soms wel honderden euro’s. Een potje fruitvliegen kost enkele euro’s en de prijs van een pot vitamine- en mineralenpoeder van 100 gram om de prooidieren mee te bepoederen begint bij tien euro. Voor de aanschaf van een compleet terrarium, inclusief verlichting en verwarming, moet u rekenen op een bedrag van enkele honderden euro’s. Terrariumplanten zijn te koop vanaf enkele euro’s. Bij de daglichtlampen moet u er rekening mee houden dat ze regelmatig vervangen moeten worden, aangezien ze per dag een groot aantal branduren hebben. Een UVB-lamp moet, afhankelijk van de lamp, elke drie tot twaalf maanden vervangen worden. Houd naast de kosten voor de aanschaf en verzorging ook rekening met eventuele dierenartskosten. Aandachtspunten: Gifkikkers vallen internationaal onder CITES appendix II, Europees onder bijlage B en in Nederland onder de Flora- en faunawet. Dit betekent dat u een registratie bij moet houden voor deze kikkers en dat u bij aankoop de juiste papieren (overdrachtsverklaring) mee moet krijgen. Sluit u aan bij een terrariumvereniging: u kunt er advies inwinnen en ervaringen delen. (Bron: www.licg.nl)Lijstenpadhttp://www.animalqueen.nl/c-1938296/lijstenpad/ De lijstenpad is een makkelijk te houden pad die zowel alleen als in groepen gehouden kan worden. Het zijn mooie padden om te zien, met hun zwarte koptekening (“lijst”) waar ze hun naam aan te danken hebben. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de lijstenpad het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De lijstenpad is een typische pad met zijn wratachtige huid en wat plompe uiterlijk. De wratten zijn stekelig, hebben een zwart puntje en bevinden zich vooral aan de bovenzijde van het lichaam. De zwarte kleur van de wratten ontstaat, doordat in het gif, dat door de boonvormige gifklieren wordt afgegeven, een zwarte kleurstof zit. De achtergrondkleur van de bovenzijde is olijfbruin, bruin of grijs tot gelig, terwijl de buik effen wit en ter hoogte van de keel en kin bruin gevlekt is. Op de rug is vaak een oranjebruine kleur aanwezig. Deze ontbreekt soms nog bij de jongen. Een lijstenpad heeft een brede kop met een wat spits toelopende snuit. Achter de ogen beginnen zwartgekleurde scherpe benige randen die doorlopen tot de punt van de neus en daar samenkomen: de lijsten. De randen van de bek zijn net als de lijsten zwart van kleur. De ogen puilen uit, hebben een bruinige iris en een horizontale pupil. Het trommelvlies is duidelijk herkenbaar. De mannetjes beschikken over een keelzak. De tenen van de achterpoten zijn tot ongeveer de helft van hun lengte voorzien van zwemvliezen. Lijstenpadden kunnen tot dertien centimeter lang worden, maar worden gemiddeld ongeveer acht tot tien centimeter lang. De gemiddelde levensverwachting van lijstenpadden in gevangenschap is niet precies bekend, maar ligt ongeveer tussen de vijf en tien jaar. Verschillende varianten: De lijstenpad kent geen ondersoorten. Van nature: De lijstenpad komt in het wild voor in Zuid-Azië, onder andere Indonesië, India, Sri Lanka, China, Maleisië en de Filippijnen. Het natuurlijke leefgebied bestaat uit vochtige en warme laaglanden, maar ook uit koelere berggebieden (tot 3000 meter hoogte). De lijstenpad bevindt zich daar vooral aan de bosrand en in velden. Verder zoekt de lijstenpad soms ook bewoonde gebieden op. De lijstenpad kan zich uitstekend aanpassen aan de omstandigheden. De padden komen (nog) in grote getale in het wild voor en zijn daarom niet beschermd. De lijstenpad is een landbewoner. Lijstenpadden verschuilen zich overdag onder stenen, in holle boomstammen en in holen in de grond. Tijdens de schemer en nacht zijn ze actief en jagen ze. Vaak komen ze daarbij op licht van bijvoorbeeld straatlantaarns af in afwachting van zwermen insecten die er eveneens door aangetrokken worden. Lijstenpadden die leven op hoogvlaktes gaan bij regen ook overdag op jacht. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken. De lijstenpad kan zowel individueel als in groepen worden gehouden. Omdat de lijstenpad een vrij grote soort is, is een ruim terrarium nodig: de hoogte moet ongeveer 50 centimeter zijn, een bodemoppervlak van 80 x 60 centimeter is voldoende voor twee tot drie volwassen dieren. Bepaal van tevoren waar het terrarium moet komen te staan en richt het terrarium pas in als het op die plek staat. Een volledig ingericht terrarium is namelijk zwaar en moeilijk te verplaatsen. Zorg er in ieder geval voor dat het terrarium stabiel en niet op de tocht staat en veel zonlicht krijgt. Er mag echter geen volle zon op staan, want achter het glas loopt de temperatuur hoog op. Het terrarium moet vochtig en warm zijn. Overdag moet de temperatuur in het terrarium 24 tot 26 graden Celsius bedragen, onder de lampen mag de temperatuur oplopen tot 32 graden Celsius. ’s Nachts moet het drie tot vijf graden Celsius koeler zijn, dus ongeveer 20 tot 22 graden Celsius. Schuilplaatsen dienen koel gehouden te worden. Het terrarium kan verwarmd worden met de warmte van gloeilampen (25 tot 40 Watt), daglichtbuizen, een keramische warmtestraler en/of een warmtematje onder ongeveer de helft van het terrarium. Het is handig een thermostaat en een schakelklok aan te sluiten. Zorg ervoor dat de dieren nooit direct contact kunnen maken met de warmtebron in verband met brandwonden. Plaats er bijvoorbeeld een kooiconstructie omheen. Meet de temperatuur in het terrarium met behulp van tenminste twee thermometers: één in het warmste deel van het terrarium, dus onder de warmtebron, en één in de koelste hoek van het terrarium. Lees de temperaturen tenminste één keer per dag af om bij afwijkingen van de optimale temperatuur snel in te kunnen grijpen. Zorg voor voldoende schuilplaatsen. Deze kunnen gemaakt worden met platte stenen, holle stammetjes en/of stukken schors. De achterwand van het terrarium moet afgeschermd zijn zodat de padden gemakkelijker een rustplek kunnen vinden. De bodembedekking kan bestaan uit een drainagelaag (bijvoorbeeld hydrokorrels of kiezelstenen) met daarbovenop een mengsel van meststofvrije aarde, mos, turf, schorssnippers en wat zand. Plaats een grote waterbak in het terrarium waarin de dieren kunnen baden. Tijdens de kweek moet deze waterbak tenminste 50 x 50 centimeter groot zijn. Het waterpeil moet tijdens de kweek ongeveer tien centimeter hoog zijn. Gedurende de rest van het jaar mag het waterpeil niet hoger zijn dan de hoogte van de pad in rust. De waterbak moet gevuld worden met schoon (chloorvrij) kraanwater of bronwater. Het terrarium kan verder aangekleed worden met robuuste planten. Als voor levende planten wordt gekozen zijn Scindapsus pictus en Ficus pumila zeer geschikt. Laat levende planten in de pot staan en zorg ervoor dat de padden de planten niet omver kunnen gooien. Als u levende planten in het terrarium hebt staan, heeft u UV-licht nodig. Er is nog veel onduidelijkheid over of de padden zelf ook UV-licht nodig hebben. Omdat UV-licht niet door glas heen dringt, moeten UV-lampen altijd in de bak zelf geplaatst worden. Zorg er voor dat de electra niet aangetast kan worden door het vocht en dat de padden zich niet kunnen branden aan de lampen! Laat u over de verlichting goed voorlichten door iemand met ervaring in het inrichten van terraria. De verlichting mag tien tot twaalf uur per dag branden. Zorg ook voor een schaduwrijke plek in het terrarium. Aan het einde van de dag wordt de hoofdverlichting uitgeschakeld. U kunt dan eventueel maanverlichting aandoen (lampje van 15 Watt of een blauwe maanlichtlamp). De padden worden na het uitschakelen van de hoofdverlichting actief en zullen op jacht gaan naar voedsel. De maanverlichting stelt u in staat de jagende dieren te observeren. De vochtigheid in het terrarium moet ’s nachts 60 tot 90% zijn. Dit kan bereikt worden door iedere avond lauw water te sproeien met een plantenspuit of met een in het terrarium ingebouwd sproeikopje, eventueel op een tijdklok. Na het uitschakelen van de verlichting zal de luchtvochtigheid dan oplopen. Deze moet ’s ochtends na het inschakelen van de volledige verlichting door ventilatie teruggebracht worden. Voor het besproeien van het terrarium mag uitsluitend zacht water (minder dan 7oDH) gebruikt worden. Zacht water voorkomt kalkaanslag op de ruiten en de bladeren. Het water moet ook pH-neutraal (pH=7) en ontchloord zijn. Kraanwater kunt u ontchloren door het minimaal 24 uur in een emmer te laten staan. In Nederland zal ontchloren over het algemeen niet nodig zijn. Goede ventilatie is erg belangrijk voor een terrarium. In kleinere terraria volstaat in de meeste gevallen de natuurlijke luchtcirculatie. Vaak wordt gekozen voor natuurlijke ventilatie door middel van een rooster als deksel van het terrarium: zorg er wel voor dat de mazen fijn genoeg zijn en het rooster stevig vast zit om ontsnappen te voorkomen. ’s Ochtends als de hoofdverlichting wordt ingeschakeld mag er sprake zijn van condensvorming op de voorruit van het terrarium en op de planten, maar in de ochtend moet dit opdrogen. Gebeurt dit niet, dan is er onvoldoende ventilatie en moeten er extra ventilatiemogelijkheden worden aangebracht. Vermijd tocht! Winterrust: Om met lijstenpadden in gevangenschap te kweken moet een winterrust van twee tot drie maanden worden gegeven. Tijdens die winterrust moet de temperatuur op ongeveer 23 tot 25 graden Celsius worden gehouden en moet de vochtigheid iets worden verlaagd. Na de winterrust moet de regentijd worden nagebootst door de vochtigheid te verhogen naar 70 tot 90%. Dit kunt u doen door dagelijks lauw water te sproeien met een plantenspuit. Kweekpogingen hebben het meeste succes als één mannetje en één tot twee vrouwtjes bij elkaar worden gezet. Begin niet zomaar aan het kweken van lijstenpadden: laat u eerst voorlichten door een ervaren kweker over de winterrust en het kweken zelf. Verzorgen en hanteren: Lijstenpadden moeten zo min mogelijk worden gehanteerd vanwege hun kwetsbare huid. Indien nodig kunnen ze worden gevangen door ze in een bakje te laten lopen. Als dat niet lukt kunnen ze ook met twee natte handen gevangen worden. Als hanteren met de handen niet te vermijden is, was uw handen dan voor het hanteren met alleen water. Chemicaliën kunnen door de paddenhuid worden opgenomen en het dier schaden. Was na het hanteren uw handen met water en zeep zodat u potentiële ziekteverwekkers en gifstoffen die afgescheiden zijn door de paddenhuid goed verwijdert. Hanteer de padden zeker niet met blote handen als u wondjes aan uw handen heeft. Padden kunnen vervoerd worden in een plastic transportbox met daarin een vochtig stukje mos. Dagelijks moet het water in het waterbad worden vervangen. Verwijder daarbij ook ontlasting en voedselresten uit het terrarium. Eén keer in de twee tot drie weken moet het hele terrarium en alles erin worden schoongemaakt. Kies voor milde schoonmaak- en desinfectiemiddelen. Deze zijn verkrijgbaar bij uw dierenarts of dierenspeciaalzaak. Spoel goed na om resten te verwijderen en droog vervolgens alles goed af. Door regelmatig schoon te maken en het water te verversen zorgt u niet alleen voor een gezonde leefomgeving voor de padden, maar zorgt u er ook voor dat de gifstoffen die de padden afscheiden niet op kunnen hopen. Was ook na het schoonmaken van het terrarium uw handen om huidirritatie door de gifstoffen te voorkomen. Voeding: De natuurlijke voeding van lijstenpadden bestaat uit insecten en hun larven, wormen en slakken. Lijstenpadden in gevangenschap kunnen gevoerd worden met meel- en regenwormen, naaktslakken, rupsen, krekels, sprinkhanen, motten en een enkele keer een pinkie (pas geboren muis). Geef van de meelwormen liefst alleen de witte pas vervelde wormen. Deze zijn namelijk veel beter verteerbaar dan de oudere exemplaren met hun harde pantser. Bij voorkeur worden levende prooien gevoerd. Deze levende prooien kunnen gewoon in het terrarium worden losgelaten, waarna de pad zijn jachtinstinct zal volgen. Het voeren van dode prooien is ook mogelijk, maar die moeten dan wel worden bewogen met een voedertang, omdat de pad ze anders niet als prooi herkent. Verwijder niet opgegeten levende prooidieren uit het terrarium om te voorkomen dat ze rustende padden storen of beschadigen. U kunt ervoor kiezen voedseldieren te kopen bij een terrariumzaak, maar als u meerdere terrariumdieren heeft kan het aantrekkelijk zijn zelf voedseldieren te kweken. Voedseldieren hebben echter ook zelf voeding en verzorging nodig en deze verschilt per soort. Laat u daarom hierover goed informeren voordat u besluit zelf voedseldieren te gaan kweken. Als u levende voedseldieren koopt, mogen deze niet te lang in het doosje blijven zitten, want dan gaat de kwaliteit snel achteruit. Goed gevoede voedseldieren zijn het beste voedsel voor uw padden. Meelwormen kunt u voeden met brood, krekels met hondenbrokjes en goed gewassen groente. Zorg ook voor drinkwater. ’s Zomers kunt u eventueel zelf insecten vangen, maar houdt er rekening mee dat deze geen bestrijdingsmiddelen bij zich mogen dragen! Het natuurlijke voedsel van de lijstenpad is veel rijker en gevarieerder aan voedingsstoffen dan gekweekte voedseldieren. Bij lijstenpadden in gevangenschap kunnen daardoor tekorten ontstaan, bijvoorbeeld aan vitamine D3. Vitamine D3 wordt met behulp van ultraviolet B (UVB)-licht uit direct zonlicht in de huid aangemaakt. UVB-licht dringt echter niet door glas heen. Daarom moet aan dieren in een terrarium vitamine D3 en UVB-licht gegeven worden. In de meeste vitamine- en mineralenmengsels voor terrariumdieren zit vitamine D3. Zo’n mengsel is ook nodig ter aanvulling van andere vitaminen en daarom moeten de prooidieren altijd bepoederd worden met zo’n vitamine- en mineralenmengsel. Laat u over de dosis die uw dieren nodig hebben informeren door iemand met ervaring. Volwassen dieren moeten iedere twee tot drie dagen gevoerd worden en eens per week moet de maaltijd bepoederd worden met een vitamine- en mineralenmengsel. Jongen kunnen dagelijks gevoerd worden met kleine krekels en mini-meelwormen. De beste tijd om te voeren is tegen de avond. Voortplanting: In tegenstelling tot de vrouwtjes beschikken de meeste mannetjes in de paartijd over een gele tot lichtoranje keel. De mannetjes zijn verder in het algemeen kleiner (meestal zes tot acht centimeter) en minder fors van bouw dan de vrouwtjes. Alleen de mannetjes hebben een keelzak en kunnen geluid voortbrengen. Tijdens de paartijd zijn bij de mannetjes aan de onderzijde van de binnenste twee vingers paringskussentjes aanwezig. De paartijd valt bij lijstenpadden in de regentijd (juli en augustus) die volgt na de droge periode. De mannetjes komen samen in door de regen gevormde plassen, ondiepe zijstroompjes van poelen en bergstromen en lokken vrouwtjes door luid te kwaken. Er ontstaan op die manier grote paringsgroepen. Als een mannetje een vrouwtje heeft omklemd, begeven ze zich naar rustiger dieper water voor de paring. Lijstenpadden produceren één keer per jaar een legsel. Bij de paring legt het vrouwtje lange eisnoeren in het water; die eisnoeren blijven tussen waterplanten en stenen hangen. Terwijl het vrouwtje bij de paring de eitjes legt, worden ze meteen door het mannetje bevrucht. De eieren komen na ongeveer twee dagen uit. De lijstenpad maakt net als andere padden een metamorfose door: vanuit een larve (paddenvisje) ontwikkelt hij zich tot een pad. De paddenvisjes zijn klein (totale lengte inclusief staart maximaal ongeveer 2,5 centimeter) en zwart. Ze kunnen in groepen van tien tot twintig stuks worden overgebracht naar kweekbakjes met ondiep water. Wanneer de metamorfose begint moet de bak afgedekt worden met gaas om te voorkomen dat de jonge padden ontsnappen. Zodra de voorpoten zichtbaar worden moeten de larven op het droge kunnen. Zorg daarom voor vlotten van kurkschors, drijfplanten of een landgedeelte met een schuine oever. De larven kunnen gevoerd worden met fijngewreven vlokvoer voor vissen. Na de metamorfose kunnen de jonge padden gevoed worden met kleine insecten. Ziekten en aandoeningen: Infecties met schimmels, bacteriën en parasieten komen voornamelijk voor bij padden die onder verkeerde omstandigheden worden gehouden, bijvoorbeeld bij een verkeerde luchtvochtigheid, temperatuur en/of belichting, een vervuild terrarium enzovoorts. Daarnaast kunnen dergelijke infecties in uw terrarium worden geïntroduceerd door de aankoop van nieuwe dieren. Het is daarom aan te raden nieuw aangekochte dieren eerst een paar weken in een quarantainebak te houden voordat u ze bij de andere dieren plaatst. De schimmel Batrachochytrium dendrobatidis (“Chytrid disease”) doodt wereldwijd op grote schaal amfibieën doordat de huid wordt aangetast. Padden zijn voor verschillende levensprocessen afhankelijk van de huid en overleven een infectie meestal niet. De meeste andere infecties zijn echter vaak goed te behandelen met medicijnen. Ga daarom als uw padden minder actief worden, vermageren, minder eetlust hebben, huidveranderingen of afwijkende ontlasting hebben naar uw dierenarts. Zorg dat u zo vers mogelijke ontlasting van de dieren in een potje bij u heeft. U kunt de ontlasting eventueel enige tijd bewaren in de koelkast. Uw dierenarts kan vervolgens de dieren en de ontlasting onderzoeken en het passende medicijn voorschrijven. Wacht niet te lang met een bezoek aan de dierenarts, hoe eerder ingegrepen wordt hoe groter de kans op genezing. Door een tekort aan kalk en/of vitamine D3 kan bij terrariumdieren rachitis ontstaan, een aandoening met weke botten die gemakkelijk vervormen en breken. De dieren kunnen dan niet meer goed springen en klimmen en dus geen prooien meer vangen. Ook diverse andere ziekteverschijnselen kunnen hierdoor veroorzaakt worden. Een goed vitamine- en mineralenmengsel om de voedseldieren mee te bepoederen is dus zeer belangrijk. Misvormingen bij de metamorfose komen nog wel eens voor, er ontstaan bijvoorbeeld paddenvisjes die geen of sterk onderontwikkelde voorpoten krijgen (luciferpootjes). Het vermoeden bestaat dat verkeerde omstandigheden in de kweekbak en verkeerde voeding van de larven, inteelt of verkeerde voeding van de ouderdieren hierbij een rol spelen. Benodigde ervaring: De lijstenpad is een gemakkelijk te houden pad en daardoor ook geschikt voor beginners. U kunt van te voren informatie inwinnen bij een terrariumvereniging. Aanschaf en kosten: Zorg ervoor dat u minimaal twee weken vóór de aanschaf van padden een volledig ingericht terrarium klaar hebt staan. In die twee weken voorafgaand aan de aanschaf van de dieren moet u het terrarium belichten en bevochtigen zoals u zou doen als er al dieren in zouden zitten. Meet met behulp van thermometers en hygrometers of de temperatuur en luchtvochtigheid in het terrarium voldoen aan de eisen van de lijstenpad. Het duurt namelijk ongeveer twee weken voor de bodembedekking vocht heeft opgenomen en het klimaat in het terrarium is gestabiliseerd. Let er bij de koop op dat de padden een levendige indruk maken. De huid moet vochtig en glanzend zijn en geen wonden of andere beschadigingen vertonen. Let ook op de omstandigheden waaronder ze door de verkoper worden gehouden: koop geen dieren uit een vervuilde of overbevolkte bak. Kies voor nakweekdieren, deze zijn minder gevoelig dan wildvangdieren en hebben geen stressvol transport hoeven door te maken, met soms zelfs vermagering en verwondingen tot gevolg. Daarnaast staat het voortbestaan van wilde populaties onder druk door het wegvangen van dieren voor de terrariumindustrie. Lijstenpadden zijn te koop vanaf ongeveer tien euro. Een bakje krekels is te koop vanaf enkele euro’s en een pot vitamine- en mineralenpoeder van 100 gram om de prooidieren mee te bepoederen is te verkrijgen vanaf ongeveer tien euro. Voor de aanschaf van een compleet terrarium (inclusief verlichting en verwarming) moet u rekenen op een bedrag van enkele honderden euro’s. Terrariumplanten zijn te koop vanaf enkele euro’s. Bij de lampen moet u er rekening mee houden dat ze regelmatig vervangen moeten worden, aangezien ze per dag een groot aantal branduren hebben. Houd naast de kosten voor de aanschaf en verzorging ook rekening met eventuele dierenartskosten. Aandachtspunten: Sluit u aan bij een terrariumvereniging: het is gezellig en u kunt er advies inwinnen. (Bron: www.licg.nl)Koreaanse Vuurbuikpadhttp://www.animalqueen.nl/c-1938293/koreaanse-vuurbuikpad/ De Koreaanse vuurbuikpad is een zeer mooi gekleurde pad met zijn felle roodoranje buik en zijn zwarte vlekken. Net als andere vuurbuikpadden heeft deze pad een aparte manier om zijn prooi te vangen, namelijk met zijn kaken in plaats van met zijn tong. Dit alles maakt deze pad erg interessant om naar te kijken. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de Koreaanse vuurbuikpad het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De Koreaanse vuurbuikpad (Bombina orientalis) behoort tot de familie vuurbuikpadden (Bombinatoridae) en leeft in het wild in noordoostelijk China, Korea en Siberië. Hij komt in de meeste van deze gebieden nog algemeen voor en is daarom niet beschermd. De Koreaanse vuurbuikpad geeft de voorkeur aan een zeer natte leefomgeving zoals moerassen, poelen en de oevers van stromen en meertjes, maar wordt ook vaak aangetroffen in rijstvelden. Koreaanse vuurbuikpadden worden vier tot zes centimeter groot. De buik heeft een opvallende roodoranje kleur en de rest van het lichaam is groen. Bij populaties uit Siberië is de rest van het lichaam bruin van kleur. Zwarte vlekken zijn over het hele lichaam verspreid; aan de buikzijde smelten deze samen tot een netvormig patroon. De vinger- en teentoppen zijn oranjerood. De buikhuid is glad, maar de rest van de huid is wrattig. De pupil van het oog is driehoekig tot hartvormig van vorm. Alle vuurbuikpadden scheiden een gifstof af wanneer ze zich bedreigd voelen. Deze gifstof is echter voor de mens hooguit irriterend, met name voor de slijmvliezen. In sommige gevallen kan het gif lichte uitslag veroorzaken die enkele dagen kan aanhouden. De maximale levensduur van Koreaanse vuurbuikpadden wordt geschat op twintig jaar. In gevangenschap worden ze in het algemeen tien tot vijftien jaar oud. Verschillende varianten: Bij wildvangdieren is de buik vaak feller van kleur dan bij nakweekdieren. In Rusland komt een "gouden" variant voor met een goudbruine rug en een dieprode buik. Af en toe worden albino dieren aangeboden. Van nature: Vuurbuikpadden leven van nature in groepen. Ze zijn vooral schemer- en nachtactief, maar met name in de paartijd kunnen ze ook overdag actief zijn. Volwassen vuurbuikpadden brengen het grootste deel van de tijd gedeeltelijk ondergedompeld in water door. De jonge exemplaren besteden veel tijd aan het jagen vlakbij waterpartijen. Als een Koreaanse vuurbuikpad zich bedreigd voelt, gaat hij met een holle rug zitten, wordt de kop naar achteren gebogen en de poten omhoog gehouden, zodat de randen van zijn felgekleurde buik zichtbaar worden (de zogenaamde Unken reflex). In het dierenrijk staan felle kleuren namelijk meestal voor giftigheid en met deze waarschuwing probeert de pad een aanval af te weren. Schrikt dit de belager onvoldoende af, dan werpt de vuurbuikpad zich op zijn rug om de waarschuwingskleuren in hun volle omvang te laten zien. Als dit nog niet genoeg is om een aanval af te weren, wordt door de honderden kleine poriën in de huid een melkachtige gifstof afgescheiden. De meeste belagers zullen onmiddellijk loslaten als ze deze gifstof proeven. De schijfvormige tong van de Koreaanse vuurbuikpad zit ver achterin de bek vast. Dit betekent dat de pad zijn tong niet uit kan werpen om een prooi te vangen. Vuurbuikpadden grijpen een prooi daarom met de kaken en duwen hem met de voorpoten verder naar binnen. Hiermee onderscheiden vuurbuikpadden zich van andere kikkers en padden. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken. Vuurbuikpadden worden bij voorkeur in groepen gehuisvest. Meerdere mannetjes en vrouwtjes kunnen goed samen gehouden worden. Let er wel op dat de dieren van vergelijkbare grootte zijn, omdat anders het risico bestaat van kannibalisme. Voor een groepje van twee tot vier dieren volstaat een terrarium van 40 x 60 x 40 centimeter (lengte x breedte x hoogte). Voor een grotere groep van vijf tot acht dieren is een terrarium van 40 x 90 x 40 centimeter geschikt. Bepaal van tevoren waar het terrarium moet komen te staan, want een volledig ingericht terrarium is zwaar en moeilijk te verplaatsen. Zorg er voor dat het terrarium stabiel en niet op de tocht staat. Dit mag echter geen volle zon zijn, want achter het glas loopt de temperatuur hoog op! Kies een bak van materiaal dat bestand is tegen vocht, zoals glas. In het terrarium moet een land- en een watergedeelte aanwezig zijn. De bodembedekking van het landgedeelte moet voldoende vocht kunnen vasthouden. Mos, stukken schors, humus, bark en turfblokken zijn hiervoor geschikt. Gebruik liever geen turfmolm of potgrond, want dit gaat op den duur rotten en zorgt voor veel vervuiling van het water, doordat de padden vaak heen en weer lopen tussen het water- en het landgedeelte. Voor de beplanting van het landgedeelte kunnen kamerplanten zoals Philodendrons en varens worden gebruikt. U kunt ook kiezen voor kunstplanten. Onder platen kurkschors of in uitgeholde stammetjes kunnen de dieren zich verschuilen. De achterwand van het terrarium moet afgeschermd zijn, zodat de padden zich beschut voelen. Het watergedeelte moet groot en ondiep zijn. Een richtlijn voor de grootte is een derde tot de helft van het oppervlak van het terrarium. Het water mag vijf tot tien centimeter diep zijn, met een watertemperatuur van 23 tot 26 graden Celsius. Dit kan eventueel bereikt worden met behulp van een afgeschermd verwarmingselement voor aquaria. Zorg voor een aantal rustplekken in het water, bijvoorbeeld enkele platte stenen die gedeeltelijk boven het wateroppervlak uitsteken of vlotten van kurkschors. Plaats bij voorkeur ook waterplanten in het watergedeelte: waterpest is zeer geschikt. Het gebruik van een waterfilter met pomp zorgt ervoor dat het water minder vaak ververst hoeft te worden. Zorg er wel voor dat de poten van de pad niet in de aanzuigopening terecht kunnen komen. Maak voor de verlichting van het terrarium gebruik van een daglichtlamp. Deze lampen geven licht dat vergelijkbaar is met zonlicht; dat is nodig voor de plantengroei. De verlichting in het terrarium mag twaalf tot veertien uur per dag branden. Schakel aan het einde van de dag de hoofdverlichting uit. De padden worden dan actief en zullen op jacht gaan naar voedsel. Eventueel kunt u dan overgaan op maanverlichting (lampje van 15 Watt). Deze maanverlichting stelt u in staat de jagende dieren te observeren. Daglichtlampen geven naast licht ook veel warmte af, vrijwel altijd is dit voldoende om het terrarium mee te verwarmen. Als extra verwarming van het terrarium nodig is, kan dat met behulp van verwarmingskabels, een verwarmingsmatje op de bodem van het terrarium of door een warmtelamp. Koreaanse vuurbuikpadden kunnen overdag worden gehouden bij kamertemperatuur, 20 tot 24 graden Celsius. Er is dan wel ook een warmere plek van 24 tot 30 graden Celsius nodig waar de dieren zich kunnen opwarmen. Zo’n plek kan gecreëerd worden door een 25 tot 40 Watt spot ongeveer 25 centimeter boven het landgedeelte te monteren. Zorg ervoor dat de dieren geen direct contact kunnen maken met de lamp om brandwonden te voorkomen. Controleer de temperatuur onder de lamp regelmatig met een digitale thermometer. ’s Nachts moet de temperatuur minimaal 18 graden Celsius zijn. De luchtvochtigheid in het terrarium kan op peil worden gehouden door iedere avond lauw water te sproeien. Na het uitschakelen van de verlichting zal de luchtvochtigheid dan oplopen richting 100%. Deze moet ’s ochtends na het inschakelen van de volledige verlichting door ventilatie teruggebracht worden naar ongeveer 60%. Voor het terrarium (besproeien en watergedeelte) kunt u het beste zacht (= kalkarm, minder dan 7oDH) en pH neutraal (pH= 7) water gebruiken, dit voorkomt onder andere kalkaanslag op de ruiten. Het water mag geen chloor bevatten. Kraanwater kunt u indien nodig ontchloren door het minimaal 24 uur in een emmer te laten staan. In Nederland zal dit over het algemeen niet nodig zijn. Goede ventilatie is erg belangrijk voor een terrarium. In kleinere terraria volstaat in de meeste gevallen de natuurlijke luchtcirculatie. Vaak wordt gekozen voor natuurlijke ventilatie door middel van een rooster als deksel van het terrarium. Zorg er wel voor dat de mazen fijn genoeg zijn en het rooster stevig vast zit, want vuurbuikpadden zijn meesters in het ontsnappen. ’s Ochtends als de hoofdverlichting wordt ingeschakeld mag er sprake zijn van condensvorming op de voorruit van het terrarium en op de planten, maar in de ochtend moet dit opdrogen. Gebeurt dit niet, dan is er onvoldoende ventilatie en moeten er extra (natuurlijke of mechanische) ventilatiemogelijkheden worden aangebracht. Winterrust: Van nature houdt de Koreaanse vuurbuikpad een winterslaap van eind september/oktober tot eind april/mei. Ze graven zich dan in of verschuilen zich in groepjes van één tot zes dieren in holle bomen of in hopen stenen of bladeren. De winterslaap dient ter voorbereiding op de voortplanting. Als u met de padden wilt kweken moet u ze gedurende zes tot acht weken in een koele omgeving van circa tien graden Celsius houden en daarna de temperatuur geleidelijk laten stijgen. In de koele periode moet er een dikke laag bodembedekking aanwezig zijn, waarin de padden zich kunnen ingraven. Begin niet zomaar aan het kweken van vuurbuikpadden: laat u eerst voorlichten door een ervaren kweker over de winterslaap en het kweken zelf. Verzorgen en hanteren: Als in het watergedeelte van het terrarium geen filter wordt gebruikt moet om de dag ongeveer een derde van het water worden ververst en moet eens per één tot twee weken al het water worden vervangen. Als wel een filter wordt gebruikt moet eens per week ongeveer een derde van het water worden ververst. Spoel dan het mechanische gedeelte van het filter uit in het weg te gooien water en ververs eens per vier weken al het water. Verwijder dagelijks voedselresten en ontlasting. Eens in de drie tot vier weken moet het hele terrarium en alles erin worden schoongemaakt. Gebruik bij voorkeur alleen warm water. Als dat bij ernstigere vervuiling onvoldoende is, kies dan voor milde schoonmaak- en desinfectiemiddelen. Spoel goed na om resten te verwijderen en droog vervolgens goed af. Verschoon indien nodig ook bij iedere schoonmaakbeurt de bodembedekking. Door regelmatig schoon te maken en het water te verversen zorgt u niet alleen voor een gezonde leefomgeving voor de padden, maar zorgt u er ook voor dat de gifstoffen die de padden afscheiden niet op kunnen hopen. Vuurbuikpadden moeten zo min mogelijk worden gehanteerd vanwege hun kwetsbare huid. Indien nodig kunnen ze worden gevangen door ze in een bakje te laten lopen. Als hanteren met de handen echt noodzakelijk is, dan kunnen ze ook met twee natte handen gevangen worden. Was uw handen dan voor het hanteren enkel met water, want chemicaliën zoals zeepresten kunnen door de paddenhuid worden opgenomen en het dier schaden. Erna wast u met water en zeep om gifstoffen die afgescheiden zijn door de paddenhuid te verwijderen. Hanteer de padden zeker niet met blote handen als u wondjes aan uw handen heeft. Was ook na het schoonmaken van het terrarium uw handen om huidirritatie door de gifstoffen te voorkomen. Padden kunnen vervoerd worden in een plastic transportbox met daarin een vochtig stukje mos. Voeding: De natuurlijke voeding van vuurbuikpadden bestaat uit insecten en wormen. Koreaanse vuurbuikpadden in gevangenschap kunnen daarom prima gevoerd worden met krekels, vliegen, meelwormen en regenwormen. Geef van de meelwormen liefst alleen de witte, pas vervelde wormen. Deze zijn namelijk veel beter verteerbaar dan de oudere exemplaren met hun harde pantser. Geef niet te veel regenwormen. Deze kunnen namelijk zorgen voor gasvorming in het lichaam. Als richtlijn voor de voeding van Koreaanse vuurbuikpadden in gevangenschap geldt, dat een volwassen dier twee tot drie keer per week gevoerd moet worden. Jonge dieren moeten iedere dag gevoerd worden. Bij voorkeur worden levende prooien gevoerd. Deze kunnen gewoon in het terrarium worden losgelaten, waarna de pad zijn jachtinstinct zal volgen. Het voeren van dode prooien is ook mogelijk, maar die moeten dan wel worden bewogen met een voedertang omdat de pad ze anders niet als prooi herkent. Verwijder niet opgegeten levende prooidieren uit het terrarium om te voorkomen dat ze rustende padden storen of beschadigen. U kunt ervoor kiezen voedseldieren te kopen bij een terrariumzaak, maar als u meerdere terrariumdieren heeft kan het aantrekkelijk zijn zelf voedseldieren te kweken. Voedseldieren hebben echter ook zelf voeding en verzorging nodig en deze verschilt per soort. Laat u daarom hierover goed informeren voordat u besluit zelf voedseldieren te gaan kweken. Als u levende voedseldieren koopt, mogen deze niet te lang in het doosje blijven zitten, want dan gaat de kwaliteit snel achteruit. Goed gevoede voedseldieren zijn het beste voedsel voor uw padden. Meelwormen kunt u voeden met brood, vliegen met rozenbottelsiroop, krekels met hondenbrokjes en goed gewassen groente en fruitvliegjes met fruit. Zorg ook voor drinkwater. ’s Zomers kunt u eventueel zelf insecten vangen, maar houdt er rekening mee dat deze geen bestrijdingsmiddelen bij zich mogen dragen! Het natuurlijke voedsel van de Koreaanse vuurbuikpad is veel rijker en gevarieerder aan voedingsstoffen dan voedseldieren. Bij vuurbuikpadden in gevangenschap kunnen daardoor tekorten ontstaan, bijvoorbeeld aan vitamine D3. Vitamine D3 wordt met behulp van ultraviolet B (UVB)-licht uit direct zonlicht in de huid aangemaakt. UVB-licht dringt echter niet door glas heen. Daarom moet aan dieren in een terrarium vitamine D3 en UVB-licht gegeven worden. In de meeste vitamine- en mineralenmengsels voor terrariumdieren zit vitamine D3. Zo’n mengsel is ook nodig ter aanvulling van andere vitaminen en daarom moeten de prooidieren altijd bepoederd worden met zo’n vitamine- en mineralenmengsel. Laat u over de dosis die uw dieren nodig hebben informeren door iemand met ervaring. Voor de meeste mengsels geldt dat de volwassen dieren dit een tot twee keer per week moeten krijgen en de jonge twee tot drie keer per week. Voldoende caroteen in de voeding zorgt ervoor dat de roodoranje kleur van de buik niet vervaagt. Dit kunt u bereiken door de prooidieren caroteenrijke groenten te voeren of ze te bepoederen met een kleine hoeveelheid caroteenpoeder (verkrijgbaar voor vogels) voordat u ze aan de padden voert. Bij jonge vuurbuikpadden is de buik aanvankelijk geel. De roodoranje kleur moet dan nog tot ontwikkeling komen. De larven kunnen daarom gevoerd worden met fijngewreven kleurversterkend vlokvoer voor tropische vissen of u kunt een kleine hoeveelheid caroteenpoeder aan het voedsel toevoegen. Het beste tijdstip om vuurbuikpadden te voeren is het moment dat de hoofdverlichting wordt uitgeschakeld. Voortplanting: De vuurbuikpad maakt net als andere padden een metamorfose door: vanuit een larve ontwikkelt hij zich tot een pad. Bij vuurbuikpadden is het geslachtsonderscheid niet gemakkelijk. Het volwassen mannetje onderscheidt zich van het vrouwtje door de aanwezigheid van paringskussentjes (donkere ovale verdikkingen) aan de duimen. Verder zijn mannetjes vaak (maar niet altijd) kleiner, hebben een iets puntigere kop en vanaf een leeftijd van ongeveer anderhalf jaar wat langere poten en dikkere voorpoten dan de vrouwtjes. Alleen de mannetjes kwaken: ze laten in de paringstijd een zacht "hoew-hoew" horen. Het voortplantingsseizoen loopt in de natuur van mei tot half augustus. In gevangenschap kan paring het hele jaar door plaatsvinden. De mannetjes drijven in de paringstijd kwakend in het water en omklemmen elk dier dat voorbij komt. Als een mannetje een vrouwtje heeft omklemt kan het enkele dagen duren voor de eieren worden afgezet. Dit gebeurt vaak in de avond en nacht tussen waterplanten en stenen. Het legsel bestaat uit enkele tientallen tot enkele honderden eieren, maar deze worden niet allemaal tegelijk afgezet: ze worden in groepjes van 3 tot 45 eieren afgezet met tussen elk groepje een periode van zeven tot tien dagen. Terwijl het vrouwtje de eieren afzet worden ze tegelijkertijd door het mannetje bevrucht. Bij dieren in gevangenschap moeten de eieren zo snel mogelijk overgebracht worden naar een kweekbak. Dit is een bak met vijf centimeter chloorvrij en goed doorlucht water van 21 tot 25 graden Celsius. Als de eieren niet uit het terrarium worden verwijderd, worden de eieren en de jongen namelijk door de ouderdieren opgegeten. De eieren komen, afhankelijk van de temperatuur, na twee tot vijf dagen uit en de larven blijven op de bodem van de bak liggen tot de hele dooier na ongeveer twee tot drie dagen verbruikt is. Daarna gaan ze actief op zoek naar voedsel en op dat moment moet het waterpeil verhoogd worden naar tien tot vijftien centimeter. De volledige ontwikkeling van ei tot jonge pad duurt ongeveer twee maanden. Wanneer de metamorfose begint, moet de bak afgedekt worden met gaas om te voorkomen dat de jonge padden ontsnappen. Zodra na ongeveer 25 dagen de voorpoten zichtbaar worden, moeten de larven op het droge kunnen. Zorg daarom voor vlotten van kurkschors, drijfplanten of een landgedeelte met een schuine oever. De larven kunnen gevoerd worden met fijngewreven vlokvoer voor vissen en sla of spinazie. Na de metamorfose kunnen de jonge padden, die dan zo’n veertien millimeter lang zijn, gevoed worden met kleine insecten. Fruitvliegjes zijn bijvoorbeeld zeer geschikt. Vanaf een leeftijd van ongeveer een jaar zijn Koreaanse vuurbuikpadden geslachtsrijp. Ziekten en aandoeningen: Schimmelinfecties, bacteriële infecties en parasitaire darminfecties komen voornamelijk voor bij padden die onder verkeerde omstandigheden worden gehouden. Daarnaast kunnen dergelijke infecties in uw terrarium worden geïntroduceerd door de aankoop van nieuwe dieren. Het is daarom aan te raden nieuw aangekochte dieren eerst een paar weken in een quarantainebak te houden voordat u ze bij de andere dieren plaatst. De schimmel Batrachochytrium dendrobatidis doodt wereldwijd op grote schaal amfibieën doordat de huid wordt aangetast. Padden zijn voor verschillende levensprocessen afhankelijk van de huid en overleven een infectie meestal niet. De meeste andere infecties zijn echter vaak goed te behandelen met medicijnen. Ga daarom als uw padden minder actief worden, vermageren, minder eetlust hebben, huidveranderingen of afwijkende ontlasting hebben naar uw dierenarts en zorg dat u zo vers mogelijke ontlasting van de dieren in een potje bij u heeft. U kunt de ontlasting eventueel enige tijd bewaren in de koelkast. Uw dierenarts kan de dieren en de ontlasting onderzoeken en het passende medicijn voorschrijven. Wacht niet te lang met een bezoek aan de dierenarts: hoe eerder ingegrepen wordt, hoe groter de kans op genezing. Door een tekort aan kalk en/of vitamine D3 kan bij terrariumdieren rachitis ontstaan, een aandoening met weke botten die gemakkelijk vervormen en breken. De dieren kunnen dan niet meer goed bewegen en dus geen prooien meer vangen. Ook diverse andere ziekteverschijnselen kunnen hiermee samenhangen. Een goed vitamine- en mineralenmengsel om de voedseldieren mee te bepoederen is dus zeer belangrijk. Misvormingen bij de metamorfose komen nog wel eens voor, er ontstaan bijvoorbeeld larven die helemaal geen of sterk onderontwikkelde voorpoten krijgen. Het vermoeden bestaat dat verkeerde omstandigheden in de kweekbak en verkeerde voeding van de larven, inteelt of verkeerde voeding van de ouderdieren hierbij een rol spelen. Benodigde ervaring: De Koreaanse vuurbuikpad is geen veeleisende diersoort en daardoor ook geschikt voor beginnende amfibieënhouders. Zorg er wel voor dat u zich van tevoren goed informeert. Het opzetten en in stand houden van een terrarium is niet eenvoudig, enige ervaring met aquaria en terraria is gewenst. Aanschaf en kosten: Zorg ervoor dat u minimaal twee weken vóór de aanschaf van padden een volledig ingericht terrarium klaar hebt staan. In die twee weken moet u het terrarium belichten en bevochtigen zoals u zou doen als er al dieren in zouden zitten. Meet met behulp van thermometers en hygrometers of de temperatuur en luchtvochtigheid in het terrarium voldoen aan de eisen van de vuurbuikpad. Het duurt namelijk ongeveer twee weken voor de bodembedekking vocht heeft opgenomen en het klimaat in het terrarium is gestabiliseerd. U koopt een Koreaanse vuurbuikpad bij een gespecialiseerde reptielen- en amfibieënwinkel of bij een kweker. Let er bij de koop op dat de padden een levendige indruk maken. Let ook op de omstandigheden waaronder ze door de verkoper worden gehouden: koop geen dieren uit een vervuilde of overbevolkte bak. Kies voor nakweekdieren, deze zijn minder gevoelig dan wildvangdieren en hebben geen stressvol transport hoeven door te maken, met soms zelfs vermagering en verwondingen tot gevolg. Koreaanse vuurbuikpadden zijn te koop vanaf enkele tientallen euro’s. Een bakje krekels van tien gram kost enkele euro’s en de prijs van een pot vitamine- en mineralenpoeder van 100 gram om de prooidieren mee te bepoederen begint bij ongeveer tien euro. Voor de aanschaf van een compleet terrarium, inclusief verlichting en verwarming, moet u rekenen op een bedrag van enkele honderden euro’s. Terrariumplanten zijn te koop vanaf enkele euro’s. Bij de daglichtlampen moet u er rekening mee houden dat ze regelmatig vervangen moeten worden, aangezien ze per dag een groot aantal branduren hebben. Een UVB-lamp moet, afhankelijk van de lamp, elke drie tot twaalf maanden vervangen worden. Houd naast de kosten voor de aanschaf en verzorging ook rekening met eventuele dierenartskosten. Aandachtspunten: Sluit u aan bij een terrariumvereniging: u kunt er advies inwinnen en ervaringen delen. (Bron: www.licg.nl)Koraalteenboomkikkerhttp://www.animalqueen.nl/c-1938291/koraalteenboomkikker/ De koraalteenboomkikker is een bijzondere boomkikker met zijn grote formaat en horizontale pupillen. Ze kunnen goed springen en klimmen en zijn van nature niet schuw aangelegd. Hou er rekening mee dat de mannen het hele jaar door luid kwaken en daarmee voor overlast kunnen zorgen. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de koraalteenboomkikker het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De koraalteenboomkikker (Litoria caerulea) behoort tot de familie van de boomkikkers (Hylidae). Hij wordt ook Australische boomkikker en reuzenboomkikker genoemd. Deze soort is niet giftig. De koraalteenboomkikker is één van de grootste soorten boomkikkers: de lengte varieert van zeven tot elf en een halve centimeter. Ze hebben een brede, stomp eindigende kop en grote, wat uitpuilende ogen. De ogen zijn goudgeel van kleur en hebben een horizontale pupil. Dit is kenmerkend voor Litoria soorten: alle andere boomkikkersoorten hebben namelijk vanwege hun nachtelijke levenswijze een verticale pupil. Van het oog tot de voorpoot loopt een duidelijk zichtbare huidplooi. In het midden van deze plooi is het trommelvlies zichtbaar als een lichtere schijf. De kleur van de kikker is meestal heldergroen tot blauwgroen, maar kan bij een afwijkende temperatuur of luchtvochtigheid ook bruin zijn. Angstige of zieke kikkers kunnen zelfs diep donkerbruin tot zwart kleuren. De buikzijde is altijd lichter tot wit. De onderzijde van de poten heeft een roodachtige kleur. Soms zijn er kleine, witte tot gele donkeromzoomde vlekjes aanwezig op de flanken of op de rug. Naarmate het dier ouder wordt neemt het aantal vlekjes toe. De huid heeft een wasachtige glans door een vettige huidafscheiding die de kikker in staat stelt te overleven in een droger klimaat dan de meeste andere boomkikkers. Door de grote hechtschijven aan de tenen kunnen koraalteenboomkikkers uitstekend klimmen, ook op zeer gladde oppervlakken zoals glas. Koraalteenboomkikkers kunnen gemiddeld zestien jaar oud worden. Verschillende varianten: De koraalteenboomkikker wordt soms verward met twee andere Litoria soorten, namelijk Litoria splendida en Litoria infrafrenata. Litoria splendida heeft echter gifklieren aan de kop en Litoria infrafrenata heeft een duidelijke witte onderlip en wordt groter (tot dertien centimeter) dan de koraalteenboomkikker. Van nature: De koraalteenboomkikker komt in het wild voor in Australië en Nieuw-Guinea. Ze komen nog algemeen voor, maar zijn wel beschermd en de wildvang is aan banden gelegd. Koraalteenboomkikkers zijn meestal schemer- en nachtactief maar kunnen ook overdag actief zijn, vooral na een regenbui. Ze leven op warme en vochtige plaatsen in loofbossen, voornamelijk aan de randen en op open plekken, of in tropische regenwouden. Deze kikker leeft meestal in de top van bomen bij stilstaand oppervlaktewater, maar wordt soms ook ver van water gevonden. Overdag zit hij meestal verscholen op een koele, vochtige plek, afgeschermd van zonlicht om waterverlies tot een minimum te beperken. ’s Avonds dalen de dieren af om voedsel te zoeken en de mannetjes ook om te kwaken. Mannetjes kwaken ook buiten het paarseizoen, vermoedelijk om hun positie aan te geven en eventuele concurrenten af te schrikken. Overigens kunnen vrouwtjes ook kwaken, maar zij laten hun stem minder vaak horen dan de mannetjes. Als het droge seizoen aanbreekt, graaft de kikker zich in in de bodem en maakt een soort cocon, bestaande uit afgeworpen huid en slijm, om vochtig te blijven. Als het natte seizoen aanbreekt begint de voortplantingstijd en komen de kikkers massaal tevoorschijn. De koraalteenboomkikker is geen schuwe kikker: wilde exemplaren dringen regelmatig huizen binnen. Verder is de kikker in het algemeen uitzonderlijk rustig. Als wilde koraalteenboomkikkers zich bedreigd voelen, produceren ze een voor het menselijk gehoor zeer onaangenaam piepgeluid. Dieren in gevangenschap doen dit meestal niet. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken. De koraalteenboomkikker kan alleen of in kleine groepjes worden gehouden. Zorg ervoor dat de kikkers van vergelijkbare grootte zijn, anders kunnen de grotere de kleinere opeten of het voer voor de neus van de kleinere wegkapen. Een ruim en hoog terrarium is noodzakelijk, omdat de kikker moet kunnen springen en klimmen. Voor één of twee boomkikkers is een terrarium van minimaal 125 liter nodig. Voor iedere extra kikker moet hierbij ongeveer 45 liter worden opgeteld. Voor een groep van twee paartjes is een terrarium met afmetingen van 60 x 50 x 90 centimeter geschikt. Kies voor het terrarium een stabiele plek zonder tocht, met veel zonlicht, maar niet te lang in de volle zon. Het terrarium moet gemaakt zijn van materiaal dat tegen vocht kan en niet kan rotten. Beplant het terrarium met robuuste planten zoals philodendrons en bromelia’s en stevige takken om in te kunnen klimmen. Ook druivenstronken en stobben (harde eikenstronken) zijn geschikt om in te klimmen. Onder platen kurkschors of in uitgeholde stammetjes kunnen de dieren zich verschuilen. De achterwand van het terrarium moet afgeschermd zijn zodat de kikkers gemakkelijker een rustplek kunnen vinden. Als bodembedekking zijn grotere stukken schors, grootstenig grind en turfmolm of kokosvezel geschikt. Het is belangrijk dat de bodembedekking voldoende vocht vasthoudt, u kunt deze daarom bedekken met een laag mos. Bied een waterbak aan waarin de kikkers kunnen baden. Deze mag maximaal een derde deel van het totale bodemoppervlak beslaan. De bak mag verder niet te diep zijn, koraalteenboomkikkers zijn namelijk niet zulke goede zwemmers en kunnen anders verdrinken. Een goede stelregel is dat de kikkers zittend in het water hun kop boven water moet kunnen houden. Zorg er ook voor dat de kikkers gemakkelijk in en uit het water kunnen klimmen. Koraalteenboomkikkers produceren vanwege hun grootte een behoorlijke hoeveelheid ontlasting. Gebruik voor de inrichting daarom zoveel mogelijk voorwerpen die gemakkelijk uit het terrarium kunnen worden gehaald om schoon te maken. Plaats planten het liefst in een pot in plaats van in de bodem van het terrarium. Zorg er wel voor dat de potten stevig staan. De luchtvochtigheid in het terrarium dient overdag op ongeveer 50 tot 60% te worden gehouden. ’s Nachts mag de vochtigheid hoger zijn, namelijk 80 tot 95%. Hou dit op peil door iedere avond lauw water te sproeien. Na het uitschakelen van de verlichting zal de luchtvochtigheid dan oplopen richting 100%. Deze moet ’s ochtends na het inschakelen van de volledige verlichting door ventilatie teruggebracht worden naar tussen de 50 en 60%. In het terrarium kunt u het beste zacht (= kalkarm, minder dan 7oDH) water met een neutrale zuurgraad (pH=7) gebruiken. Hard water geeft na verloop van tijd namelijk aanslag op bijvoorbeeld de ramen. Het water mag geen chloor bevatten. Kraanwater kunt u indien nodig ontchloren door het minimaal 24 uur in een emmer te laten staan. De verlichting in het terrarium mag twaalf tot veertien uur per dag branden. Zet de lampen op een tijdklok en schakel ze één voor één om de tien minuten in of uit om een geleidelijke zonsop- en ondergang na te bootsen. Maak voor de verlichting gebruik van daglichtlampen en UVB-lampen. Vaak wordt een breed lichtspectrum verkregen door een combinatie van verschillende daglichtlampen, zoals TL-buizen, PLL-lampen, PLE-lampen en halogeenlampen. Laat u hierover goed informeren door iemand met ervaring in het inrichten van terraria. Aan het einde van de dag kunt u de lampen uitschakelen voor een natuurlijk dag-nacht ritme. Eventueel kunt u overgaan op maanverlichting (lampje van 15 Watt of een blauwe maanlichtlamp). De kikkers worden ‘s nachts actief en zullen op jacht gaan naar voedsel. Maanverlichting stelt u in staat de jagende dieren te observeren. De daglichtlampen geven naast licht ook veel warmte af: vaak is dit voldoende om het terrarium mee te verwarmen. Onder de lampen kunnen de kikkers zich opwarmen: zorg daarom voor voldoende zitplekken onder de lampen maar voorkom dat de kikkers direct in contact kunnen komen met de lampen in verband met brandwonden. Als extra verwarming van het terrarium nodig is, kan dat met behulp van verwarmingskabels, een verwarmingsmatje op de bodem van het terrarium of door een warmtelamp. De dagtemperatuur moet 26 (onderin het terrarium) tot 32 graden Celsius (bovenin) bedragen, de nachttemperatuur 20 tot 24 graden. Goede ventilatie is erg belangrijk voor een terrarium. In kleinere terraria volstaat in de meeste gevallen de natuurlijke luchtcirculatie. In grotere is vaak mechanische ventilatie noodzakelijk. ’s Ochtends als de hoofdverlichting wordt ingeschakeld mag er sprake zijn van condensvorming op de voorruit van het terrarium en op de planten, maar in de ochtend moet dit opdrogen. Gebeurt dit niet, dan is er onvoldoende ventilatie en moeten er extra natuurlijke of mechanische ventilatiemogelijkheden worden aangebracht. Vermijd tocht! Winterrust: In de koelere winterperiode gaan koraalteenboomkikkers in winterrust ter voorbereiding op de voortplanting. Als u met de kikkers wilt kweken moet u de omstandigheden aanbieden waarin de kikker zijn winterrust kan houden. Geef dan gedurende vier tot zes weken een temperatuur van maximaal 23 graden Celsius en een belichting van tien uur per dag. Het sproeien moet gedurende deze periode worden gestaakt en er moet een waterpoeltje van acht centimeter diep aanwezig zijn. Daarna moet de luchtvochtigheid een paar maanden tot 70 à 85% worden verhoogd. Dit bootst namelijk de regentijd na, waarin de kikker zich van nature voortplant. Deze luchtvochtigheid kan behaald worden door het terrarium meerdere keren per dag te sproeien met lauwwarm water. Begin niet zomaar aan het kweken van koraalteenboomkikkers: laat u eerst voorlichten door een ervaren kweker over de winterrust en het kweken zelf. Verzorgen en hanteren: Koraalteenboomkikkers zijn zeer tam en springen niet snel weg. Toch moeten ze zo min mogelijk worden gehanteerd vanwege hun kwetsbare huid en het gemak waarmee stoffen van mensenhanden door de kikkerhuid worden opgenomen. Ze kunnen indien noodzakelijk gevangen worden door ze in een bakje te laten lopen of springen zonder ze daarbij met de handen aan te raken. Kikkers kunnen vervoerd worden in een plastic transportbox met daarin een vochtig stukje mos. Als hanteren met de handen echt noodzakelijk is moeten de handen van tevoren grondig worden gewassen met uitsluitend water (geen zeep!). Na het hanteren moeten de handen juist wel met zeep worden gewassen, omdat bepaalde stoffen die door de huid van de kikker worden afgescheiden irritatie van de menselijke huid kunnen geven. Bij de verzorging van de koraalteenboomkikker is het schoonhouden van het terrarium erg belangrijk. Ontlasting en ander afval zoals dode plantendelen en voedselresten dienen dagelijks uit het terrarium te worden verwijderd. Het water in het waterbad moet minimaal om de dag ververst worden. Haal losse voorwerpen regelmatig uit het terrarium en spoel ze af. Ook mos en planten in potten kunnen voorzichtig afgespoeld worden. Voor het schoonmaken mag alleen warm water zonder schoonmaakmiddelen worden gebruikt, omdat achtergebleven restanten van schoonmaakmiddelen door de huid van de kikker kunnen worden opgenomen en het dier kunnen schaden. Als desinfectie noodzakelijk is moet grondig worden nagespoeld en afgedroogd. Voeding: De natuurlijk voeding van koraalteenboomkikkers bestaat voornamelijk uit insecten en af en toe kleine kikkers, jonge vogels, vleermuizen en knaagdieren. Voer dieren in gevangenschap met huiskrekels en/of sprinkhanen aangevuld met regenwormen en pinkies (pas geboren muizen). Bij voorkeur worden de insecten levend gevoerd. Deze kunnen gewoon in het terrarium worden losgelaten. Het voeren van dode prooien is ook mogelijk, maar die moeten dan wel worden bewogen met een voedertang, omdat de kikker ze anders niet als prooi herkent. Verwijder niet opgegeten levende prooidieren uit het terrarium om te voorkomen dat ze rustende kikkers storen of beschadigen. Jonge koraalteenboomkikkers kunnen worden gevoerd met fruitvliegjes en kleine meelwormen. Als u levende voedseldieren koopt, mogen deze niet te lang in het doosje blijven zitten, want dan gaat de kwaliteit snel achteruit. Goed gevoede voedseldieren zijn het beste voedsel voor uw kikkers. Meelwormen kunt u voeden met brood, krekels met hondenbrokjes en goed gewassen groente en fruitvliegjes met fruit. Zorg ook voor drinkwater. ’s Zomers kunt u eventueel zelf insecten vangen, maar houdt er rekening mee dat deze geen bestrijdingsmiddelen bij zich mogen dragen! Geef uw koraalteenboomkikker niet te veel voer. Deze soort staat namelijk bekend om zijn schijnbare onverzadigbaarheid en het vermogen veel vet op te slaan. Met name oudere exemplaren ontwikkelen dan vetkwabben op de kop die uiteindelijk over de ogen gaan hangen. De kikkers gaan er dan ook rubberachtig uitzien. Geef volwassen dieren twee tot drie keer per week ongeveer tien krekels of vier sprinkhanen per dier. U kunt ook dagelijks kleinere hoeveelheden geven. Geef hiernaast maximaal één pinkie per dier per veertien dagen. Jonge dieren mogen meerdere keren per dag kleine hoeveelheden voedsel krijgen. Bij boomkikkers in gevangenschap kunnen tekorten ontstaan, zoals een tekort aan vitamine D3. Vitamine D3 wordt in de natuur met behulp van ultraviolet B (UVB)-licht uit direct zonlicht in de huid aangemaakt. UVB-licht dringt echter niet door glas heen. Daarom moet aan dieren in een terrarium vitamine D3 en UVB-licht gegeven worden. Meestal wordt gekozen voor bepoedering van prooidieren met een vitamine- en mineralenmengsel. In de meeste vitamine- en mineralenmengsels voor terrariumdieren zit vitamine D3. Zo’n mengsel is ook nodig ter aanvulling van andere vitaminen en daarom moeten de prooidieren altijd bepoederd worden met zo’n vitamine- en mineralenmengsel. Laat u over de dosis die uw dieren nodig hebben informeren door iemand met ervaring. Voor de meeste mengsels geldt dat de zeer jonge kikkers dit dagelijks moeten krijgen, de wat oudere een tot twee keer per week en de volwassen exemplaren eens per week. Het beste tijdstip om koraalteenboomkikkers te voeren is het moment dat de hoofdverlichting wordt uitgeschakeld. De meeste dieren worden echter ook actief als u overdag voert. Voortplanting: De koraalteenboomkikker maakt net als andere kikkers een metamorfose door: vanuit een kikkervisje ontwikkelt hij zich tot een kikker. De vrouwelijke boomkikkers worden gemiddeld groter en plomper dan mannetjes. Mannetjes hebben een grijze gerimpelde keel (de kwaakblaas) en vrouwtjes een gladde witte. Koraalteenboomkikkers zijn geslachtsrijp op een leeftijd tussen de een en drie jaar oud. Toch wordt aanbevolen niet met de dieren te kweken voordat ze drie jaar oud zijn. Jongere kikkers zijn namelijk vaak nog niet sterk genoeg om de droge overwintering, die voorafgaat aan de kweek, te overleven. De natuurlijke voortplantingstijd van de koraalteenboomkikker is de regentijd, welke ongeveer loopt van november tot en met februari. De mannetjes ontwikkelen in het paarseizoen een zwart kussen op de duim waarmee ze een betere grip op het vrouwtje hebben tijdens de paring. De mannetjes lokken vrouwtjes door ’s nachts vanuit bomen luid te kwaken. Als een vrouwtje op het gekwaak afkomt, vindt de paring plaats in het water. Het mannetje houdt het vrouwtje in een soort houdgreep (amplexus genaamd). Dit kan soms dagen duren. Het vrouwtje zet haar eieren af en tegelijkertijd worden ze door het mannetje bevrucht. De eitjes worden afgezet in stilstaand water. Het legsel bestaande uit zo’n 200 tot 2000 eieren. Na ongeveer 24 uur zinken de eieren naar de bodem. Er is geen sprake van broedzorg. Na één tot drie dagen komen de eieren uit. Pas uitgekomen kikkervisjes zijn ongeveer acht millimeter lang. Het kikkervisje is bruin van kleur en gevlekt. Naarmate het zich verder ontwikkelt wordt het ook steeds donkerder van kleur. De buik wordt echter steeds lichter. In de natuur duurt de volledige ontwikkeling van ei tot kleine kikker slechts ongeveer zes weken, in gevangenschap tot drie maanden. De kikkervisjes zijn alleseters: ze eten vooral algen, maar kunnen ook gevoed worden met fijngewreven vlokvoer voor vissen. Heeft u een aparte kweekbak, dan moet na het uitkomen van de eieren de bak afgedekt worden met gaas om te voorkomen dat de jonge kikkers ontsnappen. Zodra de voorpoten zichtbaar worden moeten de larven op het droge kunnen. Zorg daarom voor vlotten van kurkschors of een landgedeelte met een schuine oever. Een zeer goede waterkwaliteit is van groot belang! Ziekten en aandoeningen: Schimmelinfecties, bacteriële infecties en parasitaire darminfecties komen voornamelijk voor bij kikkers die onder verkeerde omstandigheden worden gehouden. Daarnaast kunnen dergelijke infecties in uw terrarium worden geïntroduceerd door de aankoop van nieuwe dieren. Het is daarom aan te raden nieuw aangekochte dieren eerst een paar weken in een quarantainebak te houden voordat u ze bij de andere dieren plaatst en geen wildvangdieren te kopen, maar te kiezen voor nakweek. De schimmel Batrachochytrium dendrobatidis doodt wereldwijd op grote schaal kikkers doordat de huid wordt aangetast. De meeste andere infecties zijn echter vaak goed te behandelen met medicijnen. Ga daarom als uw kikkers minder actief worden, vermageren, minder eetlust hebben of huidveranderingen (donkerbruin of zwart, dof) of afwijkende ontlasting hebben naar uw dierenarts met verstand van amfibieën en zorg dat u zo vers mogelijke ontlasting van de dieren in een potje bij u heeft. U kunt de ontlasting eventueel enige tijd bewaren in de koelkast, maar sommige parasieten zijn na enkele dagen niet meer te zien. Uw dierenarts kan vervolgens de dieren en de ontlasting onderzoeken en het passende medicijn voorschrijven. Wacht niet te lang met een bezoek aan de dierenarts: hoe eerder ingegrepen wordt, hoe groter de kans op genezing. Door een tekort aan kalk en/of vitamine D3 kan bij terrariumdieren rachitis ontstaan, een aandoening met weke botten die gemakkelijk vervormen en breken. De dieren kunnen dan niet meer goed springen en klimmen en dus geen prooien meer vangen. Ook diverse andere ziekteverschijnselen kunnen gelinkt zijn aan deze oorzaak. Een goed vitamine- en mineralenmengsel om de voedseldieren mee te bepoederen is dus zeer belangrijk. Misvormingen bij de metamorfose komen nog wel eens voor, er ontstaan bijvoorbeeld kikkervisjes die helemaal geen of sterk onderontwikkelde voorpoten krijgen. Het vermoeden bestaat dat verkeerde omstandigheden in de kweekbak en verkeerde voeding van de kikkervisjes, inteelt of verkeerde voeding van de ouderdieren hierbij een rol spelen. Benodigde ervaring: De koraalteenboomkikker is een eenvoudig te houden boomkikker. Voor het op een verantwoorde wijze houden van dit huisdier is geen specifieke ervaring met boomkikkers nodig, maar enige ervaring met aquaria en terraria is gewenst. Zorg ervoor dat u zich van tevoren goed informeert. Aanschaf en kosten: Zorg er voor dat u minimaal twee weken vóór de aanschaf van kikkers een volledig ingericht terrarium klaar hebt staan. Het duurt namelijk ongeveer twee weken voor het hout vocht heeft opgenomen en het klimaat in het terrarium is gestabiliseerd. In die twee weken moet u het terrarium belichten en bevochtigen zoals u zou doen als er al dieren in zouden zitten. Meet met behulp van thermometers en hygrometers of de temperatuur en luchtvochtigheid in het terrarium voldoen aan de eisen van de koraalteenboomkikker. Let er bij de koop op dat de kikkers een levendige indruk maken. De huid moet vochtig en glanzend zijn en geen wonden of andere beschadigingen vertonen. Let ook op de omstandigheden waaronder ze door de verkoper worden gehouden: koop geen dieren uit een vervuilde of overbevolkte bak. Kies voor nakweekdieren, deze zijn minder gevoelig dan wildvangdieren en hebben geen stressvol transport hoeven door te maken, met soms zelfs vermagering en verwondingen tot gevolg. Daarnaast staat het voortbestaan van wilde populaties onder druk door het wegvangen van dieren voor de terrariumindustrie. Koraalteenboomkikkers kunt u kopen bij kwekers of bij gespecialiseerde terrariumwinkels. Ze zijn te koop vanaf ongeveer enkele tientallen euro’s. Een bakje krekels van tien gram kost een paar euro’s, een pot vitamine- en mineralenpoeder van 100 gram koopt u vanaf tien euro. Voor de aanschaf van een compleet terrarium, inclusief verlichting en verwarming, moet u rekenen op een bedrag van enkele honderden euro’s. Terrariumplanten zijn te koop vanaf enkele euro’s. Bij de daglichtlampen moet u er rekening mee houden dat ze regelmatig vervangen moeten worden, aangezien ze per dag een groot aantal branduren hebben. Een UVB-lamp moet, afhankelijk van de lamp, elke drie tot twaalf maanden vervangen worden. Houd naast de kosten voor de aanschaf en verzorging ook rekening met eventuele dierenartskosten. Aandachtspunten: Houd er rekening mee dat mannetjes het hele jaar door ’s avonds en ’s nachts luid kunnen kwaken. Sluit u aan bij een terrariumvereniging: u kunt er nuttig advies inwinnen. (Bron: www.licg.nl)Groene Boomkikkerhttp://www.animalqueen.nl/c-1938289/groene-boomkikker/ Groene boomkikkers zijn erg mooie, maar in het voorjaar ook luidruchtige dieren. Overdag rusten ze vaak in de beschutting, maar in de schemering en ’s nachts worden ze actief en gaan ze op jacht naar hun prooi. Ze kunnen zeer goed springen en klimmen, wat het leuk maakt om naar deze dieren te kijken. Kies het juiste dier voor uw situatie: lees vóór het kopen eerst of de groene boomkikker het huisdier is dat u zoekt. Algemeen: De groene boomkikker (Hyla cinerea) behoort tot het geslacht Hyla, een van de 30 geslachten van de familie van de boomkikkers. Hij heeft een grasgroene kleur met op de flanken een duidelijke witte tot goudgele zijstreep. Deze streep loopt van de neus, onder het oog door naar de achterpoten. De buik is korrelig wit. Door veranderingen in temperatuur, luchtvochtigheid of gezondheid kunnen kleurveranderingen van donkergroen tot bruingrijs voorkomen. Onder normale omstandigheden zijn groene boomkikkers ’s nachts lichter, geelgroen van kleur. Vaak zijn er op de rug witte tot goudgele vlekjes aanwezig. Het trommelvlies is goed zichtbaar. Voor het klimmen zijn de vingers en tenen van alle boomkikkers uitgerust met hechtschijven. Bij de groene boomkikker zijn deze vrij groot. Mits op de juiste wijze verzorgd kunnen groene boomkikkers in gevangenschap zes jaar oud worden, twee tot vijf jaar komt echter vaker voor. Verschillende varianten: Er zijn geen verschillende rassen of kleurvormen bekend van de groene boomkikker. Van nature: De groene boomkikker leeft in het wild in Noord-Amerika en komt zelfs zeer algemeen voor in grote delen van het zuidoostelijk deel van de Verenigde Staten. Hij leeft in bomen en struiken, meestal in de buurt van water. Groene boomkikkers zijn actief bij schemering en ’s nachts. Overdag rusten ze op een beschutte plek, het liefst op een groot plantenblad. Groene boomkikkers kunnen grote sprongen maken. Dit komt ook van pas bij het jagen: ze bespringen hun prooi. Het jagen vindt meestal ’s nachts plaats, maar ook na een regenbui kunnen de kikkers tevoorschijn komen om te jagen. Huisvesting: Bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een terrarium komt heel wat kijken. In de handleiding over terrariumtechniek leest u hoe u dat aan kunt pakken. Groene boomkikkers kunnen in groepen gehouden worden. Verschillende en gelijke geslachten kunnen prima samen in één terrarium. Omdat groene boomkikkers moeten kunnen springen en klimmen is een vrij groot terrarium nodig: de minimale afmetingen zijn 100 x 50 x 50 centimeter (hoogte x breedte x diepte) voor een klein groepje van vier tot zes dieren. Het terrarium moet gemaakt zijn van materiaal dat tegen vocht kan en niet kan rotten. Zet het terrarium niet op de tocht, stabiel en kies een plek met veel daglicht, zodat de kikkers kunnen zonnebaden, maar niet te lang in de volle zon. Het bodemoppervlak van het terrarium moet bestaan uit een land- en een watergedeelte, met daarvan ongeveer driekwart land en één kwart water. Het waterpeil mag ongeveer tien tot vijftien centimeter bedragen. Zorg voor een waterdichte scheidingswand tussen water en land. Een watervalletje helpt bij het zo schoon mogelijk houden van het water. Hydrokorrels en grind zijn geschikt voor bekleding van de bodem van het watergedeelte. Het landgedeelte moet ingericht worden met takken en een vocht vasthoudende bodembedekking zoals hydrokorrels. Leg daar bovenop turfplaatjes en/of platte stenen en eventueel een laag mos. Boomkikkers kunnen nogal wat ontlasting produceren, wat infecties kan veroorzaken wanneer dit niet op tijd wordt verwijderd. Het beste is daarom om ervoor te zorgen dat de inrichting eenvoudig uit het terrarium te verwijderen is, zodat het met schoon water gereinigd kan worden. Het terrarium moet verder aangekleed worden met liefst grootbladige planten, zoals Philodendron soorten en wat stevige takken. Overdag zullen de kikkers vaak op de bladeren zitten om te rusten. Boomkikkers leven daarnaast ook graag in Bromelia’s. Behalve planten kunnen ook platen kurkschors dienen als schuilplaats. Tot slot kan de inrichting compleet worden gemaakt met boomstronken en stobben (eikenstronkjes). Deze zijn te koop bij terrariumzaken en sommige tuincentra. De lichtbronnen van het